(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Beschryving van Ysland, Groenland en de Straat Davis. : Bevattende zo wel ene bestipte bepaling van de ligging en grote van die eilanden, als een volledige ontvouwing van hunne inwendige gesteltenis, vuurbrakende bergen, heete en warme bronnen enz. een omstandig bericht van de vruchten en kruiden des lands; ..."

t 



» 



«C 




Sttim Carter $nrttm. 



< / 



*v 



k 



—Li 

— , *a 



» 



^"" , 



*v- 







■ 







t 






BESCHRYVING 



***m 



■IkMfftM 



VAN 



Y S L A N D, 

GROENLAND 

^ E N D E 

STRAAT DAVIS. 

Bevattende zo wel ene beftipte bepaling van de ligging en 
grote van die Eilanden,als een volledige ontvouwing van hunne 
inwendige gefteltenis , vuurbrakende Bergen , heete en war- 
me Bronnen enz. een omfïandig Bericht van de Vruchten 
en Kruiden des Lands ; van de wilde en tamme Landdie- 
ren, Vogelen en VhTchen, de Visvangfr. derYslanders 
en hunne onderfcheide behandeling, toebereiding en 
drogen der Viffchen, voorts het getal der Inwoon- 
rfers, hunnen Aart p Levenswyze en Bezigheden 
Woningen, Kledingen, Handteering, Arbeid/ 
Veehoedery , Koophandel , Maten en Ge- 
wichten , Huwelyks Plechtigheden , Opvoe- 
ding hunner Kinderen, Godsdienft, Ker- 
ken en Kerke nbefhmr , Burgerlyke Rege- 
ring, Wetten , Strafoeffenmgen en wat 
wyders tot de kennis van een Land 
vereifcht word. 
Door den Heer 

JOHAN ANDERSON, 

Doéïor der Beide Rechten^ en in lieven eer (ie Bvrgermeefter 

\t« i dB £! or P- Keizer We Ryksftad Hamburg. 

verrykt met Platenen een nieuwe naauwkeurige Landkaart der 

ontdekkinge , waar van in dit Werk gefproken word. 

Vit het Hoogduits vertaalt. 

Door 

J* D. J. 

Waar by gevoegt zyn de Verbeteringen 
Door den Heer NIELS HORREBOW, 
Opgemaakt in zyn tweejarig verblyf op Ysland. 



RïTAV Je AMSTERDAM, 

By JAT. van DALEN BoekverkoperopdeColvcnienburgwal 
by de Staalftraat. iy^C\ 



* 






- 



I 



. 






r 






■ 






. 



. 




s c 




O O R R E D 

VANDEN 

H R Y V E 

O veel malen ikbymyzelven in eraffigeoverweeinff ee- 
nomen heb , hoedanig de grote Schepper des Hemels 
en der Aarde den rykdom zyner mogendheid , wvsheid 
en goedertierenheid zo min in de ruuwfte noordelvke 
landen, als m de zagter, zoeleren warmer gèweften 
met onbetuigt gelaten heeft; hoedahig.de wondererider 
natuur aldaar even zo overvloedig, als elders voorkomen , en den od- 
merkzamen befchouwer zelfs op ene byzondere wvze, mitsdien 
ook des te meer vermaken en des te krachtiger tot het loven en 
pryzen des Allerhoogften aanfporen ; ja hoedanig eindelyk demen- 
Ichen aldaar opeen even zo merkwaarde , offchoon in zicriru 
wer en als het ware bevrozener wyze, In de tot hun onderhoud en 
beftaan onontbeerlyke gereedfchappen en hantering als de beaua- 
mer gelegen en beter opgevoede volkeren, naar hunne omftandiehe- 
den, hunne menlchelykheid betonen: heeft het my niet weinïe ter 
harte gegaan, daarby teffens te moeten opmerken, hoe zulks al- 
les, zo wel van de inwoondersr, uit hoofde hunner grove ongefchikt 
heid, als van de buitenlanders, uit hoofde hunner onverantwoorde^ 
lyke onachtzaamheid en verfoeyelyke geringachting , tot hier toe 
met naar behoren overwogen en derhalven niets bondigs van deze 
opmerkingwaardige gèweften de befchaafde waereld door den 
druk bekent gemaakt is. Dit heeft my, ook des te nadrukkelykeraan- 
gedreven,, daarnaar, zovele myne omstandigheden toelieten, des te 
vlytiger te vragen , te vorffchen , en 'tgunt ik deswegens vernam , zon- 
der uititel, om het der vergetelheid te ontrukken , op papier te brengen 
Voor weinige jaren genoot ik, door hulp van een goeden vriend" 
't geluk en genoegen, by gelegenheid van de nieuwe volkplantin- 
gen , ten dien tyde door de Denen niet verre van de Straat Davis 
opgerecht, van die geweften uit verfcheiden , welke aldaar een 
tyd lang geweeft zyn, iets meer en beter, dan men 'er tot noch 
toe van wilt, te vernemen en vroed te worden, 't geen ik dan ook 
voornemens ben , by deze befchryving te voegen^ Ten zelven tyde 
en zedert heb ik my inzonderheid beyvert, v;(Jn het grote -en in 
veeleiiy opzichten merkwaardig eiland Ysla&d , in plaats van 
de verminkte, gebrekkige , verouderde en met tUloze grove ver- 
dichtzelen verdorven berichten ,• waar mede men zfcktot nu toe 

* 2. "heeft 



N 










VOORREDE van den SCHRYVER. 
heeft moeten vergenoegen, iets nieuwer, gewigtiger, volkomener 
en grondiger in 't daglicht te ftellen. Hiertoe is my de hoofd - han- 
del, welke van en met dit eiland gedreven word, naar wenfchvan 
dienft geweeft, nadien jaarlyks verfcheide fchippers, gelyk ook 
enige onderkooplieden van daar met Flackvifch, Traan en derge- 
lyke lynrecnt naar de aan de Elve gelegen koninglyk deenfche ves- 
ting Glucks t ad t komen, waarvan zich de een en andere, ver- 
mits zy de medegebragte waren aan zekere kooplieden onzer ham- 
burgfche beurs verkopen , gemeenlyk, om de bedongen gelden te 
oncrangen, m perfoon te Hamburg laten vinden. Uit dezen heb ik 
de opmerkzaamften by my ontboden en nu door veel vragen dan 
door het vertonen van verfcheide Nuturalia uit myne geringe voor- 
raad hen genoopt dat zy, 't geen hun van den Natuur ö L yken 
en loLiTiKEja 1 o es tand van dat eiland , inzonderheid van 
deszelfs Zuidelyke en Oóste.lyke Kusten ( van welke ei- 
gentlyk de waren komen , waarmede met de haniburgfche kooplie- 
den handel gedreven word) mitsgaders van de aldaar Blaats hebben- 
de Hantering en Handel uit eige ondervinding bekent was, 
my naauwkeung en omftandig verhaalden, 't Gunt ik nu dus'- van 
hun te weten ben gekomen, en 't geen my ook daarenboven van 
Ysland zeker bekent was, heb ik inden beginnen flechts tot 
myn eigen genoegen kortelyk aangetekent; naderhand echter tod 
opwekking myner kinderen (op dat zy namel'yk de vele grotere wel- 
daden en gemakken, waarmede de milde Schenker alles goeds ons 
en ons vaderland boven hun naar ziel en lighaam begiftigt heef? 
des e levender mogten erkennen en in de genieting derzelvei to? 
des te dieper eerbied en dankbaarheid aangefpoort wSrden) in enige 
en andï/lerTnfH^ ^voegde aanmerkfng?n , uit de naCrkunfe 
en andere wetenfchappen ontleent, trachten op te helderen en nut- 
ter temaken Thans, nu enige vrienden, beminnaars van de na- 
tuurkunde en hunnen Schepper, welke iets van myn zamenflel ge- 
zien hebben my verzekerden , dat 't zelve, wanneer het in druk 
was, waarfchynlyk noch vele andere gelykgezinden tot een niet 
onaangenaam nancht en opwekking ter navolging eh verbetering naar 
hunne betere gelegenheid, teffens° ook tot ferdere VöhfeSSSi 
van den groten Schepper, zoude konnen dienen ; heb ilf dVwvi 
wy daarenboven, een ieder naar zyne mate, verplicht zvn den 
Ivk^h » A n H h0 ° sften Cn dG verbete Wonzes Wen zo vel [ moge- 
JL , r rd Tr', my - met we mig moeite laten overreden dlze 
tegenwoordige befchryvmg een .iegelyk, die dezelve begeert te Ie 
zen, m handen te leveren, in de°ontwyffelbare verwachting dS 
men m myn daarby geuit welmenent inzicht genoegen nemen en 
de mgeHopen feilen der menfchelyke onvolmaaktheid, ge^k ook 
myne omitandigheden ten goeden houden zal. g y 

VOOR- 




VOORBERICHT, 

Vervattende het leven van den heer Burgermeefter 

ANDERSOM 

-jErhooptelyk zal het den lezer aangenaam zyn, dit 
5 werk met enige korte en ware narichten, rakende het 
leven van den beroemden fchryver, verzelt te zien 
Buitenlanders zullen daardoor zyne verdienden ten 
nutte van den Staat en de geleerdheid nader leren ken- 
nen ; en zo vele wakkere mannen, als in zyn eeluk- 
ÏSk J*t èr -L and get n gCn en verw °nderaars zyner roem waardige ^ofl 
HÈ dgeweeft , ZyÖ ' zuIlen thans een k lein ontwerp fer om- 
handigheden zynes levens en verdienften alhier met des te meer ge- 
noegen ontfangen, als men , met uitfluiting van alle pluimnVykeiT 
mets dan waarheden offchoon geenzints alles meld/ wat tot 7 roem 
van wylen den heer burgermeefter Anderfon ïtrekken kan 
,uh Vf tt ,^ wwerdden H- Maart 1674 uit een aan- 
Z t g f aCht f b ° ren ' Z ^ n vader m de heei ' AmmonAnZ- 
fon, een beroemd en voornaam koopman dezer ftad ; zyne moeder 
Geza geboren i&ahkn, een vrouw, welke haar gefiacll i folfl 
veinsde vroomheid en zedelyke voorbeeldigheid gfenzints verzaak 
riftei f voomem <? ls geenzints, zynen roem uit het geflachtrt 
I?l -^f WWtejte ontlenen, en zyn leven door We lof- 

M len b "fi: en Cen Imller b I te zetten > die he ™ overtohfg wa4 n . 
Alleen zal ik zyne grootvaders en grootmoeders noemen Zvn 

ISshe^rï Cnnll ^ ***■ ^™f™»r**> CS ouï 
ite raadsheer te Gottenburg, uit wiens doopnaam , gelyk in Zweden 
en andere noordfche landen het bekend gebruik is, des zocms Ie 
n^ tMam \ en Uk de . n geflachtnaamvancfei vade des zoons voll" 

Sin otA Wa 7,n Zyne ^ otmoeder van diez ? de was M 
geboien O/k/jt Zyn grootvader van moeders zyde hetede ?oW 

5*oM en was oberalter dezer ftad. Zyne grootmoeder van moT 

aan^l%lh°r P " amde zorge der ouders voor hunnen zoon een 
ffiSMPS^HÖF 1 Zlch ^ m 'onnozelheid voor alle verleiding 
mzekeiheidteftelen, en zyn teder vernuft met alle wetenfchab- 
pen , waartoe het bequaam was , te bekleden. Boven aïïacf Sdl 
llch /^ Z i gen dCS Allerhoo § fte n op hem te erlangen , en moefl :hy 
zich derhalven aan een vroege Godsvrucht, als de enige bron van 

* 3 alle 






VOORBERICHT 

alle heil en een eeuwig welzyn , gewennen. In zyne tedere jaren be- 
fpeurde men in hem een goedaardigheid , vlug verftand en bequaam- 
heid, welke voor het toekomende iets groters beloofde. Mitsdien 
gaf men hem by tyds aan het onderwys van wakkere leermeefters 
over ; doch zo", dat zyne ouders hunne zorge , ter zyner opvoeding* 
gelyk gemeenlyk 't gebruik is, niet lieten varen, maar door 
hunne zorgvuldige oplettenheid den leerling en leermeefters des te 
opmerkzamer en naarftiger maakten. Reeds in die jaren, in welke 
by velen 't begrip zich naauwlyks ontdekt , ontwikkelden zich zyne 
talenten, en had hy de latynfche, griekfche en hebreeuwfche talen 
bereids in dien tyd geleert, wanneer anderen naauwlyks tot het 
leren derzelve treden ; ook is bekent , dat hy zich de beide eerftgenoem- 
de fpraken zo zeer eigen gemaakt had , als of hy in dezelve opgevoed 
was. Met deze hulpmiddelen fchiktehy zich tot de Godgeleertheid* 
doch zo , dat hy alvorens op de kennis van alle de delen der wys- 
geerte en wiskunde toelag. De toenmaals beroemde Godgeleer- 
den, Dr. Abraham Hinckelmann , en de fenior J^ohanWinckler waren, 
benevens andere geleerde mannen, aan wier afzonderlyk onderwys 
men hem toevertrouwde , zyne leermeefters. 't Befluit , om de 
kerk te dienen , werd ondertuiTchen op rypelyk overwogen gronden 
en niet onbedagt verandert, gelyk gemeenlyk plaats heeft by de-zul^ 
ken, die van de Godgeieertheid tot de Rechtsgeleerdheid overgaan; 
en gefchiede zulks op aanraden zelfs van den Dr. Hinckelmann. Die 
voorgenomen verandering wekte zyn gelukkige vlyt noch meer op,, 
en hy lag een nieuwe grond tot de grote wetenfchap, welke hy 
werkelyk bereikt heeft. > 

In 't jaar 1694 den 24. april begaf zich de heer AnderJ on inhet2ifte 
jaar zynes ouderdoms naar Leipzig , onder het opzicht van zyn Pe- 
dagoog, den heer Sebajtian Gqttfried Starcke ,"- geboortig van Bocken- 
dorf in Saxen, zedert leraar der oofterfche talen te Greifswalde, 
die wylen Dr. Hinckelmann ," gedurende zyn verblyf in Hamburg, 
in 't uitgeven van zyn Alcoran de behulpzame hand geboden heeft, 
en wiens onderwys in de ffaye wetenfchappen de heer Anderjon 
naby de 4 jaren oritfangen had. Van Leipzig deedhy èen reize die- 
per in Saxen en bezichtigde de werken der kunft en der natuur zo 
welindevorftelyke kaftelen als bergwerken. Zyne gefchreven aan- 
merkingen , welke hy over de faxifche zeldzaamheden gemaakt heeft, 
en die acht banden groot zyn , bewyzen zonneklaar, dat hy geen 
enkele verwonderaar derèelver geweeft zy, en toen reeds een ge- 
noegzame naauwe kennis in de hiftorien en oudheden bezeten heb- 
be. Zyne terugreize nam hy over Halle, weinige dagen voor de in- 
weying der hoge fchole aldaar ; doch zyn geftrenge Pedagoog lier 

zich 



— 



VOORBERICHT 
zïclrniet bewegen, den dag dier voorgenomen plechtigheid tf«» 
wachten. OndertufTchen bezichtigde hv alommVi™ Si ï a af te 

In den Jare 1695 den eerften may begaf hv zich nn »„„ 
raden en goedvinden zyner vernufte ouirsfn vrinden '£& 

XS. > frys^ 1 ^ reent, en maakte grote vorderjnïrpn in ,u 
n?n H; g , e ? h,Chten ' D t ï echtder natuur «n de veXfwtenfehaD! 
S' leerde hrie W h h SgeIeerd f r . Uitmaken en ononAee? yk zyl 

nssa WsmmÊéé 

Hy lag zich zo zeer op dezelve en lare oudheid toe as of hier , P n 
d^eM°r aa ? fte f etenfcha PP en beenzonde Z™ v yt fchran" 
hoó h giclSg Z en ,g hef a r nSWyZe ^ hem *$ S^K&SS 

der bemind, de MS%*&$^£^,&^ 
hart bevangen, en de zware koude, die hy w dereU mr ff V^ 
had, verzwakten zyne krachten zo zeer dar £, in „^ Ult geyaan 
foankheid verviel: 2och «K^Ö&fflECSfë 
ftaan , ofnammetzynekrachtenookzynvlyt weder tleDef ÏTJS 
S ^ne magen en begaf zYch naar Holland óp re 
Miierbezaghydevoornaamfte plaaden en fteden , en maakte zfchhv 
de beroemfte geleerden en kunfcnaars bekent Te DeTff ond«« P l^ 

n^pif /Sur" tóSfS' dTfv e oo d r eZ le° P i?è 
tot het onderzoeken der natuur ter verheerlykine de? ScheL m 



Juftitïw m]im rigiii firumor bmefli , 
In commune bonus. 



bei- 



I 



\ 



beide de aangenaamfte gelegenheid gaf, den grond te leggen tot de 
doorzicht en ervarenheid, die zich in de volgende tyden by gewig- 
tige ftaats - aangelegenheden by hen zo zeer ten nutte van 't va- 
derland kenbaar gemaakt hebben. Ik kan alhier niet voorby gaan, 
twe zonderlinge blyken derGoddelyke befcherming ten opzichte van 
den heer Ander/on by te brengen. Den 14. may had hy de eer, 
by zyn Excell., den heer Envoyé van Schrottenberg in den Ha- 
ge te fpyzen. Na den maaltyd reed hy met den zoon van dien heer naar 
Scheveningen , en bezag aldaar de zand-duinen , welke door de na- 
tuur zo wel geplaatft zyn, dat, zonder dezelve, het neder gedeelte 
van Holland door de zee overftroomt zoude worden. Aan zee Honden 
in dien tyd , uit hoofde der franfche kapers, enige flukken kanon ge- 
plant; gelyk zich ook werkelyk een onder hollandfche vlag vertoon-, 
de, die binnen 't bereik van een kanonfchoot genadert zynde, ter- 
wyl zy van de duinen nedergekomen waren en langs het ftrand wan- 
delden , de duinkerkfche vlag ophyfte en twe fchoten op hen deed, 
zo dat de kogels digt voorby hun morden ; waarop zy achter de na- 
by gelegen kerk vloden , en God voor zyne genadige bewaring dank- 
ten. Weinige dagen na dit voorval ondervond hy andermaal een 
doorflaande blyk der Goddelyke befchutting ; want als hy,de wyze 
van kalkbranden naauwkeurig willende befchouwen , zich in een 
oven had begeven, die onder reeds aan 't branden was, zonk de turf 
onder zyne voeten in ; zulks hy byna in den vollen gloed geftort 
en elendig omgekomen was. Ik* ga andere voorvallen , by welke hy 
gelegenheid gehad heeft , zynen Almagtigen behouder te loven , met 
ftilzwygen voorby, als onder anderen , dat hy in juny uit een zware 
krankheid verrees. In july bereide hy zich tot zvne promotie, en 
bequam den 8. Augufti 1697 te Leyden de hooglte waardigheid in 
de Rechten , na alvorens de juramento Zenmiano gedisputeert te heb- 
ben. Met deze waardigheid quam hy den 28. augufti in zyn vader- 
land terug, en fchiktezich ten dienftevan den Staat met eigenfchap: 
pen , die denzelven nuttig en heilzaam waren. 

Naauwlyks had hy zyne huishoudelyke zaken in orde gebragt , of 
begon de rechten derzulken, die in deburgerlyke zamenleving door 
de ongerechtigheid, de argliftigheid en wrevelzucht aangetaft wor- 
den , te befchutten en te verdedigen ; was een praftifyn zonder eigen- 
baat, en toonde dat het hem meer om de rechtvaardigheid der zaak, 
dan om door fchielyke middelen en ftreken ryk te worden , te doen 
ware. Dus verwierf hy niet alleen de liefde zyner Cliënten, maar 
ook de achting van die ter uitwyzing zyner rechtsklachten zaten. De 
vaderen der ftad waren ook welhaaft" bedacht, zich van de fchran- 
derheid van dezen man tot een nader en algemener nut te bedie- 
nen. 



VOORBERICHT. 

men . Hy zelf had toen heüotèn , gene waardigheden of ampten te 
■bejagen, maar zyne aanftaande jaren aan de wetenïchappen in een 
Schrandere en vlytige ftilte toe te heiligen, ten welken einde hy het 
■S tz : 1 ?. h , t , en 1 de ho P e had ' ' l £ erin S g etal van geleerde Domheren m 
Duitfchland met zyn perfoon te vermeerderen. Echter werd hy 
m den j are 1702 den 18. oclober tot fecretaiis verkoren,, in p'aats 
van den toenmaligen licent. den heer Heinrïch Slllem, die de plaats 
van den overleden heer protonotaris Alben Schulte lic vervult 
had. Hy beklede dat ampt met veel roem , en zyne grote kundig- 
heid m de belangen van den Staat maakte hem by de uitvoering 
der gewigtigfte beiluiten noodzakeJyk. De hoog wyze raad zag d? 
verdienden van dezen wakkeren man meer en meer in en hy 
werd den 19. november 1708 tot ene waardigheid verheven wel- 
ke niet dan aan mannen toevertrouwt word , die de buitenlandfche 
zo wel als de binnenlandfche belangen van den Staat volkomen ^ennen 
en aan hoven van koningen het welzyn hunner medeburgeren 
bewerken kennen. Tot algemeen genoegen der ftad werd hy fyn- 
dicus, in plaats van den heer IVolder Scbeele , J. U. D, , welke acht 
jaren onvervult gebleven was. Zyn arbeid in deze waardigheid nam 
dagelyks toe , en naar mate dezelve toenam , werd zyn yver tot 't 
gemeen welzyn des te groter. Mogelyk had men nooit meer" zorg- 
vuldigheid, nooit een reiner oordeel en fcherpzinnigheid befpeurt 
als de heer Anderfon by de toenmalige netelige omftandighedon van 
't gemene beft blyken liet. Het voegt alhier geeniïnts, het gordyn 
van een toneel van gebeurteniffen op te fchuiven , welke een eeu- 
wige vergetelheid waardig zyn. De heer Anderfon beoogde alleen 
het gemene beft, bragt het aanzien van den raad met de verligting 
der burgery overeen, en had gelegenheid, door heilzame raadfla- 
gen de ruft der ftad te helpen bevorderen, en de wetten, die door twe- 
■dïagt en onruft gekrenkt waren, in hunne kracht te herftelïen. Zyne aan- 
zienelyke en zwaarwigtige waardigheid van fyndicus beklede hy met 
een onvermoeide zorge , en zonder eige nut zyner familie vyftien 
jaren lang. De burgery zal noch na dezen het nut moeten roemen 
s t geen uit de bemoeyeniffen van dezen haren vader gedurende die 
jaren voortgevloeit is. In de waardigheid van fyndicus werd de 
heer Anderfon verfcheide malen in gewigtige aangelegenheden naar 
vreemde hoven gezonden: als in 't jaar 17 11 den 6. augufti uit naam 
der ftad, aan wylen den koning Fredrik den IV. \an Denmarken 
naar de grenzen; begaf zich den 11. dito naar Lenzen , en floot al- 
daar met de brandenburgfche , hanoverfche en wolffenbuttelfche mr* 
nifters een traciaat ten voordeele van den koophandel en de Scheep- 
vaart. In 't jaar 17 13 vertrok hy den 11. february naar Utrecht, en 

* * quarn 




VOORBERICHT. - 

quam aldaar den 24ften aan. Zyn edele aart verworf hem welhaaft: 
het vertrouwen van de keizerlyke, engeliche , franfche , fpaanfche 
portugefche en andere hoge ■ gevolmagtigde ininifters, en hy bewerk- 
te niet alleen het nut van zyne vaderlyke ftad, zo dat zy ook in het 
vredens traclaat befloten werd, maar zorgde ook teffens voor den 
vryen handel der gezamentlyke loffelyke Hanfeefteden. Dus had de 
ftad Hamburg door het fchrander en vernuftig gedrag van jharen fyn- 
dicus een zonderlinge ere.. Na dat de vrede den n. april tuffctien 
Engeland en Vrankryk getekent was , deed hy ene reize naar Am- 
ilerdam, den Hage, Leyden en andere plaatfen , zo om zyne ver- 
richtingen , als tot voldoening zyner weetgierigheid in 't bezichti- 
gen der bibliotheken , cabinetten van natuurlyke zeldzaamheden 
apotheken, en andere buitenlandfche zeldzaamheden. Te Rotter- 
dam ging hy den 17. july fcheep, en quam in een gevarelyken ftorm 
den 9. augufti te Antwerpen aan, bezichtigde vervolgens 't merkwaar- 
digfte , zo van die ftad als de omliggende , en keerde voorts weder 
naar Utrecht, van waar hy den 17. feptember zyne terug reize ein- 
delyk aannam , en niet voor den 4. juny 17 14 te Hamburg terug 
quam, als hebbende zich zo wel aan het hanoverfche als brunswyk- 
fche hof enigen tyd moeten ophouden. Ik kan niet voorby als een 
verwonderenswaardig bewys van de-vlyt en opmerkzaamhei ei van de- 
zen man aan te halen , dat zyn geleerd dagregifter van die reize 
waarin hy door een fchrandere voorbedachtzaamheid niets hëtffefinéfte 
van zyne Staatsverrichtingen fpreekt, meer dan 200 bladen groofts* - 
hebbende daarin van dag tot dag enkel enige natuurkundige, eeoera- 
phiiche, mechanifche, oeconomifche en andere merkwaardigheden 
welke hy hy de geleerden en konftenaars gezien had en vroed gewor' 
oen was , aangetekent. ° 

Bereids den 7. july 1714 moeft hy weder naar het congres van 
Baden vertrekken, en was aldaar in zyne verrichtingen ten voordele 
van zyn vaderland niet min gelukkig, dan te Utrecht. De uren ^wel- 
ke hem zyne bezigheden overig lieten , beftede hy aan 't onderzoe- 
ken der natuur en de oudheden, en om zyne kennis hierin noch 
verder te brengen, doorreisde hy Zwitzerland , en bezichtigde «de 
wonderen der Alpen. Van deze reize vinde ik 30 bladen vol fleer- 
de aanmerkingen door hem gefchreven. In het midden van oftober 
quam hy weder te Hamburg terug 

Hoe gewigtig ook tot hier toe de gezantfehappen van den heer. 
Ander/on ge weeft waren , trad hy echter den 6. april van 't jaar 71c 
m het aanzienejykfte en gewigtigfte naar het hof van den konin^É 
Lodewyk den XIV. m gezelfchap den heer Daniel Stoctfïtb™^ ' 
wadsheer, en zedert burgermeefter.. De dood van dien- monarch- 

braM" 



Li ' ' ' 



VOORBERICHT. 

brak zyne verrichtingen af; echter had hy, na vele bemoeyingen, efn- 
delyk den 27. feptember 17 16 't genoegen, het voor Hamburg zo 
voordelig traftaat van koophandel met Vrankryk te fluiten. Gedu- 
rende zyn verblyf aan dat hof genoot hy het geluk , door de prin- 
fen van den bloede en de vreemde minifiers met een zonderlinge 
achting vereert te worden ; ook gaven hem de Hertog Regent en Ma- 
dame byzondere blyken hunner gunfle en toegenegenheid. Ligt kan 
men begrypen, dat hy in dat koningryk,'t geen de zetel der weten- 
fchappen en kunflen is, zyne neiging tot dezelve voldaan zal heb- 
ben. Het bezichtigen der bibliotheken en verkering met de voor- 
naamfle geleerden en kunflenaars was in zyn ledige uren zyn tydver- 
,dryf. Hy verkeerde vlytig met de geleerde benediótynen Montfau- 
con en la Rue , de heren Fontenelle , Boiuin , Geoffiroy ,' JuJJieu , Ma- 
raldi, Cajftni, WïnJIow, Reaumur , Baudelot , Mahudel en andere 
beruchte medeleden van de academie. De manufacturen , fabrie- 
ken, gefleentens , bergftofFen , en wat voorts de kun ft en de natuur 
zienswaardig in dat ryk voortgebragt hebben, konden zyne weetgie- 
righeid niet ontgaan. Ik zoude in ftaat zyn , de waefeld uit zyne 
handfchriften , welke van deze reize over de 100 bladen beflaan, uit 
de natuurlere , de tuigwerkkunde , de geographie en andere we- 
tenfchappen narichten mede te delen, welke zy even zo begerig als de 
reisbefchryving van een MiJJbn, een Toumefort,en een Kei/Ier on t- 
fangen zoude. In dit tydpe'rk des levens van dezen roemwaardi- 
' gen man moet ik ook noch aanroeren , dat George de eerjte , glor. 
ged. , welke noch als keurvorfl hem in Hanover leerde kennen , zy- 
ne Schranderheid in de Staatszaken hoog fchattede , en zyne tegen- 
woordigheid zeer dikwerf by degeheimfte beraadflagingen niet alleen 
verlangde, maar hem ook opentlyk verfcheide malen geroemt heeft. 
Deze gunflige toegenegenheid ondervond hy noch , toen deze mo- 
narch vertrok, om bezit van den grootbrittannifchen troon te nemen: 
want wanneer de verrichtingen van den heer Ander/on door de dood 
van Lodewjk den XIV. aan 't franfche hof afgebroken waren , liet 
zyne groot^brittannifche majefleit hem door dèn geheimen raad van ' 
Kemftorf, welke dien vorfl naar Engeland verzelde , ontbieden , 
om insgelyks derwaards te komen, en aan de raadflagen en befluiten van 
zyne majefleit deel te nemen. Hoe voordelig deze hoge koninglyke 
gunfle zo wel voor den heer Ander/on als teffens voor zyn vaderland 
*was , zag hy zich echter uit hoofde van byzondere omflandigheden 
. vérplicht , zich daar van te verfchonen. De hertog Anguji Wilhelm 
■ van Brunswyk fchattede en beminde hem niet minder, en bragten 
zyne treffelyke eigenfchappen te weeg , dat die grootmoedige heer 
I hem tot zynen geheimen raad benoemde ; doch onze fyndicus floeg 

* * 2 deze 



i L 



- .— .__ .1 







VOORBERICHT. 

deze ere en gunde beleefdelyk af.. Hv beminde zyn vaderland en 
wilde zich enkel ten nutte van 't zelve en ter bevordering van 'zyn 
welzyn laten gebruiken. Ook beloonde hem zyn vaderland. 

Den 5. february van 't. jaar 1723 verkreeg hy de hoogde waardig 
heid der ftad ; werd burgermeefter tot algemene vreugde van de 
burgery, die hem in zyne veeljarige regering niet als een heer, maar 
als een vader geeerthad, enmdenjare 1732 de oudfte in waardigheid 
en 3 na de ordening der ftad , GeneralijTimus.. 

Het zoude bezwaarlyk vallen , de zo vele fraye eigenfehappen van 
dezen man in hunne volle grootte te befchryven. Des te meerwenfeh- 
ten wy , zyn uitftekend caracler in de bondigfte bewoordingen al- 
hier te konnen ontwerpen , en zal het ons tot dat einde geoorlooft- 
zyn, enige weinige regelen uit Horatius te ontlenen en ons thans 
eigen te maken , om een burgermeefler onzer ftad af te malen dien 
wy m vele opzichten met de beroemfte romynfche konden vergelv- 
ken, en m wien de waarheid die eigenfehappen erkent, welke de- 
vleyery van Horatius aan Lollius toefchrvft : wart buiten kvf was 
een Ander/on. J 

Rerumque. prudens &fecundis 
Temporibus, dubiisque r'eStus 
Vindex avarce fraudis , é? abjlinens-, 
Bucentis ad Je cunfta pecunia , 
Consulque non unius anni. 
Hoe veelvuldig ook de bezigheden waren , die met zyne waardigheid 
gepaart gingen, konden zy echter zyne heerfchende neiging niet be- 
dwingen, maar deed deze hem alles te boven flvgen. Naauwlyks had 
hy de ruft aer huisgezinnen in zekerheid geflelt, naauwlyks het alge- 
meen nut des vaderlands bezorgt, of hyylde naar zynetahyke biblio- 
theek alwaar hy alles vond, wat zyne gelukkige viyt begeerde, en 
daar hy alleen yerquikking naar een afmattenden arbeid zoet De 
oorfprong der duitfche fprake,de wetten en oudheden der Duitfchers 
en de natuurkunde waren alhier hoofdzakelyk zyn aangenaamft tvd- 
verdryt. Zyne kenmfle in de duitfche oudheden word door de be- 
roemfte en grootfte mannen in die wetenfehap zeer dikwerf ^eroemt 
Leibmtz voeivx hem uit dien hoofde menigwerf in zyne brieVen aan 
O.nzerionfterffelyke.n mriciuï, en verlangt zeer zyne hulpe ter op- 
heldering van de oude duitfche wetten. Eckard bekent , dat onze 
burgermeefler hem m 't vervaardigen van zyn etmclcgW mttabwb/ 
of oorfprongelyk woordenboek der duitfche fprake, inzonderheid de 
behulpzame hand geboden heeft, Hoe hoog de g-rote kenner der oude 
duitfche forake TMetench von Staden zyne fcherplinnigheid en ooideel 
Si dit.ftuk waardeerde, meld ons de. vlytige heer rctfor won Seelen 

Nier 



VOORBERICHT. 

Niemand weigerde hy zyne vernuftige hulpe ; ook waren zvne ee 
leerdheid en vermogens zyne bereidwilligheid gelyk. Wat enen aan 
zienelyken byfïand hy den here Sirenius , fehryver van het DictioZ' 
Ttum Anglo-Suetbico-Latinum, toenmaals predikant te Londen en 
thans biüchop, geboden nebbe, roemt en betuigt deze zelf in de 
voorrede van zyn werk. 

Behalven de hulpe, die hy aan andere geleerden leende , arbeid* 
ny ook voor zich zelven, en bewyzen de door hem nagel a en h?nï 
iehriften ten overvloede Onder dezen is het reeds ter Wp er s. St- 
reed liggend GloJJanum Teutonicum 6? Alkmamiicum het voornaam^ 
tamelyk groot en met de nyvrigfte zorge uitgewerkt. De daarin 
bewezen kennilTe van de noordfche fpraken, waaraan het Schitter ^ 
Wacoter, onbenadeelt hunne verdienflen , gemangelt heeft ÜVeW 
ten getuige zyner waardy.Het vervat hoofdzakelyl? uitleggingen van 
de voornaamfte woorden, die by de fchryvers der midd?l-eeuw 
voorkomen Behalven dit vind men onder zyne handfchriften ook een 
groot boek deObfervationibus Juris Ger.manici, ad du£tum Elementorum 
Juris Germanm van wylen den heer Heineccius, waarin niet alleen : 
de oude duitfche rechten uit de etymologie of oorfprong, de oudhe- 
den, en de daar toe behorende oirkonden beflift, maar ook de ftólïfm 
gen van dezen onfterffelyken rechtsgeleerden verder uitgebreid^ en 
hier en- daar verbetert worden. Velen zullen met my wenfchen/dat 
de wakkere zoon van den geleerden Ander/on , dien fiy na zyne wvze- 
grondftellmgen opgevoed, en die in zyne reizen door Vrankrvk de 
roemwaarde gedachtenis van zyn vader alomme aangetroffen en ten 
voorbeeld gehad heeft, tyd en gelegenheid erlange moge, om de ge- 
leerde waereld met alleen deze , maar ook de volgende werken uit 
zyne handfchriften te leveren : als inzonderheid zyne geleerde aan- 
merkingen over het : Jus feudale, het Jus publicum en het Jus (latuta- 
num ■Hamburgen/e, Zyn oogmerk hierin flrekt, om de wetten en rech- 
ten hoofdzakelyk uit hunnen oorfprong op te helderen, waar door 
dezelve by de ^uitlegging en 't gebruik geen gering licht byge zet word 

De menigvuldige bezigheden der waardigheid van onzen burgermees-- 
ter hebben hem alleer. verhindert, die aanmerkingen in druk te geven 
Uit dezelve oorzaken is het GloJJarium Linguas veteris Saxonicce i' 
geen wylen de geleerde gereformeerde predikant te Bremen D Ger- 
hard Meyer (dien men van den beroemden breemfchen lutherfchen 
godgeleerden en fupenntendent van denzel ven naam wel onderfchei- • 
den moetj) op aanraden van Leibnitz op zich nam, blvven liggen De 
onvermoede dood van den fehryver Haakte de volvoering van dit 
ï i^-r ont 7 lood het het noodtlot , 't geen gemeneïvk zoda- 
ge. fchnften ondergaan, namelyk, of in handen van onnozelen of 



om 

werk 
ni 



*•■* 3 weet»- 




VOORBERICHT 

weetnieten, of in die der nydige manufcriptemjagers te vallen, welke 
dezelve tot afbreuk der wetenfchappen in ftof en vergetelheid begra- 
ven. Onze heer Ander jon werd 't zelve magtig, en doorbladede het on- 
leesbaar en uit enige banden beftaande manufcript met zo grote zorg- 
vuldigheid, als de fchryver zelf het ontworpen, en hy moeite gehad 
had , het van zyne erven te kopen. Hier en daar verrykte hy het met 
zyne geleerde aanmerkingen, en het zoude zekerlyk de waereld reeds 
voor ogen liggen , zo de menigvuldige bezigheden der ïlad onzen 
burgermeefter vergunnen wilden , 't zelve in meerder orde te bren- 
gen, en voor een beftipte affchryving en druk te zorgen. Dit zo even 
gemeld GloJJarium Linguce veteris Saxönim moet met het hier boven 
aangeroerde GloJJarium Teutonicum £f Allemannicum niet vermengt 
noch voor één werk gehouden worden, als welk laatite onzen Ander- 
Jon alleen toebehoort. Ik ben verplicht, deze algemene erinnering te 
doen, vermits ik uit enige fchriften, welke my onder 't oog gekomen 
zyn, befpeurt hadde, dat deze werken onder een vermengt, of ook 
voor een en 't zelve gehouden worden. 

In den aanvang van dit verhaal heb ik van de vaardigheid van den 
heer Anderfon m de oofterfche talen gewag gemaakt, waarvan ik niet 
nalaten kan, een byzonder bewys by te brengen. Toen zich de czaar 
Peter de eerfte 'm Holland bevond ," en de heren Staten Generaal be- 
volen hadden, dien monarch, aan te wyzen al wat men in hunne pro- 
vinciën merkwaardig aantreft, gaf de heer Anderfon zich voor een 
Griek uit, wiens tale hy vlug fprak, ten einde in 't gevolg van den 
keizer alles onverhindert te konnen befchouwen. Zyne neiging voor 
die talen bleek ook in zyn gantfche leven , nadien hy by zynen ar- 
beid des zondags na 't bywonen van den opentlyken godsdienft zich 
altoos met de grondtalen der H. Schrift bezig hield, en allerly fpraak- 
kundige en natuurkundige aanmerkingen over dezelve aantekende- wel- 
ke noch voor handen en niet minder den druk waardig zyn. Eindelvk 
behoort tot de fchriften van dezen geleerden man de tegenwoordige 
Bef chry ving van Tflcmd, Groenland en de Straat Davis. Nopens den in- 
houd en het oogmerk derzelve, wyze ik den lezer naar de befcheide 
voorrede van den fchryver, voegende 'er enkel by , dat men daarin 
niet enkel zyne grote geleerdheid, maar ook zyne rechtgezintheid 
aantrerren zal, nadien hy allenthalven zvne betrachtingen over de aan- 
bidlyke wegen der voorzienigheid in de onderhouding der waereld en 
der menfchen uitgeflrekt heeft. Dus verre gaan zyne fchriften. Ik 
zwyge van de veelvuldige geleerde briefwiiTeling , welke hy met de 
beroemde mannen in en buiten Duitfchland onderhield. 

hen ieder fchattede zich gelukkig, in kennis te zyn met een man , 
wiens omgang ten uiterfte voordelig was, en gantfche gelecrdegenood- 

fchap- 



VOQRDERI'CH T 
fchappeir zogten zyne vriendfchap. De keizerlyke Academia*Natur® 
Cunojorum verkoos hem m den jare 1731 buiten zyn aanzoek of weten 
tot haar medelid. Dewyl de ervarende kenners der natuur vrienden 
van onzen burgermeefter waren, viel het hem te ligter zyn uitgelezen- 
cabinet van natuurlyke- zeldzaamheden volkomener te maken Hv 
ontzag gene koften, uit de drie ryken der natuur te verkrygen al 
wat tot fieraad en volkomenheid van 't zelve diende ; doch was eeen 
zmts onder t getal van hun die meer op de veelheid dan het nut zien, 
en zonder verkiezing of orde alles- zamen rapen. In de aanleg S 
volgde hy de natuur: gelyk dezelve haren rechten loop houdend 
re werken van tyd tot tyd tot rypheid brengt, vind men dezelve ook 
in dat cabmet voor ogen geftelt. De homfergfche ftenen, waarvan 
hy meer als 1000 gedurende zyn verblyf te #arys magtig geworden 
is, ftrekken 'er m tot een groot fieraad. Deze zyn gezamentlyk co* 
pyen van de Gemmm, welke m de koningl. cabinetten gevonden wor- 
denden over welke hy teffens geleerde aanmerkingen .geflhre ven heeft 
die door anderen noch met m acht genomen zyfl Ik mene van zvne 
verkiezing en fchikkmgen genoeg te roemen, wanneer ik flechts zeg- 
ge, dat de onlangs overleden heer von Heucber dezelve tot monfter» 
genomen heeft , toen hy het koningl. poolfche en keurvorftel. faS! 
fche cabinet van natuurlyke zeldzaamheden te Dresden oprechten 
wilde. Dewyl de roem van 't cabinet van dezen heer Ander [on zich 
alomme uitgebreid had, reisde niet ligt een vreemdeling, die dusdamVe 
zaken wift te waarderen , door Hamburg, zonder zynen zeldzame 
voorraad gezien te hebben.. Onze burgermeefter was door zvne aan* 
geboren minzaamheid nooit iemands verlangen hinderlyk, en zv welke 
by hem geweeft waren, wiften niet, of zy de verftandige verkiezing van 
den bezitter van zo uitgelezen wonderen der natuur meer dan de 
heufchheid en bereidvaardigheid , met welke hy hun alles toonde en 
befchreef, roemen zouden. In hunne verhalen getuigden zv altoos zo 
wel het een als ander. J 

Gelyk de vooiTechten van onzen burgermeefter in de opent! vka 
bezigheden van zyn ampt en in de geleerdheid groot en pryswaartfi* 
waren, toonde zich ook zyn voorrang in zyne huishoudelyke omftan- 
digheden Hy nam m den jare 1700 den 17. may tot zyne echtgenote 
Margmthar de deugdryke dochter van den heer Peter Weftermann 
toenmaals decan by 't hoog-ftift alhier, welke hem echter te ontv- 
dig en te vroeg met ene by hem verwekte dochter door de dood ont- 
rukt werd. Het huwelyk , waar in hy vervolgens den 4. december 
1702 trad met de oudfte beminde dochtervan den verdienftrvken heer 
Peter von Lengerken, voormaals burgermeefter dezer ftad, was zowel 
duurzamer ais vruchtbaarder , en vermeerderden zyn huisgezin met 

elf 



VOORBERICHT. 

elf teteen uit dezen gelukkigen en vergenoegden echt. Van hunne 
volmaakte opvoeding en ware vadeiiyke voorzorge voor dezelve, 
ftrekt de enigfte icon van den geleerden heer do&or tot het dier- 
baarfte getuigenis, en leveren daarvan ook de gelukkige echten van 
vier zyner aanminnige en deugdryke dochters volkome blyken. Die 
de aanzienelyke heren fchoonzonen van onzen burgermeefter , den 
zo beroemden als ervaren heer koopman Niccl. Prejent, den hoog ge- 
leerden heer licentiaat Conr. Dieter. Volckmann, den zo zeer wakke- 
ren, beminden en hoog geleerden heer licent. en amts-verwalter te 
Bergedorf Joh Otte , en den insgelyks ervaren heer koopman JVich- 
mami Laftrop kent , zal deze waarheid gaarne beveiligen. De beide 
noch ongehuuwde juffers , dochters van onzen burgermeefter , zyn 
nietmin vruchten van een vernuftige en zedelyke opvoeding. 

By al 't geen alhier, zonder de waarheid door vlyery te verheffen, 
<*ezegt is, "zal ik ten befluite des levens van dezen beroemden man 
een kort ontwerp van zyn chara&er voegen. Zyne geleerdheid blinkt 
in zyne fchriften uit, en de plaatfen van ere, die hy bekleed heeft, 
zyn beloningen van zyne verdienden ge weeft. Zyn gantfche leven 
was een aaneenfchakeling van deugd en godsvrucht, die met gevoe- 
lens gepaart gingen , welke de waardigheden niet inboezemen kon- 
nen. Hy hield het voor iets wanvoegelyks , flechts een ogenblik, 't 
geen nuttelyk befteed konde worden, onnut te verfpillen. Het was 
verre beneden hem , zich een lafhartige ruft en het walglyk verge- 
noegen, 't geen dezelve verzelt, te weeg te brengen, en daar door 
het levendig vergenoegen van den arbeid, en de edele te vredenheid 
te verliezen, welke de zulken, die waarlyk groot zyn, .leert voor an- 
deren te leven, te arbeiden en te fterven. Gene toevallen waren in 
fraat, de ftille ruft zyner ziel te ftoren , dewyl hy met een chriftelyke 
opmerkzaamheid dezelve lteeds afwachte. In zyn gedrag vermengde 
zich niets vergramts, verftoorts , gemelyks noch verdrietigs , ja zelfs 
dezulken, welke zyne rechtsfpraken aanhoren moeften, bevonden, 
dat alleen de gerechtigheid en geenfints de rechter 'er deel in had. 
Zyn omgang was zyne zinfpreuk, Droitfans artifice , dat is, oprecht 
zonder (heken, tenvollen overeenkomftig. Zyne befcheidenheid, min- 
zaamheid, heufchheid, mildadigheid en oneigenbatige zorgvuldigheid 
voor'twelzyn zyner vaderlyke ftad zal by dezelve in een onfterffelyk 
geheugen blyveh. Zyn einde was zyn roemwaardig leven gelyk , en 
gelyk hy zelf in de geringde dingen groot was, was hynietmmdcrin 
dezen groten en gewigtigen overgang naar de eeuwigheid. Hy beval 
zyne ziele met een vrolyk en geruft geweten zynen Schepper en Hei- 
land den 3. may 1743 in het 7ofte jaar zyn's roemryken levens. 

Hamburg den eerjten Oclober .17 46. Z***. 

B E" 



-' l'- fc^. 






BESCHRYVING 



VAN 



ÏSLAND. 




XlaJz.3. 




p ag- 3 



BESCHR YVING 




VAN 

YSLAND. 

5.1. 

| E i e M nd A SL t NI '' ^ geen tamelyk boog in Yfiand, 

fchen fcepter onderdanig is , zoude, volgens »l™ot« 
het gemeen gevoelen, ontrent zeventig deen- te " 
fche mylen lang, en een en veertig breid zvn. 

mi' V' n 1 ', 1S e£ J " Van de S rootft e noordelyke l s vol 
breuk -ftukken der waereld , die weleer en Utew» 
veelhgtten tyde de Almagdge het aardryk om Sta 
de zonden van het menfchelyk geflacht verdorf, door een bo 
vennatuurlyk vermogen ontftaan zyn ; aangezien het daar van 
noch vele en blykbare bewyzen uitlevert , nadien het „fet al 
leen van ene zeer vreemde geftalte is, en de'geleden fcheuring e„' 
den a™/J K f S eaoe g zaam aa "»7ft i maar ook aan a Pz t 
de of ff,h °°[ eM §r ° £e mem § te af gefchenrde kleine bliii 
oe, oi zich even boven water vertonende Klippen die der. 
halven m de „oordfche tale Scheren heten , met vele Hol. 

Cifanaief 3W Ukftekende GK °^E ) doch , OKB E WOONI, E 

«landjes, en noch groter bewoonde eigentlvk zogemam! 
de eilanden; behalven ook van binnen öfWwJS 

^n Per of k ve V T VUk r th0ge ' T 6 ' af S ebroke « en y % g lebe r - 
fZl'Jj r deer fleenrotzen . die gedeekelyk door nimmer 
fmekend meeuw en y S vele vademen hoog bedekt zyn fa)! 

A 2 Wes- 

ke jaar mt janr u met fceeuw en ys bedekt zy.T, „oeSende : SeCst 



I) 



4 1 BESCHRYVÏNG 

Weshalven het ook in het midden voor menfchen t'enemaal 
onbewoonbaar bevonden word, en niemand zich 'er in waagt ,. 
ten zy, 't geen nochtans zeer zelden en alleen in een wanhopig 
geval gefchied, een openbaar groot misdadige, of ander boos- 
wicht , zich voor de verdiende gerechtelyke itraf aldaar een 
korten tyd verfchuilt, en ia.de holen der bergen- een eJendig 
en kommerlyk leven leid» 
Zonder S ï?- Hier by koomt noch , dat het eiland zo vol is van 
gehaan- rotsbrokken en fteèn hopen , die van jaar tot jaar gedeeltelyk 
de We- murw gebrand, gedeeltelyk los geweekt, en mitsdien neder- 
b n * flor ten de, vervolgens door de drift van het bergwater en de 
geimoke meeuw en den regen.,, zich .alomme zodanig ver- 
spreiden, dat de wegen geheel onbruikbaar zyn ; invoegen men 
nergens met wagens en karren kan ryden , maar op demeefte 
plaatfén alleen te voet moet gaan, en op de befte niet dan be- 
zwaarlyk te paart voortkomen kan ,- weshalven. men ook, om 

niet 

lyk uit de geographifche kaarten blykt, Joekel oï Joekul ö'onf. Gudiu. 
Andrea Lexic. I/land,') van het oude noordfche woord Joekul of Joekle , 't 
geen Qjuxïa Verel. in Indice Scyth. Scand.) bevrozen water, doch 
inzonderheid Nives Was perpetuas in Norwegia & hlandia montibus nun- 
quam liquefcentes (in Specul. feil. Regio) beduit, en tot op dezen tyd 
door onze faxifche en hartzifche berglieden. , offchoon zy zelven het niet 
verftaan, niet ten onrechte gebruikt word, als zy het. Vitriool water, 
t geen in enige verwulfzels, of natuurlyke grotten der kopergroenen uit 
de.ftenen gefypert, en ? c zy in afhangende groene en blaauwe yskegels, 
ot m diergelyke op den grond (taande pyramiden zamengeftremt , of als 



zamengevrozen is, inzonderheid Jeckel of Jeckelgut noemen, in 
nnderfcheiding van ander Vitriool, 't geen zy in hunne bergtaal Rosen- 
gut heten, 't Welk den zulken niet vreemt kan voorkomen, die weten, 
dat de berg werken in de noordfche landen veel vroeger dan in Duitfland 
begonnen zyn, vid. Loccen. Antiquitt. Sueo-Goth..cap. 17* En het is be* 
wyfelyk,dat de daar toe vereifchte kennis van dezen allereerst naar Duits- 
land gekomen, doch by ons verder geoeffent en door den tyd zodanig ver- 
betert is, dat de Noordlanders zeden weder by ons ter fchole moeten 
gaan; weshalven de Zweden de duitfche bergwerktaal thans in de meega 
dingen overgenomen hebben, ten getuige van 't welke ik my gedrage tot 
de ïutreereden.door P. O. Wollenim onder de voorzitting van A. Gronwald 
m den jare 1725 te Upfal gedaan , geintituleert: Argentifodina ut £? «r* 
bis Saïana dchncatio* 



é^vonaen worden , (want men naar vlekken of ft^ö„ „• P wqobcU 

«Mfe ieder' bo^r ge bo utf heef Zr t^ ^F"? Zy " ' 

rondom zyne woning zich zo vee! toeèWndè e TnLU > 7 
hy vermeinde, voor zich en de zvnen nodhTrJ h uu ' aIs 
tonnen beheren. Op. sdvke Vv l ™ZTl . £ u ebben en te 
tyd, ais iemand zulks foedvin? zonder ent" * T tyd tot 
gebouw, , waar door i verfl^t SXt^ Zt 

wefnil'bew^tvord^-rVat 'ffer 6 " ' W ™ *< ei,and »>" ^ 
«efteltenis van , JJ i ™ , j C ' vermits z y ne inwendirè bevin « e « 

flegts een enige rots , en dus dé g i"nd " de d 1 ' g£noe » 
van de bergen\an een kluisactife of hol°e hSankheTd' ^ 

«der** myi van daar tóKStï&lS ^ 

3 groa. 











BESCHRYVING 

grondeloos hielden , niet flegts t'enemaal uitdroogde , maar 
ook zyn bodem te gelyk zo hoog opgeheven werd , dat het 
thans hoger dan het oude daaromtrent leggend land (laat. Ene 
gebeurtenis , die denkelyk ten tyde der Zondvloed vele haars 
gelyke gehad heeft. 
De grond §. VI. Doch gelyk alzulke aardbevingen niet wel zonder 



is vol 
Zwavel 
en Salpe- 
ter. 



hoofdzakelyke medewerking der onderaardfche vuren te begry- 
pen zyn, gaan dezelve, als zy hier voorvallen, ook gemenelyk 
met geweldige en zeer fchadelyke vuurbraken verzelt. Al- 
lereeril zal ik van de Aardbranden fpreken. Men heeft 
flegts de bovenfte laag der aarde te ontbloten , of een vierde- 
deel van een elle diep te graven , om terftand een grote menigte 
zo wel klompswyze Zwavel, als veel Salpeter te vinden, 
waar door niet alleen de vruchtbaarheid van den grond in 't 
algemeen grotelyks vermindert word, maar ook niet zelden 
door inwendige fchokking en floting der yzerachtige zwavel- 
kyen aanflekingen ontftaan , die in helle vlammen uitbarften , 
onder of langs de aarde voortlopen , en nu eens groter , dan 
eens kleiner landftreken zodanig uitbranden en verderven, dat 
dezelve t'enemaal verderven en voor eeuwig onvruchtbaar wor- 
den; waaruit eigentlyk te begrypen is , 't geen Deut XXIX. 
v. 23. gezegt word : Dat de Here de gantsche 
Aarde der verbrande Heden met zwavel en zout ver- 
brand heeft, dat zy niet bes aait kan worden, 

EN GENE SPRUITE ZAL VOORTBRENGEN. Noch VOOr 

weinige jaren ; namelyk , in den jare 1729 , ontflond onver- 
moed een diergelyke aardbrand in het noorder gedeelte van 
het eiland , en wel in het diftrict. Huuswick , waar door het dorp 
Myconfu zodanig vernielt werd , dat het vruchtbaar land, ker- 
ken en huizen , beneffens fchapen , paarden en rundvee te ge- 
lyk tot aflche verbrande , en de vlam zo gezwind voortliep , 
dat de. menfehen naauwelyks door de fnelfte vlucht hun leven 
redden konden. Ook Honden te gelyk zes nabyleggende ker- 
fpels in het grootfl: gevaar , door dien brand geheel ver- 
delgt te worden ; doch door de genadige beftiering van God , 
die te midden van zynen toorn ^des ontfermens gedachtig is, 

bleef 



VAN Y S L A N D 

82 5& £^ 2 fe^ «* ^ geen *J 
vel en zwaren reg'en ge^4 g ebluA (^ ? "" ^ » e " 

•plS ^Mfeg!^ ~ tt^ -lv;en in den ^ ^ 
der noordfche waerdd brokken , In het iSS?^ ? ns f i,a » d > °<* een 
gantfch onbewoond en onbewoonbaar zvntt DemaaI gelyk is ' hoe wel 
Groenlandzen volgens de ciffi ne d/r rr?i n g 5 g 5 n ontre » c Spitsbergen en 
met merkelyk breef, ftrelSS^^^^ 16 ^^ 4docE 
ooften,enzyndealo m memetkleinfen^ naar hec «oord- 

dekt. Aan zyn noordelyk einTZhefz^T^ kl \ ppen of rotzen be ' 
naar de menigte Beren, die wele«ï>d - ' v d % Berenbe /g. dus genoemt 
ene hoogte dat hy 4 als de lach ft m« wolkfn hJ " V7erden ' tot zoda » j S 
ven de 'er omdryvende oeSn^wolef rfife? ^ 't* f^ krui « bo " 
gens de verzekering der fchioS * , m E ' en by he!der weê *. vol* 
«, gelyk de overige, geheel k?J ' 55,52 V ^ r l e2ie " ^an worden. H T 
altoos met fneeuwlfys bed t, ei lü en '£* ' IoVer u° f gras ' bove » 
PelWad , Zuring en diergelyke de v2 ? v«~ 1° n° et bewalFen met L ^ 
nod.ge artzenyen, door de goddelyke wvze ^ ^ P r< ? eniands v«rders zo 
voortfpruitende uit de neft Vï n d Ii, r ï goedemerne weldadigheid 
telende ftrandvogelen dTe 7 J!I 1 ° nb efchryffe!yke menigte hier nes- 
welke zich op df gronden anthond,n P f Vd ,! Meerk ™ bb en en Garna ten 
enaardkorftt^wefgb^ »eft een dunne mos!; 

den i 7 . may van c?en ian* W-ro >a Y zuidwaards- van dien ber* Ia* 
rend fchippe?, genaamtTcob^cobfJ WW* ""ï ? roen1 ^ ^ 
neer onvermoed onder uit den berg ör fve?fchpM? i Zy ? fchip ' a!s wan ' 
mtbarfteden , die als een h<w£ Kft P verlcheid e plaatfen grote vlammea 
kelyke flagen a ,1 "4^2^^^^^ rchofen.ve^cTd? 
dikke damp gezien werd,, waar over ÏSfe^-"^ een Zware ei1 
bekommering seraakrp L Pm ^r icnipper iji de grootfte an»ft Pn . 
weten fedftS|eVölS &&$$$* ^ Van daar vvyken & noc 
duurde flegts een etmaal ? ge yk de $&$£!£?$ hebben; dSch de brand 
ronder dat de berg zich Wn LpLi PP , rs • fpreken ' dat is . 2 4 uren 

^S^V^^fSéXel^^é^S- ftenen ,° f iets dI W s 
ve maand aanhouden, waaneer de SS5 ?f k J da ? p t0t den 2I - va » dezeP 
per van daar zeilde ZTTjZ^iV^^ 9 ^ gemelde ^|r 
niylen naar zyn vermoeden, van "et eHand Z T™* ?W' verraits '5 
aïïbhe op zyn fchip viel , dat de zvlen Éft U° gr ° te meni ^ te « a gevl g| 
ej het fcheepsdek zeer dik van ' t f e tVbedekt w™^ ^# fchene "> 
beginne, dat onder die iffM,p W p«n1 ' ,. eKt , was » duchtende hy inden 

fpeur=- 



HMflMm 



vele 
vaur- 
braken 
de Ber 
gen in. 



s BESCHRYVING 

Mitsdien §. VII. Daar en boven zyn de Bergen wegens de te vo 
zyn 'er ren gezegde en noch meer andere inwendige eigenfchappen (c) 
ter ontbranding noch meer en diKwils zo bequaam als gereed. 
Ja zy zyn het zelven, die gemeenlyk het begin der aardbran- 
"den veroorzaken. Mitsdien ziet men zelden op Yfland an- 
dere, dan uitgebrande bergen, aan en om welke men bequaam 
de werkingen en overgebleven tekenen van een vorigen brand 
befpeuren kan. Alomme is geen gewoon zand, als op andere 
plaatfen , maar flegts oude affche en verbrande fteenflof te ; 
vinden : en noch hedendaags ontdaan niet zelden in 't gebergte 
vervarelyke Vuuruitberstingen, 't zy de oude voor- 
malige vuurbraken, na met den tyd inwendig een nieuwe voor- 
raad van brandftoffen verzamelt te hebben , onvermoedelyk 
weder in beweging geraken en zich beginnen te ontladen (d) 9 
of 't zy ook nieuwe bergen, die te voren noch nietgebnnd 

heb- 



fpeurde, dat niets vlamvattende onJer die affche vermengt was , fchepte 
hy nieuwen moed, en- deed de affche met water van zyn /chip fpoelen, 
waar mede zyn volk zich , nadien geftadig nieuwe en meerder affche viel, , 
5 goede uren moed: bezig houden. Ik heb iets van die affcie bekomen , . 
die licht graauw en zacht , doch, door bet vergrootglas befchouwt , met 
vele tedere zandkorltjes of veeleer doorzichtige brokjes vermorffelde fte- 
nen vermengt is. Twe weken 'er na quam een ander fchipper , genaamt 
Alicke Payens, landsgenoot van den vorigen , die iets van dat ongehoort 
geval verdaan had , aan het eiland ; moed en nieuwsgierigheid genoeg 
hebbende, om ontrent den brand aan land te flappen, en alles naauwkeurig 
te befchouwen, zonder nochtans te konnen ontdekken, dat de berg zelf 
ergens geborden, noch 'er iets uitgevlogen of uitgeworpen was ; hebbende' 
alleen den gantfchen grond 2 mylen wegs zo hoog met affche bedekt ge- 
vonden, dat hy 'er ter helfte van zyne benen door moed gaan, en vervol- 
gens vermoeit weder naar zyn fchip keren. ' 

(c) Hier van maakt Olaus M. Hifi. Gent. Septentr. reeds gewag, als hy 
Lil. II. Cap t 1. zegt : In hlandia montium fitum & naturam ejfe [ingula* 
rem , feil. in eorum vertice nivem ■ quafi 'perpetuum & in bafi ignem Julphn' 
reum continuative fine fui confumtione exardefcentem. 

(ji') 't Geen zich te voren dus toegedragen moet hebben , gelyk men 
uit den aangehaalden Olaus ter gemelde plaatfe befpeurt, alwaar hy fchryfe: 
in muit is locis torrida voragines cum cinere apparent , montium combuflo- 
rum , & vallium , qua iterum tacitis incrementis fu/pbweis fuccrescentibus 
qua/i circulari temporum [patio difponuntur ad combuftionem. 



VAtiYSLAND. t> 

hebben, met een hevigen flag vaneen berden , en door hunne 
uitwerping alles doen fchnkken en beven ; waar by koom t, dat niet 
fleas de haaftig fmeltende grote ys- en fneeu wbedekzeien met een 
verichrikkelyk geweld ftroomswyze nederftorten, en alles, wat 
naby en omlegt, overflromen, maar ook te gelyk de navlie- 
tende gefmolten mineralen en brandfloffen , 't geen zy aan 
vee , menfchen , huizen enz. onderweg ontmoeten , inzwel- 
gen en medeflepen, en mitsdien de beide fchadelykfle elemen- 
ten, vuur en water , met vereent geweld het land voor eeuwig 
in den grond verderven, en niet dan diep uitgefpoetëe groeven 
of fleuven nalaten Men zwyge van de verwoefling, die de 
mtvhegende en wyd en zyd gedreven puim- en, andere flenen 
benevens de noch verder Huivende grouwelyke menigte aflche 
vele mylen wegs aanrechten. Op die wyze geraakte in dm 
jare i ?2 i over de Portknds-baay een berg, die te voren niet 
gebrand had eensklaps in een hevigen brand, als wanneer niet 
alleen vele vlammen en (tenen uitgefloten en rondom gewor- 
pen, en te gelyk ook de te voren gezegde vrezelyke werkin- 
gen en zeer fchadelyke vernieling van een grote flreek lands 
veroorzaakt werden , maar ook daarenboven dit zeldzaam ge- 
val gebeurde, dat, toen de berfling gefchiede, door het ge- 
weld der uitbrekende en uitgezette lucht een groot gedeelte 
van den berg , 't geen te zwaar was , om opgeligt te worden 
op zyde en met flegts een gantfche myl wegs langs het eiland 
tot aan het ftrand, maar zelfs noch een myl verr' in zee voort- 
gefcnoven ,_ en aldaar neder gezet wierd , alwaar het 5 onaan- 
gezien de diepte, m den beginne wel do vademen boven hec 
water uitltak, en aldaar merendeels noch ftaat (e). Toenmaals 
werd de aflche door den wind met alleen over het gantfche ei- 
land, maar noch enige mylen verder in zee op een zeker 
Knip , en dus meer dan 30 mylen gedreven. Gedurende 

drie 

(O Van diergeïyke verwonderenswaardige voortrukkingen der berden 
2/J° tv n° V t een J 00 /beeId gevonden in Kircherm onderaardse wae- 
re/4, IV. Doek 2. hoofdft. C. 10. §. 2. en de Mifcell. Phyfic. Med. Ma- 
than. van den heer D. Buchner d. 1728. Jan. p, 818 feqq! 







B E S C H R Y V I N G 

drie dagen was de lucht zodanig met aflche en damp vervult 9 \ 
dat men de zon niet zien konde. Al de gedroogde vifch, die 
zich toen op het eiland bevond , werd daar van geheel zware 
en onbruikbaar, ja in de twe naaftvolgende jaren werden door 
die affche, of veeleer door de 'er mede vermengde fcherpachti- 
ge rotsbrokjes of zand , gelyk boven by den brand op Jan 
Mayen eiland aangemerkt is , zo verre het land en de weiden 
'er van getroffen waren , de paarden en het hoornvee de bek- 
ken doorkorven en verdorven, en nadien het vuur ook het lage 
land, aan den voet van den berg leggende, aanftak, liep de 
brand alengs onder de aarde 18 mylen wegs voort, en duur- 
de jaar en dag, aleer dezelve ophield, 
Vanden §> VIII. Ondertuffchen houd de Berg Hecla , weleer 
berg He- wegens zyne zeer geweldige en vele eeuwen achter een geduur- 
ela« j e vuurbraking zo zeer berucht, zich zedert enige jaren geheel 
flil. Nochtans zyn de inwoonders niet zonder reden beducht , 
dat hy zich , om zo te fpreken , flegts herhaalt , om vroeg of 
laat tot hunne fchaden weder des te grimmiger te woeden. Ik 
had gemeent.van zyne toenmalige geltalte. en omflandigheden 
iets nader uit te vorfichen •> doch men heeft my verzekert , . 
t'enemaal onmogelyk te wezen, op denzelven, men zwyge tot 
aan deszelfs opening 'of keel, te klimmen, door de gedeeltelyk 
uitgeworpen en gedeeltelyk nedergeftorte ontelbare rotsbrok- 
ken en de uitgefpoelde groeven en ileuven , ten tyde zyner 
florting of uitguffing veroorzaakt , die te gevaarlyker zyn 5 
vermits dezelve met loos fneeuw of bros ys zyn gevult. 
Vaneen §. IX. Ongevaar een halve myl van den Hecla legt een zoet 3 . 
driemaal fteeds warm', en in den winter noch warmer meir, 't 
onlbra • g^n, volgens het bericht der inwoonderen, de zeer zeldzame 
den/ 311 * eigenfehap zoude hebben , van jaarlyks op drie onderfcheiden 
Meir, tyden van zelven te ontfteken , geftadig 14 dagen lang met 
helle vlammen te branden, en na hare leffching noch enige 
dagen fterk te dampen of te roken. Myn koopman, die al- 
leen om dat wonder verfchynzel met eigen ogen te befchou» 
wen, eens naar dat meir gereid was, heeft, nadien hy enige 
dagen te' laat quam , wel gene vlammen , doch echter gelyk 

als 



TA n Y S L A N m 



m 



als ene zware rook aangetroffen. Het fmert my niet weinig, 
dat ik, behalven het geen ik van dien man verftaan h b, niets 
van dat brandend meir en zyne verhaalde omftandigheden heb 
konnen ervaren , nadien dezelve zo zeldzaam en aanmerkelyk 
zyn, dat het te wenfchen ware, dat een natuurkundige, met 
de vereifehte bequaamheden begaaft , het bezichtigde, en zo 
wel de geflekenis van het omleggend oord, benevens de onder» 
aardfche bergftoffen of mineralen, als het meir en zynen bron, 
benevens den eigentlyken tyd en de gefleitenis van het weêr^ 
wanneer de ontfteking gefchied, met naauwkeurige opmerking 
onderzogt; want ik my verzekert houde, dat daar door een 
menigte dingen ontdekt zouden worden , die de gevallen, be- 
treffende de mineraal en warme bronnen , de zo dikwerf op 
enige plaatfen tot helle vlammen wordende dampen, en dier- 
gelyken, een nieuw licht zouden konnen byzetten 

Inmiddels , nadien het my gedane verhaal alle waarfchyne- Deszelfs 
lykheid en myn verhaler alle merktekenen van een oprecht man natu ^* 
heeft, zal ik, zo verre de my bekent geworden omftandighe- l X ke 
den aan de hand willen geven , myne geringe , doch natuur- ken' 28 " 
kundige gedachten , over de oorzaken der aangehaalde zeld- 
zaamheden, anderen ter proeve en verbetering openleggen Het 
gebeurt elders, gelyk by naauwkeurig onderzoek van °de ver- 
meende en beruchte Fontaine bruiante naby Grenoble in 't Dau- 
phiné (ƒ) , en de ontftoke bron in Lancashhe in Groot-Brittannien 
(g) gebleken is , dat niet het water, maar de zwavel-dampen 9 
die uit den omleggenden grond ongemerkt opfteigen , zich zel- 
ven aanfleken, of door een licht laten aanfleken , en in helh 
vlammen branden. Nu is uit de gegronde natuurleer van den 
voonreffelyken natuurkundigen heer Wolff Q>) bekent , dat 

de 

00 't Geen gene fontein , maar een klein flok lands is, alwaar men ene 
lichte vlam, die van brandende brandewyn niet ongelyk, uit de dode rot* 
zen van vergane fchalie ofley ziet flikkeren , en in de lucht vergaan. Hif~ 
êoiie de l' Acacl, des Scienc, a Paris d, 1609. p. 24 fq v 
(g~) Philofoph. Transatt* No. 26. p. 482/. 
#) Inzonderheid het II. deel zyner Proefnemingen , §♦ 142* 

B 2 






^ 







14 



BESCHRYVINCr 






de opftygende zwaveldampen , zo lange zy gering en dun zyrr, 
ongemerkt uicwalflèmen ; dat is , door hunne ligtheid in de 
jucht alengs hoger ftygen en zich verdelen ; doch wan- 
neer zy zamen gepakt en dicht genoeg geworden zyn, van zel- 
ven ontfteken , en helle vlammen uitwerpen : mitsdien befluit 
ik, dat by het yslandfche meir alles aankomt op zwavelertz- 
achtige en diergelyke dampen , die uit de gronden en oevers 
door het water opdringen, welke, zo lang zy flegcs in gering 
getal en fpaarzaam voortkomen , zonder dat men zulks be- 
fpeurt, gelyk als verdwynen; doch zo dra zy van tyd tot tyd 
een genoegzame menigte verzamelt en uit de omleggende 
aardholen weder zulk een toevoeging bekomen hebben , dat zy 
dicht genoeg geworden zyn , zich ontfteken, en in lichte vlam- 
men geraken, waar toe ongetwyffelt ene over het meir han- 
gende vochte nevelige lucht veel toebrengt : aangemerkt niec 
alleen de natuurkennis ons leert, dat ene vochte dikke lucht 
de dampen te gelyk verdikt en de verdere opflyging belet, 
maar ook de ervarenheid wegens de bovengenoemde franfche 
bron toont; weshalven deszelfs grond in den winter en by ene voch- 
te lucht fterker brand, dan in den zomer, waartegen het dik- 
werf in den heetften tyd (die, gelyk bekent is, ene tegenftrydige 
werking heeft, te gelyk de dampen verdunt en vaneen dryft;, 
van zelf ophoud te branden (i). Gelyk dan ook voorts zeer 
natuurlyk is , dat als de voorraad der zwavelachtige en andere 
dampen , die uit den grond toevloeyen , verteert word , en 
het gevolgelyk de vlammen aan voetzel ontbreekt , dezelve 
noodwendig verfiaauwen moeten ; niet anders , dan gelyk de 
vuurbrakende bergen maar alleen woeden , als genoegzame 
brandvoorraad in hunne ingewanden gevonden word , doch, zo 

dra 

CO Dergelyken ook aan de geftadige aardvlamming van den berg Pieira 
Ma'.a op het Apennynfche gebergte befpeurt werd in de Memoires de VA- 
cad. des Sciences de, Paris d. 1706. p. 337. waar me de overeenlreinmen de 
proefnemingen van verfcheide Pbofpbori, die by heldere lucht en klare 
zonnenfchyn geheel niet , of immers zeer langzaam , maarin het tegen- 
deel by koele, benevelde en dikwils regenachtige lucht zeer haaftig ont-- 
fteke nein helle vlammen uitbreken. 



van'YSLAND. 13 

fa dezelve verteert zyn, ophouden en ruften , en niet weder 
beginnen , dan als hun een nieuwe voorraad uit de naburige 
aarde toegevloeit is. Doch dat het yflandfche meir na de 
gelefchce vlammen noch enige dagen rookt, zoude ik vermoe- 
den te ontdaan, vermits dan noch iets van dikke aardwafch on- 
der in den grond overig mag wezen , 't geen noch een wyl 
nabrand,en, dewyl anders gene opening is, zynen dikken damp 
door het water opgeeft. Eindelyk is ten aanzien van dat won- 
dermeir het zwaarfl te begrypen, hoe de toevloed der brand- 
ftoffen alle jaren, en wel tot drie malen, in zodanig ene menig- 
te en juiltemate gefchied,dat zulks 14 dagen duurt, en dus et 
matigt kan zyn. Doch het is daarom niet t enemaal in twvffel 
te trekken, nadien de natuur in de aarde vele verborgen we-- 
kingen verricht welkers eigentlyke oorzaken en omstandighe- 
den geen natuurkenner kan befliffchen. Waarom zouden die 
onhandigheden, offchoon zwaar te ontvouwe , niet zo wel 
mogelyk konnen zyn als 't geen de om zyne natuurkunde 
verdienftige en geloofwaardige heer Scheuchzer in de natuur 
Gefch. van Zwitzerland Part. IL p. 342. van het bad van Weis- 
zenburg verhaalt? dat het driemaal des daags zyne warmte ver- 
andert, en 's morgens tuflchen 7 en 9 , 's middags ten 1- en 
s avonds weder tuflchen 4 en 7 uren warmer als anders is * 

g. X, Uit al het bygebragte, en nadien overal een zo grote'Er zvs 
voorraad van zwavel, bergharft, yzerertzen en yzeraehtke v ele hete 
zwayeikyen, de eigentlyke zoogfters van het warme water, voor- Bron - 
handen zyn, die vermoedelyk fteeds zonder ophouden te zamen "^ ' 
vlieten en in beweging geraken , is het niet te verwonderen 
dat zo vele warme Vyvers en Bronnen op verfcheide 
plaetzen van ons eiland gevonden worden. Een zeker fehin 
per, die in de Jokuls- Fjord (Baay) lag, heeft boven op de 
Jokul, een grote rots , óiq fterk dampte, en wier aardryk zo 
warm was, dat men 'er naauwlyks de hand op houden kon een 
tamelyke vy ver met byna kokend water gevonden : doch geen 
vlammen by dag noch nacht gezien. In het gebied van Huns- 
wek ,niet verre van de plaats, alwaar de bovengenoemde brand 
haar begin nam, word een hete bron gevonden, die alle quar- 

B a tier 




^rz 



nts-m 






m 



BESCHRYVING 




tier uurs driemaal opborrelt , en in den beginnen een weinig r 
welhaafl: noch hoger , en eindelyk geheel opflygt, zodanig 
weder driemaal daalc, en dat fpel beilendig nacht en dag by 
verwifTeling herhaalt. De meeden dezer Bronnen zyn zo brand- 
heet, dat men rundvlees 'er in gaar koken kan, 't geen zon- 
der enige toeftel of vaatwerk op ene korte, hoewel de eetluft 
niet iterk opwekkende wyzeinhet water zelf, door hetvleefch 
flegts aan een touw te binden , kan gefchieden (£), of op ene 
omftandiger, echter fmakelyker manier (/), wanneer men het 
in een ketel met koud water legt en in den waaiTem hangt, 
op dat dezelve 'er tegen fpelen en het koken te weeg brengen 
kan. De heer Me . . . verhaalde , dat niet verre van zyne 
baay zeven warme bronnen naby elkander gelegen waren, wel* 
ke met groot geweld opborrelden , waarby een man woonde , 
die jaar uit jaar in zyne fpyze op gene andere wyze zo- 
dededan in een bron, die boven een enige opening had, 
waarin hy vleefch, in een linnen doek genaak, en ook grut- 
ten en diergelyken, in 'er inhangende ketels gaar kookte. 
Goed tot £*ï e Bronnen zelfs maakten by hunne overloping of over- 
laden, vloejing ene matige beek of kleine vloed , in welkers klaar en 
laauw water (offchoon't in den beginnen het hoofd, onge- 
twyffelt door zyne mede voerende zwavelachtige uitwaaflemin- 
gen, enigzints bedwelmt maakte ) het in 't algemeen aange- 
naam en gezond te baden was. Op het zelve onthielden zich 
fleeds zekere zwarte vogelen met lange fnebben , de fnippen 
niet ongelyk, die 'er gemeenlyk op zwommen, en vermoede- 
lyk hun voedzel van de 'er in zynde wormen, Hakken en dier- 
gelyken zogten ; doch of 'er vifch in was , wifï men my niet 
te zeggen , waar aan ik echter te minder twyffel , nadien ik 
weleer in de laauwe waterkommen , waarin de warme baden te 
Bourzet by Aken hunne uitlozing hebben , meer als een zoort 
viflchen , byzonder Karpers, opgemerkt heb, die daarenboven, 

ge . 

(£) 't Geen Zorgdrager gedaan heeft : Opkomft der Groenten dfche Viffchen 
7. Hoofdft. 
CO Gelyk D. Biorn Philof. Tramaft. No. III. p. 23S bericht. 



- 




van Y S L A ND. 



*r 



gelyk my een voornaam man aldaar berichtede, zelfs wegens 
de vruchtbare laauwheid des- waters groteren fmakelyker fyT 
dan die verre vandaar ,„ koud water gevangen worden/ 
l,n™r ƒ gei T" hee ? de ervare nheid overiang de deenfche Enge- 
koopheden geleert , dat gelyk die warme, alzo ook de oveV d « 
nge bronwateren van dit eiland, nadien zy alle, offchoon de drinke "' 
een meer dan de andere mineraalachtig is , zeer gezond en 
heilzaam te drinken zyn (m). 6 S en 

Gtfl'^ G N! E u ° TE bêfta , at Uk ZAND ' en ander *"** G( *»e- 
fcrEoTEENTt. Na alle vermoeden zyn in het zeive Marmer- " is ™> 

lagen te vinden, nadien diergelyken niet alleen in Zweden i ,et Ge - 

en Noorwegen gevonden worden, maar men ook by lytel &*?„ 

aantreft d?e hl™ d "i ^ } k ' me fteKen vail ^arme/aanSo'e" 
aantreit, die bezwaarlyk van de rotzen op enig afgelegen vafl de! 5' l: 
land afgefcheurt, en door de zee tot aan Yfland g°/b eit kon • MarfflcIi ' 
ner. zyn ; gelyk dan ook in de verzameling vam Eeckhof "ê ' S ' 
Lubek die thans in handen van den konftlievenden fer Bur! 
germeefter Munter is , een rood en een groen Marmer -ë- 
vonden word , >t geen uit Yfland gebragt tonde zyn Malr 
wie heat het afgebroken Mn het land is 't den fchamele 
hunlieden .ten gebruike nte nodig, en vreemden begeren het 
niet, nadien zy het van andere plaatzen beter ; dal is haf. 
der en glanziger , en daarenboven nader by en tot geringer 

f/In, nnen J 5e , 0n, J en ' VermitS bekent is ' ^at zod nigTfe 
fteentens m de koude waereldsdelen tot de vereifchte hardigheH 
met geraken, en gevolgelyk zich zo wel niet laten poJyfl^S 

mmm, ***. P ifa,J K inde nifi t £*«ir£lS 
leven konlÏÏ ' " m " Sd!e " de vlirchea onder zeerbequaamW. 








"» 







16 BESCHRYVING 

't geen in warme landen afgehouwen word, 't geen te gelyk zo 
wel van de geringe als edele fteenzoorten te verftaan is En 
ik kan met verfcheide proeven bewyzen, dat de verfteningen 
zelfs 10 Afia tot veel groter hardigheid , dan in Europa, ge- 

?aiien riS "- h XU ' De .Kastallen, waar van men by wylen toevallig 
iyn ï 1 de n at«urlyke rotsholen het een of ander ftuk gevonden 
liegt. flfetc, vallen alhier ook zeer week en broos, weshalven daaruit 

mets gemaakt kan worden, 
v.nlf' Ond€ [ £ . uffchen i s v^enebyzondere eigenfchap het zoort , 
Hr' %l i ge f" hier f n daar d0Gh voornameiyk aan een berg by Roer- 
** Is- >'™ gevonden word, en onder den naam van Cryftal/us ljlan- 
ïandlca dlca bekent is, nadien het de letters, en alles, wat men 'er 
genoemt door ziet, twevoudig of dubbel vertoont; welke eigenfchap uit 
word. de gronden der natuur- en wiskunde niet ligt ten genoegen te 

ontvouwen is; weshalven verfcheide der geleerdfte lieden zich 

het hoofd er over gebroken hebben (n) 

SS h ^ Ch het is §f n ™.' maar ee * Lapis Specukris van de 
]TeToeJ hardfte k zoort ' of een SelenitesrbmboidaHs; dat is, volgens de 
taaider bergmannende Sp aa tart, die ook GlinzerI pa at 
of Spiegelspaat naar het onderfcheid der plaatzen, ge- 
naamt word, gelyk ik dan zelf, als my onlangs ter mvner be- 
geerte enige Spaatarten van Clausthal op den Harz gezonden 

ZZ ' SWJ* §e H h6b ' daar onder een zoort, dat 
mede verdubbelde , doch niet zo helder als de yfland- 
iche is, te ontdekken , waar naar voor my niemand gezogt 

5. xnr. 

(«)Öus heehËrasmus Bartholinm in den jare 1670 te Coppenhaee d fl *r 

bS«M?Sïï ^ - 69 , te Leydcn S edrukt ' zeer wyd opig * r over ee. 
handelt. Vermits ook in de pylvormige Tak, of veelee? Laph sLZans 

lever? £3*2* W*rltew g . en & de berg Montmart!^ S t! 

Ifeeft hv tv„. 6n gf0t f n Z * *'" e " e ge!yke werkin S '^ waargenomen , 
™l ? , y "? aa " raerk, "gen en gedachten insgelyks de geleerde vvUreld 



ke hoe 

dani a 

heid. 




vanYSLAND. i 7 

f. XIII. De vuurbrakende bergen werpen , als zy woeden, Puim- 
twe zoorten van Puimsteen uit ; namelyk , een gsa aüwe feen. 
en een zwarte, die echter beide onzuiver zyn. 

g, XIV. Dat in het gebergte Metalen konnen wezen, Ook ver- 
vermoede ik niet zonder grond, nadien men rny niet alleen be- moede* 
richt heeft , dat men by wylen yzerachtige Marcafile, ge- {j k Mer 
lyk ook toevallig Zwavelkyen, aantreft, en dikwerf Ade- 13 
laarstenen vind , die in 't. gemeen yzerachtig zyn (o), maar 

ook daarenboven in D. Worms Mufeum p, 123 leeft, dat hem 
loutere yze rb rokken uit Yfland voor zyne verzameling 
van naturalia gezonden zyn. Doch wat het , behalven yzer- 
iteen , voor eigentlyke metalen geeft , is niet te zeggen ; riade- 
maal men, zo veel ik te weten heb konnen komen , noch ner- 
gens gegraven , of de aarde ter nafpeuring ontbloot heeft, 't 
geen naar alle vermoeden ook nimmer ondernomen zal wor- 
den , zo wel wegens de onbewerkbare, ruwe en gevaarlyke 
gebergtens, als wegens het aldaar ontbrekend en tot den berg- 
bouw niet te ontbere brand- en werkhout. 

§ XV. Aan Bergharsten en Aardpekken, S/fM/M/na, Berg- 
ontbreekt het geenzints , 't geen uit velerly blyken af te nemen harft. 
is, als by voorbeeld uit de Turf ; want oflchoon deze niet 
veel gevonden word , en in het zuiderdeel zeer liegt is , door 
haar veel zwavel fchielyk verbrand, en grouwelyk ftinkt, heeft 
men echter hier en daar, als in Hanenfioerd , ene goede, zwarte, 
zware en vafteTurf, waar van zich de inwoonderen tot hun eni- 
gen brand bedienen. Iemand heeft my van een Zeeturf ver- 
haalt ; doch waar van hy , des ondervraagt zynde , niets ver- 
der wift te zeggen. 

J. XVI. De aanwezenheid van het aardpek word noch meer Zwart 
bewezen door het zwart Amber, Gagathes , waar van men Amber. 
by wylen Hukken vind, die, aangeftoken zynde, als een licht 

bran- 

(0) Jacobaus in Muf. Reg. Cap. I. Se& t 7. n. 62. brengt uit de Schedis 
Gudmundi Islandi by , dat van dezelve 6b zoorten , en daar onder enige 
van zeer byzondere eigenfchappen gevonden zouden worden ; doch waar 
van men met recht nader bewys kan vergen. 

C 





— 



■I 




«* BESCHRYVING 

branden, en door de Yflanders tot bygelovige dingen gebruik 
worden , vermoedelyk van hunne Catholyke voorouderen bv 
overlevering onder zich behouden , vermits die fteen ten d-zen 
tyde noch onder- de Catholyken tot het zelve einde in gebruik is 
(p).Dat Amber is naar het uitterlyk aanzien, en gedeeltelyk ook 
volgens den leemachtigenaart zeer gelyk , doch in aardigheid 
en overige geaartheidzeer ongelyk, aan een zekeren pekzwarten 
en glanzigenfteen, dien de Denen zwart Agaat noemen.en, 
nadien bywy en daar van tamelyk grote (lukken gevonden wor- 
den, ter verkoping medenemen. Dezelve is ongemeen hart. 
zulks het, gelyk een Agaat , vuur Haat, doch oneetwyffelt ei- 
gentlyk een zuiver , glad , zeer leemachtig en door een 
fterk aardvuur zamengefmolte ertzfchuim, of verglazing : want 
als men op dunne piaatfen Haat, fpringt het gelyk glas, en de 
afvallende fcherven hebben ene glazige gedaante , waar tegen 
met ftryden kan, dat het vuur in heeft, nadien zelfs de in een 
groot vuur zamengefmolte vafte ertzfchuimen enige vonken ee - 
ven ;> en ik bezit uit Lisbon zodanig een fchuim, 't geen zo 
hart is, dat het zich als een fpiegel iaat polyften, en , tegen 
ftaal geflagen, veel flerker vuur dan het yilandfche geeft In 
Coppenhagen heeft men voor den Jaatfr, overleden koning uit 
een groot Huk van dien fleen een fchaal met een dekfel ver 
vaardigt waar aan de kunftenaar, zegt men, tot in het vierde 
jaar gearbeid zoude hebben; want het, aangemerkt zyne broos. 
üeid, ene byzondere bequaamheid en behoedzaamheid vordert 
Een goed vriend heeft een Huk 'er van aan een fignetfnvder ge-' 
geven, om er een cachet in te graveren , doch 't géén niet 
gelukken wilde jveelligt door de onbequaamheid van den mees- 
ter; vermits immers de zwarte agaat- coralen, die de vrouws- 
personen m den rouw om den hals en in de oren dragen, gelyk 
ook hechten van meffen enz. daar van in menigte gemaakt wJr- 
den. Dien /leen befehouwende , is my in gedachten geko- 
men,dathy welligt de eigentlyke Lap s Oh fi dl arm der ouden 
zoude konnen zyn; want deszelfs omfchryving dit Yflandfch 

ert7<» 
O) Cafius de Mincralibus Lib. III. Cup. z* Se£t. 16. 




v A N Y S L A N B. ip 

enzFchuim in alle delen zo gelyk is , als het een ey bet and-r. 
Plinius (Hifior. Nat. Lïb.XXXVl. Cap f 26. f. Seiï. Ó7) zegt: 
in genere vitri & Obfidiana (feil* pocula) mimerantur ad fimilitudi- . 
tiem lapidis , qitem in Mthïopia invenit Obfidius , nigerrimi coloris, 
aliquando &f tranjlucidi , crajjiore vifuatque in fpecuüs parietum pro 
imagine umbras reddente &c. en noch duidelyker ( Ifidorus Lik 
XVI, Origg. c. is) efi nigerinierdum £p virens, aliquando £ƒ 
tranflucidus crajjiore vifu &c, &P Cap. 4, Obfidius lapis niger efl , 
ttanflucidus & vitri hahens fimiktudinem. Ponitur in Jpeculis pa» ■ 
tietum propter imaginum umbras reddendas. Dus is onze yfland- 
fche pekzwart en glanzig; doch wanneer het in bladen van een 
geipouwen word , is het half doorzichtig, doch dover en 
duifterer, dan glas, hoewei het zelve zeer gelyk,* ja ene we- 
zentlyke verglazing. Ook kan het in dikachtige bladen tot het 
bekleden der wanden gebruikt worden , vermits het enigzints 
fpiegelen , en duiftere fchaduwfiguren vertonen zoude, Wel is 
waar , dat het zich zo wel niet iaat klieven en fnyden , dan het 
oude, waar van Plinius zegt , dat beeldwerk en cachetten ge- 
maakt wierden , doch het kan een harder zoort,dan de yfland- 
fche , of de Romeinen beter fleenfnyders , dan de Denen , ge- 
weeft zyn. 

§. XVII. Onder de bovenfte laag der aarde word, gelyk bo-zwavel* 
vengezegtis, alomme, inzonderheid in moeraslige dalen en 
poelen by hopen, ja menigmaal klompen ter grote vaneenvuift 
gewasse Zwavel (Sulpbur natimim) gevonden, en flaat aan 
de rotzen zo fterk en dik uit , dat men dezelve alle twe of drie 
jaren door een fchraapyzer afkrabben en verzamelen kan. Deze 
natuurlyke Zwavel heeft men in vroeger tyden naar (lig verza- 
melt en uitgevoert. Ook was noch voor weinig jaren een zeker 
perfoon , door den koning bevoorrecht, te Huswïckhawen, 
alwaar dezelve noch meer, dan op andere plaatfen van het ei- 
land , te vinden is , die aldaar op de zwavelbergen zo veel te 
zamen bragt, dat hy op eenmaal twe tot drie hondert gevulde 
tonnen naar Coppenhagen konde zenden , alwaar dezelve op de 
gewone wyze gezoden en gezuivert wierd ; doch thans is , 
gelyk te voren meermalen^het Zwavel zamelen weder geftaakt, 

C 2 ver- 





20 



BESCHRYVI NG 



vermits het de boeren niet gaarne zien , en bezwaarlyk tot he' 
verzamelen te bewegen zyn; aangemerkt het de viffchery waar 
van zy de meeft,e nering hebben, nadelig is. 
*Z° T / ^? nC de ^^"g Ieert O geen my zeer aanmerkens waardin 
vïfchen toefc hynt j dat met alleen, wanneer aan het (band ZwavelertS 
ge . ge wallenen en van (lof gereinigt word, de viffchen verlopen 
fchnuwt.maar ook, zo dra een fchip, waarin enige Zwavel geladen is, on 
de rede legt, 'er voor vlieden. Ja een viffchersbooc , waar 
aan maar iets van dezelve buiten aangefmeert is verjaagt de 
vifch, alwaar hy koomt; weshalven de viffchers,'die elkander 
wangunftig zyn, bywylen aan den een of anderen boot een 
weinig Zwavel fmeren, of in ene verborge fpleet verfteken 
wel wetende , dat met zodanig een boot niet veel gevangen zal 
worden, by 't welk ik tot meerder opheldering dezer aanmer- 
king noch moet voegen, dat de inwoonders van de faroiiche 
eilanden het fchadelyk zoort walviflehen, 't geen hunne boten 
dikwerf omwerpt, en door hun Trold Hu al genaamt word 
op deze wyze verjagen , dat zy in de voorfteven hunner boten 
een gat boren, daarin Bevergeil (Caftoreum) (teken , en het gat 
voorts met een prop toeüaan. Anderen voeren een (tuk hout 
met zich waaraan zodanig Bevergeil gehegt is, en werpen het 
op den vifch, zo dra hy hun nadert, als wanneer hy in 't zelve 
ogenb ik als een (leen naar den grond zinkt, 't geen ook de 
menfehen, die Bevergeil aan 't lyf hebben, zoude bejegenen 
waarvan te lezen is Bartholin. Cent.ILHiftor. Anatomu 'ar. 17 en 
Lucjacobfam Debes Farroa p. 168 5 welke fchryver uit het be- 
richt dier lieden 'er noch byvoegt, dat zy, by gebrek van 
Bevergeil, fpanen van Geneverhout medevoeren, en 't zelve 
de viilchen toewerpen , 't geen dezelve werking • namelyk , 
Gelyk dat de vifch wegzinkt , doed. Ik heb ook voor zeker gehoort 
' dat een fchip met Kalk geladen , of van buiten 'er med» be- 
imeert insgely ks ongemeen van.de viffchen gefchuuwt word Hier 
uit blykt,met wat een fcherpe reuk en fyne fmaak ook het ge- 
«acht der viffchen door den alwyzen Schepper tot het vinden 
van dienftige en vermyding van ondienftige dingen begaaft 
moet zyn. ° ° 

Èoch 



©ok de 
Kalk» 



mm 



z 



vanYSLAND. 



21 



Doch de grond dezer afkeer by de viflchen,zb veel de Zwa- 
vel, het Bevergeil en het Geneverhout betreft , is veel ligter te 
begrypen , dan wat de Kalk aangaat ; want van de Zwavel is 
bekent, dat zy zo flerk uitwafemt, dat als een kleine verfch- 
gebroken klomp van dezelve flegts 24 uren in een befloten ka- 
mer gelegen heeft, men hare Hinkende uitdamping genoegzaam 
en niet zonder aandoening ondervind ; waaruit van zelven 
volgt , dat het de ftank van de Zwavel is. Zo ook heeft het 
Bevergeil en Geneverhout, gelyk men-weet, een fterke en on- 
aangename reuk, die de vifïchen verdryft; doch de Kalk heeft 
geen zo merkelyke en flerk riekende uitdamping , en mitsdien 
zoude ik denken , dat offchoon de zinnelyke aandoeningen der 
dieren veel fcherper dan die der menfchen zyn , het nochtans 
niet zo zeer aan de reuk van de ingeladen Kalk moet toege- 
fchreven worden, dan wel aan den fcherpen fmaak van het wa* 
ter, door de by het inladen ftortende, of aan het fchip ge- 
fineerde Kalk veroorzaakt, dat de villchen te rug wyken. 

J. XVIII. Keukenzout vind men niet overal , ik mene, Gebrek 
zoutgroeven noch fteenzout. ^ an 

g. XIX. Op het gantfche eiland worden ook gene BoMENOobaa 
gevonden, behalven in deszelfs noorderlyk deel. Gelyk een Bomen, 
voornaam koopman uit Coppenhagen my verhaalt heeft, dat 
hy tulTchen Huuswick en O ifioerd, ontrent ómylen van elkander 
gelegen , een Berkenbofch van drie vierde myl gevonden heefr, 
welks Bomen niet hoog, en derzelver ftammen flegts een arm 
dik waren; en een ander zegt, dat by Tbing Qere-Klofler noch 
een zeer kleine bofTchadie, merendeels uit Berken beftaande, 
overig is, doch dat deze zo flegt en laag zyn, dat men, op een 
klein landpaard zittende , aan hunne kruin kan raken. Slegts 
langs de weiden heeft men enige weinige lage Wilgebomen, 
en hier en daar kleine struiken en kreupel-bosjes van Braam* 
bezien , Geneverbomen en diergelyken , die door de inwoon- 
ders fpaarzaam gehakt , en alleen gebruikt worden, om voor 
de weinige fmeden , die op het eiland wonen , kolen te bran- 
den. In vroeger tyden moeten alhier geen boiTchadien ontbro- 
ken hebben , nadien niet alleen de oude berichten zulks getui- 
* c 3 gen, 




" r 



Doch 

goede 
Weiden 
en Gras. 



Gelyk 
ook eni 
ge ge- 
zoude 
Kruiden 



22 BESCHRYVING 

gaarde gravende , veel vergaan hon t ?" ge^eTbÖéa" 

' wel ene halve elle hoog wart en Z', It ' V ™ het GsAS 
mgte uit de fpleten en groeven %£^£-*£'F*S**" 

'e geen, | zy ^S dSSSTS & 5^ 
de' ton d a e P S d |f * k ° fen der -ÏÏSfeS 

gelukkig in aiwtoiS fcrf !&? fla " d «n te doen, viel 
ftrand wilde doen lopen t^n L J?? ,tein J 1 " fch, P °P h et 

gen* 



vanYSLAND. 



n 



gens^ bragt men het zieke volk aan land , 't geen , offchoon hef, 
behaivenemg Lepelblad , niet als Zuring in warme Melk en 
een weinig Schapenvleefch nuttigde, nochtans velen binnen acht 
sn de anderen binnen veertien dagen zo fris en gezond werden, 
dat zy huppelden en fprongen , en in minder dan vier weken 
na hun komft weder fcheep gaan, zelven hun anker lichten, en 
die lange en bezwaarlyke reize voorts vrolyk voleinden kon- 
den. Ook weet al ons volk, 't geen ooit naar Groenland ge- . 
weeft is, de kracht dier kruiden niet genoeg te roemen; want 
dezelve groeyen in gelyke, zo niet meerder, deugd, op Jan 
Mayen eiland , Spitsbergen enz.; en nadien onze matrozen, 
als zy op de hoogte van die eilanden komen , zich gemeenlyk 
zodanig van het fcorbut aangetaft vinden , dat alle hunne tan- 
den in den mond los worden , en zy bezwaarlyk in ftaat zyn , 
hunne dienften te verrichten , zoeken zy, zo dra mogelyk'is, 
land, om die kruiden te bekomen, waar door zy zich terftond' 
herftellen, en genoegzaam een nieuw leven en nieuwe krach- 
ten verkrygen. Men heeft my van noch een ander kruid ver- 
haalt, 't geen alleen op zekere plaatfen wad, zonder [het 
te konnen benoemen of befchry ven , doch dat het , in melk 
gekookt, natuurlyk als gerften grutten fmaakt, en Jacobcsus in 
Muf Reg. P. J. &eS. 6. n. 6 & 7. gedenkt noch twe voor- 
treffelyke en heilzame kruiden , als Herbes Jvium Iflandice , Fu- 
glar-gras, of Akur - Lodar - gras en Muf ei vatbar etui - Jflandia , 
Fialla - gras, of Fioeru - gras. 

§. XXII. Aardvruchten willen 'er doorgaans niet wel In hst 
groeyen, gedeelteïyk wegens den on vruchtbaren grond, en ge- te §' en - 
deeltelyk wegens de te lïrenge koude en doordringende nbor- „f 1 / 6 ", 
de winden; wesbalven men het te meermalen, doch te ver*vruch- 
geefs, met rapen , wortelen en diergelyken bezogt heeft. ten. 

§. XXIII. Noch minder kan men het Veld- bebouwen Engeea 
en Koorn zayen ; want offchoon men de Henen met veel Kooru * 
moeiten uitlezen, en den grond door beploegen en meften 
goed maken wilde, zoude nochtans de zomer of de warme tyd 
zo lang niet duren, dat iets ryp konde worden, en mitsdien we- 
ten de gemene en arme lieden van geen brood. 

5. XXIV. 



24 



BESCHRYVING 









Van de §• XXIV. Van Zeege wassen konde men my flegts een 
Zee- en Alga marlna , Zeenestel , met name noemen, 't geen zo 
Meirge- we l verfch, als by gebrek van hooy gedroogd, het vee, voor- 
wanen. g ewor p en wor d, en, hoewel vet, nochtans te gelyk onfmake- 
lyk vleefch geeft. Doch in kommerlyke tyden word dit kruid, 
een weinig gerooft, door de menfchen ten fpyze gebruikt. De 
meermaals aangehaalde Jacobmis d. I n. 5. befchryft het onder 
den naam van Alga Saccharifera Iflandia , en geeft 'er een af- 
beelding van. Het zoude gezwellen verwekken, en, als men 
'er veel van eet, flerk openende zyn. Het is te beklagen, 
dat de kruidkenners , inzonderheid onze Duitfchers , wegens 
de ongelegenheid der zee , en mitsdien by gebreke van bequa- 
me gelegenheid, zich tot noch toe niet ernftig op de verzame- 
ling, onderfcheiding en befchryving der zeegewafTen toegelegc 
hebben, of toeleggen konnen; want nadien ik my des wegens 
enigzints gelegen heb laten zyn, en dezelve, zo veel my mo- 
gelyk was , verzamelt , heb ik opgemerkt , dat zy by een 
Godzoekend liefhebber der natuur ene nieuwe verwondering 
en veel genoegen konnen verwekken; namelyk, wanneer men 
hunne onbefchryffelyke, en voor den onkundigen ongelofely- 
ke menigte, verfcheidenheid , afbeelding, verwe, groey zon- 
der wortelen enz. in acht neemt, en daarby overweegt, dac 
niets , dan goed en nut , uit de hand van den wyzen Schepper 
gekomen is; ik wil zeggen, dat ook deze geheel onnut fchy- 
nende gewaffen niet alleen zo vele en veelerly levende fchep- 
felen ten voedzel , maar ook merendeels den menfchen zelfs 
zo wel tot fpyfe , voornamelyk in tyden van gebrek, als tot 
krachtige artzenyen, wanneer zy dezelve , alleen uit begeerte 
naar vreemde en koftbare dingen , niet verachteden , veelvou- 
dig zouden konnen dienen voor alle anderen ; heeft de naar- 
ftige M. Martin in zyne lezenswaardige Defcription of the 
Weftern IJlands of Scottland, daar van zeerbyzondere en merk- 
waarde aanmerkingen verzamelt , en dezelve p 148 fqq. , den 
kiefchen ter befchaming , in 't licht gegeven , om te beto- 
gen, dat de inwoonders , die in grote eenvoudigheid op die 
afgelegen eilanden leven, zich het weinige, dat hun gegeven is, 

ten 




vanYSLAND- 



2$ 



ten nutte weten te maken. Van harde of Coraalachtige Zee- 
gewassen wift myn berichterte zeggen, dat enigen van dezelven 
op de gronden gevonden wierden ; doch konde hen niet noe- 
men of befchryven , nadien hy , volgens zyne eigen belyde- 
nis , 'er nooit naar gezien had. Ten minden zal aldaar een 
zoort van Pori cervini Imperati p. 630 gevonden worden, 
't geen men op de rotzachtige zeebanken van de niet verre 
van daar leggende hitlandfche eilanden overvloedig vind , en in 
myne verzameling Madrepora ere&ior punÜata & ramofa, cornua 
cervina amulans heet. 

J. XXV. Wilde Dieren, zo edele of eetbare , als on- Gene 
edele of roofdieren, ziet men hier niet, vermoedelyk , vermits w ! lde 
dit eiland van alle kanten zeer verre van het vafte land afgele- Dleren - 
gen is. Beren komen zomtyds in het voorjaar, als de wind 
'er naar is , uit Groenland met de losgaande ysvelden aan 
de noordkuft aandryven ; doch men is gewoon, ontrent dien 
tyd 'er tegens te waken , en , zodra men flegts één befpeurt , 
met opontboden manfchap 'er op los te gaan, en niet te rus- 
ten, voor men dezelve gevelt heeft; vermits die gevaarlyke 
dieren welhaaft in de onbeklimbare gebergtens vermeerderen, - 
en zo wel onder de verftrooide en onbefchut wonende boeren, 
als de in het wild lopende fchapen enz. veel fchade veroorza- 
ken zouden. 

g XXVI. Op die wyze moeten de Vossen van elders al-Behaiven 
daar ingeflopen zyn , die zich overal by hopen op het eiland Voffen. 
bevinden. Dezen zyn hier nooit rood, maar weinigen van de- 
zelven zwart, en de overigen doorgaans in den zomer blaauw- 
graau , en in den winter wit. Hunne vellen vallen in den 
winter, als zy het meefte en vaftfte hair hebben, het beft; 
weshalven de Yflanders dezelve dan naarftig vangen , en wel, 
uit aangebore affchuuwvan fchietgeweer , met uitgezette net- 
ten of vangyzers , die gelyk een kleermakersfchaar ge vormt , 
en meteen dood lam ten lokaas voorzien zyn. Buiten dien tyd 
leggen de inwoonders , nadien de Voflen de fchapen zeer fcha- 
delykzyn, kraanogen (naces vomica) in honig geweekt, die 
zy, anders niets zoets te eten bekomende, zeer begerig inzwelgen. 

D 5. XXVII. 




Geftelte' 
nis hun 
ner Paar 
den. 



De Scha 
pen. 



26 BESCHRYVING 

§. XXVir. De Paarden vallen hier, gelyk in alle noor- 
delyke geweften, klein, kort en gedrongen, 't geen ongetwyf- 
feit voornamelyk toe te fchryven is aan de zamentrekkende of 
perfende eïgenfchap der koude, die den wasdom belet (q). 
Echter zyn zy fberk en levendig, en te gelyk boosaartig -en byt- 
achtig. Men moet zich verwonderen, wat zy konnen uitftaan; 
doch zy worden wel degelyk door de ongemakken verhard, na- 
dien zy jaar uit jaar in in het open veld onder den bloten He- 
mel blyven j en 's winters onder de fneeuw zowel , als 's zo- 
mers , hun voeder zelven moeten zoeken , waar toe zy alleen 
de weldaad van de natuur genieten, dat zy met byzondere fty- 
ve, lange en dikke hairen , allermèèft tegen den wimertyd, 
bedekt zyn. 

, g. XXVIII. De Schapen , die mede zeer klein zyn , heb. 
ben met de paarden het zelve geluk en gemak , want zy, zo 
min als deze, 's winters noch 's zomers in een (lal komen , 
maar zich op het veld onder de overhangende rotzen, in de 
natuurlyke bergholen , en voorts zo zy beft konnen, behelpen 
moeten, en zeiven zorgen, w r aar hun verblyf en voedzel te 
vinden (r). Zy houden zich fteeds by de paarden, en volgen 

de- 

{q) Het zelve befpeurt men aldaar ook in de andere landdieren. In het 
tegendeel geraken die dierea ia de zoeler landen, wegens de alles uitdyeu- 
de warmte, tot groter wasdom, gelyk men aan de kamelen, lewen, neus- 
hoornen {rbinoceroi) en inzonderheid de vrezelyke elefanten opmerkt; doch 
waar van het lynrecht ftrydige in de viflehen gevonden word, wier groot- 
He zoort, inzonderheid de walvifTchen , alleen in 't noorden voortkomen. 

(f) Van het deenfche eiland Ferroe, 't geen niet verre van Yfland gele- 
gen is, uit 17 of 1 3 grote en kleine eilanden beflaat, en iri de lengte 15, 
en in de brete 10 deenfche of noordfche mylen beflaat, is bekent, dat 
aldaar, vermits het gebergte niet hoog, maar laag, en met weinig fneeuw 
bedekt is, zeer goede weide zyn, en 'er derhalveu meer Schapen dan 
op Yfland geteelt worden; doch die ook zonder enige hoede door de wil- 
deroilTen zwerven. Van dezelve woid verhaalt, dit zy in dsn winter on- 
der de een weinig overhangende klippen en rotzen , inzonderheid aan de 
zuidzyde, hun toevlucht nemen, en niet alleen aldaar, zo dicht het hun 
xnogelyk is, zamenkruipen, maar daarenboven dikwerf in zulke voegen 
v.;rwiiTcten,dat de binaenfle meer en meer de buicenlte, en óqzq, als zy we. 



VANYSLAND. 



tf 



dezelve in den winter geftadig, op dat zy, als het zo fterkge- 
vrozen heeft , dat zy met hunne kleine pootjes niet door kon- 
nen komen , wanneer de paarden ergens ene opening getre- 
den, of iets voor zich omver genaak hebben, een weinig van 
de ontblote mos mogten bekomen; ook eten zyuit groten hon- 
ger, geiyk men dikwerf opgemerkt heeft, zelfs het hair van 
de paardenftaarten. Als het met een fterken wind fneeuwt, 
lopen zy fteeds uit het gebergte met den wind af naar het 
ftrand , en dikwerf uit domheid in de zee , waar door een 
groot getal van hun omkoomt. Bywylen, als veel fneeuw valt, 
befneeuwen zy geheel en al , als wanneer zy in grote kud- 
den zamen lopen , de koppen onder zich byeen (teken , en 
het op de ruggen laten fneeuwen; doch bevriezen 'er zoda- 
nig onder , dat zy zich niet meer redden konnen. Als dan 
eten zy uit razenden honger elkanders wol , en behelpen zich 
zo lange,- tot zy uitgegraven worden, 't geen de boeren niet 
verzuimen haaftig te doen , zo dra zy vernemen , waar zoda- 
nig een kudde (laat , befpeurende zulks wel haaft uit den damp, 
die te midden dier kudde door de fneeuw , waardoor hy zich, 
vermits zyne warmte, een kleine opening als een fchoorfteen 
maakt , in de hoogte (lygt. Voorts zyn zy ook met grover 
en wreder wolle gedekt, 't geen eigentlyk van de (trenge 
luchtftreek en het (legte voeder hervoort koomt, vermits be- 
kent is, dat hoe milder de luchtftreek , en hoe beterde wqi- 
de is , hoe fyner en zachter de - wolle der Schapen en het 
hair der geiten valt (s); doch welke hun echter naar de wy- 

der doorkom zyn, de binnenfte worden; ja als de grond zo hard bevrozeti 
i<L^dat zy met hunne poten de heide of mos niet meer opkrabben konnen 
van honger de een des anders wolle eten. en zich mitsdien zeer kommer- 
lyk generen. Vide Laurizen Wölff ' Norrigia illujlrata p. 190*. De bewoon- 
ders van die eilanden konnen ook zaad winnen, doch niets dan gerit bou- 
wen , waar van zy (zegt men) voor een ton zaaykoorn 20 tot 30 tonnen 
granen inzamelen. 

(O Om dit te beveiligen, zal ik hier (leges aanhalen, 't geen Bmhequim 
êeLegat.Turcic, Ep.I.p, m, 57. van de koftbare geiten in klein Afien aan- 
merkt, die met fchone , fyne en lange hairen gedekt zyn : Gramme , zegt 

hy, . 




I I 



SS 



BESCHRYVING 



ze voorzienigheid van den goeden Schepper , die een ieder 
zyner fchepzelen naar hunne omftandigheden hun nooddruft 
verzorgt, dus ook tegen de aldaar aanhoudende ftrenge en door- 
dringende koude tot een te vader dekzel verftrekt. Nooit wor- 
den zy gefchoren , vermits zy jaarlyks nieuwe wol verkrygen 
(die midden in den zomer ontrent Sc Jan , als hun een gering 
dekzel genoeg is , uitvalt) en de oude wol over het gantfche 
lyf los word; mitsdien is men gewoon, vermits de wol dikwils 
zeer verwart en ineen gewaflen is , hun dezelve te gelyk als 
een overkleed van de vacht te ftryken; wordende zy tot dat einde 
gejaagc en opgevangen. Alsdan begeeft een harder zich met de 
afgerichte honden op een heuvel, en geeft met zyn hoorn een te- 
ken, waarop de honden zich verdelen, en de Schapen van al- 
le kanten uit de klippen en wilderniflen in een zekere omtuï- 
ning of ftaketzel dry ven, 't geen vooraan wyd uitgezet is; doch, 
op dat zy niet zouden konnen ontvluchten , naar achter allengs 
enger word. 
Die hier Niet min is opmerkelyk , dat de yflandfche Schapen in 't al» 
w>b rnen g emeen > zowel de Oyen (£) als de Rammen, niet alleen grote 
e en " en gekliefde Hoornen, maar ook gemeenlyk meer als 4, 
ja zelfs tot 8 («)-, en on ^er dezelve menigmaal enen recht 
voor den kop uitftekenden Hoorn hebben ; waar tegen het , 
door zyne hoornen anderzints in 't algemeen zogenaamd hoorn* 
vee, dezelve aldaar geheel ontbreekt, 't geen gelegenheid geeft: 

te 



hy, pafcuntur per eos tampet exiïï & ficco, quocl ad lana tenuitatem mui- 
turn conferre certum eft. Nam conftai , alio tratfiatis non manere eandem 9 
fed una cum pabulo mutari , totasque ita degenerare capras, ut vix, agnos* 
cantur. 

(O Dit is in de noordfche woefte landen zo ongemeen nier; gelyk O/aus. 
Magnus Hifi. Lib. 17. cap. I. getuigt. Habet , zegt hy , tota fcptentriê- 
nalis regio magnorum ar ietum ut e? ovium multttudwes , in quibus & foe- 
minee cornua gerunt arcuata. 't Zelve merkt Martin ook aan in de Scha- 
pen op de ruwe weftelyke eilanden van Schotland, in zyne bereids aan- 
gehaalde befchryving ƒ>» 19. 

(V) Diergelyke word ook van de Rammen op het eiland Gottland door 
Olaus Magnus ter aangetogener plaatL* verhaalt. 




v A N Y S L A N D. 29 

te giffen, dat alle de Schapen zonder onderfcheid met Hoornen 
gewapentzyn, om dat zy, als gaande dolen, dezelve tegen 
de vele en grote roofvogels niet ontberen konnen, waar tegen 
het rundvee, nadien het van alzulke roofvogels niets te vre- 
zen , en van wilde verfcheurende dieren geen gevaar heeft 
gevolgelyk gene Hoornen ter verwering gebruikt, en daar me- 
de, als onnodig, niet belaft is. Doch wat de eigentlyke en 
natuurlyke oorzaak dezer zeldzaamheid zyn mag, is niet zeer 
ligt te befeffen (w). 

P 3 Op 

(w) \ Is bekent , dat de hairen , wolïe , klaauwen en hoornen 
die alle in 't gemeen van ene natuur zyn,by de viervoetige dieren (f gelvk 
de vederen der vogelen en de fchubben der viiïchen) uit overv'oedi.™ 
fappen hunnen oorfprong hebben; en,offchoon zy als uitwerpfelen aange- 
zien worden, echter buisachtige lighamen zyn , die op de vvyze der plan- 
ten uit vele holle pypjes beftaan , en tot zekere lengte, bre^e enz eve" 
redig waflen {conf. Memoires pour fervir a ïhiftoire Nat. des Animaux p 
izpfeqj Voorts is bekent, dat die fappen , naar de eigenfchap van 'het 
voedfel, de vertering der fpyfen , en de overige- lighaams gefteltenis der 
dieren gericht en gefchikt zynde, zo veel onderfcheiden hairen en hoornen bv 
de een en andere voortbrengen. Dus ontftaan uit koele waterachtige fap- 
pen, weke en lange hairen. of hoornen : uit hete en krachtige , korte ge- 
dronge en harde. De mannen hebben gemeenlyk kort,gekrult en fterk,doch 
de vrouwen week, lang en (legt hair. Stieren, wiens bloed en zaadfappen 
in volle kracht zyn, hebben korte, dikke en vafte,doch de oiTen , door het 
fnyden verzwakt, dunne, weke en lange hoornen; {conferri huc twretur 
Plot. Nat. Hifi. of Stafortshire ch. 7. §. 58 ƒ?.) Dus wad een hanenfpoor 
een kapoen voor in den kop gezet, tot een ongelooflyk langen en krom- 
men hoorn. Voorts leert de ervarenheid , dat het vee, in fchraie, magere 
geeft -weiden gaande, korte, doch in vochte vette beemden grazende 
grote wyde hoornen hebben. By dit alles is de luchtftreek ook nfrc uit te 
fluiten. In koude en weinig uitdampende landen, vind men het vee we- 
gens de veelheid der fappen, met grote, doch in warme landen , alwaar 
door de fterke uitdamping de fappen ontbreken, met kleiner of geheel o-een 
hoornen voorzien; waarmede overeenfremt, 't geen in de Voïage du&ev 
Marchais r en Guinee & Caynne , door de P. Labat befchreven , Tom III 
eb. 8. aangemerkt word; namelyk , dat het vee, uit Europa overgebrafft' 
aldaar kleiner en dunner hoornen , dan in Europa, en de rhebokken zo' 
min hoornen als de geiten zelven hebben. Wanneer nu het bereids aange- 
haalde overwogen word, koomt my niet onwaarfchynlyk voor , dat het 
Tundvee uit het gering en flegt voedzel , 't geen het in YHand geniet, zo 
vele en overvloedige fappen niet bekoomt , dat daar uit hoornen voortge- 

bragt 





3 o 



BESCHRYVING 






ver- 
volgt, 



En op Op enige plaatfen beftaat alle have in Schapen , weshalve» 
enige de boeren 'er aldaar meer acht op geven. Dezen jagen alleen 
beter" " de . Hamels in ' c gebergte,- doch houden de Oyen zo veel by 
hoed ge "huis, als doenlyk is. Om de Lammeren te beter te konnen 
worden, hoeden, hebben zy de gewoonte, de Rammen, die fteeds met 
de Schapen herom lopen , door een onder den buik gebonden 
ftuk linnen het ontydig befpringen te beletten , en dat linnen 
alleen tegen den tyd af te laten , dat de te werpen Lammeren 
gras genoeg in 't veld konnen vinden, 't geen eerft tegen Pinx- 
ter gefchieden kan, De geworpen Lammeren worden aanftonds 
getekent , waarom dan ook een ieder de zynen , vermits zy 
alle door malkander moeten lopen , met een eigen en byzonder 
teken merkt. 
Doch Die tedere diertjens zyn veel gevaar onderhevig van de gro- 
door de te pekzwarte Ravens, die in de wilderniflen ongemeen fterk 
worden toenemen » nadien dezen dikwerf, zonder dat het verhoed kan 
worden , op dat zwakke vee vallen , het allereerft de ogen 
uitpikken , op dat het te minder zoude konnen ontkomen, en 
het vervolgens t'enemaal verflinden ; offchoon de boeren, zo dra 
zy zulks befpeuren , niet verzuimen , toe te fchieten , en de 
Ravens verjagen ; doch het Lam , vermits het , zyn voeder 
niet konnende zoeken, elendig omkomen moet, Aagten , en 
het het zachte vel afdropen, 't geen de peltery geeft, die in 
Denmarken en Holftein onder den naam van Schmaaskin of 
Schmaasken (x) verkogt en zeer veel door lieden van een 
middelbaar vermogen gedragen word. 
Hoe een Tegen den flagttyd, als zy gezint zyn, de Hameien te van- 
ieder zyn gen en te Aagten voor de fchepen, die in de vleefchhaven in 

recht , 

Schaap la " 

bragt konnen worden en groeven, en dat in het tegendeel de Schapen, die 
naar hunnen aart voedzel genoeg hebben , vermits het voeder krachteloos 
en de luchtftreek vochtig is, lange en weke hoornen voortbrengen. Of ik 
hier op het rechte fpoor ben, mogen zy befliflen en deswegens een beter 
oordeel vellen, welkers beroep het is, de natuur, en wel byzonder het ryk 
der dieren , te beftuderen» 

(*) Dat is, Pellicula, kleine velletjes, * Dania Smaa, 7/7. Smte, Sued. 
Sraa, Sax, Schuistfch, exiiis , parvus-& Ijl & Angh Skin, Dan, SkincL 
pcllis, cu f is. 



weder 

be- 

koomt. 



'-* 



van YSLAND. 



Si 



lading leggen , worden dezelve op de te voren gemelde wy. 
ze met honden te zamen gedreven , in tegenwoordigheid van 
alle de rechters, op dat gekyf en twift verhoed, en nie- 
mand bevoordeelt mogte worden, en ook een ieder vergunt, 
de zynen, volgens zyn merkteken, naar zich te nemen, 

In de magen der geflagte Schapen vind men niet zelden een Wac ia 
ronde Kogel, ter grote van een kaatsbal, die inwendig met hunne 
wol, mos en diergelyken gevult, en uitwendig door een licht- ! a i 
graauw flymeng taay of hard vlies of huid omgeven is; waarvan w ord. 
ik ene uit Noorwegen onder den naam van Tophus Ovinus Nor* 
wagtcusm myne verzameling bezitte. Die kogel omftaat on- 
getwyffeit uit de wol en andere onverteerbare dingen , die de 
Schapen zomwylen uit groten honger inz weigen , en word 
eensdeels door de geftadige fchokking der maag, die, gètt 
bekent is , door hare kruiswyze over den andere leggende 
vliesjes onophoudelyk heen en weder bewogen word , zamen 
gerolt , geperft , gewentelt , en m een kogelachtige geftake 
gebragt, en anderdeels, als 'er gefïadig meer hairen bykomen 
door de maagflym allengs verbonden, vergroot en eindelyk met 
de hartachtige huid omgeven (y). 

§. XXiX. Glit en konnen alhier niet gehouden worden, Geiten 
vermits hun het zo zeer geliefde loof van ftruiken en jonge z y nhier 
bomen t'enemaal ontbreekt. mez - 

J. XXX Ossen en Koeyen vallen niet groter dan het kleinft De ™ren 
geettvee in Duitiland; hebben , gelyk bereids gezegt is g;e- eRKoe ' 
ne Hoornen, en genieten alleen het voorrecht, door de huis kfehf^i 
l/eden in den winter mede onder 't dak genomen en met het hebben 

zo geen 
Hoornen. 

O) Diergeiyke uit hairen zonder vlies zaamgebakke kogels worden in 
matelyke grote ook hier te lande in de magen der geflagte Oflen en Koe- 
yen gevonden, welke vermoedelyk hunnen oórfprong nemen, dat die die- 
ren, als zy aan de leme wanden der boerenhuizen leggen, de leem, die tot 
hechting of vaftigheid met hairen vermengt is, lekken, kaaien en inzweï- 
gen; gelyk ook, dat zy, als het hun ergens jeukt, met hunne fcherpe ton- 
gen d 5e plaats fehuren, en daarmede de jeukt verdryven , als wanneer aan 
de flymenge tongen enige loffe hairen blyven kleven, die kaauwende inge- 
worden" vervols * w op de § eze ^ e w ^ ze zamenklevende tot een kogel 




3 2 



BESCHRYVING 






zo kommerlyk gewonnen hooy, of, by mangel van hetzelve, 
met het gedroogd zeegewas Zeeneftel fpaarzaam gevoed te 
worden. 
De Koe- §• XXXI. De Melk is de voornaamfte artzeny der Yflan- 
meik ders, en word daarom ook, zodra zy van de koe koomt, door 
word tot gene an deren, dan alleen kranken, genoten. Anders bedienen 
gebruikt Z Y zich in ' c gemeen van huy of wey (Serum laftis) tot hun 
'befte drank; weshalven zy 'er zeer zuinig mede omgaan, en 
gewoon zyn, dezelve, als zy goor, zuur en drabbig word, door 
water te verdunnen , te verlengen , en een weinig de onfmake- 
lykheid te benemen. 
Hoe de §• XXXII. Zy maken veel Boter; doch, zo veel my bc 
Boter be- wuft is, geen Kaas. De Boter kaarnen de meeften voor en na 
handelt zo hairig, als zy uit ongereinigde melk in een zamengenaaide 
word ' fchapenvacht gemolken is, en leggen dezelve dus op; weshal- 
ven een vreemdeling die Boter niet ligtelyk door de keel zou- 
de konnen krygen Ja , vermits zy 'er geen zout in konnen 
doen , word zy welhaaft zo groen, zwart, kantig, fterk en 
onfmakelyk , dat men dezelve naauwlyks met herfmelten enz. 
den deenfche matrozen eetbaar maken kan. 
Hoe het §. XXXIII. Hunne manier, om het Rundvee te 
Vee slagten, heeft ook iets byzonders. Zy kollen het niet voor 
den kop, menende, dat daar door het bloed in 't vleefch ftremt, 
en mitsdien niet lopen kan ; maar fteken het een dun penmes 
diep in den nek , waar door het ter aarde valt ; als dan trekken 
zy de poten gezwind met ftrikken zamen , en openen de keel , 
op dat al het bloed zoude uitvlieten. Het ingewand word door 
de Yflanders allereerft, zonder veel te reinigen , genuttigt , en 
het dier zelf afgehakt. De ftukken worden niet met zout ge- 
wreven, maar flegts twemaal door zeewater gehaalt, en dan in 
de lucht , op dat zy winddroog zouden worden , en vervolgens 
in hunne hutten over hunne haardfteden gehangen , om dezel- 
ve te roken, en te meer te doen drogen, Dus behandelen zy 
hun geflagt half verrot en half ftinkend vleefch , tot zy het 
voorts opeten. Die het beter willen maken , en 'er de midde- 
len toe hebben , kopen een weinig zout , fnyden , als het ge- 
flagt 



word 
geflagt. 






van YSLAND. 



33 



Aagt dier noch onafgehakt hangt, op drie of vier plaatfen een 
diepe fnede m het vleefch , en doen in iedere opening een 
kleine hand vol zout, zich verbeeldende, dat het dus zelf 
zo veel nodig is, door het gantfche beeft trekt, en het vleefch' 
wanneer er vervolgens wind en rook by koomt , zeer wel be- 
waard word. Op de beide gezegde wyzen handelen de ingeze- 
tenen ook met het fchapen vleefch, als zy het voor hun hinW 
zin Aagten. ö 

« §. XXXIV. ZwYNEN-konnen alhier niet opgebragt wor^etn™ 
den, nadien, zomin op het veld als in de huizen, genoegzaam Zwynen, 
voeder voor dezelve te bekomen is. Honden en Katten raaar wel 
heeft men 'er. Honden 

§. } XXXV. Duiven en ander tam pluim gediert kon- ren*"" 
nen er, wegensde langdurige ftrenge koude, gebrek aan voe- Tam 
der, en de menigte roofvogels van allerly zoort, niet gehou P1 "™- 
den worden. Enige weinige meer bemiddelde, en derhalven 'i sdiQT . lls 
kiefche, hebben geftadig een paar Hoenderen in huis, die zy hlermeu 
met klemgefneden hooy, onder een weinig roggemeel met wa- 
ter vermengt , kommerlyk opvoeden. 

g. XXX VI. Het edel Landgevqgelt beftaat , zo veel Wat Ge^ 
ik heb konnen ervaren, m Wachtelen, grote Snippen, als on- v °geit 
zeHoutfnippen,en deBerg-hoenen, Rypen (s) genaamt De U heb " 
zenzyn de Snoriper op de lappifche Alpen, die zich (a) fteeds 
op het land houden , meer lopen dan vliegen , en mitsdien niet 
bezwaarlyk te vangen zyn. Zy hebben, om de ftrenge koude 
te konnen wederftaan, geheel ruige met vederen bewaflen po- 
ten, waarom zy of haar's gelyken by de geleerde vogelbefchry- 
veren (b) Lagopedes , doch in Duitfland en Zwitzerland ook 
Sneeuwhoenderen genaamt worden. 

S-XXXVII. Van Roofvogels is er ene onbefchryffely- Roofvo- 
ke menigte en verfcheidenheid , als grote Arenden, GiE- geIs ' 
ren, Havikken, Valken, Uilen, RAVENsen an- 

V dere 

O) Rtupa. Perdix montana. Gudm. Andr. Lexi'c. IJIand* 
Ca) Fid» Scbefer. Lapponia cap. 19. circa finem, 
(£) Fid. Gefn< de Avibus Lib* UI, p, 576. 





34 BESCHRYVING 

dere meer, die aldaar gedeeltelyk namen en gedeeltelyk geeft 
namen hebben. 

Arenden. 5 XXXVIII. De Arenden zyn'er van verfchillende zoor- 
ten, die, gelyk op andere fchaars bewoonde noordelyke eilan- 
den (c) de inwoonders aan hun jong vee zeer grote fchade toe- 
brengen» Enigen derzelve zyn zeer flerk en ftout. In V alge- 
meen doen zy den menfchen niet ligt leet; doch als zy van een 
aangedreven Jyk menfchen vleefch gefmaakt hebben , zyn zy 
'er wel eens zo begerig naar geworden , dat zy onderflonden , 
kinderen van vier of vyf jaren weg te nemen, en door de lucht 
naar hunne nellen te flepen. 
Havik- 5- XXXlX. Havikken heeft men 'er meer, dan een zoort. 

ken» Van de kleinften heb ik eens een levend bekomen, die iets klei- 
ner als een duif, bont, geelbruinachtig op den rug , met een 
zwartachtige zoom om alle de vederen, en wit onder den buik 
was. Zie fig. i. Dezelve zat by de duiven en at met haar, doch 
wift zich door zyn gezicht, en vermits hy , als zy onderdaan 
dorden , hem tena te komen , nu en dan eens toepikte, zo ont- 
zaggelyk te maken, dat geen van haar, hoe hongerig zy zyn 
mogten , de vermetelheid hadden, met hem in den fchotel te 
pikken , voor hy geheel gefpyfl had. 
Valken. §. XL. Niet minder worden hier , inzonderheid aan de 
noordzyde, meer als een zoort Valken van yerfcheide gro- 
te en ver we gevonden. Deze houd men tot de jagt de dapper- 
lle en bequaamfte van geheel Europa ; weshalven de koning 
van Denmarken jaarlyks een zyner valkeniers meteen paar be- 
dienden naar Yfland zend, om zo wel voor zyne jagt , als ten 
fchenkadie aan vreemde vorften, alle goede Valken, die hy be- 
komen kan, te vangen, en naar Coppenhagen te brengen; waar 
voor de koning , namelyk , voor een graauwe Valk 5 , voor 

een 



(O Wallace in zyne Befcription of the Iflss of Orkney , pag. 47. ge"? 
waagt 'er van, en voegt 'er by , dat men te dier plaatfe een wet heeft, 
volgens welke hy, die eni Arend dood , door ieder huis van het kers» 
pel , waar in de roofvogel geveld is, met een hoen befchonken moet wor* 
den. 



<rver~"Midz,. 




vanYSLAND. 35 

Ier" Ë5? en Wi " e I0 ' e ° V00r een *"*£* « 15 da- 
De Valken worden gevangen met afgerichte vogels die onu / 

5^55*2"" Zi "/ n ' Va " <? "^'ofe'yken aflfand de Val P zeTvet 
ten ontdekken, en daar van door fchreeuwen een teken se- ™>g« 
ven aan hunne meefters, welke in een bedekt bofchhuttie Ie . worden - 
de vT"; t 'T T 1 " ° f l0kddf doen fladdere » ' op wette 
nedlrdaalr dn^h y , h r geWM J T rd ' **** * d * ^ 
infl 'j *,' al3 , hy ter aarde koomt > door een over hem 
zamenflaand net levend gevangen word. 

Als het fchip , waar mede de gevangen Valken overgebraw Ho, ,» 

IZ / af Seflast ? en hl,n vleefch °P het fchip aan maften , Co PP en " 
wand en ftake? opgehangen. Ook neemt men noch emV le-'w/S 

doen r mede ',° m ° nd ; enve ë' a,s een klei " «land aaf «S 
doen is van tyd tot tyd geftagt te worden. Doch wanne» « » 
het mogelyk mogt wezen, ergens in te lopen, zeilt men mef^? 
voorby, maar voorziet zich aldaar van verfch vee 't geen d dd. 3 "' 
wehger wetde koomt,, op dat de Valken van diergêlyk^fch 
beter als van het ander mogten dyen. Ter voeding wórd 
njaar alleen het mager vleefch, waar van men het vel ZrZ 
vuldigaffche.d, genomen, in dunne repen gefneden , en mft 
olyen eyeren vermengt. Ook worden zy alte morgen on zeke 
l^o^aft?^^^ ' - *** 5 leer ^efen 

E 2 mee 

(V) De witte zyn de zeldzaamfte.en veellis'r ook d? ^nn.rft fl . „ 










3* 



BESCHRYVING 





. met kleine aardzoden belegt, en boven op met grof doek be- 
kleed zyn , op dat zy zacht en koel zouden zitten , vermits an- 
derzints, als de poten heet worden, in dezelve ene podagrifche 
ziekte ontftaat. Over het ruim, tuffchen de ramen en latten, 
worden in de fchuinte digt by een netten gefpannen , op dat 
de Valken , als het fchip door de zee fterk ilingert en fchokt, 
allerwegen een vaften voet konnen zetten, of wel vallende, 
zacht nederkomen en geen ongemak lyden. Deze omftandig- 
heden heb ik van iemand, die eens als onderkoopman op een 
fchip , waarin koninglyke Valken waren , naar Coppenhagen 
overging. . , • ■ . ■ 

Uilen. g. XLI. Uilen heefc men er ook van onderfcheiden zoor- 
ten, als Katuilen, Hoornuilen, Steenuilen enz. 
Over veertig jaren bequam ik ene zeer witte , die een geel 
kringetje in de ogen had , en ik toen , zo goed ik konde, 
aftekende, en thans, in koper gemeden, alhier vertone. Deze 
had vermoedelyk op de hoogte van Yiland zyn ruit willen zoe- 
ken op een uit Groenland herwaards kerend fchip , doch was 
op het zelve gevangen. Als men hem in een kamer op de ta- 
fel zettede, en een levende duif 'er by infloot , fprong hyaan- 
ftonds op dezelve, rukte met den bek enige vederen uit , en 
at eerlt van achter door den rug het hart op, voorts het o- 
verige ingewand, en eindelyk het vleefch, doch van het laat- 
fte niets, & dan na dat hy bevorens de vederen merendeels uk- 
geplukt had. 

Havens. $. XLII. Van de Havens is bereids te voren enig ge- 
wag gemaakt , en daar uit hunne fchadelykheid genoegzaam 
af te nemen. Men befpeurt op verfcheide kleine onbewoon- 
de eilanden, aan Yfland leggende, dat op ieder dier eilanden 
maar een paar oude Ravens gevonden word , welke het voor 
Zich alleen behouden , en zodanig verdedigen , dat het alle 
de anderen, van elders naderende, afbyt en terug jaagt (*Y 

^ A-Llll. 

(e) Vid. mW* Norrigia illuftrata p. 225. Ik heb te minder zwarigheid 
gemaakt, dit te" verhalen, nadien iets " diergelyks door p.Marttn in zyne 
Meermaals aangehaalde Defcription of the IVejlern lslavds of Schot tland van 



Van YSLAND. 



37 



g. XLIIL Strand- en Watervogels zyn 'er in zo enewater- 
grote menigte en verfcheidenheid, dat gene der in woonders vogels, 
zelve hen alle kent, veel minder met namen benoemen kan 
Men ziet op afgelegen plaatfen, of onbewoonde eilandjes klip- 
pen, die t'enemaal wit van vogeldrek fchynen: ook bedekken 
zy genoegzaam met vele z warmen of hopen de zee tot op 12 
of 18 mylen van het eiland ; zulks men aan hun allereerfr, be- 
fpeurt, dat men zo naby gekomen is. Het geringd gedeelte 
dier vogelen overwintert op het eiland, want de meeften , ge- 
lyk zy in 't voorjaar komen, ook tegen den winter, onset wy f» 
felt naar warmer plaatfen , vertrekken. Men vermoed niet 
.ten onrechte , dat die vogels zo een bequaam eiland zoeken en 
beminnen, gedeeltelyk om het overvloedig voedzel 't g-en 
een ieder van hun zoort aan allerly viffchen, krabben' of Tar- 
naten, gewormte en diergelyken , uit de milde hand van den 
algemenen voorzorger, in de zee naar hun fmaak en nooddruft 
onopnoudelyk vind, als gedeeltelyk wegens de vele onbekJim- 
bare klippen , waarin zy_ met veel zekerheid voor menfchen 
en voflen neftelen en broeyen konnen. Van die vogelen leg- 
.gen enigen geftadig op het water , en weten door duikelen 
hun voedzel te verkrygen; anderen blyven met hunne uitgefprei- 
de vleugelen op de lucht zweven , en loeren uit de hoogte of 
niet de een of andere vifch het oppervlak der zee naderen' en 
,zich buiten het water begeven zal , die zy dan , zo dra zulks 
gefchied, door hun ongemeen fcherp gezicht aanftonds in 't 
oog krygen , als wanneer zy gelyk een pyl nederfchieten , en 
niet ligt de vifch miflèn. Van verfcheide dier watervogels heeft 
men ene befchryving en afbeelding in Marlens reize naar Spits- 
bergen en Groenland. Zy , die ik deswegens gevraagt heb, had- 

E 3 den 

drie kleine eilandjes, p. 47. p. 60. enp. 66. bericht word ; namelyk dat 
op ieder van dezelve flegts een paar Raven» zich onthouden die alle na- 
derende roofvogels met groot geweld, gevecht en gefchreeuw terug jagen 
en zyn eigen jongen, zodra zy genoeg vliegen konnen, met hevig byten 
ijitdryft. Ja hy getuigt ook het zelve van twe paar Arenden pp twe on- 
«erfcneide eilanden pag. 26 en 2#p # 




SB 



BESCHRYVING 



Zee- 
Meeu- 
wen» 






Eetbare 
Strand- 
vogels. 

Ganzen 






den 'er geen byzondereachtopgeflagen, en konden my mitsdien 
niet veel bericht geven. 

Alleen verhaalde men, dat een grote Zeemeeuw een ze- 
kere welfmakende vifch, Runmagln genaamt,en een Kar- 
per nietongelyk, uit de zee haalt en te lande brengt , 'er niet 
anders dan de lever van eet, en de overige vifch voorts leggen 
laat ; dat ook het boeren volk zich dezelve wel ten nutte weet 
te maken, en de kinderen geleert heeft, zo dra zy gewaarwor- 
den, dat de Meeuwen met zodanig een vifch te lande komen, 
toe te lopen, hen van dezelve af te jagen, en den vifch hunne 
ouderen te brengen. 

g.XLIV. Onder de eetbare en ten delen welfmakende Strand- 
vogels zyn de voornaamfte, de Zwanen, Ganzen, Enden, 
Duikelaars enz. welke onfeilbaar in 't voorjaar komen. 

§. XLV. Onder de Ganzen is een zoort, iets groter dan een 
grote End, alhier Marge es genaamt, 't geen zo menigvul- 
dig is , dat men by duizend op een plaats vind. Een ander 
zoort, Hels ing er geheten, vak aan de ooftzyde van het 
eiland neder, en is by zyn komfl , ongetwyffelt door de afge- 
legde lange reize over zee , zo mat , dat men alsdan wel dui- 
zend te gelyk doodilaan kan. 
Enden. §. XL VI. Onder de zoorten Enden zyn velen, als de Stok- 
enden en anderen, goed en eetbaar, doch de meeden , als de 
Kriek-enden enz. wegens hunnen traanachtigen fmaak zeer onaan- 
genaam en walgelyk;doch waar aan de Yflanders zich niet fto- 
ren , maar alles , wat zy op de klippen beklouteren , of uit de 
zandheuvelen graven konnen, in de poi! werpen, en op hunne 
wyze gekookt, zonder enige afkeer , als zy hongeren , naar 
hunne grage magen zenden. Onder de nutfte is de Eyd er- 
end (IJl. Aedurfugl, Narv. Aedder, Anas plumis tnollijfi- 
mis Worm.) De?:e is zo groot, als een gemene gans , en word 
door Wmn, in Muf e o p. 302. befchreven. Onder zyne borffc 
heeft zy de zachte en koftbare pluimvederen Eiderdons, 
by de Duitfchers Edderdunen genaamt. Doch het befte 
is het zogenaamd Levend Dons, 't geen niet alleen de 
meefte uitdyings kracht heeft , maar ook het duurzaamft is. 

Dus 




*an. YSLAND. 39 

Das noemt men zodanige vederen , welke die vogel zich in 
den broeityd uitplukt, om daar mede zyn neft, uit kleine bies- 
jes zaamgevlochten, tot gemak en warmte van zyne eyeren en 
jongen te Vullen; weshalven de Yilanders, die naby de fcheren 
en eilandtjes wonen, alwaar de Enden zich voornamelyk ont- 
houden , de netten , als de jonge Enden uitgevlogen zyn., naar- 
ftig zoeken, dat Dons ofdiepluimvederen voorzichtig wegnemen, 
en 3 dewyl zy vol mos en ttroo zyn , op horden drogen en rei- 
nigen. In het tegendeel zyn van geen deugd , die op andere 
tyden , en inzonderheid een doden vogel uitgeplukt worden ; 
vermits zy vet zyn, en welhaatt vervuilen. Doch van het ver- 
zameld Eiderdons blyft zeer weinig in het land. Het meefte 
word, vermits het redelyk duur uitgevoert kan worden , aan 
de deenfche kooplieden verkogt , die het medenemen en met 
goed voordeel niet alleen in Denmarken , maar noch meer bui- 
ten 's lands verkopen. Hier van kan Luca Debcs Fmroa refera> 
ta, p. 127 nagelezen worden. Men heeft my van dien Eyder- 
vogel noch deze byzondere eigenfchap verhaalt, dat hy niet al- 
leen gemenelyk vele en langwerpige donkergroene eyeren legt, 
maar ook , als men een Hokje van een half el lang midden in 
het neft fteekt, ('t geen enigen doen, vermits de eyeren van 
een ongemeen aangenamen fmaak zyn) hy buiten gewoonte legt, 
en niet ophoud, dan tot dat het boveneinde van het ftokje met 
eyeren bedekt is, op dat hy 'er boven op zoude konnen zitten, 
waar door de vogel zich zodanig verzwakt , dat hy 'er van 
fterft. 

§ XL VII. Enige der Duikelaars zyn ook eetbaar; doch Duiker. 
Veien niet. laars. 

J. XL VIII. De Lommen (Liomen , Colymbi fpecies) is een Lom- 
fchone vogel , ter grote van een gans , met een zwarten fmal- men. 
len bek en kleine vleugels, weshalven, en vermits hy~geftadig 
vetter , dikker en zwaarder word , hy zo bezwaarlyk vliegen , 
als wegens zyne te ver achter waardsftaande poten gaan kan. 
De Yflanders geven voor, dat niemand ooit zyn neft gevonden 
heeft, en hy zyne eyeren onder zyne vleugelen uitbroeit;doch 
zulks koomt hervoort, vermits hy niet aan de zee, maar , tot 

ze- 







40 BESCHRYVING 

zekerheid en gemak , op afgelegen plaatfen , en wel op of naby 
zoet water zyn neft legt, ten einde hy, op de eyeren zittende, 
zoude konnen drinken, of anders , zulks vereifcht wordende, 
te gemakkelyker en fpoediger 'er uit en in zoude konnen ko- 
men. Dit heeft my iemand betuigt , die twemaal het geluk 
en de gelegenheid gehad had, zulks met eigen ogen te befchou- 
wen (f). 
Geyer- §. XL IX. De Gey er vogel (Geirfugl) (g) Merganfer 

vogel» Jldrov. word zeer zelden gezien , en maar alleen op de beneden 
aan de weftzyde leggende klippen, naar hem de Geirfugl -Skeer 
genaamt. De bygelovige Yflanders menen , dat als die vogel 
zich vertoont , zulks altoos een zonderlinge en grote gebeurte- 
nis voorfpelt, en men heeft my verzekert, dat in het jaar van 
het overlyden van den koning Fredrik IV. , als wanneer men te 
voren in vele jaren gene befpeurt had, verfcheiden van dezelve 
gezien zyn. 
Van de 5- L. Het is aanmerkenswaardig, met -wat ene voorzichtig- 

Neften heid de Watervogels hunne Nesten op de fteilfte rot- 
zen en voordeligfte plaatfen op veelerly wyzen weten te leggen 
en zodanig te verfteken, dat men dezelve- of geheel niet vin- 
den , of niet dan met de grootfte moeite , ongemak en lyf- en 
levensgevaar beklouteren kan (b). Waarby voorts de kundig- 
heid dier Vogelen noch meer te verwonderen is , met welke 
zy , offchoon zy gemenelyk haar voedzel zeer verre moeten 
zoeken , niet alleen de plaats hunner neften wedervinden, maar 
ook een ieder het zyne onder zo vele honderden , ja dik wils 

dui- 

(ƒ) Van dien vogel hebben M r orm.Muf. p. 304 en Willugb.Omitholog. 
p. 2^9 iets aangetekend. De gemelde vogel is in grote, geluid en geaart- 
heid gelyk aan enen anderen, door de Yflanders Huubryre, en door die 
van Ferroe Imbrim genaamt. Mergus Maximus Ferrenfis JVormii in Muf. 
p. 303. In de Orcadifche eilanden Embergoofe,Sibba!d.Scot.illuftr,prodr. 
p, 11. lib. 3. c. 6. van welke zeer fraye berichten te vinden zyn in Luca 
Jacobfoen De bes Ferred, p* 128. 

(g) Vid. Worm* p. 300. JVillugb. p. 253. 

(Jj) Waar van by voorbeeld zeer fraay te lezen is , 't geen D. Steinkuhl 
deswegens van 'de Noormannen verhaalt in zyne Topograpbia iVorwcgia p, 
1 1 7 feq. 



der VVa 

tervo- 

gels. 



vanYSLAND. 



4? 



duizenden , die malkander in >s menfchen oog t'enemaal celvk 
Jchynen, zonder miflen konnen onderkennen (i\ 

§ LI. De Eyeren zyn Cgelyk gemeenlyk ook die dèf Vanh™ 
wilde zoetwater vogels) groengeel verwig met zwarte of bruine ne I™- 
vlekken, t geen tot enig nadenken gelegenheid geeft , en ook reD * 
van dikker fcbalen, dan de eyeren der landvogelen , ongetwv- 
feit wegens de ruuwheid der luchtftreek en nabyheid der zee 
op dat , wanneer de broeyende wyfjes, door de afgelegenheid 
vanhunvoedzel, t geen dikwerf gebeuren kan , een wvltvds 
afwezend moeten zyn, aleer zy weder naar hunne nellen kon- 
nen keren , de inwendige warmte inmiddels niet zo ligt zoude 
verminderen, de uitwendige koude lucht 'er in dringen, en het 
kuiken omkomen (*). De meeden dier eyeren zyn welfmakende 
en van een zo goed gebruik, dat daar door het gemis der eve- 
ren van het tamme pluimgediert volkomen en overvloedig ver- 
goed word; t geen de Denen, welke de eyeren tot allerlv ge- 
brink noch meer als de Yilanders gewoin zyn , by hun ver- 
blyf aldaar byzonder te ftade koomt. 

§. Lil Thans ga ik over tot het hoofd- en voorn aamfl ge- Va « *, 
deelte dezer befchry ving ; namelyk , de ryke en byzondere gTote 
zegen, dien dit eiland van den goeden God aan de onuitputtely- menigte 
ke menigte van zo vele en menigerly grote en kleine welfma- rl evis " 
kende en nutte Zeevisschen geniet, nadien dezelve zich en> 
alhier noch in hunne volmaakfle deugd en onverzwakte kracht 
bevinden; want het een door de ervarenheid bekende onwe- 
derfprekelyke waarheid is, dat hoe verder naar het Noorden 

F de 

CO Waar van ^Zorgdrager zeldzame en lezenswaardige aanmerkingen aan- 
f e G n tomende Zyn QGroenlandfi < he ™fchery II. <ƒ«/, i 4# boofdfluk.Bladi 
O) De graaf Marfili merkt noch daarenboven van de eyeren der water- 
vogels aan, dat m dezelve veel meer wit, dan in die der landvo-els is- 
vermits het jonge broer wegens de vochtigheid en koude , die uit het naai 
fle water op/t zelve valt langer tyd, dan dat der laatstgenoemden, tot hunne 
rypheid nodig heeft en derhalven het wit, waar uit de jongen, zo angl 
zy in 't ey zyn gelyk bekent is, alleen hun voedzel trekken, ce meer & 
bruiken. Danub. Pannon. & Myjic. Part. Kp. 154. ö 




42 BESCHRYVING 

<de Vifch gevangen word, hoe beter, vetter en duurzamer de- 
zelve is ; gelyk ook, dat de Vifcn zich te midden van den win- 
ter of in de ftrengfte koude in zyn beden en volmaakften ftand 
bevind. Weshalven ook de Bergers en Drontheimers den Vifch 
niet dicht aan de kutten vangen, maar denzelven van de verfle 
Noormannen , of Noorwegers , die hem zo hoog in 't Noor* 
den vangen , als zy met hunne vaartuigen immer komen kon- 
nen , jaarlyks kopen ; welke Noormannen onmiddelyk naar 
Kersmis in zeefteken,ende Vifchvangfl beginnen (/) gelyk on* 
ze Yflanders ontrent Vrouwendach daar mede een aanvang ma- 
ken. De onmeetbare diepten onder de Noordpool zyn de rech- 
te geboorteplaatfen der Zeeviffchen , alwaar zy teffens hunne 
voedzaamfte fpyze en beften wasdom hebben ;waar tegen zy, 
hoe verder daar van verwydert,by hunne uittogt meer en meer 
in ondiepe wateren komen , op de gronden en banken zo 
veel voedzel niet vinden, en ook, door de geftadige en verre 
reize afgemat, krachteloos en mager worden. Doch hier by 
ontdekken zich vele zonderlinge blyken der wyze en goede 
fchikkingen van den groten Schepper en Onderhouder aller din- 
gen ; want gelyk in de grondeloze diepten , die daarenboven 
door vreeflelyke nimmer fmeltende ysvelden befloten zyn , de 
menfehen hen ongeftoort en ongevangen zouden moeten laten, 
moet hun hunne overmatige vermeerdering zelve noodzaken, 
de diepten te verlaten, en den menfehen op ondiepe^ bevifch- 
bare gronden te gemoet te komen ; gelyk ook , vermits aldaar 
zo overvloedig voedzel niet te vindenis, de honger hen dwingt, 
aan den angel te byten, op dat de volkeren, aan de Noord-zee 
wonende, niet alleen rykelyk hun onderhoud verkrygen, maar 
nadien hun andere door de vreemdelingen begeerde koopman- 
fchappen grotelyks ontbreken, ook voorraads genoeg zouden er- 
langen, tot den benodigden en te gelyk voordeligen handel met 
het overige Europa. 

6 F Den 

O) Vide ()5ct)er (Statlfott 9]orrfgeé SSeffrfeltcffc/ in den jare 1632 te Cop- 

oenhage gedrukt, 't geen C. S. K. H. D. , dat is , Cbriftian Steinkuhl, 

Hafn. D. fub titulo'. Topographia Nor-wegia in het Hoogduitfch overgezet 

beeft, p. 11 3* 



r a m Y S L A N D. 43 

Den bewoonderen van het eiland Yfland , 't geen de uit het 
Noorden _ afkomende fenolen in den weg legt , komen de 
Viflchenjn gewenfchte deugd van alle kanten toevloeyen, en 
dringen m hunne fiörden of bayen met alle winden Van de- 
zelve zal ik flegts de voornaamfle, nutfte en te kennen no- 
digde zoorten aanhalen ; doch de namen , eigenfchappen en 
het nut der anderen overlaten aan die meerder gelegenheid, 
tyd en kundigheid heeft, dés vroed te worden , en de geleerde 
waereld in omftandige befchryvingen mede te delen. 

§. LUI. Ik make met de kleinfte zoorten den aanvang, by Hunne 
namen, den Haring, Kabeljauw, Lenge, Wyting verfchei- 
Dorsch, Schelvisch, Zeebot, H e i l b o t en S ie h o l de zoor * 

SLIV.DeHARiNG, (*)ofde gekroonde ViscH^elykSin* 
hem onze heden (de Hoogduitfchen) noemen, heeft met volle 
recht wegens zyn onuitfprekelyk nut, 't geen zich op de een 
en andere wyze over het grootft gedeelte van de bewoonde 
waereld uitflrekt , den voorrang. Dezelve is alomme zo be- 
kent , dat men hem niet behoeft te befchryven (m), maar 
flegts te noemen, om. een ieder te doen begrypen, wat Vifch. 
gemeend word. Doch hoe vele zoorten 'er van dien Vifch 
mogen wezen , is op verrena zo bekent niet , vermits de- 
zelve noch niet genoegzaam onderzogt, veelmin duidelyk be- 
fchreven is. Wat Yfland betreft , wete ik wel, dat alle des- 
zelfs bayen zodanig met den beften en vetften Haring vervult 
zyn, dat, zo het gering getal en onvermogen der inwoonders 
het niet belettede , dezelve daarmede welhaafr. en bequaam dé 
voordeligfte handel zouden konnen dryven. Doch de onder- 

F 2 fcheide 



(*) De heer Anderfon noemt te dezer plaatfe den Haring Heiring , onr 
dat, zegt hy, niet flegts de uitfpraak , maar ook de eigenfehap van dien' 
Vifch zulks alzints vordert, vermits hy nimmer alleen maar altoos beirs- 
wyze . door alle zeen trekt, weshalven hem ongetwyffelt ook die duitfche 
naam gegeven word; doch welk gevoelen van den geleerden fchryver wy 
aan andere overlaten, goed- of af te keuren. 

O) Die ondertuffchen ene befchryving begeert, kan dezelve by Scboe- 
nevtlde khthyhgie p. 37. Willougb. Icbtfaol. p. 210. en by anderen vin- 
den. 




44 



BESCHRYVING 



fcheide zoorten heb ik, vermits niemand zich 'er op toelegt, 
onmogelyk vroed konnen worden ; alleen wift men my te zeg- 
gen , dat bywylen een zoort voortkoomt , 't geen drie vierde 
delen van een elleilang,en de dikte van drie vingeren breed is. 
Veelligt is dit het zoort, door de vifïchers Haring koning 
genaamt, en 't geen voor den heirvoerder en leider der grote 
zwarm gehouden word («). 
Deszelfs ^at zoorten inzonderheid bekend zyn , en waarmede meer 
fcheiden of minder handel gedreven word , blykt uk het hier onder aan- 
zoorten. gehaalde (0). 

Wat zyn De vhTchers wenden gemeenlyk voor , dat de Haring al- 
Voedzei jeen van de flymerigheid des waters leeft ; doch zulks word 
is ' duidelyk wederlegt , nadien de Haring niet flegts tan- 

den in den bek heeft, die tot het waterflikken t'enemaal on- 
nodig zouden zyn , maar veeleer een gewis blyk uitleveren, 
dat zy hun dienen tot het vafthouden der vhTchen en dier- 
gelyken , die zy tot hun voedzel vatten en inüikken moe- 
ten ; behalven dat de nafpeurende bywylen ook andere din- 
gen in hunne magen vinden. Dus heeft Neukranz (in zyn 

om- 

{n) Van deze geeft Martin in zyne meermaals aangenaaide "befchryvïng 
vf the Wefiern Iflands of Schotiland p. 143. bet volgende bericht: Vis- 
ichers en anderen, zegt hy, hebben my verhaalt, dat 'er een Haring is, 
welke alle, die zich in een zeeboezem onthouden, voert, en werwaards 
hy zich wend, fteeds door de gantfche zwarm gevolgt word. Deze voer- 
der heteden de viflchers de koning der Haringen, en als zy hem by ge- 
val vongen , wierpen zy hem zorgvuldig weder in zee, vermits zy het 
voor een klein crimen lafa ntajeftath {petti treafon) hielden , een vifch 
van zodanig enen naam te doden. 

(0) Tot deze behoren de Sardynen der Noordzee (Cbalcides, Bettoni* 
de Aquatih p* 170.) die door de Engelfchen Pilchards (Ray Sympfis 
Piscium, p. 104.) en door de Franfchen Celcrins genaamt worden, wel- 
ke de Sardines , (of, gelyk men in Venetië zegt) Sardelle der Midde- 
landfche Zee zeer nab.y komen : gelyk ook de Engelfche Sprott of 
§pratt, 'welke eigentlyk het jonge broet van Haringen of Sardynen (Ray 
c. I. p, 105.) en gerookt ene zeer aangename fpyze is. Niet minder da 
Stromlinge van de bothnifche zeeboezem. Van de zogenaamde 
Stumhariwg, S ta ft ii ar ing en Pelzers, zie Schonev. d. U p, 
39 fa- 




vanYSLAND, 



45 



Öpufculum de Harengo p. 28.) in één maag dikwerf meer dan 
60 kleine byna halfverteerde krabben en garnaten eetelt, en 
Leeuwenhoek -naar luid van zyn 97 . brief, ten tyde de vis- 
lenen Kuit fchieten, vele eyertjes in de darmen der Haringen 
gevonden. ö 

't h geenzints onnut , na te fpeuren , van waar doch de on- 
begrypelyke grote heiren en zwarmen Haringen oorfprongo. 
ï zyn, die jaarlyks gevangen worden, en wat loop zy hou- 
den. Zoveel weet een ieder , dat zy uit het Noorden afko- 
men , en vervolgens , in verfcheide armen verdeelt , hunnen 
Joop door de Noord zee nemen. Doch dit is flegts een ge- 
brekkelyk begrip. Tot noch toe heeft men hun niet verder 
dan de fchetlandfche , of, gelyk wy zeggen , de hitlandfche 
eianden te gemoet gegaan, alwaar de Hollanders zich jaar- 
lyks ontrent St. Jan by Fayrhill en Boekenes met hunne bui- 
zen laten vinden , om de omftreeks dien tyd dik aandrin- 
gende zwarm , welke uit het Noorden afkoomt, door mid- 
del hunner uitgeworpen netten, die zy de zwarm in den-loop 
door twe buizen dwars te gemoet voeren (waar door een on- 
gelooflyke menigte op eenmaal gevangen kan worden) te vangen, 
te kaken, intezouten, en daar mede, behalven hun vaderland l 
ook een groot gedeelte van Europa te verzorgen (p). Doch ik 

F 3 . heb- 

{p) Ik acht het niet ongereimtj te dezer gelegenheid kortelyk een eï- 
gentlyk bericht van de hollandfche Haringvanfl: te geven. De buizen , 
by Hitland zamen gekomen, nemen hunnen cours noord noordweft , en 
werpen St. Jans nacht , den 25. Juny , na 12 uren het eerfte net by 
Fairhill uit. De vifïchery gefchied alleen 's nachts , op dat men een ge- 
deelte van de aankomende Haringzwarm aan zyn blikkeren (voornamelvk 
veroorzaakt door zyne ogen en de ïterk glanzige fchubben, waar mede hy 
bedekt is; te beter zoude konnen befpeuren, en hem het net recht dwarl 
voor fpannen; ten anderen, op dat ook de Vifch,die door het vuur, datis, 
het Jicht der lantaarnen op de fchepen (van welk voordeel men zich mede 
op de dalmaufche k-uften tot de Sardynen vangfl met nut bedient, Spons 
retze door Italië tok. 51.) aangelokt word, en derwaards ylt, de netten 
te minder mogte zien. Die netten , welke zeer lang zyn , moeten op 
ene zekere maat, door de overheid bepaalt , met enge mazen gebreid 
worden, op dat de Vifch daarin met zyne kaken zoude blyven hangen , 

es 





4<5 BESCHRYVING 

hebbe my de moeite gegeven, denzel ven noch veel verder na te 
fpetiren, en hem ook niet alleen om Yfland, maar ook noch 
hoger en onder de Noordpool gevonden. Myne onderzoeking 

grond 

en voorts van goede hennip vervaardigt wezen. Thans worden zy me- 
rendeels van grove perfiaanlche zyde gebreid, vermits diergelyke netten 
drie jaren konnen duren: ook werden zy alle, zodra zy bereid zyn, niet 
den rook van eikenhoutfpanen bruin geverwt , om dezelve des te ou- 
kennelyker te maken , gelyk ik eens te Amfterdam opgemerkt heb. Voor 
den 25. Juny, vermits de Vifch te voren noch niet volkomen goed is en, 
zonder garftig te worden, niet verre te vervoeren zoude zyn, ma* men 
geen net uitwerpen, waar toe de fchipper, Stuurman en matrozen zich 
volgens den inhoud der byzondere placaten, voor hunnen afvaard uit Hol- 
land moeten verbinden, en by hunne terug komft met eden verklaren, dat 
zulks noch door hun , noch hunnes wetens door anderen ^efchfed is, waar 
van men een ieder fchip, 't geen met den eerften Haring elders verzon, 
den word, een byzonder getuigenis mede geeft , om ter plaatfe hunner 
beftemmmg te vertonen, op dat niemand bedrogen mochre worden of 
die voordelige handel in verval geraken. En dit punt is zo gfnvichti' 
dat zulks by het verdrag in den jare 1609 ttiflchen de grote Viffcherv in 
Holland en de ftad Hamburg gefloten , niet alleen van de kant der e-rfttre- 
noemde, maar ook van de zyde ider ftad, voor zo veel hare af te zenden 
buizen betreft, wel uitdrukkelyk bedongen is. 

> Van St. Jan tot Kruisverheffing word onder Schotland by Bockenefs en 
Seremat , en van Kruisverheffing tot Ste. Cathariue by Yarmouth se vifch c 
en heeft men by placaten verlof, daar mede, zo men zulks goedvind 
tot den laatften December voort te varen. * 



Gedurende de eerfte drie weken, namelyk van den 25. Tuny tot den i< 
July,word al de gevangen Haring on verdeelt in zoorten onder elkander in 
tonnen gepakt, en door welbezeilde vaartuigen , den buizen nagezonden 
en Jagers genaamt, overgenomen , en zo fpoedig mogelyk naar Hol- 
land gebragt; vveshalven men dezelve Jager s-Haring noemt Na 
dien tyd word de Vifch, zo dra hy binnen fcheeps boord en -ekaakt H 
zorgvuldig in drie zoorten onderfcheiden , die men Maa'tW- Volle 
en Sciioot-Haring heet, en een ieder van dezelve afzonderlyk ge" 

G* 

niet 



cu ^nuui-iuMBG neet, en een ieder van dezelve afzonderlvk *e- 
zouten, en in byzondere tonnen gepakt. In de Maat 'iU-ki r-ino 
word noch zo mirt melk als kuit gevonden, en is wel vet, doch nie? 
duurzaam. Vol le-Ha rin g word het zoort genaamt , 't geen vol melk 
of kuit en , n zyn volkomen fland is. Schoot- Haring Cgefchoten 
Haring) Ylen- Haring (contrate pro Tdele , dat is, ledige) gelyk ook Hor 
Haring (hollen Haring) is die geleegt is, of kuit en melk gefchote i 
ten minfte dezelve zo los heeft, dat hy op het fchieten ftaat f welke 70/ 
ftand met een byzondir woord Kuitziek en Melkziek benaaml 
word) weder flegter is, en zo lang niet duurt, als de Volle- Haring. Met 

de 




van Y SLA ND. 



4? 



grond zich zo wel op enige my medegedeelde berichten i i 
de volgende grondftelling. Ter plaatfe, alwaar de gro-e en 
kleiner vifchzoorten , welkers gemeende en geliefde voedzeï ' 
de Haring is, zich in ene byzondere menigte en vettigheid be- 
vinden , aldaar moeten noodwendig de Haringen zich in een 
grote overvloed onthouden. Nu zyn mv, en wel van de groot- 
fte zoorten, de Zeehonden of Hayvisfchen, de Bruin visIchen 
of ZEEVARKENs,en van de Wal vifchzoorten, behal ven de Vin- 
visch (die derhalven by de Noormannen SiLDHUALofSiLo- 
auAL; dat is, Haringwalvisch, heet) de zogenaamde 
Noordkapers inzonderheid bekend, in wier magen (leeds 
een groot getal ingezwolge Haringen gevonden worden. 

Ik zalflegts inzonderheid den laatften gedenken, en van denzel- Noord ' 
ven teffens een merkwaarde omftandigheid bybrengen, Hy ont- kaper * 
houd zichvoornamelyk op den uitterften noordelyken hoek van 
Noorwegen , de Noordkaap genaamt , waar van de Groen- 
landers hem zynen naam gegeven hebben , ongetwyffelt we- 
gens 

de beide laatffgenoemde zoorten komen de buizen , zo dra een ieder 
zyn lading heeft, of niet meer te vangen is, voor en na t'huis , alwaar 
alle de drie zoorten , aleer men dezelve verder verzend , geopent on 
nieuw gezouten en zodanig aangevulc worden , dat men uit 14 zeeton- 
nen 12 nieuwe tonnen, die een laft heten, maakt. Van de holland- 
fchen Haringvangft fpreekt Happel. Relation. Curiof. Tom. IL t <r Cecr 
en Ottarperger ffaufmatl. Wlmi P- 597- De voornaamfte en befte Ha- 
ring, die thans in Hamburg gebruikt en van daar door het Ryk verzonden 
word, is de hollandfche , welke uit die Provincie ontboden ' doch in 
Hamburg, aleer dezelve verdergaat, door daar toe beftelde en beëdigde 
waarderers, wrakker» en pakkers weder geopent, op de hollandfche wv, 
ze gezouten, herpakt, gewrakt , en naar zyne eigenfchap en deugd vol. 
gens eed en plicht met zekere cirkels en tekenen , door de overheid daaV 
toe verordent , gemerkt word. Doch de byzondere deugd en fraakelvk- 
heid van den hollandfchen Haring, waarin hy alle de Haringen, door de ove 
rige natiën gevangen en toebereid , overtreft , fbruit eigentlvk daar uir H,r 
de Hollanders den Vilch terftond levend voo'r liet mesfen lo even zy ge- 
vangen word, kaken (dat is, de kiewen , Branchice, uitfnyden) zorgvul- 
d.g toebereiden, ende des nachts gevangen noch voor den volgenden nacht 
Sri eiken houte tonnen met tuffchen beide- geftrooit grof fpaanfch of por- 
tugeefch zout gefchikt leggen, of pakken, waartegen de overige natiën in 
deze en gene ftukken zuirnachtig zyn. " 







48 BESCHRYVING 

o-ens de geweldige Haringtogt, die aldaar voorby en by Noor- 
wegen afvlied. Niet minder bmsvëft hy ook , om zo te fpre- 
ken , in grote menigte rondom Yfland. En dat zulks ook om 
gene andere redenen , dan de hier zo menigvuldig te vinden 
Haring gefchied , blykt zonnenklaar , nadien hy , gelyk ik met 
zekerheid onderricht ben , wanneer hem hongert , niet alleen 
de Haringen, die in de bayen en inhammen der zee verftrooit 
zwemmen, zamen dryft, en voor zich henen naar het (Ir and 
jaagt, maar ook, na hy , zo veel nodig of mogelyk was, 
bveen gebragt heeft , door middel van een kleine wending 
van zyn groot lighaam een merkelyke draaikolk in het water 
verwekt , en daar door die ongelukkige diertjens zodanig te za- 
men en tot zich brengt, dat hy dezelve als dan door ene fter- 
ke inademing by gantfche tonnen vol met een tamelyk ge- 
weld in zyne open kaken , en zelfs kleine vifichers boten , als 
zy in de draaikolk vervallen , met het voortvlietend zog in- 
haalt of zuigt , en in zyne wyde maag verzwelgt (q)- Doch dat 

deze 

O) Dit Walvifchzoort , of een ander, 't geen zich insgelyks niet de» 
Haring voed, noemden de Yüanders weleer S yldrecke (Gudm.Andr. 
Lexic.lfland} dat is Haringmeefter , en (by Verel. Lex. Sc. Scande) is 
het Sildraeki balen* fpecies , qua haleces ex profundo in finm & brevia 
compellit, gelyk ook D. Martin in zyne Defcription of the fVeft-Iflands of 
ScottL p. 5. aauhaalt,dat by die eilanden in de haringbayen een menig- 
te Walviffchen van verfcheide zoorten gevonden worden , die myns be- 
dunkens wegens de ondiepte der gronden gene andere dan Noordkapers, 
Potskoppen en Bruinviffchen konnen wezen. In de Pbilofoph.. Transacl. 
N 387. Art. 2, alwaar onder anderen van de Walvifchzoortenby Nieuw- 
Engeland bericht gegeven word , heet een derzelve Fin- Back -JVhale 
naar de hem achter op den rug 2§ tot 4 voeten hoog (taande vin of ze- 
nuwachtige en vleefchachtige flosvederen , waarna hem onze en de hol* 
landfche Groenlandsvaarders ook Vinvifch heten. Vid. Martem Spitsbergreife 
Cap. II. En van deze word in de aangehaalde Transa&iom aangemerkt , 
dat hy de makrelen , haringen en diergelyke kleine viffchen door dezelve 
«atuurlyke lift , waar van de Noordkaper zich bedient , by enige honder- 
den teffens inzwelgt. Dus bericht ook Kjempfer in zyne befchryving van 
Japan/ I. B. 11. hoofd, dat een zoort Walviffchen door de Japonezen 
Iwaficurn , dat is, volgens zyne uitlegging, Sardyn eter genaamt, 
zich aldaa'r in menigte ophoud. 

Voorts 



yanYSLAND. 49 

deze zo wel als de overige Haringflokkers zich ook teffens by 
Spitsbergen , en zo hoog onze Gxoenlandvaarders ooit geko- 
men zyn , laten vinden , getuigen dezelve eenilemmig , waar 
toe de naarftige Martens in zyne geloofwaardige reisbefchry- 
ving ten bewyze genoeg is. Das dan moet by de Noord- 
pool een grote menigte Haring zyn , 't geen ik voorge- 
nomen heb te bewvzen. Onder de kleiner Haring -eters 
verfta ik de Kabeljauw en zyn geüacht , de Len- 
gen, Schelvis enz. vermits my bekent is , dat niet alleen 
onze hilgelandfche viiTchers by bevinding geleert hebben, dat, 
het zekerfte aas dier Viiïchen , waar aan zy het liefft byte-n, de 
Haring is, maar ook onze Groenlandsvaarders getuigen, dat, 
als zy diergelyke viiïchen tot hunne verquikking by Spitsber- 
gen en daar omtrent vangen willen , zy by gebrek van verfche 
of natuurlyke flegts een van wit blek verbeelden Haring daar toe 
met vrucht gewoon zyn te gebruiken. Waarby ik , als tot 
myn oogmerk zeer dienftig , niet nalaten kan , aan te halen 
't geen Denys in zyne Defcription de FAmerique Septentrionak 

Q (waar- 

Voorts heb ik alhier ene kleine aanmerking , my zelve te binnen ge- 
fchoten, niet willen verzwygen. Iemand , die het reeds aangehaalde leeft, 
kan lichtelyk invallen, hoe het mogelyk zy , dat de Haringen en diergelyke 
Viiïchen door hunne vervaarlyke en onverzadelyke vervolgers niet geheel 
verdelgt en in zee uitgeroeit worden. Doch zulks nadenkende, blykt wel- 
haaft, dat het de wyze Onderhouder derfchepzelen behaagt heeft-, dat de 
kleine vifchzoorten in een onbegrypelyk getal zouden vermenigvuldigen , 
daar in het tegendeel de gezegde andere zeedieren jaarlyks flegts één , 
ten hoogften twe jongen telen i als mede, dat het groter zoort van hun ge- 
flacht, 't geen zodanige Vifcheters meer dan de helft in grote overtreft 
zich op ene andere wyze voeden moet ; dus is het grootfte zoort , de ei* 
gentlyke Spitberósche Walvis ch, zo wel door de vele hairachtige 
bladen of zogenaamde baarden , waar mede zyne kaken vervult zyn , als 
door zyn enge keel het vifchflikken belet ; weshalven by zich voomame- 
lyk met kleine krabben of garnaten, en een klein vet waterdiertje moet 
behelpen, offchoon hy nochtans geen gebrek lyd, maar-overvloedig ge- 
deit. De Tang hual moet van Tavg (AngL.Tangle) eenZeegewas, Fue'us 
marinm^xï anderen van ander voedzel leven. Geiyk op het landde vleefch- 
etende dieren ook geenzints zo fterk, als de anderen vermenigvuldigen, en 
de vreeiche'ykfte onder dezelve , ik mene de elefant en rhinoceros , die 
▼eelligt anderzints de bofTchen large ledig gemaakt zouden hebben , zich 
met üegte kruiden en de tedere takjes der bomen moeten vergenoege-a« 









t.. 



Verder 
bewys ,_ 
dat de. 
Haring 
uit het 
verft af 
gelegen 
Noorden 
koomt. 



BESCHRYVING 

(waarin by hoofdzakelyk breedvoerig en met alle geringe om- 
standigheden de vangft en toebereiding der Mólitê\ 't geen een 
Kabeljauw -zoort is , befchryft) Tom. I. p. 162 & 228 verhaalt; 
namelyk, dat de vangfl: zeer overvloedig is , alwaar men vele 
Makrelen en Haringen vind , waar mede zy het beft geaafl 
worden, en Tom. II. p. 191. dat als men door te fterk vis- 
fchen de Molue' verjaagt , men ook de Haring enz. verdryft , 
en p. 195, dat als de Haring en diergelyken van de ene 
ftreek naar de andere trekken , de Molue' dezelve ook terflond 
volgt. Uit welk alles onwederfprekelyk blykt , dat nadien de 
Kabeljauwen enz. in Groenland niet alleen overvloedig zyn , 
maar zich zelfs door den fchyn van een Haring laten vangen , 
het aldaar en noch hoger op vol Haringen moet wezen 't geen 
opgeheldert,ja ten vollen geflaaft word, door ene diergeiyke 
aanmerking , by Zorgdrager in zyn aangetoge werk IL deel 
Hoofdft. IL uit eigen ondervinding gemaakt , die teffens be- 
tuigt, dat hy zelve een menigte Haringgraten by de vogelnes- 
ten aan de groenlandfche klippen heeft zien leggen (r). 

Doch nadien ik , gelyk thans bewezen is , de Haring zo 
hoog noordwaarts ontdekt heb, is my, by verder nadenken , 
in gedachten gekomen , dat zelfs in het allerdiepst Noorden 
het recht en eigentlyk vaderland , om zo te fpreken , der 
Haringen en andere met hem in gezelfchap zwemmende klei- 
ner vifchzoorten is , en wel , vermits zy aldaar onder de nim- 
merfmeltende .ys velden, die jaarlyks in dikte en grote, toene- 
men, 

(Y) Het mangelt ook in de Yszee boven Afia aan geen Haringen , gelyk 
zulks niet alleen op temaken is, uit de verfcheide zich aldaar bevindende 
Walvifchzoorten, en byzonder de zodanigen , als te voren uit Kcempiers 
Japan aangehaalc zyn, maar ook van den rufllfchen gezant Ysbrand in zy. 
ne reize naar China p. 131. verhaalt word , fchryvende hy aldaar, dat bo- 
ven Kamfchatka in de rivier Salazia vele fchone Haringen en diergelyken 
gevangen worden. Aan de kaap de Goede hoop, of aan het uitterfte eind 
van Africa, laten zich dikwerf mede Noordkapers en Bruinviflchen zien, .ge- 
lyk Kolbe in zyne wydlopige befchryving van die Kaap I. Deel bladz. 243 
getuigt; doch aldaar is ook onder anderen het Haringzoort, door de 
hollatadfche matrozen Harder genaamt , niet zelden te vinden, gelyk 
\y in 't zelve deel bladz. 234 verhaalt. 






anYSLAND. 



5i 



men , en zich wyd en breed uitflxekken , de meefte ruft tot 
fchieten en de zekerde verblyfplaats tot wasdom van hun 
broed genieten ; want het kennelyk is , dat verre onder zo- 
danige ysvelden en in die grote diepten de Hayen, Kabeljau- 
wen en diergelyken , wegens bezwaarlyke ademhaling niet zeer 
gemakkelyk, de hun nadelige vifchzoorten , by gebrek van de 
voor hunne dierlyke longen benodigde verfche en friffche lucht, 
geheel niet,en noch minder de vifTchers met hunne belaging 'er by 
komen of hunne diepe ruft ftoren konnen. Beha] ven dat voorts 
zeer natuurlyk en gemakkelyk te begrypen is,dat nadien die Vifch 
zich zo verwonderlyk vermenigvuldigt, deszelfs getal ter plaat* 
fe, alwaar hy van menfchen geheel niet, en van roofviiTchen 
zo weinig beledigt word , welhaail dermaten de overhand moet 
nemen, dat hy aldaar zyn volkomen voedzel niet heeft, maar ge- 
noodzaakt word, zo dikwerf de bevinding toont dat zulks ge- 
fchied, talryke colonien of heirtogten,om zo te fpreken , af te 
zenden, die zich in de open zee begeven, en hun voedzel ver- 
der zoeken moeten: van welke, na een groten welhaaft hier na 
aan te wyzen omweg , veelligt een overig gedeelte of zyn 
af komft weder naar de Noordpool terug keert , en aldaar het 
geflacht helpt vermeerderen. Ik twyffele geenzints , dat, zo 
men in de begonne nafpeuring van de wonderen der natuur 
naarftig wilde voortvaren (en och of deze regelen daar toe eni- 
ge gelegenheid en aanfporing mogten geven) ook dit en meer 
andere dingen door den tyd eigentlyker ontdekt zouden worden, 

Ondertuflchen wil ik niet verzwygen , wat wysheid en lief- Wat loop 
dadige fchikking van onzen groten en goeddoenden Schepper of ftreek 
ik, my aangaande, in de zo weinig betrachte loop of flreek Jy lloud * 
der Haringen befchouwe , aanmerke , verwondere en pryze ; 
namelyk, dat Hy, de heer van het gefchapene, de bereids ge- 
noemde en meerder , ja wie weet hoe veel groter en klei- 
ner Zeeviffchen zodanig ene natuur ingefchapen heeft , dat zy 
zo wel aan andere in het Noorden geteelde kleine VifFchen, als 
byzonder aan Haring (/) hunne bequaamfte en liefde fpyzen 

G 2 vin- 

(5) Merkwaardig fchryft M. Martin d. Lp. 349. Wberever tbey are y all 
ptber fisb folhso* cm and Wbaks and Seah m particular : For the larger fisb 

4 






$% 



BESCHRYVïNG 



vinden , en op dat zy zich daar van , als het bequaamft mid- 
del , om hunne onver^adelyke vraaduft te voldoen , zouden 
konnen bedienen, zo wel dezen kleinen doch ongelooflyknuiten 
Vifch, gelyk hen zei ven, door alle zeen verdeelt, en aan alle 
kuften leid. Want zodra de Haring van onder het ys, of uic 
de grondeloze diepten, op^de reeds gezegde wyze te voorfchyn 
koomt,zyn die grote, groter en grootfte vifchzoorten tot vul- 
ling van hunne hongerige magen 'er welhaait ontrent, houden 
dezelve door hunne geftadige beangfting en vervolging van al- 
le kanten in hoge, brede en zeer dichte fenolen (t) byeen, jagen 
die ook van daar fteeds voor zich heen, en dry ven dezelve als 
een fchichtlgen weerlozen vifch van de ene zee tot de andere 
(hoewel deze eigemlyk gene andere, maar alleen andere bena- 
mingen dragende delen van den groten Oceaan zyn) en van 
de ene kuffc tot de andere , vermits hy , om zyne grote 
vervolgers te ontvluchten , zowel tot zyn eige zekerheid en 
een ruftplaats tot zetten , als voor zyn broed , zo lang het noch 
teder is., een ongeflqorde. verblyfplaats. te vinden (u) in de 

zee- 

«f all kinds feed upon Herring; dat is , waar maar Haringen zyn , volgen 
hun alle andere Viffchen , byzonder Walviflchen en Zeehonden, Want de 
grootfte. vifchzoorten leven alle van Haring. 

^ (O Die eigenfehap en inwendige drift hebben alle kleiner vifchzoorten-, 
t geen wel zeer- natuurlyk, doch wegens het groot nut niet onaangeraèsfec 
vooroy te gaan is?, namelyk, zy zyn ge\voon,.uit vreze voor hunne ver- 
volgeren, en om. zich te redden, zo dicht als immer nïogelyk is byeen te 
zwemmen en in fcholen ter hoogte van bergen zamen te dringen (die ook 
door de hun dikwerf ontmoetende Noormannen füxta Topograpb. Norweg. 
cjtat. Fjskecercen of Vischbergen genaamt worden) 't geen tef 
fiens gelegenheid geeft, dat zy door de viflehers te bequamer en in groter 
menigte gevangen worden. Iets diergelyks bemerken wy by het fleeswyk- 
fche eiland Htlgeland aan onze niet min vervolgde krabben , garnaten of 
garnelen (Squill* gibba Rondelet.) die vermits zy van onder en op zy 
den door de fchelviflchen en anderen ,. wiens, voornaainfte voedzel , en 
van boven door de meeuwen (welkers gemeenfte fpyze zy mede zviO ce- 
jaagc en beangft worden, mede iii grote klompen of dikke hopen byeen 
vluchten, en mitsdien in zo grote menigte de hilgelandfche Viflehers ten 
deel worden. 

iu) Plin. Nat, Hijl, Lib> IX, Se&, 35. Nam in ftagna® amnes trameundi 



VAN 



Y S L A N 



zeeboezems of op de zandplaten , ja tot inde monden der vloe- 
den poogt te vluchten, zich genoegzaam voor de deuren der 
inwoonders begeeft, en beide ten fpyze en tot koophandel 
in onbegrypelyke menigte aanbied ; waar door de hem na- 
zettende grote en kleiner jagers , zo verre de grote hunner 
lighamen, en de diepte van het water gehengen wil, dezel- 
ve inwoonders teiFens aangeboden , en, als zy flegts toetas- 
ten willen , in de handen gelevert worden. 

Echter is hier by aan te merken , dat zowel de kuiters , om 
hunne grote reize te volbrengen , zich , zodra zy gezet heb- 
ben , weder in zee begeven , als- het broed , zodra het eni- 
ge krachten bekomen heeft , insgelyks uit natuurlyke drift , 
en om zyn groot oogmerk te vervullen , naar de zee ylt (w). 

Doch om dit alles noch duidelyker en verftaanbaarder te ma- Van- de 
ken, zal ik de. J-aarl.yksche loop der Ha ringen-, Jaariyk- 
voor zo verre men daar van zekere berichten heeft, vanf^ e der- 
plaats tot plaats aanwyzen , en teffens tonen , op wat tyd een z'dve."" 
ieder volk dien zegen deelachtig word, en de wyze op welke 
het zich denzelven ten nutte maakt. 

In het Noorden breekt de h o ofdzwarm reeds vroeg in De 
het voorjaar uit, waar van de ene Vleugel zich weft- ho ° rd ~ 
waards wend, en met de maand maart wegens de vervolging zvverr ? 
der vele grote Viflbhen van rondomme , en van de firandvo^nen 0611 
gsls van boven, zich in zo dikke en- dichte fenolen naar het vleugel ,, 
eiland Yfland begeeft, dat men. niet alleen aan de zwartheid die z J ch 
en het. wemelen van het water , nadien zy door angfl tot aan weiten" 
het oppervlak van het zelve dringen , en dikwerf fchynen , 'ér wend. 
uit te willen fpringen, hunne. koroft van verre befpeurt ; . maar 
ook, als men dezelve te gemoet vaart , en met een hoos , 
waar mede de zeilen uit de zee begoten en nat gemaakt wor- 
den, of diergelyk een hclachtig werktuig- 'er inflaat, onfeilbaar 
op eenmaal' ene tamelyke menigte van_ dezelve, gefchept en 

G 3 op- 

plêrhque phcibui evident ratio eft\ ut tutos fcetus edant , quia. r.on fint ibh 
qui devorent partus fiucïusque minus fxviant. 
(w) Conf* Natkrantz de Har in go p. 1 7. 






€ 



I 



54 BESCHRYVING 

opgehaalt kan worden. Of die vleugel, welke zich naar Yfland 
wend, te voren een gedeelte naar de terreneuffche banken zend 
en waar de reft van het aan de weftkuft van Yfland nederflor- 
tend heir bly ven mag, is alleen het alziende 002 van den AU 
magtigen bekend. OndemuTchen is het zeker , dat aan alle 
de zyden van het eiland dezeeboezems, bochten, bayen of 
fiorden daar van vervult zyn , en teffens, behalven de natrek- 
kende koftelyke andere eet- en nutbare kleine en groter Vis. 
ichen, inzonderheid de Noordkapers ( die wegens hunne gro- 
te zich met vertrouwen verder in de Noord -zee te volgen 1 
derwaards geyoert, en genoopt worden , dat oort voor hunne 
rechte woonplaats te verkiezen, waar van Zorgdrager na te Ie- 
zen is. ö 

Dean- De twede grote en beft bekende ooflelyke Vleu- 
„af r ^ GEL j> aa ;*van ook echter in het voorbyftreven een gedeelte 
ooften 5 a a u r de 0( f ' en znidkuften van Yfland nederdaalt ) ftort , door 
wenden- de hem volgende Bruinviflchen, Kabeljauwen enz. voort^edre- 
de vleu-ven, fteeds verder benedenwaards in de Noord-zee : doch zo- 
*«• danig, dat daar van een Afglzondert gedeelte, namelyk het 
oosteltke, zyn ftreek .naar ■ de Noord kaap (,) en verder naar 
de gantfche noorweegfche kuften {y) benedenwaards neemt , 

hoe- 

W Zorgdrager meld in zyne te meermalen aangehaalde Bloeyende on- 
komfl .der aloude en hedendaagfche groenlandfche viïïbhery II deel T 
Hoofdft.bladz .5)7- datontrentSt. Jan de bayen by de Noord alp van jonle 
viffchen, inzonderheid Haringen, wemelen en krielen, en hy zelf b v Lopdc 
en Curoy verfche.demalen met opmerking gezien heeft, dat bet water zi?h 
daar van op zommige plaatfen byna als levend vertoonde. Ta da : hv daar 
van vele troupen by malkander boven water heeft zien tcholen nie 
f/ü\ b y, honderde ». maar duizenden teffens in een fc oo en "er me 
de floep door geroe.t , met lenzen 'er in gefchoten.en dus enige ^ 
gen heeft zulks zomtyds twe te gelyk aan de lens bleven handen 

O) Te dezer tyd , s de nering en vangft by Noorwegen geenzints zo 
groot, als invonge tyden, toen de hoofdftreek derwaards «S en iaar? 
lyks enige duizend fchepen uit Denmarken, Duitfchland, Vr efland Hol- 
land, ja zelfs uit Schotland, Engeland en Vrankryk naar de h ve ns va n 
Noorwegen quamen, om den gezouten Haring van daar af "te haten en 
zich en hunne naburen van denzelven te voorzien; doch welke ove vl'oed 
ontrent den jare ,560 het fterkft vermindert zoude zy«,pl>k in de aan- 

ge- 




v a n Y S L A N D. 55 

hoewel een gedeelte zynen loop langs dezelve' geftadi* ver- 



zee vervalt , terwyl T v ?ede 



GEDEEL- 



volgt, tot het door de Sond in de Ooft-, 
het andere, zodra het de noordfpits van Jutland ontmoet zich . 
aldaar in tweën fplkft,en met enen arm aan de ooftzydé van ' Twede 
Jutland afloopt (2), doch door de Belt zich met die indeOofl-^EELs,. 

zee (a) welhaaft weder vereent, terwyl de t wed e arm aan en £ an ?' 

, iwede 
" e arm, 

gehaalde Topogr. Nerw. Cap i <;. p. 29 fq. bericht word ; ook heeft tot 
dien tytfhet Hans e- Sta dtsche Comptoir te Bergen zich bv 
dien handel zeer wel bevonden, doch de vermindering merkeiyk onder- 
vonden. Thans konren van daar wegens de Rothfchaars noch duren* 
de Bergervaarders Broederschap jaarlyks noch wel enige 
honderd lafjen gezouten Haring naar Hamburg, Bremen en Lubeck,doch 
dew-yl dezelve op verre na zo vet en goed niet ïs,*Is de Vifch,die daar 
l, hVT^ y ^ uu e " Schoc / l a " d gevonden, ook geenzints zo zorg! 
vuldig als door de Hollanders gefchiRt , gevlyt en gezouten,^ daaren- 
boven 111 vurenhoute tonnen (die den Vifch een onaangenamenbyfmaak ge- 
ven) gepakt word ,,s het vertieren gevolgelyk ook de wind niet zter 
groot. Inde verenigde Provinciën is bereids, in den jare 1620 bv ola- 
caat verboden,-enigen Haring binnen de klippen van Hitland,. Yriand etr 
Noorwegen te vangen en te zouten, veelmin van die lieden te kopen' 
bv confiscatie van zodanigen Haring, en een geldboete van 300 Caroli 

O) By Ahlburg word inzonderheid jaarlyks veel Haring ffevansen 
en gezouten, in tonnen naar de kutten der Ooftzee en Hamburg ter ver- 
koop gebragt; doch vinden geen vertier, vermits een ieder , óie de veel 
beter hollandichen betalen kan, denzelven liever neemt 

«Met deHaringyangft en handel aan de K usten der Oostzee'ïs 
het kortelyk dus gelegen: Toen i\i Haringureek noch fterker naar Noor- 
wegen qnam.is.van denzelven ook op-de Kusten vak Schonen zo- 
danig ene menigte gezouten en verzonden , dat men een goed gedeelte 
van Europa daarmede verzorgde. Want toenmaals was, gelvk (Mam Ma*, 
nns Hifi. Nat Septent*. Lib.XX.c. a *. verhaalt, de zlarm "zo dik Z 
von fottim retm ptfcantwm lacerarentuufed etiam in agmine Ulo bipènnh 
vellancea mtliians in medio pi fcium immifa fiimaretur. 't Welk ook ondpr 
anderen gelegenheid gaf, dat te Hamburg het Schonen vaar deus ge- 
zelschap 111 bloey quam , en den Haringhandel Merk dreef, \ ff e*n 
noch ten huldigen dage onder dezelve benaming duurt ,-zyne Voogden 
opzi.ndersenopperopzienders ter beftiering,en zyn eigen beëdigden pak- 
Ker, wrakker en waarderer in bediening heeft, en eigentlyk den Haring- 
handel, hoewel flegts maar alleen met den hollandfchen Haring, als de bef- 
te en gangbaarfte waren, blyft voortzetten , vermits de vangft ónder Scho- 
nen van overlang een einde genomen beeft. Bus werd verderop langs 

de. 



"Ü i 



-i „ 






5* 



BESCHRYVING 



de weflkufl van Jutland afdaalt , en naar Sleeswyk , Hol- 

ftein 

de gantfche Zweeds che Kust, gelyk ook onder Finland en 
Es ten geen goede Haring gevonden noch gevangen. In den Sinus Both- 
nicus vind men een zoon zeer kleinen en drogen, ofTchoon anderzints elen en 
welimakenden Haring, Stroming of Strömling QHalec Botbr.icus 
Neukranz de Hareng. p. ipO genaamt , in een ongelooflyke menigre 
01. M. d. b. lib XX. c. 19. De Finnen vangen dezelve noch hedendaags 
zo menigvuldig, dac zy zeer gezwind daar van een grote menigte verfchal- 
ken, die zy noch levend op het ftrand in grote hopen nederftorten, en 
dus naar het getal der manfchap onder malkander verdelen. Ü3ch in 
Wefterbotheu werpt men denzelven in grote vaten en tonnen, zout hem wel, 
roert hem met een ftok ond.er een, en laat hem dus 24 uren (laan, tot hec 
bloed uitgetrokken is en hy ftyf geworden is -, waarop men him den 
volgenden dag weder uitneemt, in allerlei kleine tonnetjes verdeelt, en 
voorts aldaar verkoopt , of wanneer men 'er gelegenheid toe heeft , in 
de nabuurfchap verzend. 01 Rudb. fit, de Ave Selav. p, 98. Ook pleeg 
men de kleinfte Haringen gezouten in bakovens te drogen, en ten ge- 
fchenk aan buitenlandfche Correfpondenteu te verzenden , gelyk ik my 
erinnere, dezelve in myne tedere jeugd gegeten, en welfmakende bevon- 
den te hebben.ïDoch thans, nu de tongen kieffcher en darteler geworden 
zyn, b ehoeft men met dezelve zo min als met Raffen Redding naar Duitfeh- 
land te komen» 

Op de tegenovergelegen kuften der Ooft zee word de togt veel talry- 
ker gevonden , werwaards hy dan ook zyn vervolgers , inzonderheid de 
Dorfchen, die niet, gelyk de groter Kabeljauwen, voor de engte van de 
Sond en Belt fchromen en terug blyven , maar hoopswyze volgen , en 
by Lubeck het vetft en lekkerft worden, met zich voert,- weshalven op 
de kuften van SLEESWYKen Holstein circa aquinocïium vernutn ge- 
noeg Haringen worden gevangen. Schoeneveld Ichïhyol. p 37. doch wel- 
kers deugd vermindert, behalven dat men ook op die plaatfen met het in- 
zouten en toebereiden niet te recht geraken, of tegen de Hollanders mark- 
ten kan, waarom zy verfch gegeten of immers gerookt, en dierhalven al- 
daar tot geen Kooproanswaren gebruikt worden Onder de laatftgenoem- 
de zyn de Kie lerbuc ring of Bucklingen en de Flickha- 
riNg byzonder fmakelyk en wel gezogt. Ben effens dezen komen op de 
Mecklenburgsche Kusten de Buckling en Flickharing, die al- 
daar op de wyze,als men in de Annalei 1'Vratiflav. d. 1720. Menf. /lp; il. CL If. 
Art. 4. omftandig en lezenswaardig verhaalt vind, toebereid worden. Waar- 
op de Pommersche volgen. Van deze laatrten fpreekt Neukranz in zyn 
den Haring ter ere gefchreven Panegyricus p 42. dusdanig; Slesvicenfes 
faporis junt eximii> quibus nihilo inferiores funt StraUfundenfei , ab bis 
Rofïochienfes , mox fVismarienfes ; ultimum locum Lubecenfei occupant ob 
fundi fterilitatem. Wyders worden ook op de Pruis sis che kuften en 

by 



*~f ' 



van YSLAND. 



57 



flein (Z>),het (lift Bremen en Vriefland (alwaar dezelve weinig 
gevangen, immers geen handel'er mede gedreven word) voort- 
ylt,tot hy door Texel en het Viie in de Zuider-zee (c) dringt, 
en na dezelve omtogen te hebben , weder ter voleinding zy* 
ner grote reize, naar de Noord -zee terugkeert. Waartegen De Wed- 
de t w e d e grote, weftwaards zich wendende afzondering, lyke , af " 
die thans de allerfterkfle is, in begeleiding der Bruin viiTchen, ^ van 
Hayen, Kabeljauwen, Lengen enz. welhaaft naar de h i t t- den ooft. 
landsche en orcadische eilanden (alwaar, gelyk ] y ken 
te voren gezegt is , de hollandfche Haringbuizen 'er inzon- vleu §' el * 
derheid op paffchen) en naar Schotland flreeft , alwaar Hare ene 
hy op nieuw een fcheiding ondergaat , en met een t a k aan de tak ' 

H ooft- 

by Dantzig Haringen gevonden ; doch zyn zeer mager, en deugen en du- 
ren gezouten niet, maar dienen alleen om te roken. Gabr. RzaczynskyHiff, 
Nat. Polonix Tr. 6. Se&, /. §. 3. 

Qi) Offchoon zy zich in geen zo groot ene menigte laten vinden, dat zy 
tot koopwaren zouden konnen verftrekken, Ipyzen zy nochtans velen, en 
brengen ten minde ene overgrote menigte van de fmakelykfte Kabeljauwen, 
Schelviflchen, Dor'flchen enz. mede, die zich by het fleeswykfche eiland 
Hügeland op de menigerly en bequame gronden , beneffens vele andere 
eetbare , ja lekkere vifchzoorten , waar van men zeer ligt een geheet 
boek zoude konnen befchryven, ophouden en meiten, op welke zy ten 
bekwamen tyde door de inwoonders in grote menigte gevangen, en met 
goed voordeel op de Elbe en Wezer verkogt worden. 

(c)Werwaards zy de hun nazettende Potskoppen en Bruin viffchen tot 
zelfs in het Y met zich trekt. Zorgdrager 2. deel bladz. 96. Doch ten 
befte van den groten Haringhandel is op zware ftraffen verboden, die Ha. 
ring in te zouten , maar moet tot Strobukking gemaakt worden , gelyfc 
dan die Tybukking of Ybukking bekent is, die in november en decem- 
ber gemaakt, wel zeer vet en aangenaam valt, doch alleen in Holland 
en de naaftaangrenzende oorden vertiert word, vermits zy wegens hare 
vetheid niet duurzaam, en derhalven ter verzending onbequaam is. In 
february, maart en april word zy, vermoedelyk de gantfche Zuider-zee 
doorkruift hebbende , en thans op hare terug kering naar de Noord zee 
zynde , weder onder Noordhoïland voor Enkhuizen , Monnikendam en 
Hoorn gevonden , gevangen en tot Strobukking (by de Hollanders 
Str ais dbukking en Enkhuizer-B uk king genaamt) toebereid, 
en thans magerer en duurzamer zynde , in goede menigte naar Hamburg, 
Bremen enz. ontboden en verzonden , en van daar door het Ryic ver- 
tiert. 




."■ > 



. 



I 






58 BESCHRYVING 

ooftkuft van Schotland (d) nederdaalt, om Engeland trekt, en 
onderweg ook mede aanzienlyke zwarmen den Vriefen , Hol- 
Twedelanders , Zeeuwen , Brabanders, Vlamingen (e) en Franfchen 
tok. voor de deur zend; doch met den anderen tak den Schot- 
ten op de Westzyde, en den Yr en toeylt , (die hy zich 
rondom, hun eiland mededeelt, offchoon zy beide 'er geen an- 
- der gebruik van maken, dan dat zy hem verfch eten, en de 

hem 

00 Yverige patriotten in Groot- Brittannien hebben ten aüen tyden 
hunne landslieden door opwekkende gefchriften en mondelinge vertogen 
getracht te bewegen, zich te benaarftigen , den hun door Godt eigentlyk 
en voor hunne deuren verleenden zegen niet zo onverantwoordelyk.alsge- 
fehied, te verzuïmeiïjön door de Hollanders voor den mond te laten wegha- 
len; ook heeft men in later tyden aan het engelfehe hof, om de vereni- 
ging van het koningryk Schotland met de engelfche kroon in den be» 
ginnen te bereiken, en vervolgens te vafter te verbinden ,. alle moeiten 
aangewend, om den fchotfehen gezouten Haring in den handel buiten 
flands in aanzien te brengen , ten welken einde inzonderheid met de 
itadt Hamburg zowel door de koningin Anna ,. als den koning George 
I., beide glor. gedachtenis, byzonclere verdragen opgerechr , en door het 
vereende parlement met dankzegging beveiligt zyn ; ook heeft men hun 
ïn Hamburg alle gemak , gelyk ook eigen beëdigde pakkers en wrak 
kers toegedaan; doch zulks wil tot noch toe niet gelukken ,gedeeltelvk 
vermits de Schotten denzelven te vroeg, en aleer het noch tyd is, vangen 
en gedeeltelyk en inzonderheid , nadien zy flegts met kleine boten in 
* zee lopen , te naby het land viiïchen t en den Haring niet voor het mes 
doen fterven, veelmin terftond,zo dra dezelve voor en na gevangen word 
binnen fcheepsboord inzouten , maar in de boten werpen , als dezel' 
ve vol zyn, naar land varen, en dan eer ft den Vifch op het ftrand ka" 
kenen zouten» als wanneer, vermits gemeen.lyk meer dan 24 uren verin! 
pen, de gevangen Vifch inmiddels reeds merendeels door zyne weekh-id 
aan het verderven geraakt ,. en mitsdien in fmaak en duurzaamheid rZiï 
iets verloren heeft; doch het fchynt, dat zy van jaar tot jaar meerder vlvc 
willen aanwenden. yc 

(e) De Vlamingers hebben zich niet alleen voor vele jaren zeer fterk 00 
de Hanngvang!tgelegt,maar ook de beite wyze , om dezelve te handha- 
ven en ie zouten,.uitgevonden ; doch door den Godt mishagenden lan-du- 
«gen rehgieoorlog, en de daar door veroorzaakte grote verandering in den 
koophandel geheel krachteloos , en zelf uit zee "geraakt zynde ,% de 
Hollanders , gelyk «n meer andere Hukken , alzo ook in die viffeherv en 
handel in hunne plaats gekomen, hoewel echter de hollandfche SSmo-ÏÏ 
der de kooplieden m Neder. Saxen tot op dezen dag wegens de wyze der 
loerulbDg VLAiiMscHE Hari WC of Flainifcher Öariifg genaamx word 



v a n Y S L A N D. 59 

hem najagende andere Viffchen zich beft mogelyk ten natte ma- 
ken) en eindelyk, na dat de reeds gezegde verdelingen van de 
twede grote afzondering in het Canaal weder vereent zyn 
hunne ovengen door de viffchers niet gevangen , en door de 
roof viflchen niet verflonden reft , die gewis noch verbazend 
groot is, in de Wed- zee (lort, en zich aldaar, naar het ge- 
ineen zeggen, verheft, of veeleer, en om beter te fpreken , 
op de kuiten niet verder, of zeer weinig (ƒ") befpeurt word , 
maar volgens alle vermoeden , fchichtig voor de warme lan- 
den, naar zyn geliefd Noorden, en oorfprongelyk vaderland 
terug keerd. ö J 

O onukfprekelyke rykdom der Goddelyke mildadigheid en 
zorge,die alleen in dezen enigen onaanzienlyken kleinen Vifch 
door zyn woord enen-zo heerlyken zegen gelegt heeft, dat hyniet 
ilegts zo vele millioenen vrefelyke , grote en kleine Viffchen 
verzadigt en voed , maar daarenboven ook noch vele honderd 
duizend menfchen gedeekelyk tot ene aangename fpyze ver- 
ftrekt, en gedeekelyk door zyn vangft, toebereiding, verko- 
ping en verzending overvloedig onderhoud en winft verfchaft, 
en echter niet verdelgt kan worden (g). 

H 2 $. LV. 

(ƒ) Maillet in zyne Befcription de /'Egypte Lettre IX. Dag. 25-. merkt 
«Is iets zonderlirrgs aan , gelyk het ook is, dat in de maanden december 
january en february zich in Egypten by Groot Cairo Haringen vertoon- 
<ien en lieten vangen ,• doch nergens anders , noch by Rofette noch D/tmia- 
te s ook niet in de Middelandfche zee. 

(g) i Om deze grote onerkende weldaat van Godt in een noch heller 
daglicht te ftellen , zal ik by overzetting hierby voegen , 't geen daar 
van in de nieuwe en koftbare Atlas maretimus & commerciatis, in den 
gare 1728111 de engelfche tale te London gedrukt, wydlopig gezegt 
word, en in het volgende beftaat; Ongevaar in het begin van juny en 
volgens verfcheide aankondigingen, zowel in de lucht als het water , uit 
welke de inwoonders van het eiland Schettland (of Hittland) het ver- 
menen te konnen befpeuren , koomt aldaar uit het Noorden een omiit- 
iprekelyke en ongelooflyk grote zwarm of heir Haringen aandringen. De 
plaats van waar zy komen, en genoegzaam huisvefïen, leggen, zet'én en 
zich vermeerderen, is onbekenu doch dat hun getal oneindig groot is, 
zal welhaaft mt het volgende ten genoegen blyken , offchoon het echter 
üegis een zwarm uit den flara en een overvloed is, die van een noch gro- 
ter 







SÉ 



60 



Kabel- 
jauw. 






BESCHRYVING 
LV. Het naad na den Haring verkies ik billyk de K a- 

£ £ L- 



ter terug blyvende menigte, by gebrek van ruimte, genoegzaam uitgefloten, 
en tot bet elders zoeken van zyn voedzel en verblyf jaarlyks afgezonden 
word; ook is bet onbekent, of' enige van dezelve tot het uitbroeden van 
nieuwe recruteu voor het volgende jaar naar hun vaderland keren, ten miu- 
fle komen dezelve uit bun vaderland, waar zulks ook wezen mag, zo over- 
vloedig, en vol vruchtbaar kuit, dat men zeggen kan , dat een Vifcb tien 
duizend anderen medebrengt. Hun kuit, fchieten zy in Zee by Engeland, 
want gelyk zy vol derwaards komen, zyn zy lange te voren, aleer zy we- 
der van daar fcheiden , geheel ledig. Hun getal behoort in waarheid on- 
der de In fint ta natura , dat is , overtreft alle getallen , en wanneer men 
volgens enige wyze van rekenen daar van fpreken wil, kan men niet an- 
ders zeggen, dan dat hun getal groter dan dat der fterren aan den Hemel, 
is. Zy breken uit ter plaatfen daarde zee genoegzaam op haar breetft is, en de 
uitbreiding van hun heir kan naar allen fchyn zo veel ruimte beflaan , als 
gantfch Groot Britcannien , Yrland mede ingefloten , bevat. Ongetwyf- 
felt moeten zy zeer enge zameu dringen, vermits zy zuidwaarts komen, en. 
zich genootzaakt vinden, tuffchen de kuiten van Groenland en de Noord* 
kaap door te horen, welke ftreek voor hun flegts een enge ftraat is , of- 
fchoon dezelve op de vïakté van den aardkloot ene wyte van 200 mylen 
Cteagues) uitmaakt. Wanneer zy zich verder benedenwaards begeven, en 
hunne talloze fcholen door de in den weg leggende groot -brittannifche 
eilanden (die zy vermoedelyk aan de gronden en ondiepten der Noord- 
zee, welke ongetwyfFelt niet veel anders dan de oppervlakte gefielt zyn, 
gewaar worderij ene fcheiding ondergaan , moeten zy zich noodwendig ia 
twe gelyke of ongelyke delen verdelen. Het een dier delen wend zich 
weftlyk of zuidweftlyk, laat Schettland en de orcadifche eilanden ter lin- 
ker zyde, en begeeft zich naar Yrland,. alwaar het zich weder fpliit; zulks 
dat een tak zich aan de brktannifche eilanden houdende , zuidelyk ne* 
derwaards door het kanaal van Sc. George of het yrlandfche kanaal 
ftreek houd, en tuffchen Engeland en Yrland nederwaards in de Savern- 
zee valt, alwaar het weder by zyne te voren verlaten vrienden koomt ; 
terwyl het twede gedeelte, by gebrek van ruimte, zich weftlyk en zuid' 
weftlyk zwenkt , door de yrlandfche- en Weft-zee nederwaards fchiet , 
fteeds langs de kuiten blyvende, het zuidftrand van Yrland omtrekt, en, 
door ene kleine wending naar het zuidooft,zyn gezelfebap, 't geen, ge- 
lyk gezegt is , door het yrlandfch kanaal nederwaards afgezakt is , we- 
derom ontmoet. 

De twede arm der eerfte grote in het Noorden voorgevallen verdeling, 
welke zich een weinig tegen het ooft- en zuidooft wend, valt nederwaards 
in de duitfche of Noord zee, en (treeft in een geltadige houding de groot- 
brittannifche kuilen, Schettland en voorts de kaap van Bueanefs en de 
kuiten, van Aberdeen v.oorby, vult onder weg m.et zyne ontelbare menigte 
alle zecboezems, bayen, rivieren enz. niet anders, dan of hy van de hand 

des 



vanYSLAND. 



6l 



beljauw , als dea Vifch, die hoofdzakelyk en ajleen de be« 

H 3 woon- 

des Allerhoogften geleid en beflierd wierd, om den nooddruftigen ten fpy- 
ze, en den koopman ten voordeügen handel te moeten vertrekken. Ver- 
volgens wend hy zich iets zuidelyks, (treeft voorby Dumbar, en word, na 
enen omzwaay om den hogen oever van St. Tabbs' en Berwick genomen , 
en de diepten gekozen te hebben, eerft weder by Scarborough gezien, e» 
in een dikken hoop niet eerder, dan op de yarmoutfche banken by Engeland 
vernomen, van waar hy naar den mond der Theems, en voorts door het brit» 
tannifche kanaal zynen weg neemt, doch verder niet meer gezien word. 

Om nu weder tot de Haringvangtt te komen, zo heten de Hollan- 
ders dezelve allereerft by Schettland (dat is Hittlaud) met ongevaar 
1000 of 1500 buizen welkoom (waar van de byzondere omstandigheden 
aader , en zoveel ik door naarftig navragen heb kannen ervaren, hier vo* 
ren bladz. 45. en volgende bereids bygebrngc zyn. - 

Zodra de Haring by Schotland aangekomen is , en door zyne uitbrei- 
ding over alle zanden en banken , zieh alle havens , bayen en boezems 
aanbied,, verzuimen de Schotten niet, denzelven in grote menigte te van- 
gen, te bereiden , in te zouten en naar enerly marktpiaatfen met de Hol- 
landers te verzenden, waarin zy, vermits de Hollanders- denzelven eerft te 
huis moeten brengen en herpakken, dezen dikwerf voorkomen , en bok 
met hun tot een evengelyken prys verkopen» Na dat de Schotten aan de 
noordzyde van de Tayin zulker voegen met hunne vangft gereed zyn, ver- 
fchynen de viflchers boten uit Dumbar enz. onder dezelve, en doen mede 
daaruit menig een ryken trek,.die zy naar Edinburg en andere grote (leden 
te land brengen, en daarmede dat koningryk ten delen verfch bedienen ; 
doch 'er ten delen Red- Herring, dat is gerookten Baring,-op-de yarmouth- 
fche wyze ,. van maken. Wanneer dan eindelyk de Haring , ge^yk hier 
boven gezegt is , by Yarmouth weder te voorfchyn koomt, en zich , om 
zyn voed zei- te zoeken, over de zandbanken verfpreid ,- word hy in ene 
verwonderenswaardige menigte, zowel door de Engelfchen ais Hollanders- 
en Frarfchen gevift, onder welke die van Yarmouth alleen jaarlyks on- 
trent 50000 tonnen vangen, en tot Red-Herring toebereiden, die in hun- 
ne ft ad en de naafta-angrenzende graaffchappen verbruikt word. Van hief 
ontwyken gedurende de vifïchery grote zwarraen , die naar den mond der 
Theems trekken , en- aldaar door de viflchersfrankken uit London, Foulk- 
ftone, Dover, Sandwich enz. zowel voorde (tad London , en andere aan 
dezelve rivier leggende lieden,. als voor de kullen van Kent en Suflex ge- 
vangen worden ,.terwyl de Hollanders ten twedenraaal hunne buizen 
uitreden, .en beneffens de Fr aw-s chen, Br aban ders, Vlissinge rs 
en anderen de uirterfte yarmouthfche banken beviftchen. Eindelyk ver* 
Tak de Haring in de enge zee, al vaar de Franschen van de ene en de 
West EsX ge ls ciien van de andere zyde hem weder te gemoet komen,- 
waarna hy fcjhiec , en. verder, niet gezien, noch geacht word,. 

Mm 







beschryving; 

woonders van het eiland Yiland voed. Dezelve is zo be- 
kent, 

Aan de andere zyde van Groot- brittannien gaat het dien armen vifchgpen 
hair beter. De kooplieden van Glasgow, Aire, Galloway enz. cel vk ook 
die van Londonderry, Belfaft, Carrickfergus, Dublin enz. gaan aldaar op 
hem los , en die van Lewes en de weftlyke eilanden Jaten hem geen ruft 
tot by dat kanaal, als genoegzaam door de fpitsroede lopende, nederwaards 
doorvliedende, de Savern - zee bereikt, alwaar hy op nieuw door de en- 
gelfche kooplieden van Devonshire aangetaft , en van Minhead tot Barn- 
ltapel , Beddiford enz. weftvvaards tot aan de fteden der noordkuft v»a 
Cornwal vervolgt word, die van hem, behalven 't geen binnen 's lands 
verteert word, vele iooo tonnen vol inzouten, en naar Spanje en de Mid 
delandfche zee verzenden , 't geen hem ook van de kooplieden in Petn- 
brock enz. en op de gantfche kuft van South -wales wedervaart, waarop 
hy, alsdan zettende, niet verder vervolgt word, maar zich in de diepte 
tot zyn gezel fchap begeeft , en niet weder te voorfchyn koomt Waar 
hy voorts blyft, en of hy weder naar het Noorden keert, dan in de gron- 
deloze diepte der Weft-zee den groten Zeeviftchen ten deel word of wat 
hem voorts bejegenen mag, is t'enemaal onbekent. Doch by zo verre ie- 
mand mochte vermoeden, dat te dezer tyd de Haring zo goed als weg- 
vangen of uitgedelgt zoude konnen zyn , is het tegendeel terftond uit de 
overgrote menigten zwarmen, die in de Savern-zee aan de weftlyke en 
zuidyke kuilen van Engeland en Yrland by hunnen aflost noch gezien 
worden, zo kenbaar, dat men veeleer vermenen zoude, dat het veelvul- 
dig geleden verlies geenzints te befpeuren is ; ondertuflchen zyn enige 
yan gevoelen , dat het getal , 't geen alle de viflchers van Europa van 
hun onderweg gevangen hebben, tegen hunne eerfte uit het Noorden af- 
komend heir zoveel als één tegen een millioen te rekenen zy • waarbv 
daarenboven zeer gelooflyk is, dat de verfchrikkelyk vele en gróte rooi 
yiffchen als VinvifTchen, Bruinviffchen , Zeehonden en dierlelyke va, 
ve U rflinden ^ ^^ ^^ menigte > dan aIIe de r eedsgenoemde ViiTchers 

Op de kuften van Noord . America word de Haring mede gevonden doch 
geenzints by zo grote hopen, als in Europa; ook word hy verder zukftvk 
niet dan aan de vloed van Carolina gezien. Of deze een gedeelte van 
de aanvangelyke zeer grote zwann zy, die by de eerfte aankomft op de 
groealandfche kuften , m plaats van met het overig gezelfchap zuidoo! 
ftelyk te gaan , veelhgt naar de noordweftlyke kuften van America af- 
geweken is, dan of hy de reft van gene zy , die, gelyk gezegt is her k« 
naai van Engeland doorwandelt heeft , is' niet 'te' ««S^&hïi S 
bekend, dat de Haring, ten minnen in een merkelyk getal , in ge e zuid- 
lyke ryken, als Spanje, Portugal of de zuidlyke delen van Vrankryk zo- 
min als op de kuften aan den Oceaan, in de Middelandfche zee, noch ook 
op de afncaanfche kuften gezien worden, juift als of het dien vifch verba!- 

dea 



vanYSLAND. tfj 

kent, dat ik hem niet behoefte befchryven , en zyn vleefch 

zo 

den ware, zich derwaards te begeven , op dat die landen daar van uit En- 
geland voorzien zouden worden ; weshalven dan ook de' kooplieden van 
DevonshireenCornwaldenzelven op ene byzondere wyze door pakken 
enPERssRNtoeberyden, en naar Spanje, Venetië, Livorno en andere oor- 
den van Italië ib grote menigte verzenden , gelyk in de aangetotfe Jtlas 
Marit.p. 104 te lezen is. - 

Tot klaarder bevatting van het thans bygebragte kan ik niet onaanse- 
roert laten, hoedanig de Engelfchen den zogenaamden Red Herring, 
dat is roden Haring ,. naar de bruine verwe , die hy door den rook be- 
kooint, gelyk den ingezouten witten Haring, naar zyne natuurlvke 
zilver verwe, die hy behoud,, benoemen, en denzelven op de volaerde 
wyz.e te Yarmouth vervaardigen; namelyk , dat men hem (zo dra een 
boot vol gevangen is) te lande brengt, en, na dat de kiewen en het in- 
gewand uitgefneden zyn,. met fpaanfch zout wel gezouten , in tonnen 
werpt, en enige malen doorroert; dat men hem, nadathy i6of tenhoo*- 
ften 24 uren er in gefhan heelt, weder uitneemt , met water affpoek» 
en in enige daar toe gemaakte grote hutten op (lokken over lange latten 
hangt; dat men daar onder een vuur van zeer kort gefoleten hout maakt 
en het alle vier uren op nieuw aanfleekt , op dat hy ^dus , vermits alles 
dient en de ingang gefloten is , geheel doorroken zoude, en dat men «in-- 
delyk de te verzendene zes weken daarin laat hangen , en als dan in ton- 
nen pakt (//^ Lat lm FVillughhy Hifl. Pifc. p. 220.) 

Nadien ook in den aangetogen Atlas Mantiwus alleg, loc. een om Han- 
dig en tot rayn oogmerk niet ondienftig bericht van de voordelige jrroot- 
brittarmicbe viflchery der Sardynen, of, zo zy die Viffchen zelven 
noemen , Pticbards , gevonden word , zal ik my de moeite niet laten 
verdrieten, het merkwaardigste uit te trekken , en vertaalt hier te laten 
volgen. Die Viflehen vertonen zich voornamelyk op de kuilen der beide 
welllyke graaffehappen Devon en Cornwal ,. en brengen dezelve meer 
voordeel toe, dan enige andere zeevifeb. Hunne eigentlyke tyd duurt van 
het begin van auguftt wi'ót allerheiligen , of den eerilen november. Men 
geeft voor , dat zy een klein vifchje, Britt genaamt, vervolgen , en daar 
door in ae monden der rivieren en havens geraken, Zy komen met den 
vloed, en zwemmen zo na aan het oppervlak des waters , dat men hunne 
komlt reeds van verre door het gewemel van het water gewaar kan wor 
den. f Men vangt dezelve op twederly wyzen,. weshalven hunne vifïchers 
gedeeuelyk Drovers, gedeeltelyk Sayners heten. De Drovers 
pailen op den groten zwara, als dezelve in de monden der rivieren en de 
havens koomt,. en ontfangen hem met wyde vierkante dwars te«-en den 
ilroorn der vloed uitgezette netten, waar door wel van den dikken hoop 
vele ter zyden en boven over ontkomen,- doch alles , wat tegen het net 
fioot, verftrikt en gevangen, word. De Sayneius - viflehen in de open- 

zee, 






■F 









04 



BESCHRYVING 



zo welfmakend , dat het alomme (h ) voor een aangename 
fpyze gehouden word. 



zee, en 



klagen fteeds over de anderen , dat zy de viflchery bederven , 
aangemerkt hunne bewegende netten zeer weinig vangen , en genoegzaam 
/en 7 wan n breken , verftroyen en van het ftrand verdryven , waar by 
noh komen zonde, dat hun vangft geen goede koopmans .varen geeft ver- 
mits de Vifch, door het gezwind ophalen en trekken uit de enge mazen der 

"T^tTf^L net i 't geen niet anders , dan die op te rivie- 



ren gebruikt worden, gemaakt, doch veel langer is, invoegen, ciaar de- 
ze üicts *o tot 40 vademen lang zyn , zodanig een zeenet 

600 vademen uitftrekt. Dezelve worden door dne ot vier 



n zeenet menigmaal 



wvde boten, waar van ieder ten minfte met zes mannen bezet :s , beft.ert. 
Slboten begeven zich met de netten in zee, en trekken dezelve naaf de 
plL °,Thv ar zy de togt der Viffchen verwachten; doch richten zich hier- 
fn naar heTtekenVt geen hun van een verheven heuvel gegeven word.door 
enSeden'dï op denzelven geftelt zyn,en zy Balkers -of Huers, 
da is aanwvzers en roepers noemen; want dezen van de klippen den 
?oop óf den Leek, die /e vifch houd , aan het gewemel van het water 
welhaaft befpeuren, en door roepen , pypen , het zwayen van een vlag, 
of wat anders, tuflehen hun afgefproken mag zyn het teken geven, waar- 
na zv, die zich in de boten bevinden, hunnen arbeid richten, er, de netten 
dus uitwerpen en ftellen, dat zy dezelve den aankomende Viflchen dwars 
teeen zetten. Zodra de netten volkomen uitgefpannen zyn , roeyen enigen 
lanes een omweg tot achter den vifchzwarm, daan alsdan met hunne ne- 
men in het water , en jagen alzo de Viflchen in het net Vervolgens 
brengen zy de einden van het net te zamen , en trekken het, t zy in 
zee, alwaar zy de vangft in hunne boten werpen , of wel eerft op het 
ftrand, welke laatfte manier, wanneer het ftrand zonder klippen en niet 
te fteil is, als de voordeligfte boven de andere verkozen word, vermits 
zv op de laatugenoeaide wyze zeer dikwils op eenmaal 3 tot 400 tonnen 
vol Vifch (ik mene niet in ene trek, maar uit enen z\varm)konnen beko- 

m Die Pilchards worden als Haringen gepakt en geperft, en naar de Straat 
in Spanje, Italië en de Levant met goed voordeel verzond mi. 

Op wat wyze het inzouten , roken en pakken van die Vifch gefcuied, 
kan omftandig gelezen worden by Willugb. c l p. 223 Jeq 

(h) By ons (te Hamburg) heet dezelve Kabbelau , by de Hoogduit- 
fchen Bolcii, by de Hollanders Kabeljauw , by de Denen, als zy 
zich door ons willen doen verdaan, Kablag, anderzints gaat dezelve by 
hun onder den gemenen geuachtnaam van Torsk mede door , by de En- 
gelfchen Co o, Codfisch, en op enige plaatfeu Keeling. Afellus 
major vu/garis, Schoenevcld. 



vanYSLAND. 



«55 



Zyn voedzel, gelyk wy,aan die voor onze Elbe by Hüge- Zyn" 
land gevangen word, bevinden, is allerly viflchen , inzon* voedzeU 
derheid Haring, en ook grote en kleine Kreeften. 

Men kan zich niet genoeg over de onbegrypelyke verdou- Heeft e- 
wingskracht verwonderen , die in de magen van deze en an- ne voor- 
dere huns gelyke zeevhTchen gevonden word. De ingezwol- treffeiy- 
ge viffchen worden binnen zes uren verteert, 't geen ik nit^J er< 
het volgende befpeurt heb. De vifFchers van het zo even wings. 
gemelde eiland zetten de haaklynen tot de SehelvilTchen voor kracht, 
den tyd van zes uren in zee uit, vermits men zich des wegens 
naar het ty , dat is eb en vloed , fchikt , waarin , gelyk bekene 
is, van zes tot zes uren een verandering gefchied. Als nu, 
onmiddelyk na het nederzinken van het aas, een Kabeljauw 
een Schelvifch , die te voren 'er aan gevangen is , infükt , be- 
vind men, by het ophalen, den Schelvifch reeds verteert, en de 
haak, die te voren in hem (lak , nu in de Kabeljauw vaft ; 
zulks men deze daar aan ophalen kan ,* doch wanneer de Ka- 
beljauw,eerft kort voor het ophalen van de haaklyn , een daar 
aan hangenden Schelvifch inflikt, laat hy zich wel in den be- 
ginnen mede ophalen , vermits hy zyn roof niet gaarne ver- 
laat , maar befpeurende , buiten het water getrokken te wor- 
den, den ingezwolgea vifch gewillig glippen, en valt dus af en 
ontkoomt. Nochtans is zyne fterke verdouwing noch duide- 
Jyker te befpeuren, wanneer hy grote Kreeften ingeflokt heeft, 
hoewel men zo beftipt niet weten kan , of hy tot de vertering, 
wegens den harden huid van dezen,een langer tyd, dan tot die van 
den Schelvifch nodig heeft ; ondertmTchen bleek uit het be- 
richt, my door de oudfte en bedrevenfte vhTchers op Hilgeland 
gedaan, dat de fchalen in de magen eerft aangetafi: , en zo 
rood geverwt waren , als wanneer de Kreeften in water ge- 
zoden zyn , waarna zy tot een dikke pap uitdyen, en eindelyk 
geheel en al verteert worden (*')• 

I De 






0') Even gelyk de Zeefchilpadden in en met de fchalen door de Kro- 
codillen verteert worden, volgens de aanmerking van P. Feuillet in zy- 
ne Co&tinuat. du Journal des Qbfervat, Phyfö%ues, p. 375, 



66 



BESCHRYVING 



Hoe de- 
zelve ge- 
vangen 
word. 



Wanneer 
de vifch - 
tyd is. 



De ma- 
nier van 
viflchen. 



Van den 

zelven 

word 

tweërly 

zoort 

vanStob 

vifch ge 

maakt. 



De Yflanders vangen dien vifch met haken, waaraan zy eer* 
ftuk van een uitgebroken moffel, of de verfch uitgefnede rode 
kieuwen der te voren gevangen Kabeljauwen hechten ; doch 
zy byten noch beter op een ftuk warm raauw vleefch , of 
het hart van een even te voren gefchoten vogel, als een 
meeuw en diergelyken , waar mede een vifTcher veeleer 20 
viflchen , dan een ander neffens hem met het gewone aas 
één enigen vangen kan ; weshalven ook zoortgelyke konftgre» 
pen, wegens het te groot voordeel, op den rechten vifchtyd 
door een koninglyke verordening verboden zyn. Als de bo- 
vengenoemde vifchtogt eerft aankomt , is de menigte der 
viflchen zo groot, dat zy zich met de rugvinnen- boven het 
water vertonen , en alsdan byten zy zelfs op een blote yzere 
haak , waar aan geen aas gehecht is. 

De rechte vifchtyd begint van LiehtmifFe , of den 2. Fe* 
bruary, en duurt tot SS. Philippus en Jacobus, of den 1. May, 
als wanneer de warmte beginnende, de vifch niet meer op den 
duur toebereid kan worden. 

Men befpeurt, dat al de vifch zyn ftreek tegen den ftroom 
neemt. Het vittellen gefchied in zee , of in diepe bayen by. 
dag ; doch in de ondieptens, die niet boven de tien vademen- 
water hebben , of wanneer de fterke branding der zee tus* 
fchen de fcheren het uitlopen belet, by nacht. De befte en 
fmakelykfte vifch word in de open zee op 40 en 50 vademen , 
alwaar hy overvloedig voedzel heeft , gevangen. Waar te* 
gen die onder het land en in de vifchbayen gevangen word ,, 
geenzints zo vet, goet en eel is. 

Van den gevangen vifch weten de Yflanders tweëerly zoorten 
Stokvisch (k) te vervaardigen , die zo goet, fmakelyk ea 
eel valt , als nergens anders,. 

De 

(£) Ik gebruik hier het woord Stokvisch in fctifu generico, vermits 
men in Opperduitlchland alle gedroogde vifch met deze van de oudfle 
drogenswyze herkomende naam gewoon is te benoemen. Het is naine- 
lyk by de noordfche volkeren een zeer oud gebruik , hunne vifch , die 
fcunne voornaamfte en meefte fpyze is, ter beter bewarUig, tegen den tyd, 

dat 



ntanYSLAND. 67 

De eerfte zoort , die van Flacken, dat is Klie Fiack- 
VZN (/) of Opsplyten , Flackyisch geheteu word , is vifcü ' 



I 2 



de 



dat zy niet viflehen "konnen , hart te drogen ; weshalven dan , vermits de 
vifch zo hart ah een Stok gedroogt is, of naar de fterke zamentrekking, 
aangemerkt men hem rond droogt, de gedaante van een stok 
bekoomt, de Duitzers gelegenheid genomen hebben, hem in hunne tal e 
gemeenlyk Stok vis ch te heten. Ongetwyffelt heeft men den eerden ert 
meeften Stokvifch uit Noorwegen bekomen, van waar noch huiden ten 
dage de meefte gebragt word. Aldaar maken hem de Noormannen inzon- 
derheid van Kabeljauw enDorfch. Hoe zy denzelven vangen, toebereiden 
en drogen, kan uit de aangehaalde Topograpb. Norweg. p* 113 feqq. om» 
ftandig blyken. Den vervaardigden vifch , brengen zy in grote vaartui- 
gen naar Drontheim en Bergen ter markt , van waar hy voorts verder 
verzonden word. De zoorten , welke men thans aldaar toebereid , zyn 
ï. de R oTHscHAR,Deeufch Rots karing-, 't geen van rot, radix, 
en skara, fin de, den naam draagt, aangemerkt hy geheel tot aan den fharc 
geklieft word, vermits de vifch, na dat de kop afgefneden en het inge- 
wand 'er uit gehaalt is , in den rug opgefneden , de ruggraat uitgeno- 
men, en dus ook in den buik tot den {taart geklieft word, dat 'er twe 
hangen uit worden (Olaus M. c. I. lib, XXL Cap. 2 zegt; Fentresin 
bicubitales ligulas inftat funium abfeiffas?) Het befte zoort van deze heet 
ffartftfrf)/ vermits het veel è'ler dan de overige is, en word in het by- 
zonder van de onder het land gevangen Dorsch vervaardigt. Echter 
lopen 'er ook zomtyds op die wyze gedroogde Lengen onder, welke 
aoch de allereelfte zyn. Deze Bftrtfifrf) word meeft naar de catholyke 
landen verzonden, en in de ryke kloofters gegeten. 2. DeRuNDFiscn. 
of Rondvisch. Deze word niet geklieft, maarhem alleen de buik opge- 
fneden, het ingewand 'er uitgehaald , en vervolgens aan een dun touwtje 
by den ftaart opgehangen, als wanneer hy zamenkrult, rondachtig droogt, 
en derhalven in den handel Rundfis en of Rondvisch ge naam-t 
word. Van deze zoort gaan de befte naar Holland, en de flechtfte naar 
Bremen. 

De Rundfisch of Rondvisch kan alleen in het voorjaar toebe- 
reid worden, als de lucht fterk doordringd , en in ftaat is, de gantfche 
vifch te drogen; doch by warmer jaargety is men verplicht, den vilch, op 
dat de wind 'er beter zoude -doordringen en hem konnen drogen , te klie- 
ven, dat is Rots c heer te maken. Conf. Topograph. No* weg. ct'f. loc, 
Jons Laurizen Wolf. Norrig. illuflrat, p. 62 fchryft ; om Waattn £attër 

*c rêrres runt» / men ©omroerftsfen ffeefe i>e / oc faa ffafles oen étetóa 
ring ', dat is. Jn de lente laten zy hem rond drogen ; doch de zomervifch 
klieven zy, en mitsdien word hy Rotfchar genaamt, 

CO §tefa eft di/cindo , <§(af , Tomus , differiutn , vetüti cum pi/cis in tó~ 

tx&s 



s 






BESCHRYVING 

de eelfte, lekkerfte, fmakelykfte en koftbaarfte. 

Hy werd op de volgende wyze- toebereid : Zo dra de vh~ 
fchers met een goede vangft aan land komen , werpen zy 
den vifch op heifflrand. Hunne vrouwen, die welhaaft by de 
hand zyn fnyden denzelven den kop af, openen den buik, ha- 
len het ingewand 'er uit, en paden hem terftond ; dat is, 
fcheuren of klieven hem van den buik af tot beneden toe 
open , en halen 'er de ruggraad van den nek tot op drie le- 
den (vertebra) onder den navel uit. Als de vrouwen zulks 
verricht hebben, liepen zy zowel de afgefneden koppen, om 
ten fpyze te zoden en de afgekloven graden daar na tot 
brand te gebruiken , als byzonder de lever, om tot het ma- 
ken van traan aan een zyde te leggen , op hunne ruggen 
naar huis ; waar tegen de mannen , inmiddels uitgeruft en 
zich naar mate van hun vermogen met brandewyn gelaafc 
hebbende, den geflackten vifch in lage of dunne kleine hopen 
neifens en op malkander werpen, doch alles zonder zout, en 
denzelven dus drie of vier weken, naar dat de wind hun gun- 
frig is, cf fyn 5 doordringend en beftendig waait, laten lig- 
gen, en een weinig uitgeflen. Voorts maken zy vierkante 
banken van ftrarsdftenen , waarop zy den vifch , om te dro- 
gen, Huk voor (tuk wiffelswyze neifens elkander uitfpryden, 
en vooral de huidzyde naar boven gekeert , op dat de regen 
de binnen zyde niet treffen en vlekken verwekken zoude. Als 
het weer droog is, en de noDrdenwind fterk waait, kan de 
vifch in drie dagen droog genoeg worden. Wanneer de vifch 
nu droog is, fhpelen zy denzelven in hopen, huizen hoog, op 
-elkander , en laten hem dus ongedekt voor regen en weer 

flaan> 

tnos ohlongós fecatus efl. Gudnu Andr. in Ijïand. Lexic. 2frCI1t Q5erg SMUItt, 
cc Stfra. fyïiïofr. bladz. 273 fchryft : 3>e feftie af fatet anïw ent) U* 
xtó QtèHtpl fem nefteit aantoifc beffar ubi «gorfef / genjjer och Jjeflfipntcr/ 
aff l)uiifc u fa f! iii^eii fait e/ men f lief e od) torre; dat is: Zy (de Noonl- 
landers) leven van niet andersi dan van hunne viflchery, die geheel van 
Dorfchea , Lengen en Heilbotten beftaat, waar van zy gene inzouten * 
aaaar klieven en drogen. 




van YS LAND. 



«r 



flaan , tot zy hem op zyn tyd aan de deenfche kooplieden 
verhandelen , die denzelven by de aflevering op gelyke wy« 
ze opflapelen , en tot St. Jan liggen laten , als wanneer de- 
zelve ingefcheept word. 

De twede zoort, die de Yflanders van de Kabeljauw maken, 2. De 

WOrd ^>Cngpf<fc Of HANGVISCH Van HANGEN Of OPHAN-Hang, 

GEN genaamt. vifch. 

Deze word in den beginnen op gelyke wyze, als de Flack- Hoe de- 
vifch, behandelt ; behalven , dat men hem* niet in den buik ze be- 
maar in den rug opklieft; en na dat de ruggraat 'er even zo handelc 
verre als van den Flack vifch uitgehaalt, en een opening ter lengte w 
van een vierde gedeelte van een el boven aan de borfl tot 
het ophangen gefneden is, word hy ook, gelyk de reeds ge- 
noemde, ter uitgefting op de aarde gelegt. Terwyl zulks ge- 
fchied, rechten zy van kleine rotsbrokken vier wanden op , 
doch zonder enig verband, en geheel doorluchtig, op dat de- 
wind 'er te beter door fpelen kan. Dezen bedekken zy voor 
den regen alleen met flegte dunne planken en groene zoden , 
en als de vifch uitgegefi: is , nemen zy denzelven van óqïi 
grond op , trekken hem door de ingefnede opening over hou- 
' te latten of ftangen , en hangen hem dus, de ene lat n effens 
de andere, om te drogen, op. Vervolgens nemen zy denwind- 
drogen vifch weder van de latten af, en leggen hem, als hier 
boven gezegt is, in grote hopen of fïapels. 

Ondertuffchen is een merkelyk onderfcheid tuflchen den Onder: 
vifch, die op een flrand, alwaar men flenen genoeg , en een? ! ! ei ^ hl 
ander, alwaar men maar alleen zand heeft, op het blote zand gel r °* 
gedroogt word ; want de eerftgenoemde word vader, witter 
en duurzamer ; waar tegen de andere, vermits hy alleen 
op de uïtgefneden ruggraden in plaats van op flenen ge- 
legt word, fmet, en mitsdien geenzints zo duursaam als de 
eerftgemelde is, 

- Wel is waar , dat een ieder , die flegts alleen de omfïandig- Van 
heden en werking van een zoel , laauw en vochtig klimaat ^ aar hQ,t 
kend, moeite zal hebben te begrypen , hoe het mogelyk zy jaagde* 
dat een zo grote, vette, geheel zonder zout dus liegt behan- Stok- 
je 3 del- vifch 












zonder 
zout be 

waart 
Word. 



7 o BESCHRYVIN. G 

delde , en onder den bloten Hemel op;?eftapelde vifch niet 
verrot, maar zo duurzaam word , dat hy ook 'er na in andere 
waerelds oorden lang bewaart kan worden; doch wanneer raen 
in rype overweging neemt, hoe doordringend alhier de kou- 
de, by zonder ven tyde van de toebereiding van dezen vifch, is, 
hoe zuiver de luchr (m) en hoe opdrogend de fchrale fcherpe 
noordewind (waar door de vochtigheden, als de inwendige 
oorzaak van de befchimmeling en verrotting,geheel verdreven 
worden) alhier is, en, ten minde ten tyde van de toeberei- 
ding van den vifch. gene grote vliegen gevonden , en ook de 
weinige die komen mogcen , door de fterke vifchreuk afge- 
weert worden ( gevolglyk ook de wormen en maden , als de 
uitwendige oorzaak der verderving ontbreken) is de 
mogelykheidder bewaring van dezen dus gedroogden vifch zeer 
wel te begrypen , en de weldaad, die deze lieden in hunne on- 
dragelyke en alleen quaad fchynende ligging en weer befcher* 
men moet, met verwondering op te merken. 
Andere Op het eiland Weftmanoe maakt men den Kabeljauw ook op 
de noorweegfche wyze (zie de aanrekening bladz. 66) tot 
Rothschaer. Namelyk de vifch word beide in den rug en 
buik geheel tot dicht aan den ftaart gefpleten of geklieft, zulks 
daar uit twe alleen aan den flaart zamenhechtende hangen of 
zyden worden ; vervolgens op de te voren gezegde wyze op 
den grond ter uitgefting gelegt , en voorts , om te drogen , in 
de gemelde fteenhutten , doch zonder dak, bloot over de lat- 
ten gellagen, en dus opgehangen ,waar mede dezelve welhaaft 
vervaardigt is. Doch die Rothfchaer word binnen 's lands ge- 
ge- 

(#;) Van de zuivere en drogende lucht der Yflanders fchryft Olaus M c, 
h l.ib. w c. 2. Aer-femper frigidus e(l & ferenu%-tantaque ejl aëris tem» 
per i es, , ut pi/ces nitllo fale conditi , fed f oio aere ftccati toto decennia k 
putrefafttone durent. En dit gaat zo verre, dat de Noordlanders ook, door 
de lacht en den wind, zelfs vleefch zo droog konnen maken , dat het 
duurt; gelyk dan in de Topcgr. Norw.cit. p. 15. gezegt word, dat m n 
de wilde ganzen, doch wel inzonderheid twe zoorten vogelen, de ene Leyer, 
die zeer vet is, de andere Ski-ab genaamt, in den wind droogt, en in plaats 
van brood gebruikt. Add* Jons Lauritzen fVolg' Norrigia tllufirata, p. 198. 



manter 
om van 
Kabel- 
jauw 
Stok- 
vifch te 
maken. 




vanYSLAND. 71 

geten , en zeer zelden verzonden , vermits deze lieden met de 
fcuitenlandfche Rotfchaerhandelaars geen koophandel gewoon 
zyn te dry ven, maar veeleer alles, wat hun ontbreekt, van 
de Noor wegers , met welken zy in oude kenniiTe, onderling 
vertrouwen en verbintenis leven, laten komen. 

Dus bereiden ook de hollandfche lorrendrayers op hunne Ook 
fchepen van den Kabeljauw, die zy by dit eiland vangen, Lab- w °rd 'er 
berd aan (n) op de volgende wyze ; namelyk , zy fnyden ^ b ~ r " 
den vifch alleen den kop af, en den buik open, en halen 't in- toebe™ 
gewand 'er uit, waarna zy hem met veel grof zout beftroyen reick 
en in tonnen leggen. 

En hier mede zal ik afbreken , vermits uit het reeds gezeg- 
de het oneindig nut (0) der Kabeljauwen genoeg blykt ; behal- 
ven , dat zulks , uit het geen voorts van de overige van hun 
geflacht te volgen flaat , noeh verder openbaar zal worden. 

g. LVI. Dus is de Lenge (Afellus longus , EngL Ling. Lengev 
Willougb. Hifi, Pi/c. p. 175. Dan. ümcje) een zoort van Kabel- 
jauw; doch fmaller en langer, dan de te voren eigendyk zo- 

ge- 

(«) Aherdaine, Habherdeen, i. e t Afellus Aherdonenfa , gelyk hem Wil- 
Joughhy noemt , ongetwyffelt , vermits hem de Schotten allereerft op die 
plaats toebereid en verzonden hebben; zo als dan ook de Schotten op hui* 
eiland, gelyk de Yren aan de noordweft- en ooftkuit van het hunne, jaar- 
ïyks de Kabeljauw in menigte vangen en tot Labberdaan toebereiden, wel- 
ke inzonderheid voor de matrozen op de fchepen dient. 

(ö) Ik zal hier noch iets byvoegen,om te tonen, dat niet alleen alles van, 
dien heerlyken vifch gebruikt kan worden, maar dat ook een vernuftig en 
fteeds zyn voordeel betrachtend koopman zelfs veracht fchynende dingen 
tot een nut voorwerp zyner handeling weet te maken, Namelyk de Noor- 
mannen verzamelen, als zy den Kabeljauw tot het bereiden van Stokvifch 
behandelen, de kuit en het ingewand van denzelven zorgvuldig byeen, en 
brengen het naar Drontheim en Bergen, alwaar de kooplieden, en,, inzon- 
derheid ter laaiiïgenoemde plaatfe,onze zogenaamde Bonden vanhethanse- 
atifche comptoir, gelyk my de hoofdlieden der Bergervaarders alhier ver- 
haalt hebben , 't zelve kopen , en behoorlyk gewrakt en gepakt in grote 
partyen, gedeeltelyk lynrecht, en gedeeltelyk over Hamburg naar Nantes 
zenden, vermits de Franfehen zich daar van met groot nut en wel zoda- 
nig tot de vangit der S<ardynen weten te bedienen, dat zy het uiteen ge- 
plukt tulfchen hunne netten flroyen , waarnaar de Sardynerj zeer begerig 
en mei hopen komen zwemmen., 









■ i 



■ 



ook 

tweërly 

zoort 

Stok- 

vifch 



7 . BES CHRY VING 

genaamde Kabeljauw , waar van hy ook zyne benaming in alle 
talen draagt, hebbende ene byzondere vette en weifmakende 
kuit, en een zeer voortreffelyke lever. 
n „ van Van die Lenge word ook beide Flack- en Hsngfisch, 
word of H a n g v i s c h , op de te voren gemelde wyze vervaardigt; 
doch die geenzints zo goed is , dan die van Kabeljauw zelfs 
toebereid , en derhalven gemeenlyk alleen door de mwoonders 
tot hunne mondkoft gebruikt word; 't geen te meer verwon- 
dèring baard, nadien de Noorwegers hunnen eelftenenkoftbaar- 
vervaar- ften Rundvisch op de te voren gezegde wyze daar van 
fligt * weten te bereiden. Zo groot is het onderfcheid van den 
vifch . als hy zich op enen anderen grond onthoud , of ander 
voedzel geniet enz, en zo zeer koómt het ook op ene goede 
handgreep aan. \ 

Doch al- Gelyk het dan ook den Yflanders met gelukken wil , K l ip- 
hier geen vis ch (die, vermits hy op de klippen of banken van gladde 
Klip- ffrandftenen gedroogt word, dien naam draagt) daar van te be- 
vifch ' reiden , nadien hy zeer flegt uitvak en ligt verderft , en mits- 
dien niet verzonden word. 
D ie Daar nochtans de niet verre van daar gelegen Hittlanders in 
nochtans (laat zyn, hunnen voortreffelyken Klipvifchvan denzelventebe- 
deHitt- reiden (p). Veelligt wil de goddelyke zorge , die over allé 
1 anders vr men" 

daaruit 

(p) Op de hittlandfche eilanden word de befle en duurzaamfte Kli** 
visch, de gemeenfte zoort van de Kabeljauw, en de eelfte van de 
Lengen, toebereid. Die toebereiding gelchied op de volgende wyze : 
De inwoonders hebben aan het ftrand grote vierkante home kiften ftaan, 
ieder van wellte ontrent 500 viflehen bevatten kan. In dezelve leggen 
zy den gevangen vifch , na dat de kop , het ingewand en de ruggraat 
'er afgefneden en uitgehaalt is, gefchikt op elkander, ftroyen 'er veel grof 
fpaanfch zout tuflehen , en laten dezelve dus 7 of 8 dagen doortrekken; 
vervolgens leggen zy hem onder houte perflTen, die zy met Henen en dier- 
gelvken bezwaren, op dat hy plat gedrukt worde. Na dus 10 dagen 
daar onder geperft te zyn, leggen zy hem op het ftrand (doch zo hoog, 
dat de zee ?er niet aan fpoelen kan ) op bankjens van harde, gladde en 
reine ftrandftencn, waar mede de zee een tydlang gefpeelt , en dezelve 
gerond en gepolyft heeft: , Zir.gcls door de Hollanders , en Gal/ets door 
deFranfchengenaamt, n effens elkander te drogen. Zodra hy door den kou- 
den wind en de zon genoegzaam gedroogt is, Itapelen zy hem in hunne pak* 

huizen 



weten te 
berei- 
den» 




vanYSLAND. 

en zyne wyze alwetenheid 



Schel- 

vifch. 



73 
menfchen waakzaam is , en zyne wyze alwetenheid , wel- 
ke het ene oort dit en het ander dat verleent , dat de Ys- 
landers zich met hunnen Flack- en Hangvifch zullen vergenoe- 
gen, waar mede zy zich naar hunne nooddruft voeden, en die 
anderen hun niet namaken konnen , en dat zy den Noor wege- 
ren hunnen Rundvifch, gelyk ook den Hittlanderen de eigent- 
lyke en voordelige toebereiding van den Klipvifch , als het 
voornaamfte middel van hun beftaan en eigen kleinood, zullen 
overlaten. 

J. LVII. De Schelvisch, eigentlyk Schelfvisch , 
by de Engelfchen Hadock genaamt (Onps of Jfinus antiquo* 
rum , Afellus tertius f /leglefinus Rmideletii , Jeglefinus vel Ae- 
grefinus Belloniï) is van één geflacht meeden Kabeljauw, doch 
van geen zo goeden fmaak, blyft ook veel kleiner als deze, en 
heeft alleen kleine voelbare fchubben; waartegen alle de an- 
dere Kabeljauwzoorten glad en ongefchubt zyn (q) 

§. LVIll. De W y t 1 n g, of W 1 t t 1 n g , naar zyn witach- wyting, 
tigen rug dus genaamt, (Eng. Whitig, Afellus candidus , 
AJellus mollis major five albus JVilloughb. p. 170 by onze Hilge- 
landers Caatjens) koomt den Schelvifch nader, dan den Kabel- 

K jauw, 

huizen opeen, en dekeen hem met allerly bedekzelen , op dat geen voch» 
te lucht, of wind , waar door hy flymerig word , 'er by zoude konnen 
komen. Gelyk hy dan ook voorts in de fchepen, waar mede men hem ver» 
voert, zo veel mogelyk, gedekt en voor lucht en wind bewaart moet wor- 
den; want hoe bedekter en duifterer hy ligt , hoe beter en duurzamer hy 
blyft. In de maand february word aldaar de befte Kabeljauw , en in au- 
gufti de befte Lengen gevangen, en tot Klipvifch toebereid. 

(q) Enigen zyn van gevoelen, dat deze vifch dus den naam draagt, ver- 
mits zyn vleefch , gezoden zynde, meer dan anderen van zyn geflacht 
Scuelft of Schelfert; dat is, in dichte ronde SchelfbladeN 
of fchalen, gelyk die der uyen, van een berft, en genoegzaam bladert, 't 
geen zeer aangenaam voor het gezicht gehouden word , en de eetluft op- 
wekt; doch ik mene,dat hem dien naam gegeven is van de kenbare fchub- 
ben , waar mede hy zich van alle anderen van zyn geflacht onderfcheid , 
nadien de Hollanders en ook onze nederduitfche zeelieden en viflehers de 
vifchfehubben Sci?ELFEN,en het fchrappen van den vifch , den vifch 
Schelfen, of Sc i-i elferen ( desquamare piscem ) noemen; Cwf* Kx- 
lian, Etymofogte* Teuton* Lmgtw* 




74, 



BESCHRYVING 



\èiïr, is Ima&hWi van lyf, heeft fcherpe tanden en zeer lek- 
ker vleefch f doch wil zo weinig , als de Scheivifch, tot goeden 
Flack- en Hangvifch dienen , en onder de echte koopwaren 
niet gerekent worden, beha! ven daar men denzel ven niet genoeg 
bekomen k.» t r). ^ ^V 

(A Ik ben van gevoelen, dat deze Wytino de eigeutlylc zogenaam- 
de Mw* zal zyn , offchoon men de Moluë , die op de terreneuflche 
banken gevangen word, in Paris gemeenlyk ook la Morul noemt , en 
Rondelet ze zelfs onder een vermengt ; want de Molue ot Merkte be Mef 
lucius quafi mam Lucius) Angl , Cod oUVhite-fish, Holl. Bakkeljauw , 
is meer een Kabeljauw zoort; hoewel ik tct noch toe de rechte eigent- 
Ivke kenmerken , waar door zy van onze Kabeljauw onderfcheiden word, 
niet heb konnen vroed worden; vermits de natuurkundigen op die plaat, 
feu niet komen, en het zeer moeyelyk valt. van viucners iets beitipts, 
eenftemmigs en zekers te ervaren. Ondertuffchen kan ik niet nalaten, in 
bet voorby gaan aan té tekenen , dat deze vraatzuchtige vifch het by- 
zonder voordeel ('t geen veelligt menig een weilafnge vraat wel wea- 
fchen zoude te genieten) van de natuur verkregen heeft;, dat hy, vol- 
eens zyne onvoorzichtige zwelgzucht, een ftuk hout , of iets anders on-, 
verdouwelyks, ingeflokt hebbende, zyn maag uitfpuuwt, voor zyn bek 
omkeert en ledigt, en voorts, als hy dezelve in het zeewater heeft uitge. 
fpoelt, weder inhalen en ter behoorlyke plaatfe brengen kan; gelyk zulks 
Dionys uit eigen bevinding betuigt in zyne Dcfcript. des Cotes de l Amen- 
que 'feptentrionale Foh IL p. ï8i, waar in hy de gantfche vnTchery en 
toebereiding der viflchen by Terreneuf toe zelfs de allergeringfte omitan- 
dHiedenbefchryft, en teffens aantoont, dat de Moluë verte of blancbe, en 
óe Moluë fecbe , of Meriucbe , van een en denzelven vifch toebereid, en 
flflgtf naar het onderfcheid der bereiding dus onderfcheidentlyk benaamc 
word. Echter zy geweten, dat de Moluë verte, die zodra de vifch flegts 
«-echt gefneden, terftond fcheep gebragt, en bloot, zonder enig vaatwerk, 
op den bodem in het ruim gefchikt op elkander gelegt en op de plaats ge- 
zouten word, in der daad niet anders is, dan een gezoute Kabeljauw, by 
ons onder den naam van Labberdaan bekent; en de Moluë feche , die 
kleiner dan de eerlTgenoemde is, en aan het ftrand eerll ingezouren, ver- 
volgens in de zee afcefpoeït , voorts op horden ter aflekking gelegt, 
hierna aan het ftrand op lleenbanken, om te drogen, uitgefpreit , verder 
tot het volkomen uitdrogen ophopen gelhpelt,en eindelykinhetfcheeps- 
rutrn op elkander geladen , en alzo naar Vrankryk gebragt word , onze 
Klipvisch fenemaal gelyk is. 

Hoe de vangft en toebereiding van dien vifch door de Engelfehen ge- 
fchied, heeft 'Herman Mo/l op zvue nieuwe fraye kaart van noord. Ame- 
rica in enige figuren afgebeelt, In welt -Engeland is eigentlyk de redery 




yamYSLAND. 75 

5- LIX. DeDoRscH (Deenfch "Corö^/ by den PruiflchenDorfch. 
Pomtï4)e!n / Jfelhis varius f. flnatus) is de kleinfte Ka- 
beljauw zoort, en met de tederfte fchubben bekleed , die men 
met de hand, ja, als hy gezoden is, zelfs tuffchen de randen 
niet voelen kan. Zyne verwe is graau en enigzints goudver- 
wig, met vele bruine of zwarte vlekken en ftrepen verfiert. 
Zyn vleefch is zeer lekker ; inzonderheid van de zodanigen , 
die in de Ooft-zee } en wel ontrent Lubeek, gevangen worden, 
welke in den zomer lichter van verwe, doch in den winter don- 
kergraau zyn. De deenfche onderkooplieden op Yfland zyn 
gewoon, dat zoort ook bywvlen te doen drogen, tot Flack- 
vifch toe te bereiden , en alsdan 'öetltitga Cë noemen. 
Dezelve word zeer eel en lekker , en flegts tot gefchenken 
voor grote en voorname lieden in Coppenhagen gebruikt, en 
mitsdien zelden elders anders verzonden. 

§. LX. De Kool (Eng. Coleftsh, TVilloughb. IchthyoVKooL 
p. 168. dfellus niger, Carbonarüts) naar zyne bruine verwe dus 
genaamt, is ook een Kabeljauw zoort, flegts een weinig klei- 
ner, dan dezelve, en hem voorts zeer gelyk; doch zö ma- 
ger en ïlecht van fmaak, dat de Yflanders hem niet gebrui- 
ken konnen ; weshalven zy hem , vermits het hun aan beter 
zoort geenzints ontbreekt , nooit eten. Hy word by de Noord- 
kaap in menigte gevonden (Zorgdrager Groenl. Vijjch. bladz, 
97.) vermits hy inzonderheid naar Noorwegen fchiet. Aldaar 
heet hy Bey / (Bmafey / ©ttfbB en ook (Dfa / en word 
in overvloed gevangen ; namelyk, als hy door de WalviiTchen 
vervolgt en zodanig beangft word , dat hy dikwerf op het 
droog land loopt. Echter eten hem alleen de arme lieden, en 
hangen zyne ongemeen grote lever op, om 'er traan van te 

K 2 - ko- 



tot die vifchvangfh De fchepen , welke men tot het vangen van dien 
vifch , en , om hem naar Engeland over te halen , afzend , worden 
Newfoundland-Sbips, of in der matrozen taal Newfoundland-Men* gelyk 
o©k Banken genaamt; doch die derwaards gaan, om den bereiden Vifch te 
kopen, en lynrecht naar Spanje, Italië enz. ter wederverkoop te brengen , 
Sack -men geheten Vid* Atlas Marit. & Commere* 






7° 



BESCHRYVING 



len. 



koken. Ten beften der behoeftigen is ook in Bergen de Fvffdyke 
• -~™o~]rr rïac onze ( hamburg che) hanieltadiciie 
kooplkdèfhL hunne bedienden niet geven mogen op dat hy de 
fchamele lieden, die thans de grootfte voor een -Lubfch ft b£ 
lin<r hekomen konnen , niet te duur worde. De hilgelandlctie 
vl-hers vaTgen en brengen hem ook bywylen naar Hamburg, 

Bouen'f LX^fS^iffchen; offchoon hier doorgaans 
enschol" ro & ter en vetter , dan elders anders gelyk de Botte n 
ScHOHEN.die alhier zo vet zyn, dat zy, gedroogt, welhaaft 
foodachti^ op de graad en garftig worden , en mitsdien 'in de 
handel ing" en tot Verzenden niet dienen maar alleen door de 
Yfkntó verfch worden gegeten, en andere diergelyken , zal 
l de vele Wondere doo°r my verzamelde berichten, ter ver- 
mydingvan een verdrietige wydlopigheid , tot ene andere ge- 

Halbot. ■'Tï& b 5&i-1 ik korteiyk den H„l»« gedenken 
die daar hy by ons in onze Noord Zee flegts tot 120 of 
t o ponden lanwaft, by Yfland zo groot " , dat hy tot 400 
™nden weegt. Die Heile.m , Deenfch ^eUefiöB / 

Zn bv de weft Engelanders Hofite , in noord Engeland 
Turbot of Brta», Himloff^RM & Gefn. is de allergroot, 
fte Bouoort en van een vreeffelyke gedaante , heeft onder en 
boven een dubbele ry, enigzints kromme en binnenwaards ge. 
Wen, zeer feherpe tanden, een grote ftyve tong , en boven 
dezelve recht voor de ftonk in het verhemelt twe ronde, uit 
vele fpitsaehtige tandjes beftaande , en derhalven zeer rouwe 
Ilaatfen en op zyne kieuwen fpitze fcherptens, met drievou- 
Ö^uwend'ekzels of oren. Men gift doorgaans, dat, ver- 
mfs hy zo breed en plat is, doch tefiens gene evenredige 
dikte of ronte, noch genoegzame gezwindheid, als andere gro- 
te lansjronde viffchen, heeft, om zich fchielyk te wenden, en 
andere viffchen na te ylen enz. hem deze ongemene voorraad 
van fnitzen, haken en tanden gegeven is, ten einde zyn roof, 
daar hy by koomt, te minder te miffchen, en, 't geen hy gevat 



I 




van Y S L A N D. 



TT 



heeft, te beter vafl te houden en te vermeePteren , vermits hy 
niet alleen Haringen, maar ookSchelviflchen, Dorfchen en an- 
dere grote vifTchen opfnapt en inflokt. Voorts is die Bot, zowel 
in uitwendige lighaamsgeftalte en flosvinnen , als inwendig 
met het ingewand, andere Botten t'enemaal gelyk ; ook heeft 
hy, offchoon zo groot zynde , gelyk deze, geen luchtblaas ;. 
weshalven hy zich ook zo weinig als dezelve zonderling in de 
hoogte begeven , of fterk en verre zwemmen kan, maar zich, 
gelyk de overigen van zyn gedacht , meed op den grond 
onthoud. Om welke redenen aan hem het vel zeer kenne- 
lyk en zichtbaar is , waar mede alle vifTchen van denzelven 
aart, boven anderen, voorzien zyn, op dat zy, wanneer zy zich, 
als flechte zwemmers, by een ontftanen ftorro tot een vaftheid 
in het zand graven, gelyk zy gewoon zyn te doen, dat vel 
voor de ogen konnen trekken , en dezelve daar door voor he£ 
fchuren en fnyden van het fcherpe zand bewaren (V). Zy heb- 
ben een weifmakend, doch, wegens de grote en overmatige 
vetheid, zeer zwaar te verdouwen vleefch. 

Van dien vifch word in de noordiehe landen en Neder-Saxe 
alleen de bekende ^Kaf en 'Reïel (f) gemaakt; doch die, 
vermits zy een gezonde en aan zeevifchvet gewende maag ver* 

K 3 eifehtj 



Daar van 
word 
Raf en 
Rekel 
gemaaks- 



(5) Conf. Leeuzvetih- Miffïv. d. 22. Junj f704-» 

(O SKati/ SXaf/-'Yfl. Stafitr/ zyn de flosvinnen, die diep uit den 
Tug mee het vet uitgefneden, een weinig ingezouten en voorts wiuddroog 
gemaakt worden, gferfd / of Steffillfl / Yfl. RÉfttgr / zvn langach- 
tige ftriemen van den huid en het vet , die boven van den (taart langs 
den rug. afgelheden, mede ingezouten en in den wind gedroogi worden. 
De befte Raf en Rekel koomt uit het uitterfte Noorwegen vanAndenas-, 
Tromfén en uit Finmnrken. De Noormannen vangen den Heilbot als de 
Kabeljauwvangft voorby is-, en begeven zich tot' dat einde met grote 
boten in zee. 's Nachts, wanneer het alsdan licht is, liggen zy op de 
•yangft, doch niet langer, dan tot Sc. Jans dag, vermits de vifch daarna, 
dewyl de lucht zeer warm word, wegens zyne srote vetheid niet wef 
gedroogt enbewaart kan worden. Ramus iftOi'iQtg SQeéh bladz. 252. De 
Franfchen weten ook hunne Flaitani, die zy op de terreneuffche ban- 
ken vangen,, de flosvinnen , gelyk Ra/, uit te fnyden. Vid. Denys Be.» 
fcript. cit. Tom. II. p, 260. 




78 
eifcht 

meer 
word, 



ie». 






BESCHRYVING 

en de waereld thans kieiTcher geworden is , weinig 
gemaakt , en noch minder barren 's lands verzonden 

u LXIIT. Voor ditmaal zal de M akr eel (Scomber Rondel. 
1 Bellon.) die in geftalte den Haring niet ongelyk, doch groter 
en tot il voet lang is , het befluit maken. Verfch gezoden of 
gebraden fmaakt hy hun, die vifchvet lieven, zeer wel, doen 
anderen enigzints walgelyk. De Yilanders geven zich zynent- 
halven een e moeite. Ily gehoort tot het reizend vifchzoort, 
of 't geen een grote reize voleindende , zich mitsdien vele ry- 
ken en volkeren aanbied. Men heeft my willen verzekeren , 
dat hy den winter in 't Noorden doorbrengt, en zich tegen de 
lente voorby Yfland , Hitland , Schotland en Yrland naar de 
fpaanfche Zee begeeft ; dat een gedeelte voorby Portugal en 
Spanje in de middeïandfche Zee valt , en het ander gedeelte 
zich in april onder Vrankryk , in may in het Kanaal onder 
Engeland, in juny by Holland en Vriefland, en in july op de 
jutfche kuiten vertoont , alwaar het zich om de Noordfpits 
zwenkende , een zwarm naar de Oofl-Zee zend ; doch de reft 
voorby Noorwegen naar het Noorden terugkeert. Aangemerkt 
die vifch voor den koopman van geen dienft is, en gevolglyk 
niet zeer gezocht word, heb ik in dit fluk tot gene volkomen 
zekerheid konnen geraken , maar my met het getuigenis van 
twe op Hilgeland wonende ervaren en opmerkzame viflehers 
moeten vergenoegen. 

§. LXIV. Onder de grote vifchzoorten ltaan de Walvis- 
schen (u) boven aan. Onder dezelve waagt zich de grote 
groenlandfche (die door de Yflanders Giettbafcr , door de 
Noormannen @iitbal#er / dat is Vlakrugge , Glatgerugde, 
vermits zyne effen van alle vinnen of flosvinnen ontblote rug, 
Baknavulgaris edentula, dor/o non pinnato Raj. ;ook wel Sandbual 
g-enaamt word ) wegens zyne ongemene grote , niet ligt toe 
ö aan 

(«) Van welke eigentlyk ia myne befchryviug van Groenland gehan- 
dek word. 



Wal 
vifch. 




van YSL.AND. 



79 



aan het eiland Yfland , maar houd zich, uit affchuuw voor de 
ondiepe gronden , in de grondeloze dieptens by Spitsbergen en 
onder de Noordpool terug. Daar tegen huisveft , als° reeds 
gezegt is , te menigvuldiger en beftendiger in die oort de 
Noordkaper, die den groeniandfchen in lighaamsgeftalte, 
en ook wegens de baarden in den bek zeer gelyk , hoewel vee! 
kleiner en ïmaller is. Dezen Walvifch weten de Yilanders zich 
voortreffelyk ten nutte te maken, nadien hy hun, aangemerkt 
zy hem, by gebrek van bequame vaartuigen en gereedfchappen, 
in de volle zee niet aandoen konnen , ene bequame gelegen- 
heid , om hem meefter te v/orden , zelf aan de hand ggefe, 

Want aangemerkt hy, gelyk bereids gezegt is, de Haringen Hoe zy 
in de bayen of zeeboezems volgt, én-, om dezelve te meer hem vaiï " 
ter vulling zyner hongerige maag op te fn appen, tegen den geiU 
wal dryft, gebeurt het bywylen, dat hy, uit een te grote begeerte 
en drift, op zo ondiepe plaatfen (w) en banken vervalt, waar 
van hy niet weder terug keren kan (x) , of brengt ten min- 
flen door zyne jagt te weeg, dat de Yilanders hem zelf jagen, 
en op de banken dryven en verfchalken. Het laatfte gefchied 
op de volgende merkwaarde wyze. Zo dra zy befpeuren 
dat zodanig een Walvifch de Haringen vervolgt, werpen zy 
zich fpoedig , met harpoenen , fpieflen en meiTen voorzien , in 
hunne boten , en roeyen hem van achter zo digt , als immer 
mogelyk is , op het lyf. Hierop , als de wind naar het firand 
waayt,itorten zy een menigte allerly, tot dat einde medegeno- 
men, bloed uit hunne boten in zee, laten het door den wind 
naar den vluchtenden vifch dry ven , en roeyen ook langzaam 
na, als wanneer de vifch, zich vervolgt ziende, en zeewaards 
willende keren , doch het bloed gewaar wordende , 't geen 
hy fchuuwt (j), zich veelliever, dan 'er door te zwemmen, we- 
der 

(jw) Die door deYflanders met een eigen naarn Hual-vag (juxtaPereL 
in Lexic. Scytb. Sc. ex Yfi. Rekab) genaamt worden. 

O) Gelyk dit ook O/aus M. Hift. Gent. Septentr. Lib. XXI. c. 15. 
aanmerkt* 

O) Of die fterke afkeer hervoort koomt . } dat by dat bloed aanmerkt 

als 






BESCHRYVING 

i „„ na »r het land vit, doch ten laatften noodwen- 
der wend en naar tv -t la nd^ , ^ flrand , w 

dig, t zy op het zano, 01 iu viflchers den 

Wdvffch™ wïpen f hy" Serene , onophoude.vkuic 
hun^ê boten ftèr!en naar hem in het watet , en «UW WW» 

vlied, en ten laatften, by gebrek van water, moet blyven leg- 

g£ 7?L <\e vifch zo verre gelopen heeft, dat hy op de ene of 

lr P wvze vaft ge aakt f en niet weder terug keren kan , 

SSaWS&i hem met hunne boten, geven tem 

fanguincm fugtunt.hift. Nat. Iib.A. jetu 90 e A nadenken onwaardig 
navorfchers der natuur, die mets in de " at " ur h p J " Martdnïn zvne veel- 

der "êrulkeeï; die, zegt men, zoude zo wel in vroeger als deze tydeu 

^r^veTeme, dat van deze beide , uit achtgeveode opmerking van de 
natuur der viffchen fpruitende, kunftgrepen zich ook de viflchers op het 
eiland Feroè "met voordeel bedienen, als welke met de Yüanders een gelyk 
gebrek en mangel aan werktuigen hebben. 




▼ ANY'SLANIX 8* 

fteek op fteek, tot hy doodbloed en fterft ; vervolgens fnyden 
gy al het Spek , zo veel hun mogelyk is, van den vifch , 
en ook , vermits zy gene fpysverachters zyn , een tamelyke 
menigte van het vleesch, 't geen zy beide met zich naar 
huis nemen (a), 

De Baarden .(£)., nadien zy zeer klein zyn , en derhal- Van dss " 
ven door de Denen niet zeer begeert worden ; ook door de Ys- "aarden. 
Janders , wegens hunne flechte werktuigen , niet wel uit den 
vifch gehaalt konnen worden, iaat men zitten, en met den romp, 
het aas of kreng (c) , gelyk onze Groenlaadsvaarders zeggen, 
in zee dryven. 

L Het 

{a) Het koomt merendeels op de gewoonte aan, dat men het vleefch der 
Walviiïchen niet voor eetbaar houd. Onze Groenlandsvaarders, die niet 
ongewoon zyn, een (luk van een (terken en enigzints traanachtigén zee- 
vifch te nuttigen-, betuigen, dat een (tuk van een jongen Walvifch, zo 
Jang hy verfch is, zich zeer wel laat eten. Het vleefch der vinviffchen* 
die bywylen in het vervolgen der haringen op de hoogfte noorweegfche 
kuften ftranden,of anderzints bezet worden, word by ponden verkogt, en 
van het gemeen 'boerenvolk gaarne gegeten , die zeggen, dat hetals'rund- 
vleefch zoude fm&ken. Lucas Jacohfon Debet zegt in zyne Faereis, of deen- 
fche befchry ving- van Faröe,bladz. 160 van de inwoonders van dat eiland, 
dat zy het fpe'k van den kop van den Walvifch met zwart zout, of de afch 
van gedroogt en verbrand zeekruid {Tang) zouten , en voorts op een zeer 
droge plaats ophangen, als wanneer het zich, gelyk ander fpek, vertoont» 
Ook zoden zy het verfch vleefch, 't geen als rundvleefch uitziet en riekt. 
't Geeri zy niet vermannen konnen, fnyden zy in lange repen , en maken 
het winddroog. De vreemdelingen zouten ook wel (tukken van den (taart 
In, die, vermits dezelve veelmalfer is, gelyk gezoute oiïenpoten finaken-. 
Kïempfer in zynebefchryvin* van Japan II. boek 1 1 hoofdftuk, maakt ge- 
wag van zes zooreen Walviflcben , welker vleefch door de Japonnezen e- 
ven zo, gelyk dat der andere viifchen, ter markt gebragt,ook het ingewand 
van dezelve ingezouten, en voorts, 't zy gezoden of gebraden, gegeten 
word. 

O) Deze zyn de hoornachtige en op de hoeken zeer bairige bladen t 
de fabelklingen byna gelyk , die den Walvifch aan de zyden van hetbo» 
vendeel zyner kieuwen zitten heeft en benedenwaards hangen, uit welke, 
door het reinigen van de hairen en het' kakenvleefch , klieven enz. hec 
•zogenaamd Balein gemaakt word. 

<V) De oude Hollanders zeiden Karonje, de Franfchen Cbaregne 9 ? e 
4jeen mee malkander veelligt uit %*t*nïx. afïtamt. 





•; 



gt BESCHRYV1NG 

M»r «ïpfk weroen zy in oxhoofden of tonnen , en la» 

■^■StóR. een vleSe! jaL 'er inleggen, en van tyd tot tyd 

dbr uit r^euen en uitlekken. Dat gedurende dien tyd van zelf me 

tomend ï^' t ; s het fvnfte en befte Traan (<Q, 't geen afgefchept 

ïfM "- e n o gekookt iet alleen opgenomen, en aan de Denen ver- 

handeTt, maar zodanig ook verzonden en verbruikt word. On- 

ze kooplieden heten het: klare Traan. Het overblyvend 

koken zy tot een dik en bruin Traan , 't geen derhalven ook 




r*\ Dit woord betekend de uitgelekte vifcholy, en is in dien vertornde 
ZÏÏS&^ïïSiSM overeen Clem. Adami NavigaU Angl^J* 

ÏHTDRUPPENDE VOCHTIGHEID of O L Y A C UT I G HEI D by de nOOrcN 

chevXenTuAN. Want zo is Sax. Traan of Trane CBelg. 

l*ïacryf*a arborum, Gummi f, Refina vid. Staf ^log.. y Oleum 
tifcium ex fruffulis diffeïïis defttllans. Alzo heet ook Sax. 1 aar {Germk~ 
5ÏÏÏÏ1 0* . ZaharO i»f««. ^«.Taar of Taarn Lacryma f 
llVaaiïïê olei. IJl. Tar /acryma,gutt»/a, flilla Oudm.U* cAngi 
X*i.TEAR tetfM 0* Ter o, gummi, gluten, AngL Tar. A S. UU 
tf? Teor . Gw. Teer, Theer , Gotb. Thior. Suec. Ttare , />/* ift 
Zudf. Da« toe behoort ook niet minder de uit koemelk gedrukte vettig- 
fed/de Butter, namelyk Bu-tere AS.B«,creaZv «Je**: 
ie weten bo, C*/*. *m, wm *W. («»* »^r. Bu-Os en Bu-Koe, 
L &c!) Gelyk dan van overlang beide -de Latynen en Gieken, zonder 
Yan het ftamwoord reden te konnen geven, Butyrum en fi*Tvpi ge- 
zegt hebben, welke laatfte >y>H*i 7V P tU enz * uk d l ? tQe ' S ï Uffe \ aa L d , 
^«f fl «fa lh'uarum eteentlyk verftaan kan worden. Waarby ik noch zal 

SSttébMft ; want gelyk in Europa T en Z , alzo worden in Aiia fi en fe 
S v effcbeide tonelen veelvuldig verwiffelt Dus hee; : de Harii , m- 
aonderbeid Terpentin, die door de natuurlvke to «^»of^^^ 
ting, drupswyze uit een boom vloeit ^ "!* en ?J, vide HtUm Htero* 
phytic. lib. I. c. 4^ en by de Arabieren Tz ara fluxtt, manavit. Tz ir wi 
enDsARU Lacryma arboris f. refitta* 




VANYSLAND. 



«I 



In de handeling bruine Traan word genaamt, 

Hier by zy ook geweten , dat het allerbeft zoort van Van een 
Traan , onvermengt gelaten wordende, dat gene is, 't welk ander 
uit de lever van Kabeljauwen, Hayen en andere viflchen j°°^ vaE 
lekt ; weshalven de Yflanders alzulke lever in tonnen verza- 
melen , en daarin ongevaar zes weken laten leggen en fmel- 
ten , waarna zy het dus van zelf uitgedropen Traan affchep- 
pen en ongekookt onder het te voren gemeld klare Traan, tot 
deszelfs verbetering, mengen ; vervolgens het overblyfzel uiü^ 
koken , by het bruin Walvifch traan gieten , en zodanig het 
een met het ander aan de deenfche kooplieden verhande- 
len (0. 

g. LXV. De Bruinvisch of het Zeevarken (ƒ) isBruin- 
een in de Noord-Zee bekende vifch, uit het Walvifchgefiacht, vifcb ' 
van 5 tot 8 voeten lang. Het is niet nodig, denzelven te be- 
fchryven , vermits men thans daar van zeer beftipte ontleed- 
kundige befchryvingen heeft (g), waar op ik my alleen mag 
beroepen. Of van dien vifch meer dan een zoort gevonden 
Tpord , heeft men my niet weten te zeggen , doch koomt my 
zeer gelooflyk voor , vermits men in noord - America twe 

L 2 van 

{e) De Noordlanders maken het ook veel van de lever der Dorfchen etr 
Kabeljauwen, die zy tot hun Stokvifch klieven, vermits zy dezelve in de 
lucht leggen, en de vettigheid 'er uit laten druppen. En de Franfchen,die, 
*t geen zy van anderen zien , zeer gezwind weten na te apen , verzuimen 
Biet, op Terreneuf diergelyken uit de lever hunner Mohtë te trekken. Dio° 
nyf. e. I.Tom. fl.pag. 104. "Dns heeft ook Moll op zyne reeds gemelde 
grote kaart van noord- America zodanig een pers, als de Engelfche aldaar 
tot dat einde gebruiken, doen afbeelden en vertonen. 

(ƒ) Yfl. SüINHUAL of SUINHUALLUR, Ook WlTlNGER, NoOrW* 

Marsuun of Ni ser, Deenfch B runs kof (wegens zyn dikachtige 
Tonde kop (gelyk ook Springhual of Springer (wegens zyn ge- 
woon fpringen by een nakehden itorm uit de zee) Gal/. Marsüin, Angh 
Porpesse of Por pus. Scot. S ea- pork,Phocaena RondcL Tur- 
sio Bellon, Delphinus Septentrion alium Schonev. 

(é") FM» Ephemerid. Nat. Curiof. Dec. I att. 3. p. 22. Lvwthorp 
Ahrigdm. &c VoU IL p* 839 fef. & finperrime Supykm, U Annah fPra» 
tiflau* Art. XL 




u 



BESCH R Y VING 



van dezelve heeft (h). Zyn • vleefch is alzints eetbaar; want 
de Schotten op de Wefteilanden (?) eten hem doorgaans , err 
zeggen , dat het zowel een gezonde als zeer voedzame fpy- 
ze is, en de Franfchen maken op Terreneuf van zvn vleefcli 
worden (&) ; doeh hy word meeft om zyn fpek , offchoon hy 
het zelve niet veel heeft, gevangen , vermits door het groot 
verval der groenlandfche vifchvangft het Traan thans zeer 
fchaarfch en mitsdien duur is- OndertufTchen is hy , we- 
gens zyne ongemene gezwindheid in het zwemmen en fprin- 
gen , zeer bezwaarlyk te bekomen , by zo verre hy niet by 
toeval , door zyn onverzadelyke begeerte naar haring , daar 
£oe zelf gelegenheid geeft (/) , waar door de goede Yflanders 

ook; 



(£)•• Namelykhec ene en wel hetgrootftè geheel wit, zo groot ate een koe^. 
wiens fpyze allerly vifeh is , doch de lieffte. makrelen, haringen en fardy- 
nen ; gevende één tot twe quartelen Traan. Het twede heet Pourfiüe ea 
word in alle zeen gevonden». zwemt fteeds. fehaarswyze,en is goed te eteiu 
Dionyfi d. L Tom. II. p. 258. 

Cs) Martin d. lp 2 69» 

yc] Diettjf*. ter reeds genoemde plaatfê. 

(/) Waar van /trend Berendfen Berg in zyn zelden voorkomend Boek" & 
Swinemarfffcfce unb 9ïorn?egifd)e JperrUrftfeif genaamt, biadz. 298 de volgen-- 
de aardige aanmerking maakt : &at bflrber CC mibertibeil / fanfOltl anno 
1625. at imgc fyutfe l fom fttWgn ox \w efffer ©iib / bm fotiébc ttbC : 
giorben oc fwrre QSugfe/ fcucr Qtfnberna bcm <&Ufwc tvaer/ oc jatte &am 
nebem fcre faa at be ba <Bilb i frorr mengb faa fceifom famme una.e ©pringa 
fcuafe fimbc- lage v*<* l WMt oc fm&J f«« fom t beroerte aar. ba. be SSeD 
1 ïïlvi mi$ fimben QSergen paa Den n'b cc ff eb / |raa banne ©pringbuaf 
Suib f7 tikt ia jagebe i laub enz. Dat is:. Het gebeurt by wylen , als 
s. 1625, dat wanneer de jonge Walviflchen den haring vervolgen en jagen, 
hy voor hun heen in de bayen- en zeeboezems loopt, 't geen de boeren 
welhaaft gewaar worden, die denzelven. netten fpannen r waar door zy niet 
alleen de haring in grote menigte, maar ook t effens, enige jonge Sprin* 
gers of B ruin vissen en te land konnen jagen en vajïgen, gelyk in 
het gemelde jaar ongevaar twe mylen aan gene zyde van Bergen op één- 
maal en op één plaats 17 of 18 van zodanige- Bruinvillchen te lande gedre- 
ven, wierdon. Waarby uit Chrifi. Eyrer van Haimendorfs leisbefchryvitig 
door het beloofde land bladz 149 by te voegen is.: De kleine jongens 
liaan aan den oever met hunne werpnetten , en als de Delfin. eu aan den 

oever 




v a n Y S L A N D. % s - 

ook geen byzonder voordeel bejagen zouden, zo het met dien 
vifch niet daar benevens dus zeer byzonder en aanmerkens- 
waardig gelegen was , dat hy , hun ten beften , jaarlyks in de 
maand juny, door het watten van een vliesje voor de ogen, 
blind wierd , op welken tyd zy , vlytig willende zyn, van den- 
zelven dikwils tot drie honderd, door jagen en dryven op het 
flrand, 't geen zy als dan niet zien en derhalven ook niet 
vermeiden, in hun geweld konnen bekomen. 

J. LXVT. Van de Hayvisschen of Ze.eh-onden(Oi- Zeehon- 
nes marini Galeis) vangen de Yflanders alleen het grootfte zoort den * 
(in) om hun fpek en lever. Hun Spek heeft de byzondere 
eigenfchap, dat het lange goed blyft, en zich , gelyk het var* 
tensfpek, hart laat drogen ; weshalven het door de Yflanders 

L & als 



oever Komen , en de viflchen voor dènzelven naar het land vlieden , wer- 
pen zy het net en vangen tamelyk veel. Zulks is zeer aangenaam te zien;, 
want de Delfinen helpen hun genoegzaam viflchen , en ondertuflchen vangt 
de Delfin ook en fpyft zich , nadien geen vifch in zee is , die meer door 
de kleine .viflchen gevreeft word, dan de Delfin, waarom hy ook Cacciato- 
re di Mare (zeejager) word genaamt. Zy kómen zeer dicht aan het 
land. 

(m) Cants carcharias Lamia, Tibüronus , IJl, Haackal 
(ab Hacka avide & iftibus more canino vorare , Gudm . Andr. Lexic') 
Ban. Haafisk, it. Hawkal. Gall. Requiem, Angl The white 
'S hark. Martin Defciipt. of the JVefl IJl. of Scottland p. 385 meld, dat de 
viflchers de grootfte HayviiTchen Seths, en de kleiner Sillucks noe- 
men. Mariens geeft van de grote ene befchryving in zyn Spitsbergfcbe reis* 
befchryving cap. 3. n, 8. en zegt, dat hy. 2 tot .3 vademen lang zoude 
worden. Doch de befte en te gelyk ontleedkundige befchryving heeft 
men den P. Feuillée journ. d"Ohf phyf. vol. I. p. 171 feq. & in continuat. p. 
109 te danken. Even dènzelven vifch, of veeleer een iets kleiner, noe- 
men de Noordlanders HaakAring of Haakierling. Fide Ant. To- 
pograp. Noriv. p. £*f& Jon. Ranii SRomges vgefffoeffe : P- 2 5 2 - Vermits 
hy des nachts her beft ftaat en het meeft bye, werd hy ook van kers- 
mis , als- de langfte nachten zyn , met een haak aan een keten van twe 
ellen lang, op dat hy de ly.n niet zoude afbyten, gevangen. Hy heeft 
een zeer grote lever, uit welke- alleen tot 12 ponden Traan gemaakt; 
word. Van zyne eyeren, die hy in zyn eyervlies vele heeft, weten de 
Noordlanders goede pankoeken te bakken, die zy Haakaoe noemen^ 
Muf.Rrg. />. I, Seft. UU u.6>. 




gwaart- 
wifch* 



BESCHRYVING 

ais fpek gedroogt \ gebruikt en tot Stokvifch gegeten word, 
Gemeenlyk kookt men 'er traan van. De lever is zo onge- 
meen groot, dat men met een van dezelve een quarteel (dat 
is een vat van 64 hamburgfche flubgen) vullen kan («). Ook 
kan men uit het dunne Vleesch van den onderbuik dun- 
ne riemen fnyden , die , als zy gedroogt zyn , en een jaar of 
iets langer gehangen hebben, tot alle de vettigheid 'er uitge- 
lekt is, zich zodanig laten toebereiden , dat zy gelyk oflen 
verhemelte freaken, 't geen my een aanzienlyk koopman uit 
Coppenhagen, die voor dezen te meermalen in Yfland geweelt 
is , verzekert heeft. 

§. LXVII. Dikwils laat zich alhier ook een Zwaart- of 
veeleer Zaagvisch zien, die een takachtig en een dubble 
kam gelykend zwaard voor den kop en boven den bek liaan 
heeft (0). Ook heeft de heerM... K...,, welke vele jaren 
op Wejtmann-oe ge woont heeft, my verhaalt, dat in die zee noch 
een ander door de zeevarende lieden alzo genaamt zoort 
van Zwaartvissch gevonden word , die een daar 
voor aan te zien krom zwaart of fabel (welke in der daat veel- 
eer een gekromde paal gelykt , en met vleefch en vel , gelyk 
een andere vin, overtogen is) aan het einde van zyn rug heeft. 
Ik zal van denzelven hierna in de befchryving van Groenland 
op zyn plaats handelen. Ondertuffchen is het verwonderens- 
waardig, dat die anderzints vrezelyke dieren, de Walviflchen, 
zo dra zy een zoort viiTchen van dien aart van verre befpeu- 
ren, zeer angftig worden, fpringen en ylings vlieden ; gelyk 

dan 



00 Martin zegt ter reeds genoemde plaatfe , dat een lever van een gro- 
te Hay alleen een fchotfche pint , dat is byna vier engelfche maten Traan 
uitlevert, en dat zodanig een lever in een ketel, halfvol water, gekookt, 
en kokende de opkomende en overlopende train afgefchuimt en in eeo 
«on gedaan word, .... . , » * 

Ho» voorts de levertraan gemaakt word, zie in de not. e op bladz.83. 

(V) Pristis f. Serra Piscis, Angl. the Sawfjsh. milugbby 
Hifi* Pifc. Lib. III. tap. \^.Mart. Spitsberg, reize cap. 6. n. 7. van zyn 
gevecht met de Walviflchen. Vide Dionyf. defcript. cit. Tom. II. p. 2i$ 




wirYSLAND. 



87 



dan ook de Robben voor hun vrezen, en dikwils op het land 
naar de menfchen fpringen , om hun ce ontgaan, waar van 
ter gemelde plaatfe ook de reden gemeld zal worden. 

§. LX VIII. Voorts voege ik ter verder onderzoek hierby Zeebui* 
(p) 't geen ik van de Z e e b ü l l e n , Z e e s t i e r e n en Z e e- Ien eiï 
koe yen uit den mond van twe geen oog- maar oorgetui-^ ^ 20 * 
gen gehoort heb ; namelyk , dat dezelve met den kop een 
Os, doch met het lyf en de poten een Rob of Zeehond ge- 
lyk zyn , en dikwils met hun bulken ee weeg brengen , dat 
de landkoeyen tochtig en als dol dat geluid volgen. 

g. LXIX. Van de Robben of Zeehonden zal ik inRobbea. 
de befchryving van de flraat Davis verder fpreken. 

J. LXX. Van de Zoetwater-visschen heb ik niets 
byzonders aan te merken. 

By Holm, in de Elkra, by Kleppee , gelyk ook 211 andere Zalmen. 
diepe bayen , waarin beken of kleine rivieren van het ge- 
bergte vallen, worden Zalmen gevonden, die tegen de 
grootfte watervallen opzwemmen , en zich dikwerf ongeloof» 
lyk hoog tegen dezelve verheffen. Dezen zet men zoge- 
naamde Zalmkiften , die uit dicht neffens elkander geflagen 
itaketzclen beflaan , dwars in den weg , waar door zy wel 
naar boven ftygen , maar niet weder te rug keren konnen : 
Als de Zalm op zyn vetft en beft is, zet men een fchakel, 
of gemeen zoort van netten, in de rivier, en dryft hem 'er 
in. Vermits hy niet terug keren kan , fpringt hy , de een 
hier, de andere daar, op zyde uit en op den oever, alwaar 
hy van de 'er neffens gaande boeren gevat , en van denzeï- 
ven bywylen 200 fluks gevangen worden. 

§. LXXI. Slangen worden op het gantfche eiland nietSlangea 
befpeurt ; hoewel gewis niet uit ene byzondere eigenfchap z ï n hier 
van het land , . maar ' vermits dezelve wegens hare verre af- tiiet * 

gele- 

1 (p) Men kan van dit Strandqüag (Strandvee) gelyk het deenfcfre 
boerenvolk het noemt, nalezen, 't géén Jacob. in Muf. Reg„ Dan* P* L 
5V&. 3. tf, 4.9. uit de Aiï< Mech Phihf* Haunisnf % aanhaalt. 









Ook 

weinig 
On ge- 
diert. 



en Mui 
zen. 






S$ BESCHR7VING 

belezenheid van a-le vaft land -aldaar «iet wel komen, en, door 
de alhier heerfchende ongemeen ftrenge koude , die , gelyk 
bekent is , tegen de natuur van die dieren ftryd s aldaar niet 
duren konnen. 

§. LXX.II. Aan dezelve hevige en langdurige koude, benef- 
fens het gebrek aan bomen en bollenen , is mede toe te fchry- 
ven, dat men van geen, of ten miniten zeer weinig, On ge- 
die rt of Insecten weet. Alleen wilt men my van Huis- 
s pinnen te zeggen, die zeer gemakkelyk in de huizen der 
inwoonders voortkomen, en ook van HoRssELENen Paar- 
den vlieg en (Oeftra,, Jfili) welke in de neusgaten en aan 
den binnenrand van het Foramen ani der dieren hunne eyerert 
leggen, en dezelven door de warmte der dieren laten uit- 
broeden (q). Als het geregent heeft, komen een zo grote 
menigte dauwwormen {lumbrici terreftres) te voorfchyn , 
om de verfch gevalle vochtigheid ter hunner verquikking te 
zuigen , dat de inwoonders wanen , dat dezelve geregent 
zyn. 

g. LXXIIi Muizen worden hier ook niet veel gevonden, 
vermits zy, wegens de doordringende koude en gebrek aan 
voedzehin de dunne en met zwavel vervulde aardlagen , waar 
onder de rotzen zyn, niet leven konnen. Het kerkhof van 
het oude klooiler Widoe heeft de eigenfehap, dat, als men 
Muizen op het zelve nederzet, dezelve terftond dood blyven , 
volgens het verhaal van iemand , die zulks te meermalen be- 
proeft , en betuigt heeft , het dus een waarheid bevonden te 
hebben. Doch het is zeker , dat hier van geenzints de heilig- 
heid dier plaatfe, door de voormalige catholyke wying, of eni- 
ge lang verrotte overblyfzels der aldaar mogelyk begraven 
heiligen , maar flegts een aldaar, meer dan elders , fterke en 

dik- 

(q) Gelyk deze tot noch toe onbekend gebleven wyze van uitbroejing 
van diergelyke Vliegen uitgevonden , en met a'le veranderingen en ont- 
zwastelingen» omftandig befchryft Pallisvieri Efper. e Ohferv. intor. all 
Ori^in. de var, InfeBt, p. 96. feq. en Racolt. di var. TratU j>. I. fefr ea 
Rngion. int. aW Eftro de Snot ëftr. 





vanYSLAND. 



89 



dirike opftyging der zwaveldamp , de enige en ware oorzaak 
zy (?) , 't geen te meer te vermoeden is , vermits byna over het 
gehele eiland onder de bovenlaag der aarde de zwavel zich 
zeer zichtbaarlyk uitgebreid heeft , waar van ongetwyffek dit 
kerkhof een groter voorraad, dan andere plaatfen,ten deel is 
geworden -5* 't geen door een natuurkundigen, 't zy door een 
Kent , by zoverre het niet te gevaarlyk was , of door de reuk 
en het graven ontrent die plaats nagevorfcht zoude konhen 
worden. Myn verhaler had, gedeeltelyk uit eigen beweging, 
en gedeeltelyk ter begeerte van verfcheide goede vrienden , 
enige pakjens van die aarde naar Coppenhage mede geno- 
men, doch bevonden, dat dezelve aldaar de 'er overgehou- 
den Muizen geen het minfte letzel toebragt , ten klaren bewy- 
ze, dat alles aan de gezegde zwaveldampen, die hy niet had 
konnen mede nemen , toe te fchryven is. 

§. LXX1V. Aan de noordzyde van het eiland kan men van Wanneer 
half juny tot den laatflen july het lighaam der Zon, niet de Zon 
alleen boven den Horizont , maar oogfchynelyk haar onder- dite ^ Iand 
rand meer als een mans hoogte boven het oppervlak der zee °S er te 
verheven zien. Te middernacht fc-hynt zy iets groter , en zo gaan be» 
roodachtig , als by ons , wanneer zy ondergaat ; doch geeft fchynt, 
zo veel licht, dat men alles ten vollen, gelyk by dag, zien *g er waa " 
kan ,* daartegen is haar lighaam in january t'enemaal onzicht» n i e t. 
baar , behalven dat men boven aan de tegenoverflaande ho- 
ge bergen een klein fchynzel ontwaar word , en heeft men 
alsdan, ongetwyffeltdoor de wederomkaatzing , een fcheme- 

M ringj 

(r) Hier in verfterkt my het bekende , en dit t'enemaal gelyk zynde 
verfchynzel der Grotta di Cane by Pozzuob , waar in een fterk uit den 
grond opftygende zwaveldamp, ter hoogte van een voet boven de aarde, 
aan een op den grond gedrukten hond, of ander levend dier, een gelyke 
werking doet. Ray Obferv. made in a Journ. tro' Italy &c. p. 275, Des- 
4jelyks heeft ook in een kelder, niet verre van de Brodelbron te Schwal- 
bach. D. Pechlin. Lib. III. Obferv. Phif Medic. 44. en de Graaf Marfili 
by Altfohl in Hongarye uit een aardbuil of fpleet aangemerkt, en deze 
laatfte terftond met een experiment zodanig een door kunft nagemaakte 
damp van dat verfchyuzel opgeheldert. Dattub. Tom, l, p, 94. f?f% 















9 o BESCHRYVING 

ring, of dag , van anderhalf uur of zeven quartiers. Waarby 
aan te merken is , dat alhier zo wel de toe- als afneming van 
het licht zeer fpoedig , en ten minde de helft gezwinder als 
in ons land gefchied. 
Van bet §. LXXV. In de lange nachten genieten deze lieden ene 
Noorder byzondere weldaad van God , door het nu meer bekend wor- 
licht. dend, en dikwerver, als voormaals, ook ons , ja andere noch 
verder van den Noordpool gelegen landen, tot een ieders ver- 
wondering vertonend Noorderlicht , nadien zich het 
zelve , zodra de dagen beginnen te korten, vertoont, en , na 
mate deze afnemen, in geduurzaamheid en fchynzel kennelyk 
toeneemt ; ja gedurende den gantfchen winter geftadig licht ; 
doch met het langen der dagen allereerft weder vermindert. 
Zodra de lucht van fneeuw of regen zuiver , onbeneveld en 
niet onftuimig , of met een woord , als de Hemel zeer helder 
is , word men na zonnen ondergang en fchemeravond terflond 
dat licht gewaar, 't geen byna den gantfchen nacht , en wet 
zo helder flikkert en fpeelt, dat het de volle maan in haar bes- 
te fchynzel niet alleen evennaart, maar haar menigwerf over- 
treft. Het ontftaat aldaar altoos in het noorden of noordwes- 
ten , flaat naar het zuiden over, en vervult niet zelden de gant- 
fche lucht. Het weer mag den vorigen dag geweeftzyn, zo 
het wil, nochtans vertoont zich het Noorderlicht, zo 
de lucht 's nachts helder en bedaart is. Zyne gewone ver- 
we is witgeelachtig. 
Of men Nadien dat licht zo dikwerf verfchynt, is gemakkelyk op 
**"!?, te maken , dat men daaruit niet te wel en zeker het daarop 
te ver- volgend weer kan voorfpellen ; ten minften zouden, aleer men 
wachten daar toe met enigen grond konde komen , noch vele en meer 
weè . r dan een jaar zorgvuldig gemaakte aanmerkingen , beneffens 
kan/ Cn waarnemingen van den toeftand der lucht door den Barometer 
enz. vereifcht worden, die de aan dat oort wonenden niet in 
Haat zyn te maken; ondenuflchen is aldaar het gemeen zeg- 
gen en vermoeden , dat als dat licht bleek en geelachtig 
fchynt , het droogte en vorft , en in het tegendeel als het 
roodachtig is , regen en wind aanduid. Ten miniten zoude 

het 




vanYSLAND. 



91 



het zeker wezen , dat als dat licht zich ongemeen üerk en 
fchietende vertoont, daarop gemeenlyk, 't zy flerke wind of 
ftrenge vorft, volgt (s). 

Het is my zeer aanmerkelyk voorgekomen, dat de oudfle Het 
Yflanders, gelyk my geloofwaardig bericht is, zich over de r J h y nI: 
thans zo menigvuldige verfchyning van dat licht verwonde- mene- 
ren, en zeggen, dat men het in vroeger tyden aldaar zo dik-vuldiger 
werf niet gezien heeft ; 't geen my alzints gegrond toefchynt, ais voor 
vermits het ook voorheen in andere oorden van Europa nooit dezen * 
zo veelmalen , als nu in later tyden, gezien is, offchoon men 
nochtans in het midden en tegen het einde van de vorige 
eeuw reeds genoodfchappen der wetenfchappen zo wel in En- 
geland als in Vrankryk , en daar onder naarfïige ftarrekun- 
digen gehad heeft, die 's nachts de hemelloop vlytig nafpeu- 
ren , en echter diergeryke aanmerkelyke luchtverfchynzels zel- 
den waargenomen hebben. Veelligt brengen deze door my 
nagefpoorde en alhier bygebragte omftandigheden , met de o- 
verigen, die bereids in druk zyn, vergeleken, iets tot nader 
ontdekking van dat licht toe (ê). 

Zo veel ziet men , dunkt my , klaar en overtuigend , dat Van 
het zelve niet anders kan ontftaan , dan door gezwinde ont- waar hei 
ilekingen van vele zwaveldampen, die, vermits zy zo verre ontftaat » 
zichtbaar zyn, zich hoog in de lucht moeten bevinden. Dat 
ook daartoe in het Noorden voorraad genoeg en overvloedig 
gevonden word , blykt genoegzaam, uit 't geen ik te voren van 

M 2 het 



(s) \ Is aanmerkenswaardig ï als in de Phikfoph, Transa&ions N* 30$ 
verhaalt word, dat dit Noorderlicht in het noorder deel van Engeland ge- 
mener is, dan elders, en aldaar Streamers, Merry Dancers,oï Petty Dan- 
sers genaamt word, dat men daaruit ook vermeend het weer te konnen 
voorfpellen, en dat, wanneer dat licht groenachtig is , zulks ftorinachtig 
weer, en geel zynde, helder weer en droogte zoude aankondigen. 

(f) 't Is te hopen , dat wy door den tyd van het gezelfchap te Peters- 
burg, gelyk de meefte en befte aanmerkingen, ook de naafttreffende oorzaken 
der wording van dat vuurfpel aan den Hemel te verwachten hebben , ver- 
mits AeheevMeyer in het eerfïe deel zyner Commentariën p« 3? en voS« 
genden daar toe bereids een roemwaardig begin gemaakt heeft, 




$2 



BESCHRYVING 



n 








Het don 

dert in 
den win 
ter me- 
nigvukli 
ger en 
fterker 
dan in 
den zo- 
mer. 

Vele 
Dwaal- 
lichten. 



het eiland Yfland en van Jan-Mayen eiland bygebragt heb- 
Vermits nu de vele vuurbrakende bergen , de aardbranden, en de 
warme wateren van de giftingen, die in het binnenfte dezer lan- 
den plaats hebben-, getuigen , is ook te gelyk kennelyk , dat 
van en uit dezelve de zwaveldampen in onuitputbare menig- 
te geftadig naar de hoogte gezonden worden. Doch gelyk in 
de warmer en heter luchtftreken diergelyke zwaveldampen,, 
offchoon naby de aarde, of, als zy- een weinig hoger geko- 
men zyn , zich ontfteken , en in weerlichten , bJixem en ftra- 
Jen opflygen , alzo gefchied het van zelven , dat zy on- 
der den Noordpool, wegens de grote op het aardryk leggen- 
de koude, meerder ruft en gemak genieten, om omhoog te fty- 
gen , of ook deswegens langer tyd te gebruiken, aleer zo ve- 
le ontdoken dampen weder te zamen gedreven worden , dat 
een werkelyke ontfteking gefchieden kan , tot eindelyk hoog 
in den Dampkring hun een genoegzame menigte van allerly 
zoort ontmoet, die door een vochtige koude zodanig zamen- 
geperfl en verdikt word, dat zy in brand geraakt, en, gelyk 
een luchtvuur , helle ftralen van zich geeft. 

• g, LXXVI. Gelyk het dan ook op dien grond, naar myn 
f vermoeden, her voort koomt, dat men aldaar gedurende den zo- 
mer nooit , of immers zeer zelden , en daartegen in den win* 

• ter te meerder en heviger do nder heeft. 

Gelyk ook, dat men ten zelven tyde, als het fneeuwt, zeer 
vele en menigvuldige dwaallichten en Ignes lambentes 
ziet , waar toe op een eiland, alwaar men zo veel met zee- 
viflchen en traan omgaat, de Hof gewis niet ontbreken kan, 
Die vlammetjes zyn gewoon, aan alle flaven en Hokken , yzere 
fpykers, de maften , raan en het wand. der fchepen , de hoe- 
den en mutzen , en waar zy zich voorts aan hechten kon- 
nen, te blyven hangen. En de eenvouwige en blode Yflan- 
ders (gelyk ook elders het domme volk) zyn , offchoon zy 
niet branden konnen, noch ooit voor hunne ogen branden, 'er 
angftig voor ; ja fluiten, zodra zy dezelve gewaar worden, haa. 
ftig en befchroomt de deuren hunner woningen , op dat dit 
fchynvuur niet naar hun haardvuur , ( 't geen zy vermenen 

dat 



v a n Y S L A N D. 



93 



dat gefchieden kan) mochte trekken , zich met hef zelve vere- 
nen , en alles in vlamme gezet worden* 

§. LXXVII. In het laatft- van den zomer laten zich dikwils Byzon» 
Ringen en Byzonnen aan den Hemel zien, die, gelyk men aldaar nen » 
aanmerkt , fleeds van zeer ongeftuimig weer gevolgt worden , 
waar over men zich niet verwonderen moet , vermits alhier 
de gantfche gefteltenis der bovenlucht daar toe vatbaar en be- 
quaam is- ; 't zy dat tot hare verfchyning gladde ysvormige 
ysdeeltjes in de wolken , gelyk enigen ; of cylindrifche ha* 
gel , gelyk Huigens , Wolf en andere willen , vereifcht wor- 
den. 

g. LXXVIIL Eigentlyk hebben de Yflanders alleen t w e Alhier 
Jaargetyden, zomer en winter, die beftendig duren *jE s 
en met elkander verwifTeleir, zonder dat men de eldcrs>befpeu- t wejfra-r- 
rende zoele tiüTchentyden, lente en herfft, ontwaar word. Ech-getyden« 
ter heeft men meer winter,dan zomer, en in den zomer fneeuwt , 
en hagelt het bywylen. In den zomer kan het nu en dan zo 
heetzyn, dat men genoodzaakt ïs, alle klederen af te leggen, 
als wanneer in den nacht daarop een zo flrenge en doordrin- 
gende koude volgt , dat men zich niet genoeg dekken kan , en, 
als men ontwaakt, alles rondom met fneeuw bedekt ziet. In den 
winter valt veel Sneeuw ; doch met een ooftelykeri wind 
fneeuwt het zo flerk , dat het land en de huizen met. elkander 
gelyk gemaakt worden. 

Ene ongemene Koude doet zich, gelyk men my bericht D * 
heeft , niet dan in de maand april gevoelen ; denkelyk, ver- f u^e is 
mits de zon ten dien tyde het langft van dit eiland verwydert in April. * 
ge weeft is, en ook wel wegens den tefFens aanhoudenden noor- 
den wind : , die als dan meerder en gevoelbaarder ysdeeltjens 
(«) van de verder onder den Noordpool gelegen ysbergen by- 
brengt. 

§. LXXIX. Dat het op dit eiland altoos flerk en wel onge-Vanhet 
fladig en veranderlyk waayt, zal niemand verwonderen, die weer, 

M 3 - zyne 



O) Cotif. Supplem, IL Annal. Wrati{lav<p* 71, 





94 



BESCHRYVING 



Van de 
Eb en 
Vloed. 



Geftelt- 



water. 



zyne ligging een weinig overweegt. Dikwils bulderen dezel- 
ve zeer hevig , en perffen en dry ven de golven ongeloorlyk 
hoog. Met de noord wefte winden heeft men 'er (ten min- 
ften aan de zuidkuft) fchoon, daar tegen met de zuidweften 
liegt weer , en met de zuidzuid-ooflen den meeden ftorm. 

g. LXXX. Eb. en Vloed (to) hebben zy , gelyk anderen 
in en aan de Noord - Zee lager gelegene , twemaal in 24 u- 
ren , en met de alomme gewone veranderingen, naar de ver- 
wiffeling der maan: hierby zouden dezelve zo geregelt en 
zwaar zyn, dat, offchoon de winden hevig waven, nochtans 
gene merkelyke verandering of verhaafting befpeurt word. De 
Vloed koomt uit het ooften, en de Eb uit het wellen. De 
gemene vloed klimt tot 12 voeten hoog. 

g. LXXXI. Het Zeewater is, zo ik verneme, by Yfland 
heid van veel zouter , dan wel lager in de Noord- Zee., waar van de 
het zee- oorzaak zoude konnen wezen, dat niet alleen door de ftren* 
ge vorft de zee zeer fterk uitdampt (x) ; maar ook een groot 
gedeelte van het onzoute water van het oppervlak zich in 
wyde ysvelden verzamelt en bevrieft , behalven, dat noch een 
gedeelte van het zelve, vermits zyne ligtheid, door de gefta- 
dige hevige en droge winden verftuift en verwaayt ; weshal- 
ven het overige water, door de by alle deze fleeds terug blyvende 
zware zoutdeeltjens, noodwendig te zouter bevonden moet wor- 
den. Gelyk als onder de hete luchtitreek het zeewater veel 
zouter (y) als in zoeler oorden is, vermits de zon, door hare 
overgrote en lynrecht neder vallende hette., ene gelykvormige, 

ja 

(w) By de Yflanders, jfat) 03 firtra (dat is vloed en flrand) de Noor- 
wegers fïot) Og fmre / en de Denen floi eg ebbe genaamt. 

(#) Zie Wolfs werking der natuur §. 250. Ëfyumnfetf ttërftld) l. deel, 
1-4. 

(;y)lk volge hier in de zeer waarfchynlyke aanmerkingen der Engelfchen. 
Zie Lowtborp* Abridgm* vol. II. p. 297, en den heer de Bruin in zyne reize 
over Mofcovié bladz. 401. offchoon de P. Feuillée het tegendeel door zy- 
ne waterfchaal bevonden wil hebben» volgens zyn Journal des Qbferv,fait* 
en Ameriq.p* 177 & ipo* 




vanYSLAND. 



9$ 



ja noch fterker werking op de onzoute lichte deeltjens van 
het zeewater, door beftendiger en geftadiger uitdamping, oef- 
fent. De gezegde byzondere zoutheid heeft echter mede haar 
zonderling nut; want zy, benevens de beftendige beweging en 
fpeling der zee, welke door de fteeds blazende ftrenge win- 
den , en zware Ebben en Vloeden bewogen word , de oorzaak 
is , dat het ys aan de zuid- en weflkuft zo dik niet word, en zo 
lang niet duurt, als elders, en hoger naar het noorden ; waar 
door de elendige inwoonders , wier gantfche levensbeftaan al» 
lermeeft van de vifchvangft komen moet , het voordeel genie- 
ten , te vroeger , en bereids in january daar toe te konnen ge- 
raken , en mitsdien tegen de onbequame warmer maanden 
met de bereiding en het drogen van den gevangen vifch gereed 
te zyn, 

g. LXXXIL Het eiland is voor de inboorlingen , die van v an de 
kindsbeen aan het weer aldaar gewend zyn , zeer gezond;; ^ h \' 
ook zyn deze van goede levenskrachten, en kon- V an Ys- 
nen alles wederflaan , vermits zy, van de geboorte af, flegtiand, en 
en zober zyn opgebragt,en tot een harden, ruwen, radeloze, ^ e 1J S- 
ja zuren arbeid verplicht worden (z). Zy worden ook ( ge- fteithefd " 
lyk gemenelyk de zulken , die in een eenvouwige onbezorgt- der in- 
heid by enerly flegte fpyze en geftadige fïerke lighaams oefTe- woon- 
ning hun leven doorbrengen) niet alleen Stokoud, zulks me* ders# 
nig een ioo jaren bereikt, maar genieten noch daarenboven 
een friflchen werkzamen ouderdom , en weten weinig of niets 
van de zwak- en krankheden , die de gryze jaren van andere 
menfchen gemeenlyk aankleven. Doorgaans zyn zy welge- 
maakt , en hebben fchone , witte en gezonde Tanden ; 
't geen in hunne luchtftreek en by de flegte fpyze , die zy ge- 
nie- 

(3) My valt hierby in , wat Ca^far van de Suevters de Bello Galh LiK 
III. Cap, 1. zegt : Neque multum frumento , maximam partem latte at" 
que pecore vivunt , multumque funi in venationihm. Qua res & cibi ge- 
nere & quotidiana exercitatione &. libertate vit* (jqmd a pueris tiuUo of' 
ficio aut difciplina afuefa&i , nihil omnino contra voluntatem faeiant) & 
viret alit & immani eorporum magnituditw effieit* 





9 6 



BESCHRYVING 



de j: be _ kruiden , koftbaar mineraalwater, dat zy dagelyks onwetend 
r-wes- drinken, de fteeds luchtreinigende winden, de zuivere , dro- 



nieten , ten hoogden te verwonderen , doch een gewis teken 
van een gezonde lighaams geftalte is,, en ongetwyfFelt aan de 
zuivere lucht, waarin -zy leven, hunne goede verdouwing, die 
door de geftadige fterke lighaamsbeweging bevordert word, en 
, dat zy geen zout of iets gezouten, eten , toegefchreven moet 
worden. De Vrouwen zwichten in hartheid en fterkte 
voor de mannen niet, baren ligt, baden zich, zodra zy ge- 
baart hebben, en lopen terftond weder heen. 

Zy zyn §. LXXXIII. Van Koortzen en diergelyke ziekte.ns hoort 

weinig men n : eC vee ] t u \ \ ^een ik aan de reeds genoemde heerlvke 

ziektens - 

on 

vig 

hïiiven'ergeen langdurige koude, hunne aangebore hartheid, en de ge- 
geen Ge- ze j £ o-oede verdouwing toefchryve. Derhalven weet men 'er 
nees~ or o o o j 

Heel- van § ene Geneesmeelteren. Wanneer iemand ziek word , is 
meefters zyn gantfche laafnis goede melk , zo als dezelve van de Koe 
z y n * koomt, een weinig tabak, die men hem te kaauwen geeft, en 
een rykelyke Hok brandewyn , om de maag te herftellen. Heel- 
meefters heeft men 'er, ten minftezowyt de perfonen, die ikge- 
fproken heb, geweeft z:yn, en zo veel men my bericht heeft, thans 
geheel niet. De gewone hartheid brengt te weeg, dat men 
een ongemak niet veel acht, en de wonden helen ook hier zeer 
ligt van zei ven, ongetwyfFelt wegens de koude en zuivere lucht, 
die de vochten niet zo zeer in beweging brengen , noch het 
koude vuur zodanig bevorderen, dan de dampige en zoele lucht 
in warmer landftreken gemeenlyk doen. 
Hoe zy §. LXXXIV. Den Kinderen word niet langer dan acht, 
hunne f ten hoogften , wanneer zy enigzints zwak zyn , veertien 
opbreu" dagen de moeders borft gegeven. . Naderhand legt men de- 
gen, zelve op de aarde, en zet 'er een fchoteltje met laauwe huy of 

melk 

*(a) D. JHSrn merkt in zyn antwoord aan het koninglyk engelfch ge- 
noodfchap der wetenfchappen in de Philofoph, Tramatt. No. m. ƒ>. 238 
aan , dat de gemene landziekten colyk en melaatsheid zyn ; 't geen ge- 
makkel-yk te begrypen is, als men de ongure fpyzen en' onreine levens- 
wyze der Yflauders in «aniaerking neemt. 



van Y S L A N D. 



9? 



melk by, waarin een, met garen omwonden, hol pypje , of dik- 
ke vederfchacht , gelloken , en een weinig brood , als men het 
heefc, tot verfterking van het kind, gelegt word. Als het kind 
ontwaakt, of een teken van honger geeft * keert men het naar, 
den fchotel , en geeft het het pypje in den mond , op dat het 
daaruit naar zyn nooddruft zuige; maar wanneer zy het ten 
doop , of anderzints over land hier of daar brengen , geven zy 
het een lapje, met huy doortrokken, in den mond , op dat het 
zyn voedzel verkryge. Na verloop van drie vierde deel jaars 
moet het kind de fpyzen , die de ouders genieten , mede eten, 
Van bakeren , wiegen en oppafTen weet men geheel niets. Met 
de veertien dagen fteekt men het kind reeds in de klederen 5 
laat het op den grond leggen , en zich wentelen en keren, tot 
het zich zelven oprecht en begint te gaan. Dus zorgeloos s 
flegt, kommerlyk, rauw en ongemakkelyk worden die arme 
kinderen van de eerde dagen hunnes fteeds. moeyelyken le- 
vens gehouden , gewent en als gehart. Niettemin ziet men 
onder de Yflanders doorgaans rechte lyven en onverwrongen 
ledematen ; weshalven het zeer zeldzaam is, een gebrekkelyk 
menfch onder hun te vinden , waar uit klaar blykt, hoe voor- 
zichtig en liefdadig de natuur werkt , als, zy flegts vertrouwc 
en vryheid gelaten word. 

§. LXXXV. Te voren heb ik ter loops gezegt, dat hunne Van de 
Spyze'N liegt , en hun vaatwerk onrein is , waarby ik nu d°™ erei ~ 
voegen moet, dat de toebereiding noch erger, walchelyker en dunner 
naauwlyks menfchelyks zy. Het volgende zal ten overtuigend Spyzen. 
bewys verftrekken. Hunne dagelykfche fpyze is by de mees- 
ten het vleefchj't geen aan de afgefneden Kabeljauw- Dorfch- 
en andere vifchkoppen blyft zitten. Dit, of ook nu en daa 
een paar Hukken van den vifch zei ven , werpen zy, als zy daar 
van eten willen , in een ketel , doen 'er een weinig zeewater 
by, en flingeren het, als het naauwlyks een wyl gezoden is , 
zonder zout, men zweige enige andere kruideryen, gretig bin- 
nen. Schapen- en ander vleefch zetten zy,die het hebben, in een 
weinig zoet water op het vuur , eten het ook zonder zout Q) 

N en 

O) Hierin de Lappen gelyk, die ook alles zonder zout eten. Schcffer, 

Lap* 




1 




9 8 



BESCHRYVIN G 



en noch niet half gezoden. Daarenboven nuttigen zy niets ,. 
't zy vifch of vleefch, verfch gevangen of onlangs gedood ,.. 
maar werpen alles te voren een tydlang weg, tot het enigzints 
begint te rotten;, want het anderzints de gevoelloze, opperhuid 
hunner tongen niet aandoet, maar hun onfmakelyk voorkoomt. 
Zelfs vermeerdert hun vuur de affchouwelykheid hunner fpy- 
zen. Weinigen van hun hebben enige turf, en noch weiniger 
hebben hout, als 't geen zy alleen van de bomen bekomen, die 
hun nu en dan uit het Noorden, en vermoedelyk uit Rufland , 
alwaar dezelve door ftormen en watervloeden nedergevelt wor- 
den , toedry ven. Gemeenlyk gebruiken zy alleen vifchgraden, 
en ook wel beenderen , met een weinig dikken droefem van 
traan (c) begoten , om te heller te branden. Hun lekkerfte ge- 
recht is een fchaapskop, waar van zy alleen de wol afgezengt 
en denzelven dus onder de aiTche van hun heslyk vuur te bra- 
den gedoken hebben, die zy dan, gaar zynde , met huid en 
ai wat 'er aan is, tot op de beenderen afkluiven. Zy zyn, ge- 
lyk de uitterfte Noordlanders in't algemeen (d) zeer grote 
liefhebbers van B o ter en Vet , zelfs : het traanachtig Hay- 

ipek, 

Lapponia cap. 18. Martinier e in it ener. per Sëptentr. sap. \j. 

(c) Dac is traanhef; vvanc onze lieden noemen de hef faex, 5>rtl0/ 
Holl. Droessem van Wyn, Oly enz. de Zwitzers £rtlf<? / Wynhef 
Truosina , amurca olei i G/of. Florentin. II. MSt. Bibliotb. noflr. pub. 
AS. ÜRos^fordes, Drosne, faex.. Dit woord iiamt af' van een oud 
Duitfch wortelwoord , waar van noch het fpoor in Ulpbil. Ferfion. Go- 
tbk. gevonden word. By denzelven is \ Drausjan ex alt o deorfum 
pracipitera Luc. I. 52* en Draus Mat tb. VII. 27. of Daus Luc. II. 
34 cafus, it. mina. 

00 't Is aanmerkelyk , dat alle de noordelykfche volkeren zo gaarne 
vet eten. Van de Laplanders en Groenlanders is zulks enig- 
zints bekent Pecbiin III. Obf. Phyj. Med. 38. Van de Wilden in noord- 
America bericht insgelyks Denys Hifi. Nat. de l'Ameriq. Sept. cap. 23. 
p* 3^2, en de Jefuit Laffitau in zyn TraÉt. Mceurs des fauva^es Atneriq. 
comparés aux maters des premiers temps Tom. II. p. 91 verhaalt van de 
Iroquoisen en anderen: Zy drinken de oly van Beren, Zeehonden of 
Hayviirchen , Alen en dergelyken, zonder zich te Moren, hoe kantig die 
oly of traan geworden mag zyn. Ja de talk is voor hun een recht Ra* 
gom* 



van YSLAND. 



9? 



fpek, en de lever- en walvifchtraan niet uitgefloten. 

g LXXXVI. Nadien zy zelven geen akkerbouw hebben, en Gebrek 
de meeften onder hun , door onvermogen , het meel niet ko> a 4 an 
pen konnen, 't geen door.de deenfche kooplieden aangevoert BrooeJ ' 
word, hebben zy geen Brood; maar bedienen zich, in plaats 
van het zelve, van onverkoopbaren drogen Stokvifch (e), doch 
ongezoden en flegts een weinig gebeukt. Allerliefïl eten zy 
een fluk van dien vifch met boter ( als zy die hebben ) of, by 
gebrek van dezelve , ? met Hayvifchfpek , of ook met traan of 
talk befmeert. Een ander zoort word ook wel uit een tuflchen 
liet gras zelve in het wilde wafTend zoort koorn gemaakt; doch 
is zeer flecht en voor vreemdelingen niet te eten. 

g. LXXXVII. Hun Drank is het water, 't geenzy, ge- Van hun 
lyk boven gezegt is , zeer gezond en aangenaam hebben , in- Drank* 
^zonderheid word het water geroemt , dat door de kracht der 
zonne van de ys- en fneeuwbergen fmelt en afvlied (ƒ). Buiten 

N 2 dit 

(é?) 't Geen ook het Brood der Laplanders is. Scbef. Hifi. Lappon.pag* 
m* ip4» gelyk mede de noordlykfte Noorweger Jons Laurifen JVoljf Nor- 

r i g uiujir, pag. 10 8. Jpaffre icfe $3ro& aftft / mm for 33ro& britse U 
*cof&ftob -w tor gfóf/ fem U t$m ubi Zbiulwf oc bet MUt H ifttev bc? 
.H>te 2<tttbrotó (Sf^rpnig : dat is, zy hebben niet altoos Brood, maar gebrui- 
ken daar toe gedroogt vleefch , of gedroogde vifch, die zy in den wind 
drogen , en naar hunne landswyze Skerping heten, Insgelylcs meld ook 
Mare. Paul. Fenct. van de arabifche provincie Aden pag» 163. fiunt etiam 
ab incolis panes biscocti ex piscibus, idque in bunc modum: Cm- 
sidunt pifces minutiv: atque continuunt in modum farince : & pojlea commis- 
cent 8f fubagitant qua/i paftum panis, atque ad folem dejïccari faciunt , éf 
vivunt i'pfi & jumenta ipforum de illis panibus fiftitiis per totum annum. Zo 
fchryft ook Gemelli Careri in zyne Foiage autour du monde Tom, IL pag, 
319. van de bewoonders der eilanden Lundi en Augon in de perfifchezee* 
boezems ; quils n'ont de meilleur aliment , que des fardines. Ils les font fe* 
cher au foleil & elles leur tiennent lieu de pain pendant toute l'année, 

(ƒ) Ik kan zulks des te eerder geloven , vermits ik in Zwitzerland in 't 
Grindelwald door eige bevinding geleert heb, dat by zware afgematheid 
en hevige dorft, niets verquikkelyker is, dan het drabbig of dik water, 't 
geen van den gefmolten fneeuw der daargelegen ys- of fneeuwbergen 
koomt afzakken. Waarvan de Hr. Z). Scheuchzer in zyne Nat. Gefch. van 
-Zwitzerland Part. III. N. 20. met groot oordeel veel goeds meld. 



Van bun 
se Kle- 
ding. 




ioo BESCHRYVING 

dit drinken zy Huy of Melk. Bier bekoomt de gemene 
man niet ; ook konnen het de bemiddelden , by gebrek van 
kelders, niet lang voor den flrengen verft bewaren. Enige 
gegoede lieden handelen van de deenfche kooplieden voor hun 
mond bywylen een weinig Franschen wyn, doch ftorten 
denzelven in onrein , ja dikwerf zodanig vaatwerk , waarin zy 
huy en zelfs traan gehad , en 't zelve te voren niet gereinigt 
hebben ; weshalven die wyn zich welhaaft omwerpt , en trou- 
bel, dik en Hinkend word. Doorgaans is hun lieffle drank 
Brandewyn, waarin zich jong en oud, mannen en vrou- 
wen, zeer fchandelyk misgaan. By hunnen zwaren en gevaar- 
lyken arbeid te water, ofte land, is dit hun trooft, aanfporing 
en oogmerk, dat zy iets vangen en vervaardigen mogen, waar 
tegen zy, by de naafte komft der deenfche fchepen,den bemin- 
den Brandewyn ruilen konnen , en wanneer zy hunnen wenfeh. 
erlangen, houden zy niet eerder op, dan tot al de verkregen 
voorraad verteert is , en eerder hervatten zy ook hun beroep 
en arbeid niet. 

- §. LXXXVIII. Met den reeds gezegden toeftand der fpy- 
ze en drank koomt alzints de Kleding en Woning o- 
vereen. De een beftaat in groof linnen, by ons Paklin- 
nen genaamt, in een liegt wolle zelfgemaakt laken , 't geen 
XOabmd (g) heet, en in ongelooyt leder, dat door het beftry- 
ken met vifchleverfteeds gemoedig gehouden word. Van hunne 
bracht en kleding heb ik flegts zo vee! ervaren, dat 
de mannen en vrouwen linnen hembden, of veeleer onderkouf- 
fèn en broeken uit een ftuk dragen,. die den mannen tot over, 
doch de vrouwen alleen tot aan den navel reiken. Daar boven 
hebben zy broeken , gelyk ook wambufTen van TOakmel of 
fchaapsvellen. De vrouwen dragen witte klederen van die 
XOabmel/ op de wyze van de jegen woordje And f i enne s ge- 
maakt , onderrokken , die voor open en flegts met haakiens 

"ge- 
te) JA. SSrttwft eft pamm rujïicui f. vulgsris. Burfflum Qudm, Andr» 

tn Lexie* 



van YSLAND. 



IO-I 



gehegt zyn , en daar over een klein fchootje. Het hoofd word 
verfiert door een fpitzig torenswys bindzel van anderhalf el 
hoog, onder van grof en daar over van fyner linnen, 't geen, 
hoe voornamer iemand is, hoe dikker om het hoofd gewonden 
word. Dat fieraad word door de ongehuuwden , ter onder - 
fcheiding , door een zyde bindzel onder om het hoofd vast- 
gehecht. De meeden dragen rode wolle kouflen. De fchoe- 
nen der mans» en vrouwsperfonen zyn lappen van ongelooyc 
leder , flegts om den voet geflagen , en met riemen van 
fchaapsdarmen vallgefnoert , waar op het ongemakkelyk ge- 
noeg te gaan is. 

g. LXXXIX. De Woonhuis jes zyn klein , en van een VanEn* 
zeer eenvouwige bouwkunfl: .Men doet dezelve, tot meerder ne wo. 
hechtheid en warmte, enigzints in de aarde zinken. De vier mngeB °- 
wanden worden uit den grond met (lenen of rotsbrokken opge- 
trokken, en met unTchen geworpen aarde verbonden. De hoog- 
te derzelve is gemeenlyk van g| ellen , de lengte yan 12 tot 
14 ellen, en de brete zo gering, dat wanneer een lang man 
in het midden ftaat , en de armen uitftrekt , hy met de toppen 
zyner vingeren gemeenlyk de beide zy wanden bereiken kan; 
Boven op word een zeer laag dak van dunne houts -fparren ge- 
zet, en daar over drie latten geflagen, waaraan men fplinters- 
of gefpleten hout hecht en vaftmaakt , alles van boven met 
groene zoden gedekt , die in het voorjaar bewa-flen , en door 
de kleine wortelen zich zo vaft aan malkander verbinden , dat 
de warmte van binnen 'er zo min uit, als de regen en fheeuw 
van buiten ? er indringen kan. Vooraan laat men een lage ope* 
ning tot den ingang , die met een flegte houte deur geflo- 
ten word, en in het dak zes of zeven gaten, tot het verkry- 
gen van licht , waarin kleine hoepels , met pergament flrafc 
overtogen , in plaats van venfters , gezet worden. Hier toe 
nemen zy eigentlyk de tunica allantoidea van Oflen of Koeyen, 
by hun ^intte (fi) genaamt , die % zodra dezelve uit het dier 

N 3. ge, 

O) Conf. Bartboh 4dt+ Med. Hafn. Vel. V. Ohf. 4f«. Het woord ' %\m 

is 



I02 



B E S C H R Y V I N G 





eenomen zyn , allereerft op een bert, zofterk doenlyk'is,, 
fefpannen, valt gekleeft, en das gedroogt , vervolgens door 
vocht weder afgeweekt, en eindelyk,zo ftrak mogelyk, over 
zodanige hoepels gefpannen en vaftgehegt worden, waar me- 
de dezelve tot gebruik gereed zyn. Des nachts , of by ge- 
vreefl onweer, worden die venfters met kleine blinden over- 
dekt De bemiddelden hebben glasvenftertjens , doch flegts 
twe in het gantfche huis, en in ieder van dezelve niet meer 
als zes kleine ruiten. Aan de ene zydenwand word in de leng- 
te een hut van planken tot zodanig een hoogte van den grond 
vaftgemaakt, dat het rundvee in den winter daar onder gebor- 
gen kan worden. Zodanig zyn ook de Bedsteden voor de 
huisgenoten , zo vele 'er zyn , waarop dezelve flegts een wei- 
niehooynederfchudden,en zich onder een deken van Wat>mc\ / 
bvwylen met fchaapsvellen gevoedert, moedernaakt en in zul- 
ker voegen neffens elkander 'er op nederleggen, dat ter plaat- 
fe de een zyn hoofd legt, de ander neffens hem zyne voeten 
fteekt; (taande flegts alleen een klein plankje, of een ftuk van ■ 
een enkel deel recht op, ter affcheiding, tuffchen hen, die niet 
byeen behoren. Hoe fraay die woningen gemeubileert moe- 
ten zyn, laat zich genoegzaam zelf giffen; als ook hoe grou- 
welyk het 'er in Hinken moet. 
Hunne §. XC. 't Geen ik tot noch toe van het flegt voedzel en 
Ge- de zo zuren, als verdrietige, flegts enig en alleen de krachten 
moedsge. des lighaams oeffenende levenswyze der Yflanders bygebragt 
ffleltenli. hebj is zo d a nig geftelt, dat dezelve by die beeftachtige men- 
fchen gewis gene zonderlinge edelaartigheid uitwerken kan , 
ö mits- 

ls eigentlvk Deenfch, en heet in 't YHandfch Hinna , voorheen Himna 
Wd. Gudm. Andr. lexic^ flamt af, gelyk ook het Latynfche Hymen, en 
der Grieken «><*» van het oude Himen of Himmen, bedekken , af. Van 
hier koorat by de noordfche volkeren het woord Hinnen\ der Duitfchen 
Jjfmmel/ dat is, de Hemel alles bedekkende, als mede by de Brunswyk- 
fche Boeren, 't woord fymmctf en iry den HoMeiners ^cmmet/in 't ver- 
kort ^cmmt of fymbtol een kleed, 't geen het iighaam naaft by bedekt, 
't geen men nog verder zoude konnen uitleggen. 



V A 



m. Y S L. A N-' 



D„ log, 

mitsdien zyn zy van nature blo kar tig, en deugen tot geen 
fóldaten ; ja men kan hen niet bewegen , een geladen ge- 
weer af te fchieten. De koning , hun heer , heeft het te ' ' 
meermalen met hun zowel op de vloot , als by de landtrou- 
pen, bezogt ; doch hen allen ,. vermits zy nergens toe te ge- 
bruiken waren, met het affcheid: nergens toe bequaam, 
naar huis gejaagt* Waarby noch koomt, dat offchoon men 
vermenen mocht, dat zy het alomme veel aangenamer , be- 
quamer en beter, als in hun vaderland, moeden vinden, zy 
nochtans zo zeer als enig volk, met de zucht tot hun 
eigen Vaderland behebt zyn;; gelyk men voorbeelden 
heeft, dat uit zodanig een vaderlands liefde by velen niet al- 
leen ziektens, maar zelfs de dood veroorzaakt is (i) en wel 
niet flegfs by de zulken , die tot den moeyelyken fóldaten ; 
diend gedwongen, maar ook by de zodanigen» die door de 
deenfche kooplieden medegenomen en tot het leren van den 
koophandel gefehikt waren. Dus flerk is de drift der ge- 
woonheid , en de zoetigheden ener onbedwonge vryheid. Te 
beklagen is het nochtans,, dat dezelve in dat land, gelyk ik 
te voren verhaalt heb , al te verre gaande is , 't geen dan 
ook te. weeg brengt, dat dè Yflanders van herten luy en ei- 
genzinnig zyn. Zy arbeiden niet, dan uit noodzakelykheid ,. 
en zyn met hunne landswyze zo ingenomen, dat, wanneer men 
hun ook betere zoorten, korter handgrepen, en bequamer werk- 
tuigen tot den arbeid aanbied, zy dezelve verwerpen , en hal- 
ftarrig by de oude verbly ven. 

§• XCI. Daarom laten zy ook geen den minden y ver tot Zy heb- 
kunden en wetenfchappen blyken. Nochtans moet men niet ben geen- 
denken, dat zy van nature dom en onbequaam zyn. Veeleer lu f iets 

is 

(/) Iers diergelyks verhaalt van de niet beter levende Lappen Schef- 
fér, cap. 3. en van zyoe Zwitzers Scheuchzer Natuurl. Gefch. van 
Zwitzerland No. if en 16. alwaar hy tefFens hierover uit de gronden der 
natuur- en artzenykunde, zo veel zyne landslieden betreft, zeer fraye ge«- 
dachten opgeeft. 



ïo4 



BESCHRTVING 




is -bekent, dat 'enigen uit hun geleerde mannen zyn geworden, 
en anderen , die buiten 's lands geweeft zyn , geleert hebben * 
vaardig te fchryven en te rekenen, in goud te arbeiden, tabaks- 
dezen te maken enz. Alleen ontbreekt hun de lufl en wil. Zy 
willen fteeds verblyven by 't geen zy hunne ouderen en voor- 
ouderen hebben zien maken, en waar toe hun de uitterite nood 
dwingt.; doch tonen daar toe niet onvernuftig of onbequaam te 
zyn. Zo verre het tot hunnen nooddruft vereifcht word , is 
een ieder mansperfoon een fchrynwerker, timmerman, fcheeps- 
bouwer , fmit enz. en een ieder vrouwsperfoon een kleermaak- 
ster , een naayfter. Daartoe houden en brengen de ouders 
hunne kinderen van der jengt aan op. Het_ fpruit ook,myns 
erachtens,uit enige bequaamheid, als men uit ilegte ftoffenen 
met onbequame werktuigen alles , wat men nodig heeft , naar 
behoef vervaardigen kan. Van tyd- of uurrekening 
weten zy niets , maar richten zich naar de eb en vloed (£) , of 
naar de zon , wanneer zy dezelve konnen zien. 
Hunne g. XCII. De gewone en gemene Hantering dezer lieden be- 
Handte- ^ aat j n ^ e vangft en toebereiding van den Stokvifch, of, voor 
zo verre het land daar toe gelegenheid geeft , in de veehoede- 
ry. Betreffende de Vjsch vangst en hare toeberei- 
di-ng , daar van is het merkwaardigfte hier boven bereids 
aangetekend. Hunne Visch boten maken zy van wagen- 
fchot (0 , dat is , zeer dun gekliefde .eiken planken , zo ligt , 

dat 



ring. 



(T) Ongetwyffelt hebben ook andere noorcïfche volkeren zich in hunne 
tydrekening daarna gericht; en het koorat vennoedelyk daaruit voort , dac 
de Neder-Saxen eb en vloed de Ti de , de tyd, en de engelfchen Tide 
noemen. 

(/) Deze zeer dunne planken worden van eyken bomen gemaakt. En 
word alhier het flegtfte zoortgemeent, 'tgeen tot het bekleden der wanden, 
als men dezelve met tapyten behangen wil, en anderzints gebruikt word. 
Echter vind men een noch beter zoort,*t geen eigen tl yk van de befte wor- 
telen geklieft, en vermits het (gelyk het wortelhout of 9Jïafcr ) gemeenlyk 
fraye gevlamde aderen heeft , door de fchryn werkers tot overdek- 
ken of bekleden van het houtwerk gebruikt word. Van de gevlamde 
nderen koomt ook by de Hollanders en Nederduitfchen die benaminsr. 
Het Wagen schot heet eigentlyk SDttttnfóUF / 28a$rf$Uf / en de 

plan- 



vanYSLAND. 

dat zy door twe mannen op de fch ouderen gedragen konnen 
worden. Vermits zy alle, weder te land komende en aldaar 
verblyvende, genootzaakt zyn, dezelve, om door het geweld 
der golven niet gedoopt, of weggefpoelc te worden, zo hoog 
op het flrand te flepen , dat de naar gelegenheid van den 
wind te verwachten vloed dezelve niet bereiken kan , ver- 
mits zy ankers noch dreggen hebben , om die boten vafl te 
leggen. Wanneer zy hunne vaartuigen een wyl tyds op het 
water willen veftigen , bedienen zy zich , in plaats van een 
anker, alleen van een zwaren Heen, met een gat 'er in, waar 
door een dikke ftok geflagen is, en laten denzelven op den 
grond vallen, op dat het vaartuig, door middel van het uit- 
ftekend einde van den ftok, eniger maten vafl: hggQ» Op enige 
weinige plaatfen hebben z$ enigzints fleviger en groter vaartui- 
gen, gelyk de hilgelandfche viflchers fchuiten zyn 3 met een 
maft en zeil van paklinnen. 

§. XCII1. DeV-EEHOEDERY verwekt hun, om zo te fpre- Hunn 
ken, gene grote bekommering Die op JVejtmann- oe jagen hün-.Veehoe- 
ne fchapen op de naby gelegen met gras bewafTen kleine eiland- der 7* 
jes, op dat zy dezelve, als zy willen , zonder moeite weder 
zouden konnen opvangen. Wat voorts van de veehoedery en 
het Aagten wetenswaardig zy, is bevorens ten genoegen aan- 
getoond. 

O g XCIV. 

planken dus : Ligrmm undalatum marh crifpantis undas imitans. Waar me- 
de Ki'ian in Etymol. Teuton, Lingu. overeenltemr, als hy zegt: Waeghe- 
Schot eft tignum , quod fpowte fluiïuantis maris undes imitatur. Wae- 
g hen se hotte is, cantabulare affèribui tigfinis ; vejiire pariet es tabulis. 
Waage by de Hollanders, QBage by de Nederfaxen , en QBege by de 
Hoogduitfchen is Wklle, fiuüu» maris, Wage, aqua Otfi\ ƒ.3 24* ■ 
Waoo/«V Qlof. Rhab. Maur. Wal fluftus maris Rhphm..G. S* /In- 
non. § 15. Wag, Wage Lacus Otfr. III. 9 34. Tatian. Harm. cap. 19. 
Het grondwoord is Wagan motitare, waar van by UlphiL Wagid cotn- 
motus eft, Waga een Wieg, Cuna Orfr. I. 20, 26 en in Gl. Flor* II. MSt* 
Biblioth. Hamb. %$a$e / Hbra. Ifl, SBaga vebor. Wagn 20agefr/ cafrus, ge- 
lyk in alle noordlche Dialecten, Vogüeb Gall. In later tyden Wegen. Net* 
ker. Pf. 37. ja reeds Otfr. IF 30, 13 fïe wetfitail iro ySUbir. Luth.it) Ep\ 
ad Epb. Wégen en Wiegen, it. AS. Wegen, & c , ap. Somner, Sax. 
2B^e/ Germ. 2${egc/ cun* 9 Wegen librare enz. 




p 



106 



4»- 



BESCHRYVING 



Hoe zy §• XCIV. Alleen zal ik hier noch byvoegen, hoe zy gewoon 
hunne zyn, de afgetogen vellen, naar hunne manier, en zonder van lo- 
veiien y en te we ten , te bereiden, 

bereiden. ^j s ^ Ql ye j noc j 1 warm en ver f c h is, flaan zy het geftadig 
op hunne naakte knien,en fchrappen met een mes de hairen of 
wolle 'er af; 't geen wel zeer armharcig, doch zo gezwind en 
behendig toegaat, dat men zich 'er over verwonderen moet. 
Hierop hechten zy alleen dit afgefchrapte vel, zo ftrak en vad 
hun doenlyk is, aaneen wand, en laten het winddroog wor- 
den , als wanneer het tot allerly gebruik reeds bequaam is. Al 
't geen zy van leder of pelteryen aan het lyf dragen , fmeren 
zy alle vier of vyf dagen met zeer traanachtige vifchlever, waar 
door het wel tamelyk gemoedig,doch teffens in zodanig een krach- 
tige uitdamping gehouden word , dat o geen deenfch koopman , 
voornamelyk als hy de eerflemaal by hun koomt , hen wegens 
de traanftank en verdere vuiligheid naby zich dulden kan, maar, 
wanneer hy hun fpreken wil , zulks in de ope lucht en bo- 
ven den wind flaande doen moet. Strekkende weder ten be- 
wyze der gewoonte, dat die menfchen alzints en geftadig in 
zodanig een flank en beeftachtige ontygheid leven en verke- 
ren konnen , waarin tederer opgevoede gewiffelyk krank zou- 
den worden en omkomen. 
Van hun- § XCV. Mannen, Vrouwen en Kinderen, als zy niet met 
nen ver- den Stokvifch onledig zyn, arbeiden in de wolle, en bryen 
^ n ar 'hembdrokken , handfchoenen , koutten enz. In het land 
heeft men gene Weveryen, dan die, waar door het 
voorheen gemelde XOat>mel gemaakt word. 
Hoe zy Het Vollen gelchied flegts in warme pis , en wel zo 
Vollen, armhartig als onkundig. Het laken treden zy opgerolt den 
gantfchon dag met de voeten, en de koutten en handfchoenen 
kneden zy een geruimen tyd met de handen. Het moet een 
fterk en geoeffend kaerl zyn , die in één dag een hembdrok of 
drie paar koutten bereiden kan. De vrouwen , vermits zy geen 
zeep hebben, wasschen met affche en pis. Dus ook weten 
zy door de pis uit een koperen ketel koperrood te trekken , 
en daarmede te verwen. 

§. XCVI. 





A N l Y S L A N D. 



107 



Handel. 



J. XCVI. Wie zoude denken , dat die menfchen zo Mig en Van 
bedrieglyk konden zyn, dat men zich in den koophandel voorinnen 
hun hoeden moet"? Ën nochtans leert het de bevinding. 

Om een volkomen begrip van hunnen Koophandel te 
ge ven,, moet ik zeggen, dat het gantfche eiland veertien zo- 
genaamde ViscHHAVENsen acht Vleesch havens heeft. 
Genen leggen in het noorder- en oofter, en dezen in het zui- 
der- en wefterdeel van het zelve. Beiden worden van tyd tot 
tyd door den koning alleen aan kooplieden binnen Coppenha- 
gen verpacht, die hunne onderkoopliedeii derwaards zenden, 
en ook wel bywylen de een en de anderen aldaar laten over- 
winteren. Dezen zyn het, die met de inboorlingen allen han« 
del dryven, en nadien de vifchhavens, alwaar goed voordeel te 
behalen is, zeer ligt hunne pachters vinden; doch de vleefch- 
havens, alwaar gene byzondere winft gedaan kan worden , 
onbezogt zouden blyven, heeft de koning, als een gemene 
landsvader, op dat een ieder gelegenheid zoude konnen vin* 
den iets te verdienen , of zyn nooddruft in te ruilen , de wyze 
n heilzame verordening gemaakt , dat een koopman , die tot 
het pachten genegen is, by twe vifchhavens altoos een vleefch. 
haven in zyn pacht moet aanvaarden , waar door dezelve alle , 
behalven één, die men ook beft mogelyk poogt te verpachten, 
aan den man geraken. De naaft aan de vleefchhavens gelegenen 
brengen den afgezondenen der pachters te zyner tyd hunne 
Schapen te koop, en wel een goed Schaap voor 40 vis- 
fchen , een flegter naar evenredigheid. Enigen brengen ook 
Ossen, doch niet veel , en word een Os , als hy goed is, 
op 10 tot 15 Schapen gerekent ; een flegter geld flegts 8. 
Dat vee laten de onderkooplieden door Yflanders Aagten , die 
daar voor den kop en het ingewand ten loon verkrygen. De 
flagttyd is jaarlyks tegens het einde van augufti en het begin 
van feptember,* vermits als dan het gras, door de naderende 
koude , geel en krachteloos begint te worden , en het vee 
mitsdien afneemt Het vleefch word op de deenfche wyze 
afgehakt, gezouten , in tonnen gekuipt, en naar Coppenhagen 
of elders verzonden. De boeren der vifchhavens verhandelen 

O 2 hun- 




io8 



BESCHRYVING 



hunnen gedroogden Visch, als Flack- en Hangvifch aan 
de onderkooplieden op gelyke wyze. Men neemt gemeenlyk 
gene andere, dan van Kabeljauwen gemaakt, in de handeling 
aan ; maar wanneer dezelve niet genoeg gevangen zyn , moet men 
ook, die van Lengen en andere vifTchen bereid zyn, in beta- 
ling aannemen. 
Hoe de §. XCVII. Alle betalingen gefchieden aan de Yflan- 
betaling ^ ers ^ Q0Y ^ e rjenen ■ ' c Z y me t medegebragte waren , of in 
fclïïed- baren gelde, welk laatfte nochtans weinig in gebruik is. Op- 
het eiland is geen ander geld gangbaar , dan deenfche kro- 
nen , en in plaats van klein geld bedient men zich van Stok- 
vifch. 
Men Dus worden ook alle contracten, kopen en handelingen in 
koopt en Visschen gefloten, en boek en rekeningen in vifTchen ge-" 
bv" vu?- nou cl en (tri) namelyk een fpecie-daler geld altoos 48 vifTchen ; 
fchen. en enkele kroon is door den koning op 15 , en een dubbele op 
30 vifTchen geftelt. Een vifch rekent men op de zwaarte van 
2 ponden, en 2 ponden vifch maken altoos een fchellinglubfch 
uit. 10 Ponden noemt men een ^O^rung. Een lyspont doet 
alhier 16 gemene ponden. Een arbeidsman bekoomt 10 vis- 
fchen of 10 fz. lubfch ten dagloon enz. 

$. xcvm. 



(m) By die gelegenheid heb ik mede verdaan, dat men op de naaftby 
leggende faroïfche eilanden (alwaar de koning van Denmarken op de hoofd- 
en algemene marktplaats, Torshaven, een fchout en landrechter houd, en, 
vermits 'er geen pachter is, de handel aldaar zelf dryft , of dat eiland 
jaarlyks met het noodwendigfte van Coppenhagen doet verzorgen) opge- 
lyke wyze handelt, en alles naar ©fins/ dat is , fchaapsvellen , koopt 
en rekent; namelyk een ©fru tot 4 fz. Dansk. of 2 fz. lubfch offchjon de- 
zelve in der daat nooit uitgegeven of ontfangen worden. Dat gebruik Icoomc 
hervoort , vermits het zelve eiland enig en alleen van zyne ichapen be- 
ftaat, en dezelve aldaar i' 1 zo groot ene menigte zyn, dat menig een boer 
wel 2000 ftuks bezit. B eb. al ven het fchapcuvleefch, 't geen ingezouten 
verzonden word, levert dat kleine eiland ook een menigte nachthembdrok- 
ken en mutzen , ganzevederen en eiderdons , gelyk ook wolle kouflen , 
enige rothfchaer, talk en traan. De inwoonders dragen geen fchoenen, 
maar wolle kouflen met zo dikke zolen , dat zy daarop een geruimcn tyd 
konnen gaan. 





vanYSLAND. 109 

$. XCVIII. De waren die Yfland geeft, en van daar afge- Uit s aa n- 
fcheept worden , zyn : de wa " 

J ren. 

Flakvifch. 

Hangvifch. 

Enige gedroogde Lengen en SchelvhTchen. 

Gezouten Schapenvleefch. 

Enig gezouten OfTenvleefch. 

Klaar en bruin Traan van Walviflchen en allerly 

Vifchlever. 
Enige Boter en Tafk. 
Vele gebreide grove koufTen, handfchoenen, hembd- 

rokken, mutzen en diergelyken. 
Blaauwe VoiTen. 

Schmaaskin, of jonge Lamsvellen, 
Schapenvellen. 
Eiderdons. 
Ruwe Zwavel. 

De yflandfche waren konnen in alle de havens van het ko- 
ningryk Denmarken en onderhorige landen tolvry ingebragt 
worden. 

g. XCIX. De in te brengen waren , die Yfland gebruikt , inko- 
zyn: 

Yzer, 

Hout. 

Koorn-brandewyn» 

Meel, 

Wyn. 

Zout. 

Grof linnen. 

Een weinig Zydenftof. 

En wat voorts de een of ander bemiddelde tot zyn 
huishouden begeren mag. 



mende 

waren. 



Die waren worden maar alleen door de Denen , met uitflui- Die maar 
ting van alle vreemdelingen , ingebragt. en aan den Yflanders * lleen , 

O 3 in doordê 







hebben 
hunne 
zekere 
taxe. 



110 BESCHRYV1NG 

De-en m ruiling voor hunne landwaren overgeladen , vermits dezefve 
inge- niets met baren gelde beulen , 't geen zy ook zeer zelden 

bra «, t hebben. ■ , 

worden. Doch op ^t de Yflanders, die hunne nooddruft van me- 
vensmid'mand, dan die pachters, hebben konnen , niet overfchat en 
delen na ar willekeur gedrukt mochten worden , heeft de koning van 
Denmarken de genadige voorzorge voor hun , dat hy den 
kooplieden van tyd tot tyd een zekere tax voorfchryf't, vol- 
gens welke zy hun alle de invoerende levensmiddelen en wa- 
ren moeten verkopen, en dezelve op de boete van 1500 da- 
lers geenzints te buiten gaan mogen. 
De Ge- §. C. Ik heb aangemerkt, dat alle Gewichten en Ma- 
wichten TEN alhier doorgaans op den hamburgschen voet ge- 
en Maten ^j. zvn ? ' t g een een kenbaar blyk uitlevert, dat de Ham- 
deSh°am- burgers in vroeger tyden inzonderheid op Yfland moeten ge- 
burg- varen, en den handel aldaar eerft recht gevefhgt hebben , ge- 
fchen ]yk dan ook voormaals een eigen Broederschap der 
ge "YsLANDsvAARDERS (die KopmatiJii obfervantes Rei/as in 
Jjlandiam in de oude documenten genaamt word ) in de ftad 
Hamburg gevonden werd , waar van tot noch toe eni- 
ge overblyfzels voor handen zyn. Thans willen de Denen ge- 
ne vreemde natiën, zo min als de Hamburgers, vergunnen, 
aldaar te handelen ; doch jaarlyks laten zich aldaar een tame- 
lyk getal hollandfche fchepen vinden , (die de Denen als lor- 
rendrayers behandelen ) welke het boerenvolk fteelswyze den 
beminden Brandewyn en andere nodige waren toevoeren, en 
daar tegen weder goeden Stokvifch en Traan inruilen («). Die 
loze lieden weten, vermits de amptman gene gewapende fche- 
pen by der hand heeft, en der kooplieden fchepen geen tyd 
hebben , op dezelve te pafTchen , alle naar hun wil door te 
' fluipen. Op dat zy ook hunne fluikeryen des te beter bedek- 
ken , en noch meerder voordeel, dan zy by de Yflanders vin- 
den, 



voet 
ftelt. 



(«) Zy dryven ook jaarlyks dergelylcen verboden handel op het eiland 
Feroe. 




VANYSLANB. 



III 



Iing. 



den, behalen mogen, leggen zy, in fchyn , een tameJyke wy- 
te van het eiland in zee, en vangen Kabeljauw, van welke zy 
op de te voren gezegde wyze op hunne fchepen Labberdaan 
maken , en daar mede naar Holland , en by wylen ook naar 
Hamburg zeilen. 

§. Cl. In Yfland word enig en alleen de oeffening van de De Reli- 
Eüangelisch LuTHERscHE Religie gedoogt , en ge- gie is 
ne van een andere belydenis aldaar gedult; behalven dat enige *;»» 
weinigen, die uit catholyke voorouders afflammen, de een en 
andere bygelovige gebruiken behouden, welke zy in het ge- 
heim oeffenen. . ' . 

§. CII. Het eiland word in twe Bisdommen verdeelt , Kerke- 
waar van de ene biflchöp zyn zetel te Halar , en de ander telyke 
Skalhoh houd (0). By ieder van dezelve is een latynfche fchool, ,X erde - 
en een drukkery, in welke nu en dan een geeftelyk boek in èi '' 
landtale gedrukt word. Een bilTchop heeft jaarlyks 1200 da- 
lers , die hem in koopwaren aangewezen worden , en hy uit de 
Bisschops-tol ontfangt , waar toe een_ieder boer jaarlyks 
10 viflchen levert. Andere predikanten bekomen ten hoogden 
maar 100 dalers; ja onder dezen zyn 'er, die flegts 4 dalers 
ter bezolding genieten ; doch de geeftelyken hebben ook een 
aandeel aan de Vïschtienden, hoewel veelzints onder- 
fcheiden. Op enige plaatfen bekomen zy f , op anderen heb- 
ben zy in een ieder boot, die om te viflchen uitloopt, twe lo- 
ten , dat is zo veel , als anderzints twe der vhTchers tot hun 
aandeel van de vangft ontfangen. De zulken , die zo weinig 
inkomften hebben, dat zy daar van niet beflaan konnen, moe- 
ten op dezelve wyze, als de andere boeren, hun brood zoeken, 
mede ter vifchvangft gaan , en hun aandeel Stokvifch bereiden, 
om dezelve te konnen verhandelen , waarin hun te minder 

hart- 



0) Hier kan men verder nazien de Dijfert. de Iflandia feit. I. tb. 2. door 
den Yflander Tbcocl. Thorïac onder de voorzitting van Mgid. Strauch. 'm 
den jare i6d6 te Wittenberg gehouden, waaruit nochtans , vermits dezel- 
ve flegts uit andere boeken, en wel zonder genoegzame behoedzaamheid 
uitgefchreven is, weinig troofl: genaak kan worden. 



Van 
hunne 

Kerken. 









m BESCHRYVING 

hartheid wedervaart, vermits zy zich doch in andere dingen 

het boerenvolk gelyk dellen. 

§. CIII. By den zo kenbaren armoedigen toedand der in- 
woonsters konnen ook de Kerkgebouwen niet koftbaar 
zyn. Zy zyn op gene andere wyzen, dan de gemene huizen 
der boeren, gebouw t ; namelyk, gedeeltelyk in de aarde ge- 
zonken , van op een geftapelde rotsbrokken , met aarde en 
kalk verbonden , en met graszoden bedekt. Zelden zyn zy 
proter , dan de gemene bezoekkamers in onze landen , en zo 
laag, dat een man, overeind ftaande , byna met zyne vingers 
aan het dak reiken kan ; doch daar tegen is ook aan te merken, 
dat zy, wegens de fteeds vele en hevige over het eiland (nor- 
rende winden niet hoog gebouwt konnen worden. De Denen 
hebben het eens beproeft , en een hoog gebouw boven de air- 
de, op een effen vlakte, naar de deenfche wyze, van met? 
zelwerk opgetrokken , doch den volgenden winter is het door 
de ftormwinden weder nedergevelt, en men genoodzaakt ge- 
worden, naar lands gebruik op nieuw een kerk, gedeeltelyk 
in de aarde gezonken en zeer laag , te bouwen. Het bin- 
nenfte koomt met het buitende volkomen overeen, en toont 
weinig of,niet, 't geen naar een kerk gelykt. Hy, die het 
naad 'er by woont , en gemeenlyk enige opzicht over het 
gebouw heeft, zet, ter beloning van zyne moeiten, zyn kis- 
ten en krameryen, gelyk men zegt, 'er in, op welke gedu- 
rende den Godsdienft de gemeente , zich in plaats van doe- 



nederzet. 



Echter konde dit ligt 



genoeg zyn , wanneer 



len , 

men , gelyk van de eenvouwige flegte gedeltheid der eerde 
chriftenen , hier ook zeggen konde; Hou te Kerken, 
Goude Predikers! en het hoofdoogmerk der Kerken- 
huizen; namelyk, het onderwys en den wasdom in het Ge- 
loof, en een Godzaligen wandel , daarin geoeffent en geleert 
wierd; doch het is te beklagen, dat het hier met geen din- 
gen ilegter, dan met het ehridendom gedelt is. 
Geftelt- § CiV. De Geestelykheid deugt, in het algemeen 
heid dergefproken, niets. De meeden hebben niets geleert, komen 

, Predi " zelden verder, dan de biffchoppelyke fcholen, en lezen naauw- 
kanten. rr lyks 




vanYSLAN-D. 



M3 



Jyks het latyn. Daarenboven is dezelve ten hoogden ongebon- 
den, en aan den Brandewyn fchaamteloos en zonder mate ver- 
flaaft.i Niet zelden koomt de predikant zo befchonken op den. 
predikdoel , dat hy terdond 'er weder af klimt , en de koder uit 
een podil de gemeente iets voorlezen moet. Menigmaal gera- 
ken de leraar en toehoorders (want zodanige voorbeelden niet 
dan alzulke gevolgen hebben konnen ) voor de predikatie met 
malkander in zulk een toedand , dat men den Godsdiend voor 
die reize moet uitdellen. 

$. CV. De Jeugd word weinig, en ilegts voor een kor- De o P . 
ten tyd, ter fchöle gezonden, veeleer doorgaans door de oude- voed 'ng 
ren, zodra dezelve flegts een weinig de handen roeren kan,bv ? er A 
zich behouden, en tot allerly huis- en anderen arbeid gebruikt"; ■■ 
doch daar by teffens door het woed en heilloos voorbeeld van 
dezen tot een godloze navolging verlokt, en in den grond ver- 
dorven. Wel is waar, dat zy wegens de vele gevaarlykheden, 
die zy deeds op de zee onderworpen zyn, reeds in het acht- 
de of negende jaar ten avondmaal gaan; doch met wat onder- 
wys en voorbereiding is ligt te giflèn. 

g. CVI. De gantiche hoop weet dus weinig van God en Gebre- 
zyn gebod. De meeden zyn bygelovig, en zweren zo ligt , ken "der 
dat menig een geen zwarigheid maakt , voor een paar mark 0ude - 
tegenszyn naaden bloedverwant een valfchen eed te doen/ en * 
Zyn kyfachtig en boosaartig , wraakgierig , doorliepen en 
loos , onmatig , geil en ontuchtig , bedrieglyk en diefachtig. 
Ja wat ondeugden kan men niet vermoeden van lieden , die 
tomeloos, zonder uitwendige opzicht, in de grootde ongebon- 
denheid, in het wild en op de zee, onder gedadige gelegen- 
heden om ongemerkt, en mitsdien draffeloos, hunne begeer- 
te te voldoen , leven, -en daarenboven aan de vruchtbaarde 
moeder van alle gebreken , de dronkenfchap zo derk , gedadig 
en doorgaans verflaaft zyn? Ik zwyge., wat bywylen , om 
daatkundige redenen, door de vingeren gezien, of alhier gedoogt 
moet worden , 't geen my niet betaamt te beoordelen, Ik zal 
alleen ene gebeurtenis bybrengen : voor weinig jaren, als het 
eiland door een befmettelyke ziekte , of aanftekende dodelyke 

P bui. 










' ;i4 BESCHRYVING 

builen, byna uitgeftorven was, gebeurde het, dat men, tot 
te fpoediger wederbevolking van het zelve , vermits weinige 
uit andere landen des konings een begeerte betuigden, der- 
waarts over te gaan , de jonge dochters vergunde , haar va- 
derland met zes onechte kinderen , onbenadeelt hare maagde- 
lyke ere, te vermeerderen. Doch nadien die goedvvillige fchep- 
zelen zich te gerieflyk en te ongebonden betoonden , zag de 
overheid zich welhaaft verplicht, haren fchandelyken yver te 
beteugelen, en daar toe, zo ik het mag geloven, een ftraf , 
de misdaat gelykformig, doch die ik niet noemen durf, te ge- 
bruiken. 
Huwe- §. CVII. Hunne Huwelyken voltrekken zy , volgens 
ïy ks . hunne gemoedsneigingen en toeftand , met weinig plechtighe- 
piechtig- c | erit -q £ jLjjuJd en bruidegom worden door de beiderzyds naa- 
fte vrienden naar de kerk gebragt, en aldaar door den priefter 
getrouwt. Vervolgens treden deze drie naar het boven einde 
der kerk, en zetten zich tegen den wand , langs welken de 
vrienden zich ter beide zyden (lellen. De bruid laat zich een 
beker met Brandewyn geven , (want gene byeenkomften , veel 
minder een zo plechtige , door hen , zonder dat boven alles 
gefchat hertsverheugend vocht, gehouden worden) en brengt 
denzelven hare naafte nabuur toe, die zy teffens, door een 
haaftige leging van den beker, een aanfporend voorbeeld geeft. 
De bruidegom doet ook insgelyks aan zyne zyde , en dus gaat 
de beker zo lang rond, als men denzelven in de hand , en 
zich zelven op de been houden kan. 
Zy zyn §, CVIII. Nadien zy , als de vifchtyd voorby is , menige 
liefheb- j ec jjg e uren en vele lange nachten hebben , doch niet gaar- 
n " ne meer , als onvermydelyk vereift word , arbeiden , leggen 
zy zich op het Spel, inzonderheid het Schaakspel, waar- 
in zy , gelyk hunne deswegens beroemde voorvaderen , gro- 
te meefters zyn,* en op een zeker Kaartspel, welks ei- 
gentlyke hoedanigheid ik , door onervarenheid in dergelyke 
dingen , niet wel begrypen kan. 
Vanhun- § C1X - Het Danssen, waar van zy grote liefhebbers 
ne wyzezyn, gefchied op ene ouwerwetfche eenvouwige wyze. Man- 
nen 



bers van 
het 

Schaak 
fpel. 




van Y S L A N D. 



*i$ 



nen en vrouwen ftaan tegens malkanderen en huppelen en val- van 
len , zonder van plaars te veranderen , by verwifleling van het D aiiïïen. 
ene been op het ander , 't zy naar de gezangen der ouden (die 
in aangename weder herinnering van vroeger tyden de jeug;d 
thans met genoegen daar in behulpzaam zyn) of naar het geluld 
van een fmal fpeeltuig , met vele maren , welke met de ene 
hand gedrukt, en met de andere geroert worden. 

t' CX. Van 't geen eigentlyk de waereldlyke Regering be- Van de 
treft, zal ik, volgens myn tegenwoordig oogmerk, flegts in burger- 
t korte bericht geven. Zyne koninglyke majeileit van Den- Ivfe e Re- 
marken heeft, als landsheer, alhier een Amp t man, die noch- gerin ^ 
tans geen edelman , maar gemeenlyk flegts een fecretaris, of 
ander verdienftig of gelieft bediende van een groot minifier 
van het hof is, welke dat aanzienlyk ampt uit gunde, of ter 
beloning van zyne getrouwe dienden verzogt heeft.' Deze 
woond op de wedzyde te Befteftet Kon^sgaard, geniet 400 da- 
lers jaarlyks van den koning, en noch meer als eens zo veel 
aan toevallige inkomften. Hy is de opperrechter in burger- 
lyke en halsdraffelyke zaken. Naad ócn amptman is des Ko- 
N 1 n g s - B a 1 l l u w , die terzelver plaatfe by hem woond , en 
jaarlyks 200 dalers bezolding trekt , waar voor hy alle pacht- 
gelden , en andere inkomften van het gantfche land voor de 
koninglyke kamer moet innen en verrekenen. 

g. CXI. De Verpachtingen van alle de havens be- Hoe 
loopt jaarlyks twintig duizend dalers , en de V e r h u r i n g e n, hoo £ de 
welke de koning van zekere hem toegedane gebouwen trekt,' Ï ){on ?" 
bedragen noch acht duizend dalers. Van enige landdreken koning 
bekoomt de koning ook § van de ingevoerde vifchtienden. van die 
Daarenboven geeft een ieder onderdaan , die boven 20 dalers ei,and 
(het zy weinig of veel) in vermogen bezit , aan den koning belopen ' 
jaarlyks eens voor al 40 viflehen. Voorts zyn drie üoip- 
men (p) landrichters of fchouten , ( lantebommer by den 

P* De- 

O) IJl. gopmabr. Gotb. gögmabr. St. 01. @^a <. 7 o. ap. Vereh 

JUDEX PROV1NCIALIS. StteC. gafltWH]/ en ZatfQQa eft D1STRICTUS 




Van 

'hunne 

Wetten» 






Il6 BES-C H R YV IN G 

Denen) waar van ieder zyn landftreek of ampt, en noch vier 
en twintig Bvelomen (?) , waar van ieder een dorp of klein 
gebied onder zich heeft, dergelyken by de Denen %m&* 
dommere genaamt worden» 

ft CXII. Het richtfnoer, waarna geoordeelt word , is een 
oud Rechtsboek of 'Statut (r) in de yflandfche taie befchre- 

ven, 

vel jurisdictio provinciaLis judicis ap. eund. Verel. Het heet 
rechtsman, of richter, die het recht fpreekt van gag/ 2wl c S een 
by den Gotb. Suec, Lex , jus , ftatutum heet , en door de Denen Low 
uLefproken word. A. & %Wl of M*} **. ^«u, ,«. Lagere- 
c a transereffbr legts , Lahbricï (Wetbreuk ) legis violatio. Lah-man 
l K h perUmtc, apud Smner. vocab. Ang. Sax. welk alles van .het ta* 
worT&Wl poifere , ^ponere voortvloeit , en is gage Slufï^C/ zet- 
Ung, de verordening en het recht, 't geen de overheid den onderdanen 
oplegt, om 'er zich in hun doen en laten naar te pchteo. 

Vfl} J/l ©l)éï« mahr. Topxrcba, van (Byéfa / Prwwrw , 0^«««. G»^»; 
^« S J% LéxiV. 't geen van @pé(a/ rtrnww-j bezorgen, betheren afftamt. 
0/zzm /^fi 1 . . • - e~. K%» ap> Vèi el in Indic. 

OVt Geen van den noorwcegfchen koning Magno Logabater (dat is 
wetverbeteraar) gegeven, in de oude yflandfche tale &F*™'\™™*™ A 
den Layfaga (rechtfpreker) Jona in den jare ia8o of ia8i naar Yfland 
gebragt en ingevoert (van welke het noch Jons-bok, Coaex Jon* ge- 
faam? word) en ook eindelyk te Skalholt gedrukt is. Voor t welke, 
mede aldaar noch oude wetten in gebruik geweeft zouden zyn , die ene 
Ulfiotus (omtrent den iare 92Ó) gegeven bad Vide JruTborgi/fisfi/ucog,,o< 
Jcnto Froda i. e. Poiyhi/lou's Schedas cap. IIL ibtque BufAm tn Not. By 
deze gelegenheid is aan te merken, dat de jegenwoordige yfland che ta- 
le op verre na zo zuiver niet meer, dan de oude , maar met vele noor- 
weeifche en deenfehe woorden, eindegingen enz. vermengt is. Voorts weet 
men dat de oude noordfche tale (Slerfno malo / of Sfarflliu QfrW) 
men noeme dezelve met O. Sperling. in Comment. de lingua Damca,öen 
"eren Den n ten gevallen , de ouddeenfche of ntf ttg*» « «dere 
zweedfche uitgevers en uitleggers der verfcheide oude ©oflW de oud- 
«Mbifdie (GautamaaO ™ oudzweedfche, zich hei : allerlangtt op dit af- 
Ie egen ei land "en in Feroe in hare oude zuiverheid, zonder vermenging 
m n ieuwgemaakte of vreemde woorden en fpreekwyzen, behouden heef, 
memril Liter atur. Runica cap 27- A i37 ; Zynde het te beklagen, dat 
fv in later tyden , en inzonderheid zedert de te voren verhaalde g.ote 
ZrZ door de invoering van vele vreemdelingen, een dodelyke üoothe- 
fmen £ ft /en ook noch dagelyks door de genadige verkering met de 
;. is hare overheid, meer en meer verdrongen en verbaftert- 




vak Y S L A N D. 



Hf 



ven, het zogenaamd <£,l)viftna-3katten of jus Ecckfiafticum 
en étornbommen,/ of Richterboek, 't geen door Fredrik II. 
beveiligt is, beneffens enige nieuwer koninglyke Refcrïpta. 
Wyle de koning Fredrik IV. zoude zekere ervaren perfonen 
opgedragen hebben, een nieuw wetboek te ontwerpen, en al- 
les op den noorweegfchen voet (waarop zyn majefteit het, we- 
gens de overeenkomfl, geftelt wilde hebben) te vervaardigen; 
doch waar mede het noch niet tot ftand gekomen is. Inmid- 
dels doen de richters volgens de reeds gemelde rechten in 
zulker voegen recht , dat zy zich , zo veel de erfvolgingen 
en vafte goederen, inzonderheid de ftamgoederen, betreffen, 
naar het JLoxobud) / in geeftelyke zaken merendeels naar 
het C^riffrta- fatten/ en voorts ook in deformalia en mis- 
daden naar het Codex Chrifrianus, en Qtorct 2>ommen/ doch 
anders naar de van tyd tot tyd gevolgde koninglyke Refcrip- 
ten, Edicten en Landsgebruiken richten, 't geen niet zonder 

P 3 



ver* 



word. Wie de oorfprongen en afleidingen , gelyk ook de eigentlyke be- 
duidingen en de verwonderens waardige zamenhang der tegenwoordige 
noordfche talen wat dieper ingezien heeft,, weet, wat byzonder licht de 
weinige overblyfzels geven, die men noch van de oude yflandfche of 
Hoordfche heeft. Zy is niet alleen de fleutel tot de runifctie, gothifche 
(by zo verre deze niet in zich zei ven yflandfche zyn) maar ook tot de 
noorweegfche, deenfche en zweedfche, en toont vele verloren woorden 
aan , en de verwandfchap met dezelve in de neder- en opperduitfche,. 
hollandfche -, engelfaxifche en engelfche talen, ja toont ook meer, dan 
men menen zoude , de verwandfchap van alle de gezegde tongvallen met 
de oofterfche talen ; want zy is de ?Ij|ama<tf / of de tale, welke de Afaxon- 
der Othinus enz. uit Afië met zich naar het Noorden gebragt hebben. Waar 
van omftandiger en zeer veel gefproken word in de D, O. Sperling. com- 
■mentar.pag. 38 uit het Cöd. Reg, Dan. Eddd Iflandkón. Add. Péringskiold. 
Not. ad Vit. Theodoric. Reg. Gothor. pag. 353 feq. Daarom was het te- 
meer te wenfchen , dat men een volkomen en volledig woordenboek van 
de oude yflandfche tale had, of ten minfte, dat het met de hand gefchre- 
ven yfiandfche woordenboek volledig was , of weder herftelt- konde wor- 
den , 't geen in de koninglyke Bibliotheek te Coppenhagen gevonden word 3 - 
en uit verfcheide boekdelen in Folio beftaat; doch waar aan , zo ik weleer 
van wylen den baron van Sparwenfeldt verftaan heb, een paar woorden 
ontbreken, als wanneermen gewis in ftaat zoude zyn, in dit ftuk zeer ve- 
le tot noch toe ongelooflyke dingen de geleerde waereld voor ogen te leg- 
gen. 







n8 



BESCHRYVING 



Bef] uit 



verwarring gefchieden kan (s). Echter zullen, volgens alle 
vermoeden , hier te lande onder de ingezetenen weinig ge- 
wichtige proceflen ontdaan, Voor dezen heeft men de een 
of andere tufTchen de biffchoppen en konings-bailluwen ge- 
had, die by hoger beroep onmiddelbaar aan den koning ge- 
bragt zyn. Dergelyke hoger beroepen vallen nochtans zeer zel- 
den voor , en zyn koflbaar. 
Van de $. CXIII. DeExEcuTiEN, beide in halsdrarTelyke en bur- 
)ood- gerlyke zaken, verrichten de onderrichters zelven. Het On t- 
■n'wiè'de H A L z E N ê efchied met een M Het H a n g e n aan een groten 
ïxecu- yzeren koevoet, of zogenaamden yzeren boom, die in de fpleec 
fe ver- van een klip gedagen , en de draf fc huidige daar aan opge- 
'icfct. hangen word, welke gemeenlyk een goede wyl fpartelt, al- 
eer hy den geeft geeft. De vrouwen , die de dood verdient 
hebben , worden alle in een zak verdronken. 
, g. CXIV. Ten befluite zal ik een verhaal hier byvoegen van 
een Yflander van 14 of 15 jaren, dien de heer M...r eens 
van daar gebragt had , om te tonen, hoe die menfchen zich 
gedragen, wanneer zy genoegzaam in een nieuwe waereld ge- 
ftek worden. Die jongeling , als het fchip naby het niet ver. 
re van den mond der Elbe gelegen eiland Hilgeland,'t geen 
het eerfte land was, 't geen hy, na zyn afvaart van Yfland, 
in 't oog verkreeg, voorby zeilde, had de kerken en huizen 
aldaar voor zo vele klippen en rotzen aangezien, en zich niec 
willen laten overreden , dat dezelve door menfchen handen 
gemaakt waren. Als hy in Glukftad aanquam , had hy niet 
geweten, wat van de huizen en de vele venfters te maken. 
Naar Hamburg gebragt , en door de ftraten geleid worden- 
de , ftond hy verbaaft en verdomt , wende het hoofd deeds 
van de ene naar de andere zyde , en befchouwde de grote 

ge- 

(5) Het valt niet moeyelyk te giffen, dat het niet anders zyn kan dan de 
heer Julhtieraad Hoier in zyne Id<ea I&i Danica p. 1. §. 7. fchryfc; Qua 
emnia efficiunt, ut jurifprudentia Iflandica , maxime autem proc e/jus fa 
longe perplex tor apud ittos, quam in omnibus rsliquis Danici aut Norva*ici 
regni provincih. & 




van Y S L AND. 



irp 



gebouwen ftarogende. Zyn heer , in zyn gedrag vermaak 
fcheppende, nam hem mede in de Opera, om te zien, hoe 
hy zich in dezelve gedragen , en wat hy 'er van oordelen 
zoude. By het muziek had hy allerly grimagen gemaakt. Ah 
men het gordyn optrok , zat hy als verwezen , zonder de 
ogen van het toneel af te wenden , of een lit te bewegen , 
veel min een woord te fpreken. Wanneer, naar gelegenheid 
van het fpel , een groten draak op het toneel quam , uit 
wiens open kaken enige vermomde duivels hervoort fpron- 
gen , die een Ballet begonnen te danffen , kroop hy ylings 
als een blixem onder de bank , en konde , onaangezien alle 
vertogen en redenen, niet bewogen worden , weder voor den 
dag te komen , maar bleef aldaar fteeds zitten : het was lou- 
ter duivels werk , menfchen handen konden dergelyken on- 
mogelyk hervoort brengen ; hy had vlefchelyke duivels ge- 
zien , en wilde met dezelve niets te doen hebben. Waarom 
men hem op die plaats gebragt had? Men zoude doch, om 
's Hemels wille , weder naar buiten gaan , aleer de duivel 
nader quam, en dergelyken. Naauwlyks was hem zedert te 
beduiden , dat de attcurs menfchen , en de vertoningen dus 
door menfchen handen gemaakt waren , doch hy nooit te o- 
verreden , dat die vermomden geen ware duivels waren ge- 
weeft. Voorts was hy welhaaft kundiger geworden , had in 
korten tyd zeer wel leren fchry ven en rekenen , en zich in des 
koopmans dienfl vernuftig getoont ; weshalven zyn heer zich 
alle moeite gaf, om hem voort te zetten, en ergens in Hol» 
ftein of Denmarken te veftigen ; doch alles te vergeefs , wes- 
halven die heer ten langen laatften, om de aanhoudende zucht 
en begeerte van dien jongeling naar zyn vaderland, buiten het 
welke men hem nooit recht vrolyk had gezien , genood- 
zaakt werd , hem , op dat hy in geen krankheid vervallen 
mogt , weder naar huis te zenden , alwaar hy noch leeft , zich 
in alle onreinheid gezond bevind, en zyne zaken zeer wel be- 
ftiert. 

Dit is alles, wat ik van Yfland heb konnen zamenbrengen. 
Het zal my lief zyn , en ik wenfche , dat een ander , die 




meer 



F 



t 



I 



••:.■•' 



;ï20 BESCHRYVING van YSLAND. 

meer kundigheid , gelegenheid en ledigen tyd heefc, zich de 
moeite zal geven , het den groten Schepper ter ere , en den 
opmerkenden ter onderricht en vergenoeging, te vermeerderen, 
en te verbeteren. 








B E- 



BESCHRYVING 

VAN 

GROENLAND 

E N D E 

STRAAT DA VIS. 



. Q 



s - 







INLEIDING. 

|Et is thans waereldkundig, hoe wylen de Ko- 

[ning Fredrik IV. van Denmarken , vol- 

Igensdeszelfs veelvuldig betoonden yver voor 

J de uitbreiding van het Euangelium , ook by 

deGROENLANDERS IN DE STRAAT DAVIS,lliet 

dat oogmerk twe volkplantingen met verordende pre- 
dikanten op bequame plaatfen gedicht heeft. Zo dra 
my hier van, gedeeltelyk uit de gemene , gedeeltelyk 
uitbyzondere berichten, iets ter oren quam,heb ik my 
benaarfligt, zo wel van de omftandigheden van zoda- 
nige volkplantingen , als inzonderheid van de geftelte- 
nis dier landen en hunne inw'oonders , waar van men 
tot noch toe weinig kennifle had, eigentlyke, omftan- 
dige en genoegzame berichten, zo veel enigzints doen- 
lykwas, te erlangen. Inzonderheid heb ik fchippers 
by my doen komen, die voor het genoodfchap in Ber- 
gen , en zedert voor den laatft overleden Koning 
Chris ti aan VI. derwaarts gevaren -, en langer dan 
een jaar daar te lande, en onder de Wilden doorgebragt 
hebben. Na ik. van dezelve zeer naauwkeunge, goede 
en tot meer dan een gebruik nodige berichten ontfan- 
gen, en door vragen verkregen had, en daar by be- 
fpeurt, dat door de zodanigen, die nader zyn, en gro- 
ter bequaamheid hebben, iets volledigs te verzamelen, 
nooit, buiten het noch onvolmaakt werkje , 't geen in 
deDeenfche tale, onder den titel: ©et eawle ©rtttWW 
m ^pevfujtvaticn / in den jare 1729 te Coppenhage m 
octavo in 't licht gekomen is , iets de waereld is me- 

Q 2 de " 















IH 



INLEIDING, 



degedeelt , heb ik befloten , byzonder raynen Duit- 
fchers ten gevalle , 't geen ik des wegens waarachtig 
ervaren had, met enige aanmerkingen , op ene ver- 
hooptelyk niet onaangename noch onnutte wyze , in- 
de volgende bladen door den druk gemeen te maken. 
Doch dewyl de aangelegde volkplantingen niet flegts 
het hoofdwerk zyn , maar men ook , 't geen men van 
het land en deszelfs inwoonders weet , hun te danken 
heeft 5 moet ik billyk van dezelve allereerfi: handelen. 










BE- 





Pag. 12 5 

BESCHRYVINGvan GROENLAND 

E N D E 

STRAAT DAVIS. 

§. i. 

En yverig predikant in Drontheim, genaamt Hans Eerfte 
Eg ede, welke een byzondere drift by zich ge - de enfche 
voelde, om de arme blinde Groenlanders tot depi° an j| ng 
kennüTe van den waren God en zynen Heiland te in 
brengen , verliet in Noorwegen zyn ftandplaats , Groen- 
die, offchoon wel flegts middelmatig, echter verre boven |„ n j ^ 
een kommerlyke en elendige zending naar Groenland te fchat- straat 
ten was , en begaf zich in den jare 1718 naar Bergen , enDavis). 
voorts in den jare 17 19 naar Coppenhagen , alwaar hy zich 
de uitterfte moeite gaf, om zyn voornemen en voorflagen , 
die hy te voren bereids enige malen door derwaards gezon- 
den memorien bekent gemaakt , doch 'er geen voldoenend ant- 
woord ©p bekomen had , thans beter voort te zetten , en tot 
een wenfchelyken fland te brengen; maar trof alzints zo ve- 
le en niet qualyk gegronde bedenkelykheden en zwarigheden 
aan , dat hy in die vreemde onderneming niet naar wenfch 
ilagen konde. Wel is waar , dat enigen in Bergen zich lie- 
ten bewegen , zo wel uit chriftelyke goedwilligheid , om de 
bekering van zo vele elendige Heidenen te onderfteunen , als 
door de vlyende hope, enig voordeel by die lieden te behalen, 
vermits de Walvifch zedert enige jaren van Spitsbergen fterk 
verlopen was , en in de Straat Davis in tamelyke menigte ge- 
vonden werd , onder malkander een genoodfchap aan te gaan, 
om een volkplanting op een bequaam eiland onder koninglyk 
oótrooi , wanneer het zelve te verwerven was , op te rechten, 
doch in Coppenhagen betoonde zich byna niemand genegen, 
daar aan deel te nemen , waar toe de aanhoudende lange oor- 
log ook een onverwinnelyke hinderpaal was. Ondertuflchen 
deden de bergfche kooplieden voor zich zelven de een en 

Q. 3 aa- ■ 



r 










ia6 BESCHRYVING van GROENLAND, 

andere pogingen , die door de verbeelde hoop niet vermin- 
derden. Eindelyk was hy zo gelukkig , dat de koning in den 
jare 1721 , zyne allerhoogfte toeftemming verleende , en zo 
wel hem , predikant , als het koopmans genoodfchap in 
Bergen het verëifchte o&rooy uitvaardigde en gaf. Toe 
meerder bevordering van dat werk werd een lotery uitge- 
fchreven , waarin de pryzen gedeeltelyk in baren gelde , en 
gedeekelyk in aólien, dat is, in een of meerder aandelen in 
het Straat Da vis genoodfchap en de redery op de nieuwe Wal- 
vifchvangft beftonden; doch zoude door de flegte beftiering 
der bewindslieden , en vermits de zaamgebragte penningen 
welhaaft alle verfmolten , dat werk daar door zeer weinig 
bevordert zyn; weshalven op 's konings bevel , alle lieden, 
zo wel als den geeftelyken en waereldlyken bedienden in de 
koningryken Denmarken en Noorwegen , een ordentelyke 
fchatting werd opgelegt , die dan ook , gelyk ligt te denken 
is , een toereikende fomme gelds opbragt , waar mede in de 
zaak een goede aanvang gemaakt, en allerly verëifchte nood- 
wendigheden, tot oprechting en onderhoud van een nieuwe Co- 
lonie, verzorgt konden worden. In het gemelde jaar 1721 ver- 
trokken de eerfte fchepen naar Groenland , om een bequame 
plaats ter nederzetting te zoeken , in te nemen , met de Wil- 
den ook kenniffe te maken , en zo veel mogelyk een handel te 
beginnen , met welke fchepen de blyde geeftelyke zich zo fpoe- 
dig op de reize begaf, dat hy ook zyne hoogzwangere vrouw, 
die even zo veel yver en luft, als hy , tot die reize betuigde, 
zo veel tyd niet liet, dat zy alvorens aan land verlofte. 
Wat weg §. II. De reize werd genomen van Bergen, achter Yfland om, 
zy » a - naar de ooflkuft van het oude Groenland ; namelyk , naar den 
w!ar' zv zogenaamden Statenhoek , gelegen op de hoogte van 00 gra- 
S aan- den, alwaar zy 7 of 8 mylen breed ys vonden; weshalven 
landen, zy noch 3© of 40 mylen weftwaarts zeilden, voorts fteeds noord- 
waarts (levenden, en eindelyk aan de rechter hand den v/al, of 
het land, op 64. graden zochten, alwaar zy op 64 graden 7 
minuten een eiland vonden, op het welke zy zich, vermits 
het tot hun oogmerk beqnaam fcheen, den 3. july 1721 ne- 
derzetteden, en het,zo goed mogely k, inrichtcden. Dit eiland Jegc 

in 




EN de STRAAT DAVIS. 



Ï2f 



inden mond der I$AALs«Rivi£R,en heet by de Groenlanders 
Kangremijune, doch de Denen hebben het, na hun fchip, 
de Hoop genaamt, en vol goede hoop, (gotfyaab / (B'nbfyóp ] 
dat is, Goede hoop geheten. Zyne grote ftrekt zich niec 
veel verder , dan een grote myl in den omtrek, uit , en het 
legt flegts twe mylen van het vafle land. 

§. lil. De reden , waarom men het ter woning verkoos, was, Waarom 
dat de koude aldaar in den winter redelyk draaglykis, en mits- g^J 1 
dien zo wel des zomers als des winters een goed getal Wilden en voor an . 
inwoonders, die in hunne taal Kal alen heten , zich aldaar deren 
geftadig onthouden , by welke men waarfchynlyke verwach- verlo- 
ting hebben konde, zo wel in de religie als handel een goed * 
begin te maken. 

g. IV. Doch toen men befpeurde, dat de Walvifch zich al- De twe- 
daar niet in de gehoopte menigte bevond, maar veel hoger de voik- 
noordwaarts te zoeken was , zettede een twede volkplanting ,%£*£?& 
met een predikant, genaamt Albert Top, van Sogen , uit een m . 
Noorland , of het noorder gedeelte van Noorwegen, geboortig, dere 
die in de lente van den jare 1723 te Coppenhagen als groen- plaats, 
landfche zendeling tot prïefter geordent was, zich noch 45 my- 
len hoger opwaarts in de Straat Davis op een eiland neder , 't 
geen zo wel by de Groenlanders als Denen Ne pissen e gehe- 
ten , en in de zogenaamde wyde baay op ongevaar 67 graden 
gelegen is. Dat eiland legt ontrent 30 mylen van het groot 
eiland Disco, en dus zeer naby de Visch-plaats, en de 
Walvisch eilanden, op de nieuwe paskaart van Lau- 
rens Feykes Haan aangewezen , alwaar de rechte Wal- 
vifch in de maanden februaryenmaartin grote menigte gevon- 
den, en ook door de Groenlanders gevangen word, van waar hy 
voorts weftlyk zynen loop benedenwaar ts naar de americaan- 
fche kuilen neemt. 

§. V. Onaangezien die voordelige legging ; wilde het echter Beide»: 
met die volkplanting zo weinig, als met de eerde, naar wenfch zyn in 
gelukken. Wel is waar , dat men , zo veel het werk der beke- ™ 
ring betreft, met de Groenlanders tamelyk wel en zonder mer- nomen 
kelyke zwarigheden Haagde , behalven die, de landstale veroor- handel 
zaakte, niet alleen, vermits die in zich zelve moeyelyk te vat- ^-JjJ" 

IwIX 









■ lil 



BESCHRYVING van GROENLAND, 

gelukkig ten is , maar ook , nadien die elendige menfchen religie noch 
geweed. godsdienft kennen , ja zelfs geen woorden hebben , om God 
en geeftelyke dingen, of 't geen naar religie zweemt, uit te 
drukken , aangemerkt dezelve geheel niets van een God of 
Schepper weten, en met gantfch gene vooroordelen ener re- 
ligie, van hunne ouderen geleert , behebt zyn, ook gene af- 
manende priefters hebben , en mitsdien , door de aangebore 
nieuwsgierigheid van alle menfchen, met begeerte horen, en 
zonder moeite aannemen , 't geen hun goed en verftandig 
voorgeftelt word. Wat een uitwendig deugdzaam leven be- 
treft , had men veeleer van hun te leren , dan zy te leren 
waren , en hun alleen deszelfs waren grond , omtrek en oog- 
merk volgens aanleiding van de heilige fchrift aan te tonen ; 
doch de verwachte voordelen in den handelswaren, gelyk men 
zich voorgeftelt had , niet te vinden. 
Oorza- 5- VI. 'Er zyn eigentlyk maar twe bronnen , waar uit dezel- 
ken daarve te dezer plaatfe te fcheppen is. De ene is de Walvifch- 
i' vangft, of de daar van te verkrygen traan en baarden; de an- 
der den handel met de ingebore Groenlanders , of zogenaamde 
Wilden te land,* doch de vangft van den Walvifch , die alhier 
zeer groot is, heeft de compagnie niet alleen, ja hare fchepen 
zyn de minfte, nadien voor meer dan anderhalf honderd jaren 
de Straat Davis door de Hollanders (a) , Hamburgers en ande- 
gen kon- re volkeren bezocht , en wel inzonderheid zedert , vermits de 
den ma- Walvifch van Spitsbergen , alwaar hem , om zo te fpreken , 
ken * gantfch Europa vervolgde , byna geheel verjaagt is , in me- 
nigte bevaren en bevift word. Wel is waar, dat men had mogen 
denken , dat nadien de deenfche volkplantingen de vifchoorden 
zo naby zyn , en de Walvifch , volgens waarnemingen , zich 
reeds in january en february in de Disco - Bocht , en by het 

zo- 
(#) Dezen hebben wy de kaarten van dat oort, en de van tydtottyd 
gemaakte verbeteringen te danken , hoewel aan derzelver volkomenheid 
noch zeer veel ontbreekt. Onder dezelve is de belle, de reeds genoemde 
grote kaart van Laurens Feykes liaan , door Gerard van Keulen uitgege- 
ven , nevens de gemelde Haam be/cbryving van de Straat Davis, van 
de Zuidbaay tot aan bet eiland Difco, Amflerdam 17 ip, welke naar zee- 
mans ftyl , met aanwyzing van de gantfche vaart, de mylen, ankergron- 
den enz. getekend is. 



van 
vermits 
zy zich 
de Wal- 
vifch- 
vangft 
niet al- 
leen ei 




,- 



en be STRAAT D A VIS. 



29 



zogenaamd Nepissene vertoont, die coloniften ten mïn- 
ften veel vroeger, als alle vreemdelingen , die zich eerfl in 
het laatft van maart derwaarts begeven , by dezelve zouden 
konnen komen , en dezen te voren viiïchen; doch 'de erva- 
renheid leert, dat de vreemdelingen even zo vroeg, en dik- 
werf noch vroeger, op de vifchplaats konnen zyn , dan zy 
zelven; want zy zyn des winters niet alleen met veel langdu- 
rend ys ingefloten , maar moeten noch een gunftigen wind 
afwachten , die het zelve van hun wal en ftrand. dryft , aleer 
zy van land en in de open zee by de Walviflchen komen 
konnen ; en wanneer ook een dergelyke wind het ys vroeger, 
als wel anders, van de kutten dryft , is de vorft aldaar noch 
zo ftreng , dat de roevers op de floepen met de riemen in de 
dollen (of roeypennen) een zo luid gerucht maken, 't geen door 
het befmeren met fpek, vet, talk of dergelyken niet te ver- 
hoeden of te beletten is;, dat de Walvifch , die een zeer fnel 
gehoor heeft, daar door genoegzaam gewaarfchouwtenfchuuw 
gemaakt word ; waar by noch koomt , dat , gelyk de Groen- 
landers berichten, al het viflchers gereedfchap, doordeteftren- 
ge doordringende koude, zo hart en ftyf word, dat het zich 
niet behandelen laat. Ja deze koude is dan noch zo hevig, 
dat de lieden van de volkplanting , dezelve in de open vaartui- 
gen onmogelyk wederftaan konnen, maar tegen den nacht we- 
der naar het land keren moeten. Zo veel nu daarenboven de 
vangft betreft , is het zonneklaar , dat het genoodfchap in Ber- 
gen^ vermits zyne vifTchery zo weinig inbrengt, niet vermo- 
gend kan zyn , zo vele fchepen , als eigendyk daar toe ver- 
eifcht worden, zelfbyeen te brengen en uit te reden ; want 
het koomt by de vangft in dat oort op de veelheid der fchepen 
aan, vermits de wind op die zee dikwerf verandert, en nu Waarom 
eens uit het ooften, dan weder uit het weften waayt , waar de Ho1 - 
door enkele fchepen in de ongelegenheid geraken, dat, als hun aaarh» - 
een van zodanige winden op het lyf waayt, en het ys toedryft, beter fla- 
de Walvifch, die open water hebben moet, verdreven, en hun§ en » 
de vangft onmogelyk gemaakt word; waar tegen, wanneer e- 
nigen van hun een maatfchappy maken, of in gelyke delen vis- 

R fchen, 






u 



BE3CHRYVING van GROENLAND, 

fchen , en gedeeltelyk zich naar de ene , en gedeeltelyk naar 
de andere zyde houden, de wind mag wayen hoe hy wil, 
ten minfle een gedeelte van dezelve het water geheel o- 
pen en gelegenheid tot de vangft heeft. Dit nemen de Hol- 
landers, die zo fterk varen, in acht, en verkrygen ook daar 
door alle jaren, gelyk bekent is, hunne zo goede vangit. Ve- 
len in de verenigde provinciën provianderen ook de fchepen 
voor o maanden, doen den vifch zelfs op de americaanfche 
kuiten vervolgen, en de viffchery tot het einde van de maand 
ausufti voortzetten. . 

Twede X VIL Geen minder zwarigheid ontmoeteden zyin den nan- 
•ofeMk,del, die aan land met de Wilden gedreven zoude worden ;- 
vermits want van dezen ook hebben de nyvre Hollanders zien met 
dL°h° a k a .niinder van tyd tot tyd by alle gelegenheid bedient, en dry- 
del te ven denzelven noch. Wel is waar,ae reaery in Eergen heeft, 
lande na m en op het gezegde eiland voet gezet, en de volkplanting 
niet al- op p; erec ht had, op allerly wyzen getracht, dien inlandfchen handel 
ve e a kon" alleen meefter te worden, en de vreemdelingen 'er van uitte 
«en. fluiten. Tot dat einde wilde men een kleine vefhng op de 
zuidkuft van het eiland Disco aanleggen , doch die de rui- 
me zee niet zoude hebben konnen befchieten en beftry ken. Ver- 
volgens werd in overleg genomen, twe for treffen , de ene op 
een der Walvifch eilanden , en de andere op een der Honden 
eilanden te bouwen ; doch daar door was ook , vermits zy zo 
verre van elkander liggen , dat de doorvaart met kanon niet 
beftreken kan worden, het doorfluipen niet geheel te beletten; 
weshalven men van dien voorflag afzag. Waar by noch quam, 
dat de Wilden veel liever met de Hollanders, dan met de De- 
nen handelen , vermits gene hun beter en frayer koopwaren 
veilen , en dezelve veel beter koop geven en geven kon- 
nen , dan de Noormannen ; weshalven het ook hierin aan een 
toereikend voordeel ontbrak, om het gantfche werk te onder- 
fteunen, en den koopman in Denmarken en Noorwegen aan te 
lokken. Daartegen was het hier mede zo flegt gelegen , dat 
de menfehen op de volkplantingen geen genoegzame gelegen- 
heid hadden, zelfs voor hunne perfonen, hun levensbeftaan door 

hun- 






ên de STRAAT DA VIS. ïff 

hunne viffchery en handel met de inboorlingen te vinden en 
te verdienen , maar door hunne principalen van huis met al- 
les wat tot levensonderhoud en nooddruft behoort , geftadig en 
od nieuw voorzien moeften worden. ^ 

fl VIII. Om welke redenen wylen zyne konmglyke majekeitom weU 
Chriftiaan VI welhaaft na het aanvaarden zyner regering goed- ke rede- 
vond , het bergfche genootfchap op te heffen ; waarom m den nea*£ 
herfiï van den jare 173 1 alIe de Heden, die men naar de beide verledea 
volkplantingen overgebragt had, voor zo veel dezelve noch in koning 
leven waren, na dat zy de venfters hunner ^^^^'l^' 
ken toegenagelt, en de fleutels op de deuren geftoken hadden, ^ ^ 
alle met zak en pak weder van daar vertrokken , behalven al- fche ge . 
leen de getrouwe predikant Egede, die zyne verzamelde kud- nood- 
de, wier getal op ontrent 500 beliep , niet verlaten wilde ,fcJjP 
maar met 18 deenfche lieden, die hy overrede, het by hem ophefte# 
uit te houden, op het eiland de Hoop verbleef, in het valt be- 
fluit, van daar niet te wyken ; waar by hy ftandvaftig volhar- 
de tot ene ongeneeslyke gemoeds eri'lighaams krankheid hem 
in den jare 1736 noodzaakte, zyn poll te verlaten, en naar 
Coppenhagen terug te keren. - 

S IX OndertulTchen doet de koning voor rekening van de Doch 
kamer jaarlyks twe fchepen naar de Straat Davis vertrekken ;J£riyk* 
veelligt met het hoofdoogmerk , om eenmaal een opening aan ken noch 
te treffen of uit te vinden , waar door men weder aan héttwefcbe- 
coftereedeelte van het oude voor verloren geachte Groenland pen der- 
zoude konnen komen. Zo lange de volkplantingen geduurt waa * ds - 
hebben , is ook daar toe veel moeyten aangewend, en geen ge- 
ring geld befteet. . 

fi. X. Ik zal daar van, zo veel ik van een zeer vernuftig Men 
fchipper , die daar toe inzonderheid gebruikt was , verdaan heeft 
heb, hier kortelyk aantekenen. Dat de nieuwe volkplanting™^ 
aan deze zyde der weftkuft van het oude Groenland gelegen vee i 
was blykt hier uit klaar , dat men aan deze zyde van de moeite 
Baals- rivier op het land verfcheide ruïnen van oude mu-gegeven, 
ren vind, en op 6c £ graden, even binnen den Statenhoek > ooftzyde 
niet alleen het muurwerk van een vervallen kerk , met het van t et 
_ R 2 r.och 






BESCHRYVING van GROENLAND, 

oud ver- noch kenbaar choor en de overblyfzelen van een autaar, maar 
lorën daarenboven, een groot (luk van een metale klok, welke de vm- 
f? ach * der naar Coppenhagen bragt, gevonden heeft. Zo ookbefpeurt 
Snïte men noch enige, offchoon zeer weinige, en wel in later t.yden 
komen; eerft geleerde, noordfehe woorden in de taal der Wilden, en 
doch tot^jg wrjiden weten te zeggen , dat hunne voorouderen van el- 
noch 7- e ders aldaar gekomen zyn, en menfehen , die voor hun het land 
VerS£e ** bewoonden, dood geïlagen hebben, tot geheugen van 't welke 
zy noch een plaats aanwyzen , waar op een grote flag gefchied 
zoude zvn , die deswegens noch den naam Pifikslarbick, dat is , 
plaats alwaar men met bogen fchiet , behouden had. Doch het 
is voorhamelyk naar de ooftzyde dat men heen wil; want al- 
daar is voor dezen de hoofdzetel der Chriftenen , volgens de 
aanwyzing der oude jaarboeken en gefchichten, geweefl (b) 
en niet onwaarfchynlyk te vermoeden, dat, zo men derwaards 
komen konde, zo al niet noch vele afkomelingen der oude 
Chriftenen , immers noch een aantal gebouwen , gelyk ook 
goede documenten en dienftige narichten, beneffens een be- 
woonbaar land gevonden zouden worden. Uit de zee aan de 
ooftkuft te komen, fchynt thans volftrekt onmogelyk. Hem, die 
my dat bericht gaf, is het eens in zo verre gelukt, dat hy tot 
op 2 mylen aldaar quam, doch verder te geraken was hem, 
door het voorleggend befloten ys , geheel onmogelyk geweefl ; 
ja hy had zwarigheid en moeite gehad, weder terug en zich 
uit het losdryvend ys weder in de open zee te arbeiden. Er 
liggen , namelyk niet alleen langs de kuften , zeer enge fche- 
ren in verfchrikkelyke menigte, waar achter en tuffchen alles 
met ys gedopt is, maar 'er dryft en fïaat ook buiten voor de- 
zelve tot op enige mylen in de zee geftadig jaar uit jaar in , 
zeer veel dryfys,'t geen van den Noordpool, Spitsbergen enz. 
onophoudelyk afkoomt, door den flroom en den wind tegen 
de kuilen gedreven, en ook alleen bywylen iets daar van door 

een 

(£) In dit oo-aelyk gedeelte (Qt$tt:<®&$) zoude geweeft zyn; één bis- 
4am , 30 klooüers, 12 kerfpels eu iq© bewoonde dorpen. 



ende STRAAT DAVIS.. 133 

een zeer fterken flroom voorby den Statenhoek gezet word. 
De gezegde fchipper had by gelegenheid, dat hy alhier dacht- 
te door te fluipen, doch niet konde, zich veel moeite gege- 
ven , de op de kaart aangewezen red van het verzonken 
eiland van Bus te vinden; hebbende meer dan twe maan- 
den aldaar doorgebragt , en naar alle zyden in de 50 mylen 
gekruid; doch geen fpoor van land, maar alomme een grote 
diepte gevonden 9 en alleen op ene kleine lengte , onaange- 
zien de diepte van 10 d vademen , een onbegrypelyke bran- 
ding, waar door het water aldaar hoger Hond /dan rondom 
in de zee, en een groenachtig water, beneffens een menig- 
te dryvend groen lis befpeurt. Is het niet waarfchynlyk te 
vermoeden , dat in den grond warme fpringbronnen zullen 
zyn , welke die opftyging en beweging van het water ver- 
oorzaken ? 

g. XI. Maar, nadien zich zo weinig hoop opdoet, den naa- Alzo 
flen weg door het ys naar het land te vinden, heeft men te weini s 
zorgvuldiger getracht, van de weftzyde en dus van achteren heefc 
over land 'er in te komen. Doch aldaar word op de weftkuft, dlfweft " 
de gantfche lengte langs , een keten van rotzen gevonden, die zyrfe 'er 
met nimmer fmeltende fneeuw en ys bedekt, en de 'er tus- in kon " 
fchen gelegen dalen ook daar mede dermaten vervult zyn, dat" 6 " 
het wegens de nederftortingen , de grote holen en fpleten , en 
het brokkelig valfch ys t'enemaal onmogelyk is , 'er over te 
komen. De gemelde fchipper had het op allerly wyzen be- 
proeft , en zelfs op de lange houte voetplankjens , waar van , 
gelyk bekend is, de Lappen en anderen zich tot de wintertoch- 
ten bedienen (c), doch wegens de gezegde omflandigheden 
niet zeer verre in het land voort konnen komen; maar, na dat 
hy één van zyn volk (die zich noch iets verder vooruit waag- 

4 3 de\ 

(c) Sued. ©fitter / Norw. ©fier/ by de oude Yflanders (Bfotó en 
£>mï>rttr genaamt , 't geen zeer aartig Magn. O/aus in Eddam-I/land. be- 
fchryfc by Stepb. in nou ad Saxon. Grammat, p. 126, die dezelve ook 
in hoiufnede afgebeelt vertoont. Aii. Schefer. Lappon. cap. 20. 



men. 







m BESCHRYVING van GROENLAND, 

de en voor zyn ogen verzonk, wiens fchryen en kermen hy 
wel hoorde, doch niet by hem konde komen) verloren had, 
zonder dien elendigen en buiten hoop , hem ooit weder te 
zien , terug moeten keren. Ook is langs de kullen , zo wel 
opwaards , zo verre men flegts komen konde , ais beneden- 
waarts tot op 60 graden, met een groten boot te meermalen 
bezocht , om ergens door een vloed of ftraat door te komen, 
doch tot noch toe alles te vergeefs. Ondertufïchen is by die gele- 
genheid ('t geen ik ter verbetering van de Geographie niet nala- 
ten kan aan te merken) gebleken , dat de zogenaamde Straat 
van Forbisser, of een dwalend voorgeven, of dezelve thans 
met ys en fneeuw zodanig gevult en bedekt is , dat z y niec 
meer te kennen , veelmin te palieren zy. En om de waarheid 
te zeggen, vind men ook in de voorhanden zynde befchry vin- 
gen van Groenland , die echter de zeeboezems , bochten en 
hoeken omftandig en eigentlyk genoeg aanwyzen,gantfch geen 
engtens of ftraten , die het land van een zouden delen. Ook 
weten de daarom Itreeks wonende Groenlanders , die daarover 
naauwkeurig ondervraagt zyn , niets het geringde van een 
doorvaart te zeggen , gelyk dan ook de zogenaamde B eren- 
zond op verre na zo diep in het land niet gaat, als op de ge- 
mene kaarten aangetekend ftaat , veelmin door het zelve; daar- 
enboven is dezelve ondiep en met lis bezet, waar onder zich 
veel vifch onthoud. 
Onder- §• XII. Voorts heeft men van de inwoonders verdaan, dat 
tuffchen verder op naar het noorden zich menfchen onthouden , die 
is het ze- vee | w üder dan zy zyn, en geflagt menfchenvleefch eten zou- 
'er'men den , welkers hutten met Narwal of eenhoorn - hoornen , in 
fchen in- plaats van ftylen , opgezet en gehegt waren. Want die arme 
wonen, menfchen begeven zich bywylen, uit honger gedwongen , en 
om hunnen kolt te vinden, in hunne grote vrouwenboten , zo- 
danig, dat zy fteeds onder het land blyven,wel 100 noordfche, 
dat is, over de 150 duitfche mylen van hunne woningen naar 
het noorden, en dus veel hoger dan de Denen met hunne vaar- 
tuigen komen konnen. Zy verhalen ook , dat enigen van hun 
noch hoger en verder , dan hunne grote vaartuigen komen 

kon- 



en de STRAAT DAVIS. 



m 



konnen, geweeft zyn; zulks zy het tegenoverliggend land van 
America zo naby waren , dat , wanneer ten dien tyde aldaar 
menfchen gedaan hadden , zy-hun bcquaamlyk zouden hebben 
konnen toeroepen ; doch niet by dezelve komen , vermits een 
droom van water tuflchen de beide oevers doorvlietede, die zo 
hoog viel en zo fterk ruide, dat men denzelven enige mylen 
wegs horen konde. 

§. XIII. Om nu nader tot de landsbefchryving te komen. Befcbry- 
In de Straat Davis zyn de kullen vol fcheren , en ook klei- J in f n v ^ n 
ne en groter eilandjens, die alle uit rotzen bedaan, en zeer aan ^ e 
hobbelig zyn. In het vade land gaan grote en diepe zee- Straat 
boezems en bayen , die gedeeltelyk monden der rivieren, en Davis-j 
gedeeltelyk goede reden en havens uitleveren. Het vade 
land is ook alomme vol rotzen , waar van de hoogde deeds 
met meeuw en ys bedekt, en de dalen daar mede ook aile 
vervult zyn. ' 

g. XIV. De Luchtstreek is, zo verre dedeenfche volkplan- &e 
tingen gekomen zyn , noch redelyk dragelyk , doch het Weer l ^ u 
zeer onbedendig. In den Zomer fchynt de zon helder en warm, 
weshalven het op het vade land, alwaar geen nevel valt, aan- 
genaam en bedendig licht is ; doch rondom en op de eilanden 
hangt een gedadige vochtige en koude nevel , waar door men 
de zon weinig geniet; maar in de maand augudi is geen nevel, 
en alsdan ook op de eilanden helder en fraay weer. Op die ei- 
landen en in de zee befpeurt men ook in een kleine tulTchen- 
wyte grote veranderingen in het weer. Het regent niet dik- 
wils, noch veel. Zelden dondert het, en zeer bedompt ; ja 
zelfs in het gebergt is het geluid geenzints zo derk , als in an- 
dere oorden, 't geen vermoedelyk aan de dikke lucht, de jagt- 
ïneeuw en het brokkelig ys toegefchreven moet worden. He- 
vigen ftorm heeft men hier zelden , en wanneer zulks voorvalt, 
duurt dezelve niet lang. Het kan op de zee dormen , zonder 
dat men op het land veel 'er van gewaar word. De zwaarde 
ftormen hebben zy uit het zuiden. De gewone Winter is 
alhier voor de Denen en Noorwegers redelyk dragelyk ge- 
weed, waar toe dient, dat zy een klaren doordaanden vord heb- 
ben. 







i 3 6 BESCHRYVING van GROENLAND, 

ben. Den ftrengften vorit bekomen zy met een noordooftelyken 
wind , die gedeelcelyk van het land , 't geen met fneeuw en 
ysbergen vervak is , en gedeeltelyk van de wyd zich uit- 
trekkende ysvelden , die voor de ooftkuft liggen , overko- 
men en de afgebroken ysdeekjens in groter, ja dikwils zulk 
een menigte, dat zy gelyk een dikken regen of nevel in den 
zomer aan te zien zyn , toevoeren , en daar door de ftrenge 
en fnydende koude veroorzaken (d). 

Het dille weer brengt te weeg , dat het hier vroeg toe- 
vrieft ; en het ys , dat achter de fcheren in de kleine bayen 
of boezems ligt , duurt gemeenlyk tot in het laatft van may, 
vermits de golven der zee daar by niet komen en het breken 
konnen , maar het aldaar liggen blyft , tot de zon het door 
haar kracht bros maakt, breekt en fmelt. 

f. XV. 









(d) Dit koomt den in warmer landen wouenden zo ©ngelooflyk voor, dat 
zelfs geleerden 'er aan willen twyffelen. Toe meerder opheldering va» 
het zelve zal ik hier aanhalen , 't geen de heer prooft Jem CbrijUaan 
Spidberg te Chriftiaanftad in Noorwegen daar van gedenkt {fïd. Suppl. IL 
Aclor. H'ratiflau. Art. 4. p. 71.) Niemand zal lochenen , zegt hy, dat de 
lucht tegen het noorden des winters met ontelbare fneeuw- en ysdeekjens 
vervult is, welke dikwils zo groot en gevoelig zyn, dat zy by een fterkeu 
wind iemand als fcherpe roeden in het gezicht (laan ; ja men kan dezelve 
niet alleen voelen, maar ook zien, als het zeer koud is, en de zon hel- 
der fchynt, wanneer men duidelyk de menigte der ys deekjens, alszo 
vele duizende glinfterende fterretjens, befchouwen kan» 't geen ook de e- 
nige oorzaak is , waarom de noordevvinden kouder en doordringener dart 
anderen zyn, vermits zy de met sneeuw bedekte hoogde bergen tegen 
het noorden eerft overftygen moeten; weshalven zy zich daar mede be- 
zwangeren, en zo aangevult, die particula ƒ. lamelle nive<e & glaeia- 
les met zich brengen, welke zodanig een gevoelige koude by ons ver- 
wekken. Zorgdrager Groent, vifcbery IL deel 1 r. boofdfi. bladz 72.fchryft 
van Spitsbergen : de ryp valt 'er gelyk kleine puntige sneeu wdeel- 
tjens in zee, waar door ze zomtyds als van ftof bedekt word. Deze 
kleine fpitze fneemvdeekjens vallen kruislings op elkander, en door de 
koude lucht voortgezet, vermeerderen ze zich zodanig in en door de lucht, 
dat ze in menigte neervallen , en de zee als met een vlies of dun ys be- 
dekken. Deze door koude bevrozen neveldeekjens kan men, by helderen 
zonnefchyn en vriezend weer, glinfteren zien; want anders vallenze, als 
de dauw onzichtbaar neer enz. Hier van heeft ook zeer dienftige aanmer- 
kingen J. Perry ia zyn Etat prefent de la Grande Rufie, p. 68-72. 



en de STRAAT DAVIS. i 37 

§. XV. Van juny tot in augufti is het lighaam der zon zyheb- 
gettadig boven den Horizont. Des middernachts vertoont zy ben zon- 
zich , wegens haren lagen ftand en de opftygende aarddam- nefchyn, 
pen, waar door zy fchynt , enigzints roodachtiger , dan hy z d ow ^ l [ n 
ons , als zy des avonds ondergaat ; doch fchynt nochtans m e e n r> 
zeer hel, en by klaar weer is het zo licht, als op den mid- 
dag. 

§. XVI. Doch hoe aangenaam zulks in den zomer wezen Als ft 
mag, zoude het in het tegendeel den inwoonderen aldaar on-den\Vin- 
draaglyk zyn , wanneer zy in den winter ook zo lange in ter * 
een dikke duifternis zouden zitten ; weshalven de wysheid en 
menfchenliefde des alomtegenwoordigen Gods, die geen plekje 
op den aardbodem , hoe klein en verre afgelegen het ook 
wezen mag , buiten zyne toeverzicht laat , daar voor meer 
dan op ene wyze gezorgt heeft. Ik heb van verfcheiden 
gehoort, dat men niet alleen den 21. december , zynde den 
kortften dag, de zon f van een uur aan den Hemel gezien, 
maar ook door behulp van de wederomkaatzing harer dralen 
in de dikke dampen van den dampkring, die de morgen en 
avondfchemeringen veroorzaakt , de dag enige uren lang ge- 
weeft is. Men zoude, volgens de gemene leerilellingen van de 
Geographieen Aftronomie, denken, dat het lighaam der zon, 
zelfs ontrent dezen tyd, op deze Pools hoogte boven den Hori- 
zont niet hervoort konde komen ; doch een ervaren fchipper 
heeft my omflandig bericht , en daar beneffens ernftig verze- 
kert, dat hy op 66 graden 30 minuten een kleinen berg ge- 
zogt, en na deszelfs hoogte boven het oppervlak der zee naar- 
flig gepylt , ook de miswyzing van het Compas (welke in dat 
oort zo wel op het land , als op de zee , zeer merkelyk is) 
gade geflagen te hebben , op denzelven de hoogte der zon vol- 
gens de kunfl: genomen had ; als wanneer hy na aftrek zy- 
ner hoogte , en de wederomkaatzing bevond , dat de zon wer- 
kelyk boven het oppervlak der zee, en dus boven den Horizont 
verheven geweeft was. 

§. XVII. De Nachten genieten ook niet alleen het maan- ^eiyk 
licht, en het wederfchynzel van het door de aanhoudende fier- ^aan- 

S ke 




i 3 8 BESCHRYVING van GROENLAND, 

ke en heldere vorft verharde witte en genoegzaam flonkeren- 
Noorder-(j e fneeuw en hetys, maar ook byde nieuwe maan, en zo lang 
licht * dezelve niet fchynt , beflendig het aangenaam , en de volle 
maan zelfs overtreffend Noorderlicht, of fchynzel , 
waar van in de befchryving van Yfland omftandig gefpro- 
ken is. 
Wat zy g. XVIII. En nadien deze menfchen zich gedurende den 
in hunne winter , vermits buiten voor hun weinig of niets te doen valt, 
branden merendeels in hunne duiftere woningen blyven onthouden , 
tot licht doch geen talk tot licht, noch fpanen tot fakkelen hebben , 
en vuur. Z yn,in plaats van dezelven, hunne Wal- en andere viiTchen van 
zo veel te meer fpek voorzien ; zulks zy daar van overvloedige 
voorraad van traan tot hunne lampen , noodwendig licht tot al- 
le hunne bezigheden , en teffens genoegzaam vuur tot het ver- 
warmen hunner woningen en het toebereiden hunner fpyzen 
erlangen konnen. 
Byzon- g, XIX. Het in andere landen zo zelden gezien wordend 
nen w° r -] uc htverfchynzel der B yzonnen, laat zich hier jaarlyks meer 
hier dïk- a ^ s eens z ^ en » doch tot S een g er i n g e bekommering van de op 
wils ge- de zee zynde, vermits de ervarenheid, volgens eenftemmig 
zien. verhaal der fchippers, geleert heeft, dat daar op altoos hevige 
florm volgt. 
Eb en §. XX. Men heeft hier ordentelyk Eb en Vloed, die 
Vloed z ich ook naar de verandering van de maan richt , hoewel men 
heeft > er zo va ^. j a j s we ] eibers ^ n j et oprekenen kan. De vloed trekt 

hier ook. van net °°ft en naar net weften. By ftorm kan dezelve tot 7 

of 8 vademen ftygen. 

Hoe de J. XXI. De Grond beftaat in de dalen en vlaktens uit 

Gr i )nd . enige Moer of Turfaarde, waarop hier en daar, ver- 

en wat*er 1Tl i ts dezelve door de vogelmeft zeer vet is , lang gras en ver- 

waft of fcheide goede kruiden walTen. Men heeft beproeft , enige 

"iet* aardgewalTen te planten. Kruid of Kool gelukte tamelyk wel, 

ook de Rapen ; maar Wortelen zyn , zo dra zy boven den 

grond quamen, vergaan.' Van de Thym is aangemerkt, dat 

zy zeer klein en kort bleef, en , als de nachtvorft 'er op viel, 

fmaak en reuk verloor. Granen te zayen , is wegens de te 

kor- 



en de STRAAT DAVIS, 



*39 



korte zomers en aanhoudende koude, onmogelyk. Bomen 
ziet men niet , behalven op het vafte land aan verfcheide 
bayen enige ftruiken van Berken , Elzen en Wilgen , waarom 
de volkplanting het grootfl: gebrek aan brandhout lyd. De 
fchryver van de aangehaalde Groenïanclfcbe Perlujtratie zegt, dat 
60 mylen zuidwaards van de volkplanting de Hoop aan een 
baay een bosje ftaat, waar van de bomen twe vademen hoog 
en een arm dik zyn. Voorts vind men hier en daar enige 
Geneverftruiken ( iÊenebertrdre ) , een zoort zwarte Aalbeziè'n 
(2^va^ebdr), noch een ander zoort kleiner Aalbeziè'n (^t> 
tebdr), een byzonder goed zoort van Braambeziën (tTTolte- 
bdr), doch die door den nevel niet ryp word, en de Kraak- 
beziën (lèlodebar) by de Noorwegers genaamt, 

J. XXIL Wat het gebergt betreft , het zelve is tot noch Y an 
toe niet onderzogt. Men vind vele Amiantbergen, waar^™* 
van de ader redelyk breet, en het vlas lang, gemoedig , en 
zeer wit is. Het is te verwonderen , dat die bergftof zich in 
de grootfle menigte en van het befte zoort in de noordlyk- 
fte landen laat vinden (<?). Doch wy kennen hare ei- 

S 2 gen- 



CO Van deSYBERiscHE heeft men de volgende keurige berichten inde 
j^antftirsififtett Jdtmtgen van het jaar 1729» No. 58 gevonden, waarin tef- 
fens gemeld word , hoe het vlas tot fpinnen toebereid word, „ In het 
„ jaar 1720 is een boer in het diftrift van den commiflaris Nikita Demi- 
„ how , behorende tot het fyberifche landfchap Werchotursky , 't geen 
*„ den naam van de ftad Merchotura draagt, die ontrent 600 werften van 
„ de ftad Tobolsky noordweftwaarts gelegen is , naaft aan de rivier Tu- 
„ ra , welke zich van daar in de Tobol ontlaft , op den zogenaamden 
,, Schelkowa Gora of Zydenberg, naad aan de rivier Tagil, welke inde 
„ Tura valt , waar aan de werktagilskifche yzerfabriek gelegen is ; by 
,, toeval, als hy uit vogelfchieten ging, op een ftuk van dergelyke fte- 
,» nen geraakt, en had het zelve, nadien het hem byzonder vreemt voor- 
„ quam, terftond den gemelden Nikita Demibow getoont. Deze deed daar 
„ mede verfcheide proefnemingen, en bevond, dat het een eigentlyk/&- 
„ befius, en wel van het befte zoort was, waaruit men tamelyk fyn ly- 
„ waat en fraay papier konde vervaardigen» De inwoonders des lands 
,, noemden den fteen 5?<Utietlf*©dx^ of den zyde fteen , veelligt vermits 
„ zy de vezeltjensvan den fteen voor een zoort van zyde hielden, waar 
„ van ook de berg den naam verkregen heeft , welke zich tot aan den 







i 4 o BESCHRYVING van GROENLAND, 
genfchap te dezer tyd niet genoeg , om de eigentlyke oor- 
zaak , waarom ? te konnen vinden. Wat ons daar van bekent 

is, 



,, oever tier rivier uitftrekt, en 5 werflen lang, doch flegts 30 vademen 
„ breed is. Aan de andere zyde van den berg zoude een fieile rots zyn, 
,, die honderd en meer vademen hoog is. De Asbeftus word bloot in den 
„ berg gevonden* tuffchen een donkergroenen neen in zekere aderen, die 
nu eens minder dan eens meer dan een duim in de dikte hebben, en 
\\ van den wortel tot aan de fpits in ene rey doorgaan. Tot het her- 
", voort brengen van den (teen worden holen in den berg gegraven, en 
„ met buskruid gevult , 'c geen by de aanfteking den berg van een doet 
, fpringen. Als zulks gefchied is , doet de Asbeftus zich met geringe 
\\ moeite , door middel van een hamer , van de overige Henen afzonde- 
„ ren, De gedachte groenachtige Heen, tuffchen welke de Asbeftus ge- 
s , vonden word, is in zich zelven van een ongemene vafl- en hardheid, 
„ en heeft ook byzondere aderen , die hem in verwe ongelyk zyn. De 
„ Asbeftus nu, wanneer men hem vervolgens bearbeiden en 'er lywaat 
„ uit vervaardigen wil, is men aldaar gewoon, in kleine Hukken te (laan, 
,, en wel in de dwarfle en niet naar den draad zyner vezelen , die in de 
„ lengte gaan. Zodanige Hukken worden als dan met den hamer zo lang 
„ geflagen, en met de handen gewreyen, tot zy tot eert wolle worden, 
„ 't geen vervolgens gehekelt , gefponnen , en tot lywaat bewerkt word, 
„ Doch vermits de hier befchrevene manier en wyze.om den Ashftus-ftetn 
„ in draden te fpinnen, en lywaat 'er van te vervaardigen , enigzints van 
a , de anders bekende behandeling afgaat, achten wy het nodig, 't zelve me- 
de aan te tekenen. Men laat den Heen een tyd lang in warm water wc- 
' ken, bearbeid hem vervolgens met de handen, en plukt hem uiteen, toe 
', 'er een zachte aarde uitvalt, die als kalk uitziet, en het omgefchudde wa- 
„ ter t'enemaal wit als melk maakt. Die aarde is het middel , 't geen de 
3 , vezeltjens van den Heen byeen houd; weshalven men zulks noch eens, 
„ gelyk te voren, doet, en al het water afgiet, tot het zyne natuurlyke 
- „ verwe behoud , en ten blyk dient , dat geen meer vreerade kalk- of 
„ aardachtige deeltjens met de vezeltjens van den Heen vermengt zyn. 
„ Vervolgens neemt men al de floffe uit het wasvat, en zuivert dezelve 
„ wel, vermits vele dier vreemde deeltjens gewoon zyn, zich aan den 
„ bodem te hechten. De gereinigde vezeltjens breid men alsdan op een 
,, korf of zeef uit , op dat het water te fpoediger aflope , en de floffe 
„ te eerder droge. Vervolgens neemt men twe brede kammen met enge 
,, tanden, gelyk die, waar van zich de hoedemakers en lakenwevers be- 
,, dienen, om de wolle te kammen. Daarmede kamt men de vezeltjens 
,J zacht uit een , en behoud dezelve tuffchen de beide over malkander ge- 
„ legde kammen, dat flegts de uitterfle einden daar van buiten uit Heken. 
^ Die kammen , welke als dan op een tafel of een bank' vafl gemaakt 
,] worden, moeten derhalven op die vvyze tot een fpinrok dieuen , en om 

» die 



** 



en de STRAAT DAVIS. 



141 



is, is, dat het een fmakeloze fteenachtige fïoffe zy, die zich 
in oly laat weken , en zo buigzaam maken , dat zy in dra- 
den gefponnen kan worden. De heer Egede verhaalt in zy- 
ne befchryving van oud Groenland bladz. 40. uit eigen bevin- 
ding , dat dit fleenvlas , zo lang het zyne olyachtige voch- 
tigheid heeft , als een licht brand , en in zyne hoeveelheid 
niet vermindert, gelyk hy zelf beproeft fchynt te hebben (f). 

S 3 §• XXIII. 

„ die vezeltjens in een draad te fpinnen, gebruikt men een kleine en dun* 
„ ne klos, die zich ligt laat drayen , en boven met een haak voorzien is* 
,, Aan den haak hecht men een fyn gefponnen draad van gemeen vlas , 
„ waar mede men de vezeltjens van den Asbefius door het omdrayen van 
„ de klos poogt te verenen. Doch men houd daarby een kom oly ge- 
„ reed, om daar mede de vingeren, in plaats van fpeekfel, by het gemeen 
5 , fpinnen, tebefmeren. Daar door worden de vingeren in goeden ftaat ge- 
^ houden, vermits de Asbefius- draden anderzints den huid grieven en 
Jf quetfen ; ook ftrekt zulks , orn de draden in zich zelven gemoediger 
„ en weker te maken. Dus dan volgen de draden elkander, en laten zich 
„ met zo tamelyke fpoed winden, dat men 'er voorts een zoort van ly- 
,, waat van weven kan. Doch dewyl de ingefponnen vlasdraden daar 
,, mede noch vermengt bly ven , brand men dezelve in het vuur uit, op 
„ dat het lywaat rein en geheel zy. 

Van een Amiantgroeve in de Hooglanden van Schotland heeft 
men ene befchryving in de Philofophical-Transaclions N. 333. Art, 6feq. 
waar in onder anderen merkwaardig is , 't geen van de onderfcheide 
verwe van den fleen verhaalt word ; naraelyk dat de bla auwac ht-i- 
ce veel grover; doch de witte en rode van een fyner aart is. Van 
een hongaarsche groeve, vide MarfiL Danub. T«m. III. pag. 65. 

(f) Ik heb my verwondert, als ik zag, dat de boeren in het pyrenefche 
gebergt , veeleer dan de geleerden , welken zich deswegens veel moeite 
gegeven hebben , het geheim om dat fteenvlas te fpinnen 9 offchoon op 
een grover wyze, weder uitgevonden hebben. Zy maken daar van geld» 
beursjens , kouffenbanden enz. Ik kan daar van een beurs in myn cabi- 
net tonen. Hoe de Tartaren het zelve fpinbaar maken , is in de voor- 
gaande note aangewezen, die een veel fyner draad, en mitsdien ook fy- 
ner linnen, als gene, daar uit weten te bereiden , waar van ik een kleine 
proeve, my van den heer de Bruin (door zyne fchone reisbefchryviüg 
genoeg bekent) gefchonken,bezitte. Onderde geleerden heeft het nieuwft en 
beft daar van gehandelt, en de manier, om het te fpinnen, ontdekt de heer 
Mahudel in zyne geleerde Memoire du Lin incombujlible onder de Memoires 
de Litterature tirés des regiftres de f academie des inferiptions & belles let- 
tres Tom, IV* p, 634 feq. Het enig bekent overblyfzel van der ouden on- 
ver- 




11 






i 4 2 BESCHRYVING van GROENLAND, 



Van 't 
gemene 
Geberg- 
te. 



§. XXIII. Noch meer gesergte befhat uit een zogenaam- 
de Vcedficcnl dat is ,weekfteen, gelyk de heer Egede fchryft, 
een onvolkome Marmer , van verfcheide verwen , als groen en 
rood, ook geheel wit, met zwarte vlekken , welk laatftgenoem- 
de zoort dieper , dan het eerde , zoude leggen. Hier uit ma- 
ken de Wilden, vermits het niet zeer hart is, hunne lampen, 
kookpotten en dergelyken. Ook word een zogenaamd geiteen- 
te menigvuldig in Noorwegen gevonden, en de brokken, wel- 
ke ik 'er van bekomen heb , zyn graauw en glanzig , enig- 
zints talkachtig, en komen het cBandjebirge/ 't geen de noor- 
weegfche berglieden (Bfamcjitmmer noemen , en onzer berg- 
lieden (Sfretsgefïeirt is, zeer naby ; behalven dat het zo vaft 
niet is, en meer talkachtige fchilfers heeft. 

§. XXIV. Uit dat gefteente, 't geen het laatftgenoemde e- 
dele <5fattgebivge zo naby koomt, en een ander, dat ik niet 
fchynlyk g ez j en ^ maar yerilaan heb, dat het , wanneer men 'er op flaat, 
verbor- terftond als een klok klinkt , zoude ik giffen , dat hier goede 
gen zyn. erts, ten minfte koper en zilver moet zyn. In welk vermoeden 
ik noch meer geftyft worde, als ik verneme, dat men een ge- 
bergt op enige plaatfen groen en blaauw uitgeflagen gevonden 
heeft. De Heer Egede gewaagt ook van een gevonden brok, 
die als loot-erts uitzag. Yzerfteen of yzeraarde vind men ook 
doorgaans in het land; doch waar vind men dezelve op den 
aardbodem niet ? weshalven het geen wonder is , dat , vol- 
gens het bericht van Egede, aan den zeeboezem Junnulliar» 
bik , een zoort bruinrode Ver we, en Roodaarde 
met witte vlekken, elders een gele verwe met rode 



Waarin 



ADE- 



verbrandbaar lywaatis, 't geen, waarvan Don Montfaucon in zyn voor- 
treffelyk Diarium Italicum p. 450 gedenkt: in vinea quadam (f702) de» 
tcfta e ft urna grandior marmorea <, in qua tela ex amiantho confeda, E ft lint 
genus , quod asbcfton Graci vocitant , tela vero palmis Romanis o lovgiiudU 
ne , 7 latitudine pari ratione atque hodiema tela noftra contexitur, fits can- 

iiabina telce more , derjïoribus , fcd ufu detrita ejlque ipfa tractabi- 

Hor, tacluque lenior ipjo ferico panno &c» Dat en hoe in verfcheide oorden 
papier 'er van gemaakt word, doch het ene een weinig fyner,dan het ander, 
is een bekende zaak. 



en de STRAAT DAVIS. 



H3 



aderen, het Cinaber gelyk, doormengt, en noch op ene an- 
dere plaats een fchone bruinrode verwe gevonden word. 
Men zegt ook, dat een bergkundigedoor den koning derwaards 
gezonden zoude zyn , om aldaar enige ontdekkingen te doen , 
van welke veelligt met den tyd iets vernomen zoude konnen 
worden. Doch men vinde, wat men wil , het gebrek aan hout 
zal alle ondernemingen ondoenlyk maken, De meergemelde 
Egede verhaalt ook van ene proeve van Steenkolen , die 
zy , welke tot het bezichtigen van de Disco -bocht afgezon- 
den waren , daar te lande gevonden en terug gebragt zou- 
den hebben. Wanneer zulks verder nagefpoort wierd, zoude 
het ongetwyffelt met den tyd tot merkelyk voordeel der volk- 
planting, ten minde tot vervulling van het ontbrekend hout 
konnen dienen. 

g. XXV. Het zoet water word als zeer goed en gezond Goed 
geroemt, 't geen gedeeltelyk uit de gefmolte fheeuw van de water ' 
bergen afftroomt , en gedeeltelyk uit dezelve ontfpringt , en 
dikwerf , als het zo magtig is , fchromelyke en landverder- 
vende overftromingen veroorzaakt. Ontrent de plaats, alwaar 
de Straat van Forbifler gemeenlyk geftelt word, vind men een 
warme bron mineraalwater, 't geen, volgens het bericht der 
Groenlanders, in den winter zo heet zoude zyn, dat, als men 
grote ftukken ys 'er inwerpt , dezelve aanftonds fmelten , en 
het rondom den rand des winters en zomers groen is. Dat 
water zoude een wrangen fmaak en een fierken reuk heb- 
ben. 

J. XXVI. Op het vafte land bevinden zich Hazen , die Wat Die- 
zeer klein, en in den zomer graauw, doch in den winter ge- ren men 
heel wit Zyn. Gelyk ook een klein zoort wilde Harten, I ° a ^ d ec 
vermits de beftendige koude die dieren belet, alhier tot hun- vind. 
ne rechte grote te geraken. De Jaatfte heten by de Noordlan- Wiid^ 
ders ^eenab^r / doch zyn de Reen of Reëndieren der Laplan- 
ders geheel niet , maar veeleer onze Harten gelyk ; inzonder- 
heid wat hunne klaauwen betreft. Het is het zelve zoort , 't 
geen op Spitsbergen gezien word, ook graauw van verwe, of- 
fchoon men nu en dan enigen vind , die geelachtig zyn. De 

kro- 



• , ■— r 



144 BESCHRYVING van GROENLAND, 

kronen zyn t'enemaal met een dikken ruwen huid overtogen, 
en hebben aan ieder zyde 3 of 4 takken, die platachtig zyn, 
en de Reëndieren nader , dan de Harten , komen. Zy zyn 
o-rover van lighaam , dan onze Harten , en vermits zy vrefe- 
fyke koude moeten wederftaan , van enigzmts ruige harren. 
Hunne bronstyd is alhier ook in oftober, als zy het vetft zyn, 
en mitsdien op dien tyd door de Groenlanders het meefl ge- 
jaapt worden. Zedert verminderen zy welhaaft, en trekken on- 
eetwyffelt naar zachter oorden , van waar zy des zomers weder 
tem o- komen. Onze Groenlandsvarers merken aan, dat de Har- 
ten op Spitsbergen in de maand augufti het vetft zyn , en een 
van hun heeft my verhaalt , dat hy eens in die maand een 
fchoot die 60 ponden talk tuiTchen vel en vleefch had; doch 
daarna' nemen zy , by de lange nachten en hevige yorft , 
fleeds meer en meer af, tot in juny, als het jonge Kruid we- 
der hervoórt koomt, en zyn op het laatft zo doodmager en 
dun , als of al het vleefch weggefmolten was , doch 't geen in 
korten tyd op nieuw genoegzaam weder zo geweldig aanwaft , 
dat het dier reeds in augufti tot de te voren gemelde vet- 
heid toeneemt. Het kruid, 't geen het eigentlyk eet, heeft 
een rond blad, dat niet groter dan een halve drieling , doch 
zeer dik, en van een redelyk bitteren fmaak is. Maar ik moet 
hierby niet verzuimen, de Goddelyke alwyze voorzienigheid 
aan te merken, die zich daarin openbaart, dat, tegen den aart 
van andere landen niet alleen deze Harten , en de overige vier- 
voetige dieren, als VoiTen en Beren , maar ook de Vogelen , 
en de Walvifchzoorten , in dit koude waereldsdeel boven over 
het vleefch , of tuiTchen het zelve en het vel , zeer vet zyn , 
en die dieren een zeer mager bruin vleefch hebben , doorgaans 
met meer bloed vervult, dan de dieren en vogelen in de warme 
landen; waaruit niet moeyelyk te oordelen is, dat het veelvul- 
dig bloed in die fchepzelen,tot het wederftaan der hevige kou- 
de, een onbefchryffelyke hette te weeg brengt, en het vet, 't 
geen het vleefch van boven omvat , zowel de uitdamping der 
inwendige warmte, als het indringen der koude van buiten gro- 
telyks beletten en verhinderen moet. Voorts hebben onze he- 
J den 




£N de STRAAT DAVIS. I45 

den ook by de Harten noch deze byzondere eigenfchap van 
dit oort aangemerkt , dat offchoon het gedurende den tyd 
.dat zy aldaar zyn , geftadig , gelyk men weet, dag is/zv 
nochtans beftipt des nachts ten u uren aftrekken , of zich 
ter ruft verfteken, en ten 2 uren 's morgens weder te voor- 
fchyn komen _ en zich vertonen. En gelyk zy dan ten dkn 
tyde zeer weinig ruften, maar fteeds, als men hen ontdekt 
etend gevonden worden, om in twe maanden zo veel in vet'- 
heid, gelyk gezegt. is, toe te nemen , hebben zy veel voed- 
zei nodig. De Vossen zyn blaaugraauw, wit en zwart, ook 
zwartbruin, en grover en ruiger van lighaam, dan in warmer 
Janden. Zy weten dezelve met zekere uitgezette vallen te 
vangen. Op het vatte land laten zich bywylen witte B ere i* 
zien; doch die welhaaft door de Groenlanders verdelgt wor- 
den. Zy zyn de onze niet , maar wel de fpitsbergfche met 
de langachtige wolfskoppen gelyk , waar van Martens in zyne ' 
reisbejchryvmg van Spitsbergen IV. deel 4, hoofdft. n. o. ene be. 
fchryving en. af beelding geeft. De Beren zyn alhier, uiter- 
lyk aan te zien, den wolven gelyk. Ik heb den opgezetten 
balg van een fpitsbergfchen wolf gehad, wiens kop klein en 
fpits, het Ivf langachtig met dikke, wrede, lange afchgraauwe 
hairen , de ft aart kort , de poten zonder gewrichten, en deklaau- 
wea lang en ftyf waren. 

J. XXVII. Van tamme dieren hebben zv sene d^n Rn W ^ 
Den, doch die alleen tam zyn, wannee^mfn &% ^^ 
daartoe gewend en zy by huis gehouden konnen worden, m- 
t V T^T? WlM Ên ^«'bytachtig. Op de na hun genaan?- 
de Ho md en- «il and jn (waar van een ieder ontrent een 
myl groot en met gras bewaffen is) onthouden zieh meer dan 
4000 van die dieren welke de Groenlanders gewoon zyn des 
winters met wier of zeegras , tang, moffelen en dergelyken 
ook met robbenfpek doch zeer fpaarzaam (vermits zyhJt«l-' 
ven tot hun onderhoud noodwendig gebruiken) te voeder™ > 
want die arme menfehen eten die honden wfnddroog In ook 
verfch vermits zy hun vleefch zowel des zomers als des * 
ters onder de fneeuw en het ys bewaren. Zy jagen en fchieten 

r de. 




Hl 

II 



14Ö BESCHRYVING van GROENLAND, 

dezelve gelyk ander wild. Die zoort van honden is fpits van 
kop en neus, en heeft hoge fpitfe oren. Zy konnen niet blaf- 
fen m?ar alleen knorren en huilen, daar by zyn zy blode, en 
o-eenzints tot de jagt bequaam. Katten hebben de Groen- 
fanders geheel niet, en vrezen voor dezelve , wanneer zy die 
by de Denen zien, gelyk zy mede een byzondere affchouw en 
vreze voor de Zwynen betuigen , wanneer zy dezelve by 
hunne gallen vinden. Ook hebben zy gene Katten nodig, ver- 
mits zy Ratten noch Muizen hebben, beha! ven een korten en 
dikken Aardrat, die zeer weinig gevonden word. Slangen 
en dergelyk giftig gewormte kan hier te lande niet duren , 
waar van de oorzaak in de befchryving van Yfland gezegt is. 
a % XXVIII. Van Landv o gelen hebben zy gene eetbare , 
vogelen, dan de Rypen, waar van in de'zo even aangehaalde befchry- 
ving melding is gedaan. Dezelve zyn wit, met zwarte vlekken 
op de vleugelen en ruige poten , neftelen zeer hoog aan de 
klippen, en leven van het zelve rond gebladert kruid, waar 
mede dê Harten en Reen zich op de te voren gezegde wy- 
ze generen. Een opmerkend commandeur van onze Groen- 
landsvarers had enige malen, als hy hunne nellen zag, be- 
fpeurt , dat zy in dezelve van de medegenomen fpyze een 
gedeelte afzonderden en bewaarden , om gedurende den win- 
ter, als zy alhier verbiyven, en niets voor hun te bekomen 
is, 'daar aan de nodige nooddruft te vinden. Voorts ziet men 
ook Exters, Musschen , en een witten vogel, die een 
weinig groter dan een Diftelvink is , in de maand maart in 
grote menigte gevonden word , en zeer fraay zingt , gelyk 
ook Arenden en lichtgraauwe Valken. 
w ter . K XXIX. Van Strand en Watervogels is daar te- 
vogels, gen ene verbazende menigte. Hier worden alle de zoorten 
en hoe gevonden , die Mariens in zyne meermaals aangehaalde Spits- 
dez , e bergfche reisbefchryving IV. deel 2 hoofdft. n. 3. befchryft, 
voor de en noch vele anderen. Ik heb bereids het een en ander, die 
roofvo- vogelen betreffende, in de befchryving van Yiland bygebragt. 
gels en Doch na dien ik van enige fchippers, die lange op Groenland 
röofdie- gevaren hebben, noch verfcheide byzonderheden en aanmer- 

Kin* 



en de STRAAT DAVIS, 



Hl 



kingen, door hun aldaar gemaakt , zo wegens de zorgvuldig- ren we« 
heid van enigen dier vogelen, om hunne neften met de moge- ten te 
lykfte zekerheid aan te leggen , hunne jongen te water te bren- doeden; 
gen enz. te weten ben gekomen , zal ik dezelve ten genoegen 
der natuurbeminnaren hier byvoegen. Het is namelyk hier 
alles vol roofvogels en roofdieren, Beren, Vollen en dergely- 
ken. De laatftgenoemden zyn hier ook zo Jiftig, als in de war- 
mer geweften; doch vermits zy in deze met fneeuw en ys be- 
dekte landen , wat tot vulling hunner hongerige magen ver- 
eifcht word , noch minder dan elders vinden , "belagen zy de 
weerloze vogelen des te ny veriger ; weshalven dezen ook aan 
hunne zyde te meer op hunne hoede zyn , en zo veel mogelyk 
allerly behoedmiddelen te werk (lellen. De Lijmeen, die op 
eenmaal niet meer dan tv/e jongen voortbrengen, neffcelen aan 
den top der hoogde rotzen,waar aan ergens vaneen fteenflegts 
zo veel uitfteekt, dat zy 'er met moeite opzitten konnen; zulks 
hun de VofTen aldaar niet beklimmen, noch de roofvogels niet 
dan zwevende en zeer moeyelyk bykomen , en zy zich , aan 
de rotzen vaflhoudende , tegen dezen te beter met byten en 
kraauwen verweren konnen. Zo dra de jongen tot enigen was- 
dom geraken, worden zy door de ouden te water gebragt, al- 
waar zy door het duikelen volkomen zekerheid en hun voedzel 
vinden, en wel zodanig, dat een der ouden onder vliegt, op 
dat, zo een jong onmagtig wierd , het zeer zacht op den rug 
van den ouden mogt vallen , en niet op de {tenen of harde 
aarde nederftorten , en dus verpletteren, of gewis den fteeds 
loerenden Vollen ten deel worden; terwyl de andere oude, 
by zo verre zich ergens een roofvogel vertoont, ter zyner 
afwering tot aan het water fteeds boven het jong blyft zweven. 
Wanneer onvoorzichtig een jong uit het neft , of anders by 
toeval op den grond valt, dragen het de ouden zodanig ene 
liefde toe , dat zy het niet verlaten , maar beft mogelyk ver- 
dedigen, en zich gemeenlyk door de VofTen laten verllinden , 
of van de menfchen , wanneer dezen toefchieten , doot Haan. 
Zo dra die vogels maar eens met de jongen de zee bereikt heb- 
ben , keren zy nooit weder naar land , maar een ieder der ou- 

T 2 den 









i 4 8 BESCHRYVING van GROENLAND, 

den neemt een jong by zich, leert het door zyn voorbeeld dia- 
kelen en zyn voedzel zoeken, zwemt ook zodanig (leeds meer 
en meer met het zelve van het land en op het water voort , 
tot hy daar mede in zachter en min duifterer geweiten, dan dit, 
en die hy vermoedelvk in America vind, geraakt van waar 
zy eezamentlyk tegen den zomer weder naar Groenland terug 
komen. De ouden , die hunne jongen door een toeval ver- 
loren hebben , of door ouderdom tot telen onbequaam 
zyn, komen niet op het land, maar houden zich geftadig m 
hopen van 60 tot 100 fterk op de zee; doch begeven zien ook 
in aucufti alle weg. Wanneer men een jong neemt en het hun 
in de zee toewerpt, ylen zy 'er na toe, en willen, als om 
flryd , alle het jong hebben ; zulks zy onderling geweldig 
byten en kampen, wie het behouden zal. Maar zo de rech- 
te moeder 'er by koomt, en zich het jong toeeigent, laten de 
anderen af en het welhaaft varen. Andere vogelen zetten zich, 
een ieder na zyne gewoonte, enigzints lager aan de fteile rot- 
zen en zoeken in de fleuven of kloven , door het nederftorten 
van enige (tukken veroorzaakt , gelyk ook op alle plaatien, al- 
waar flegts een hoekje van een (teen uitfteekt , een plaatsje, om 
te broeyen. De kleine R o t t j e n s , of R a t t j e n * ( gelyk 
zy door de Hollanders en Hamburgers genaamt worden, ver- 
mits zy zo zwart van verwe en klein zyn , dat zy jonge Rat- 
ten gelvken, en ook als dezelve piepen) zoeken mede beneden 
aan de nedergeftorte rotzen , onder de brokken , en zo naby 
het zeeftrand als doenlyk is , enge en diepe gaten tot netten, 
fluipen , zo dra hunne jongen enigzints vliegen kannen , met 
dezelve tuflchen en onder die nederge(torten rotsbrokken en 
{tukken (op dat geen vyand hun by komen mogt) naar het 
water , en zwemmen met dezelve (teeds verder voort. De 
Duiven, die de wilde Duiven in lyfsgeftalte en vlugt :t ene- 
maal gelyk zyn, neftelen ook, gelyk de anderen , in de klo- 
ven der fteenrotzen; doch zoeken, zo veel mogelyk, de zul- 
ken uit, die met water omgeven zyn, of uitrekende hoeken 
in de zee hebben , op dat hunne jongen , wanneer zy iterk 
genoeg zyn, teffens met hun uit de nelten , zonder dat een 



over 'Jïïadx,. ig.g 



n 










XdSaUryn ■,'?.*, 



en de STRAAT DA t IS. 

dier of roofvogel dezelve bereiken kan , onmiddelyk in zee 
konnen geraken. Op gelyke wyze neftelen ook de door ons 
zogenaamde Papegayen, offchoon zy met dezen niets dan 
den fnavel gemeen hebben. Noch verhalen onze lieden, dat 
de Mallemukken , Papegayen en Duiven , wanneer zy een (luk 
fpek of vleefch van een doden vifch willen afrukken , met de 
uitterfte fpitfen hunner enigzints uitgefpreide vleugelen, en met 
hunne brede endepoten het water ter wederhouding drukken, 
en dus met de fnavel een (tuk losbreken en inzwelgen. Wie 
doch heeft hun die kunftgreep geleert? Dit is 't, wat ik van 
dat zoort vogelen met zekerheid heb konnen ervaren , waar 
mede ik my te meer heb moeten vergenoegen , vermits geen 
geleerd opmerker op dergelyke plaatfen koomt , en ik ook 
geen van die dieren levend heb konnen magtig worden > om 
'er zelf aanmerkingen over te konnen maken. 

§, XXX. Alleen ben ik in het jaar 1733 zo gelukkig ge- Befchry- 
weeft, een levenden Mallemuk, die met een uit de Straat ving van 
Davis terug komend fchip herwaards gebragt was, te beko eenMal - 
men. Wat ik aan denzelven waargenomen heb , zal ik , be- lemuk * 
neffens deszelfs afbeeldzel, hier byvoegen, in hope, dat zulks 
de liefhebbers der natuur , die zich alles ten nutte weten te 
maken, niet onaangenaam zal zyn. Ik deed hem enigen tyd, 
ter ontdekking van zyn aart, op de plaats lopen , en eindelyk , 
om hem naauwkeuriger te befchryven en te openen , wor- 
gen. 

Hy fcheen van een harde natuur te zyn , gelyk zulks ook in 
een ruuw en koud land alzints vereifcht word , vermits 
hem allerly weer en de fpyze zeer aangenaam was ; was noch 
jong, derhalven by my noch merkelyk groter geworden , en 
zoude waarfchynlyk lange geleeft hebben , zo myne begeerte, 
om hem in volkomen welftand inwendig te zien, zyn leven 
niet verkort had. 

Hy was zeer gulzig, zo wel ontrent allerly vifch, als inzon- 
derheid raauw vleefch. Alles , wat hem voorgeworpen werd , 
flokte hy gretig binnen, en wel de viflchen geheel, en het vleefch 
in grote brokken, en ontlafte fchielyk de Excremcnta, die, gelyk 





I , 



150 BESCHRYVING van GROENLAND, 

van de andere roofvogels, altoos dun waren , waarna hy we- 
der nieuwe eetluft verkreeg, en alles verflond, wat hem voor- 
quam. Onbefchroomt ging hy op klein gediert , als Ratten 
enz. los , en tegen wat groter, als Katten enz. verweerde hy 
zich dapper , floeg met den groten fnavel fris toe , en als hy 
een kat by den ftaart vatten konde, neep hy haar zodanig, dat 
zy vreeflyk fchreeuwde ; weshalven alle dergelyke dieren , als 
zy hem zagen , vluchteden. Alleen voor menfchen was hy 
vreesachtig, doch niet fchuuw , en ontrent den genen, die hem 
voeder gaf, tam en mak genoeg. Als ik hem enige dagen by 
een fchilder gegeven had , om hem uit te tekenen , en hy we- 
der t'huis gebragt werd, liep hy zo gezwind naar myn koetzier, 
die hem veel goeds deed , als of hy zich verheugde , weder by 
bekenden te komen , gelyk hy dan ook gedurende den tyd, dat 
hy by den fchilder geweeft was, niet fterk eten wilde, en fteeds 
treurig zat. Als hy bedreigt of bang gemaakt werd , inzonder- 
heid door een witten doek , fchreeuwde hy zeer luid en met 
een helle keel. 

By naauwkeurige befchouwing vond ik zyne gantfche leng- 
te van de fpits van zyn fnavel, tot aan het einde der ftaart- 
vederen, een paryfchen voet en 7 duimen ; den fnavel tot aan 
den kop i| duim; den fnavel met den kop 4! duimen; denhals 
6 duimen , die hy fteeds verkort droeg , doch uitrekken kon- 
de, en den ftaart 7I duimen: zyne hoogte , als hy recht op 
ftond, was 8 duimen, de lengte der poten met den fchenkel 
81 duimen ; doch als de vogel ftond , had hy alleen de hoo°te 
van 6% duimen, en de onder poot maar 2| duimen. De Sna- 
vel, die recht voor uit ftond, was na mate van den vogel 
fmal , en merendeels onbedekt , hoornachtig en zwartgroenach- 
tig, het overige met een vedervel overkleed ; zulks zyn gant- 
fche infnyding 3 duimen lang was. De bovenfte fnavel was , 
zo verre hy blood ftond , dikker dan de andere , en gelyk als 
met een bekleedzel voorzien , voor met een haak gekromt , in 
welke de gantfche rechte onderfnavel floeg en zich floot. Die 
onderfte had noch naVoren toe een driehoekigen knobbel, gelyk 
ook anderen van zyn geilacht hebben, en fVtllugby tuberculum: 




en de STRAAT DAVIS. 



J5i 



ƒ prominentia angularis noemt, en voorts meent, 
dat het dient ad eam (mandibulam) roborandam , quo fortius & 
finnius pi/ces retineat. Ornitholog. Lib. III, Seïï. 3 Membr. 2. 
Ttt. i\.cap. 1., gelyk de fnavel ookin 't algemeen zeer krachtig 
fcheen te wezen , en fyne fterke fpieren had. In het boven- 
gedeelte van den fnavel ('t geen my tot noch toe in geen ande- 
re vogels voorgekomen is) waren vier neusgaten, als in 
het onbeklede gedeelte twe langachtige en fmalle, en in het 
met vederen bewaflen gedeelte noch twe rondachtige en gro- 
ter, gelyk zulks in de hier bygevoegde afbeelding te zien is. 

De kop was plat, en enigzints langwerpig. De ogen ta- 
melyk groot en helder, de oogappelen pekzwart met een 
enigzints lichter kringetje omgeven, de oren wyd en open. 
Deze vogelen zyn zeer dik van vederen, die aan den kop 
en in den nek wit en graauw , aan den hals , bord en buik 
enigzints witter , op den rug , de vleugelen en de Haart, wit, 
licht en donkergraauw , zwart en bruingeel onder een ver- 
mengt zyn, 't geen hun een aartig bonte gedaante geeft. Dezel- 
ve zitten ongemeen diep en vafl in den huid , waar by noch 
koomt, dat de fchaft aan denzelven , en byzonder aan de gro- 
te, ongemeen ruig en enigzints gedraait is. Onder de grote 
vederen bevind zich een dekzel van dichte plu im veder en, 
gelyk de Zwanen, ja byna als de Eider- Enden hebben, 't geen 
den vogel tegen het water en de koude befchutten moet. De 
vleugels waren wel enigzints fmal , doch teffens zeer lang, 
flerk en met vele vederen voorzien. De gantfche wytte ftrek- 
te zich, wanneer zy uitgefpreit waren, van de ene fpits tot 
de andere, ter lengte van 3 voeten, 8| duimen uit , waartegen 
de rug tmTchen de hechting der vleugelknokken flegts 2 dui- 
men had. De Staart was mede dik en dicht van vederen, 
zat plat en breedachtig , gelyk een klederveger , die de vogel 
aartig uitfpryden , en 'er mede fpelen konde. De poten en 
klaauwen waren lichtgraauw, een weinig roodachtig , aan 
dezelve drie grote tonen, en achter een veel kleiner, De drie 
voorften waren door een dubbel vel , 't geen zich met een mes: 
van een deed klieven 3 aaneen gehecht, en hadden zwarte, fmalle 

voor 








i 5 2 BESCHRYVING van GROENLAND, 

voor aan rondachtige en menfchelyke nagels , doch aan de 
achterfte een kleine vogelklaauw. Na dat de vederen uitge- 
plukt waren, werd noch een teder dun velletje over den ge- 
wonen huid gevonden, dergelyken men ook weleer (MdeMe- 
moir. des Matbem. £T Pbyfiq. d. 1693. p. 177 M<) aan den Pe- 
licaan, of den Kropgans opgemerkt heeft, waarmede die zware 
vogel ongetwyffelt door den alwyzen en goeden Schepper bo- 
ven anderen begiftigt is, om zo wel ter zyner verlichting , als 
tot het bequaam matigen zyner vlucht in het ftygen en dalen , 
vermits hy daar tuffchen veel lucht vat, dezelve naar vereifch 
te konnen vermeerderen of verminderen. Boven op het vleefch 
lag hier en daar het vet, gelyk in het koude Groenland het vet 
der vogelen doorgaans over hun vleefch zit, en daarby hun ma- 
ger vleefch met meer bloed, dan dat der vogelen elders, ver- 
vult is ; 't geen doet oordelen , dat zulks hun een grote warmte, 
die zy ook wel nodig hebben, te weeg brengen moet. De Borst- 
spieren waren fterk en dik , en de grote vleugelen zeer even- 
matig naar de verre vlucht die deze vogelen zo wel van de netten 
over de zeer wyde ysvelden , tot het verkrygen van hun voed- 
zel, als, by het naderen der lange nachten en fcherpe koude, 
naar een warmer en lichter , ongetwyffelt verre afgelegen , 
geweft volvoeren moeten. De Tong was fmal , glad , i| 
duim lang , en aan den wortel met enige fpitsachtige enig- 
zints ftyve hairen bezet , dergelyken ook achter de opening 
van de longpyp (rima laryngis) (tonden , en beide tot derzel- 
ver dekzel en befchutting, by gebrek van een ftrotlapje (Epi- 
glottis), dienden. De ringen der Trachea, of longpyp , waren 
geheel en gefloten rond , vermits die vogel tot zyn geluid , 
't geen ilegts in ene toon beftaat , geen verandering of fpe- 
ling van dezelve, gelyk de zingende vogels, gebruikt. Aan 
het beneden einde was dezelve, gelyk gemeenlyk by de vo- 
gelen , in tweën gefpleten , en met twe dikke kraakbenige 
ringetjes verfterkt, waar van de armen zydwaarts in de Long 
gingen. Deze beftond niet zo zeer uit twe Lobi of uitterfte de- 
len, als wel (zo veel ik zien konde, vermits ik het borftbeen, 
om het geraamt op te zetten , niet gaarne quetzen wilde) uit 

twe 



endeSTRAATDAVIS. I53 

twe onderfcheiden en onderling geen gemeenfchap hebbende 
itukken, waar van een ieder een byzondere long maakte, die 
gelyk een goudbeurfe, boven eng en onder wyd, gevormt en 
rood geelvenyig was. Het Hert, 't geen f duim lang was, 
en ilegts ene kamer had, lag geheel boven over de Lever, en 
niet tiuTchen de Lob'u De L e ver was na mate van den vogel 
zeer groot, en had ook een grote Galblaas. De Milt was 2 
duimen lang en donkerbruin van verwe, gelyk de Lever. De 
Maag was als een zak van dikke en vafte vlie&jens , inwen- 
dig vol zeer diepe rimpelen. Ik vond 'er geen fpyze meer in 
en ook geen blyk van maagzap. Niet verre van de Pylorus ' 
of beneden opening der Maag, zat aan het gedarmt een 
Vijcasvzxi gedaante, gladheiden confiftentie natuurlyk als een 
fhoekslever, 't geen na alle vermoeden het Pancreas zal zvn. 
Het Mefentenum was met ongemeen veel bloedvaten doorwe- 
ven. Het Gedarmt der Maag tot aan het uitterfte einde 
maakte 3 voeten 4 duimen uit. De Ni ere n lagen aan de bei- 
der zyden ter gewone plaatfe, en waren van dezelve geftalte 
als die der andere vogelen: boven ieder lag een tamelyk grote 
eyyormige bal, welke de bruine verwe der Nieren had; doch dien 
ik liever voor de tejliculen wilde houden, als ik maar verzekert 
was , dat men in andere vogelen dergelyken , en wel van die 
verwe, aantreft, vermits ik anders in myn vogel geen tejliculen 
vond , en dezelve nochtans (gelyk het gebrek van een eyerftok 
toonde) van het mannelyk geflacht was. Noch befpeurde ik 
aan de uitgenomen Og^n ene brede, het vierdedeel zyner ron- 
ding beflaande fpier, wier eigentlyk gebruik ik niet weet te 
raden. De Sclerotica , of het harde oogvlies , was ongemeen 
hard en vaft. Het cryftallyne vocht was fpherifch, dergely- 
ken de ontleedkundigen te Paris ook aan de Cormorant , of 
water-Rave, waargenomen hebben, vermoedelyk om te beter 
onder water te konnen zien, vermits de Mallemuk , even ge- 
lyk gene, ook onder het water zyne fpyzen zoeken moet, en 
de viffchen gemeenlyk hun cryflallyn vocht van dezelve ge- 
daante hebben. Het vergrote ook de letters, wanneer men 'er 
door zag , zeer veel. 

V Wan- 







• 



1' 



154- BESCHRYVING van GROENLAND, 

Wanneer ik al het te voren aangehaalde te zamen neem f 
kan ik niet anders oordelen, dan dat deze Mallemuk een ei- 
gentlyke Meeuw was , aangezien de merktekenen, die de 
vogelbefchryvers van het Meeuwengeflacht gewoon zyn te ge- 
ven, als de flerkte, langachtigfmalle, fpitze en vooraan enig- 
zints gekromde fnavel ; de langwerpige neusgaten , de lange 
en geweldige vleugelen, de tedere poten, en het op zich zei- 
ven ligte , doch met veel vederen dik en dicht bedekt lyf , be- 
neffens de gulzigheid, het fchreeuwen en de gezelligheid met 
de menfchen enz. aan myn vogel insgelyks volkomen te vinden 
waren. 

Ik bediene my voorts van de vryheid , welke men gewoon is 
aan iedereen te vergunnen, die allereerii een Dier, Vogel enz. 
befchryft , en geef dezen vogel den volgenden naam : Lams 
marinus maximus ex albo, nigro £? fufco varius , Groenlandkus : 
een bonte Groenlandfche Meeuw van het grootfte zoort (ver- 
mits hy groter dan een grote End was) met wit- zwart- en 
bruingele vederen, met een rechten voor aan den boven kinbak 
flegts een weinig gekromden fnavel , en achter kruiswys over 
elkander geflagen vleugelen. 

De naam M allem UKKE,of hollandfch Mallemokke, 
't geen zo veel als zot Dier of dom Beest beduid , en 
van Mal, m all e, ftupidus ,ftitltusen het oude duitfche woord 
M o k k e fcropha (gelyk men ook noch in Holland een onrein 
vrouwsperfoon een vuile Mokke noemt) afftamt, is hem 
door de hollandfche Groenlandsvarers, om zyne domheid, ge- 
geven, vermits hy, eens op een Walvifch gevallen zynde,zich 
aan denzelven zonder wyken uit overmatige gulzigheid vafl 
houd , en doodflaan laat. 
Van de- § XXXL Ondertuflchen moet noch meer dan een zoort van 
zelven is Mallemukken zyn, vermits de gene, die door Martens in zyne 
lueer dan fpitsbergfche reize IV. deel. 2. hoofdfl:. n. 11. befchreven 
word , in meer dan een (luk van den onzen verfchilt. 't Geen 
ook te eerder zyn kan , als die benaming van de matrozen 
flegts in hec wilde gegeven is, en van een eigenfchap ontleent, 
die meer dan een zoort gulzige en zeer hongerige vogels ge- 
meen hebben. § XXXII. 



een 
zoort 



en de STRAAT DAVIS. 



m 



$. XXXII. Voorts zyn hier ook menigerly Ganzen en En- Noch 
den, inzonderheid Eyder-ënden, 2Ce&erftïgie / welke al- meei ' 
Ie te gelyk tegen den zomer, of met de naderende lange da- zoon S? 
gen, zich naar Groenland, maar tegen óqr winter en de lan- LTvo- 
ge nachten weder na America of andere geweflen beseven , gels. 
alwaar zy meer licht en zachter weer genieten Uit het be- 
richt van enigen,, diQ te Spitsbergen overwintert hebben, blykc 
(by Zorgdrager III, deel 10, hoofdft. bladz. 223.) dat de aftogc 
met het begin van oélober gefchied. 

5. XXXIII. In de kreken en beken worden Forellen en \v at 
veel Kreefjen, doch noch meer Zalmen gevonden. InViffcheu 
een rivier, die in de Baals-bocht valt , heeft men eens 18 ton-Sevon- 
nen Zalmen gevangen; ook vangt men 'er vele Elften , ofj] en ^ or * 
JLacfyfauen/ welke, naar myn vermoeden, de door de Noord- de Ka- 
landers zogenaamde &Otfyfifd)en zyn, die in Noorwegen 2iuen ke " « 
heten. Beken. 

j h ^F£ iV ' De zee is on § emeen r yk in allerly viflchen , ïn de 
doch Oefters heeft men 'er niet , maar wel zeer fchone Mos- Zee. 
■8 el en en grote Kreeften (Paguri) (g). Van de kleiner 
vifchzoorten vangen de Wilden inzonderheid de itOÖ&m / een 
klein Haringzoort, in het noorweegfch JLo&fcer genaamt, doch 
dat noch meer den Grondeling gelykc Deze worden door 
.hun menigvuldig in fuiken gevangen, en tot hunne winterfpy- 
ze op de rotzen gedroogt.Ook heeft men 'er vele Kabeljau- 
wen, Roggen, Schollen en Heilbot, in het noor- 
weegfch <&ueter geheten, en die alhier zo groot valt, dat men 
Tan één gantfche tonnen vullen kan. 

$. XXXV. VandeZeeviflchen, die de natuurkundigen on- Van de 

V 2 der Zeevis " 



' fchen. 



C#) A an , <te wyfjens , die om hare fchaamdelen te bedekken, een breder 
«aart dan de mannetjens hebben, ziec men, wanneer dezelve opgeheven 
worden „ de beide teelleden, aan ieder zyde een , gelyk ook de feheden 
der lyfmoeder inwendig zeer duidelyk. De mannetjens hebben ook twe 
manlyke. Parende, doen zy beide de ftaarten aan een zyde, leggen zich op 
elkander, en hangen poft inferthnem zo valt te zamen , dat men met de 
€en den ander opheffen en wegdragen kan. 










156 BESCHRYVING van GROENLAND, 

der het geflaeht der grote viïTchen rekenen, heeft men hier 
en in de overige zeen onder den Noordpool ene ongeloofly- 
ke menigte, en ik gelove , dat geen zoort derzelve zy , die 
hier niet te vinden is ; want hier heeft de milde voorzienig- 
heid van den Schepper hun voedze] (waar van hier na meer 
gefproken zal worden) toebereid, en voor hunne zeer hitzige 
en vette lighamen is geen andere luchtftreek bequaam, we- 
gens hun vet, 't geen, wanneer de zon hun meer op de rug- 
gen brandede, welhaaft fmelten zoude. Derhalven zal ik ge- 
legenheid nemen, om van dezelve enigzints uitvoeriger te hande- 
len , en hunne natuurkundige befchryving, zo veel mogelyk, 
in een beter licht te flellen , dan tot noch toe door anderen- 
gefchied is , doch voornamelyk aanleiding geven , op dat men 
van tyd tot tyd daarin tot te meerder kenniffe gerake. 

§. XXXVI. Dat vifchgeflacht onderfcheid zich merkelyk 
van andere vifchzoorten ; want het heeft van dezelve niets, 
dan de uitterlyke geftalte , komende zyn inwendige , ja zy- 
ne gantfche gefchapenheid, met de landdieren overeen. Hec 
; heeft warm bloed , fchept adem door middel van een long , 
fcheJ 1S " en kan derhalven niet lan g °nder water blyven: het teelt op e- 
ne dierlyke wyze , brengt levende jongen voort , en flik dezel- 
ve met zyn melk en zog: Daar ook de andere viflchen hunne 
flosvederen uit graten beflaan , die met dunne tuflchenhuidjens 
aan malkander gehecht zyn , hebben de Walviflehen daar voor 
gewrichten, gelyk een menfchenhandmetvingeren verbeeld (h), 
met fpiertjens of veel zenuwachtig vleefch bekleed , en mee 
zulk een dikken huid en zwoort als het overige lyf bedekt, wel- 
ke ook daarom ter onderfcheiding door onze endeHollandfche 
Zeelieden vinnen (/) genaamt worden, waar tegen de ande- 
ren 
(b) Men kan een aftekening der vingewrichten van een Bruinvifch zien 
by Major in Mifcell. curiof. Medko-Pbyf. Lib. ir. p. 25. en van een an- 
deren vifch van dat geflaeht by Sachs Monocerolog. p. yyfeq. weshalven 
dezelve ook in de Kunft- en Naturalien-Cabinetten voor de gewrichten 
der handen van Meermenfchen plegen gewezen en uitgegeven te worden. 

(/) Van het oude duitfche woord gfnne/ A. Sax. ${mw/ Aogl. Qui / 
pan. giller/ Suec. $«n/ Lat, Pin na, een FIos veder. 



Hun 

merke- 
lyk on- 
der- 
fcheid 
van an 




en de STRAAT DAV IS, f.f? 

ren poffen of popfeöem heten ; doch hierin heeft de wyze 
Schepper voor hun zeer wel gezorgt , vermits gemene f l o s- 
v ede ren voor hun veel te zwak geweeft zouden zyn , om 
hunne fty ve lighamen te wenden , of in het nederzinken den 
laft van het nadringend zware lighaam te wederftaan , en de 
ilorting te verhoeden ; gelyk dan dit gezamentlyk vifchgeflacht 
daarenboven noch een breden , horizontaal op het water leg* 
genden , ^ dikken Staart heeft , die ongetwyfFelt ook in- 
zonderheid geordent is, om de vinnen te hulp te komen, en 
te verhoeden, dat die vifch , welke wegens zyne -plompen en 
zwaren kop of voorfte gedeelte , tegens het overige lyf te re- 
kenen ,.. een grote overwicht heeft , wanneer hy naar den 
grond wil , niet te haaftig over en nederwaarts op de rotzen 
ftorte,maar langzaam zinken en zynen val matigen zoude konnen. 

g. XXXVII. Eindelyk heeft het Wal vifchgeflacht boven an- Waarin 
óe^Q viffchen noch dit byzonder, dat zyn dierlyk vleefch rond- inzo- 
om tamelyk hoog met een zeer taay , zenuwachtig en pori- *! e ™f 'f 
achtig of fponcieus fpek ('t geen de engelfche viffchers Blubber % v % 
noemen) bedekt en omgeven is. Tot wat einde dit alles- van andere 
den alwyzen en almagtigen Schepper verordent zy , blykt ten viffchei1 
dele, uit 't geen deswegens te voren van de Harten is~aange-° c n h d ^" 
merkt. Op dat men ook hierby de verdere Goddelyke oogmer- i s# 
ken tot deszelfs lof erkennen moge , zal ik den duitfchen lezer 
alhier noch de fraye gedachten mededelen, die de fcherpzinni- 
ge , geleerde en vrome Ray van het nut van dat byzonder fpek- 
dekzel in de Phihfoph. Trans act. (k) heeft doen laflchen. Hy 
oordeelt, eerftelyk, dat het het koude water een zekere wytte 
van het bloed, 't geen werkelyk en voelbaar warm is, afhoud; 
dat het ten twede de uitwaaffeming der warme dampen uit het 
bloed belet , en gevolglyk de natuurlyke hette van den vifch 
behoud, en ten derde, dat het ook het plompe lighaam van 
den vifch , 't geen in zich zelf te zwaar mogte zyn , om zich 
te bewegen en te zwemmen , ter verlichting en tot een te- 

V 3 gen* 

(£) Vid. Lowtborp Epitom. Vol. H. p. Sjp, 



153 



BESCHRYVING van GROENLAND 



genwicht verflrekt. Waar by ik ene byzonderheid voegen zal, 
die ik van onze Groenlandsvarers verdaan , en noch by nie- 
mand, myns wetens, aangemerkt gelezen heb, offchoon ik het 
volle naricht daar van tegenwoordig noch niet geven kan. De 
Walvifch heeft een groot wyd gedarmt 5 't geen onze lieden 
den H00FDDA.RM noemen, en dus befchryven, dat hy van 
de keel nederwaarts gaat, offchoon zy teffens zyne lengte en 
legging (vermits zy den vifch zeer zelden openen, noch zich 
aan zyn ingewand gelegen laten leggen) niet weten te bepa- 
len. Hy is zo wyd , dat een volwaffen man 'er in kruipen kan, 
en te gelyk tamelyk dik. Als men een fluk 'er van uitgetrok- 
ken had , had men daarin geen fpyze noch drek , gelyk in de 
rechte darmen, maar flegts een weinig flym of quyl gevonden, 
dergelyken men ook alleen in de maag vind. Wanneer de 
vifch een wyl dood ge weeft is, verheft hy zich uit het water, 
en om dit te verhoeden , Heken zy een Lens, of yzere Lans , 
by de vinnen in den vifch, en pogen een gat in den gemelden 
hoofddarm te maken, met het gevolg, dat wanneer zy dezelve 
treffen en openen , 'er niet weinig lucht uitgaat , en te weeg 
brengt , dat de vifch weder dieper in het water zinkt, 't geen 
my doet denken , dat die Darm een groot luchtbehoud is , 
welke de levende vifch , na 'er veel of weinig in is , ligter of 
zwarer, en gevolglyk tot opheffen en zwemmen bequaam maakt, 
en mitsdien van een gelyken dienft , als de luchtblaas in an- 
dere viffchen. My is te binnen gefchoten , dat ik in de Dor- 
fchen een aan den rug vaftzittende luchtblaas gevonden heb, 
die van boven van de keel nederwaarts tot voorby den aars 
liep, en hun tot een gelyk behulp verftrekte. Wat ik voorts van 
dezen vifch noch merkwaardig ervaren mogt , zal ik niet 
verzuimen , by het verhaal der byzondere zoorten aan te mer- 
ken. 

§. XXXVIII. 'Er zyn , gelyk gezegt is, veelerly zoorten Wal- 
■ viltenen. De verdeling der eerfte zoort konde zyn in die 
. Blaasgaten, en die Neusgaten hebben. Onder de zo- 
vee 1 ° g danige , die door Blaasgaten of Pypen ademen, hebben eni- 
leriy gen twe, als de eigentlyke Walvifch, de Vinvifch enz. en an- 
deren 



Derzel- 
ver ver 
fcheide 
verdeli 



en ds STRAAT DA VIS. I59 

deren flegts één gat , als de Cachelot. Die Neusgaten heb- zoorten 
ben komen zelden voor. Onze fchippers hebben dezelve nooit waarva " 
in Groenland noch in de Straat Davis gezien , en ik zoude het genaak 
fchier voor verdicht gehouden hebben, zo niet, behalven worden. 
Faber (/), de door zynen Prodromus hiftorice Natitralis Scotice wel- 
bekende en geloofwaardige D Rob. Sibbald in zyn zeer zelden 
voorkomende Balanologia nova van twe onderfcheiden zoorten 
die op de- fchotfche kutten geftrand waren , melding gedaan 
had(m). Voorts verdeelt men dezelve natuurlykft en kenbaarfl in 
de zulken, die een vlakken, en in de zodanigen , die een 
uitgewassen rug hebben. Een vlakken rug heeft de ei- 
gentlyke Walvifch en de Noordkaper. Een uitgewaffen rug 
hebben en wd (i) met ene vin de Vinvifch , de Jupiter , of 
(2) met een of meer Bug hels, de Zwaartvifch onzer Groen- 
landsvarers, de americaanfche Ipftodpfd) enz. Voorts hebben 
de WalvhTchen Baarden, gelyk de Groenlandfche y Noord- 
kaper, Vinvifch enz. of Tanden. De laatften hebben , 't zy 
flegts (1) enen Tand, als de zogenaamde Eenhoorn, of (2) ve- 
le en onder dezelve , 't zy maar alleen of meed in de o n- 
derkaak, als de Cachelot en de Witvifch, of in beide de 
kaken, als de Potskop, de Dolphyn, de Bruinvifch enz. 

§. XXXIX. Onder de genen , die Baarden en een vlakken of Ais i.de 
gladden rug hebben, is de voornaamfte, en waarom alle uitre- bv uic - 
dingen gefchieden: Derechte Groenlandscke Wal ftek 20 ' 
visch, Balana vulgaris edentula, dor/o non pinnato, Ray Balana f Q n ** m ' 
major laminas corneas in fuperiore maxilla habens , fifliila donata , Groen- 
bipennis, Sibbald. 111. @lettba£r/ Dan. Sitcfcteba^/ Vlakrug, {jndfche 
gelyk ook Band-^uai. Het is een plompe en dikke vifeh,!S! h 
wiens kop het derde gedeelte uitmaakt, gelyk men deszelfs af- 
beelding .by Martens in zyne fpitsbergfche reisbefchryving, die 

de 



(7) Die niet te min ex dvrt^la van enen met twe vinnen fchry ven wil 
Vid. milugh. Hifi. Pifcium, Lib. II. cap. 4. 

O) Als 1 . Balana tripennis , nar es babens cum rofiro acuto & plich 
in vent re, en 2, Balana tripennis, maxi Ham inferiorem rotundam & fu» 
periore multo latiorem habens. - J 







l6o BESCHRYVING van GROENLAND, 

de befte is, vind. Hy word 60 of yojoeten lang. De vin- 
nen aan de zyden zyn 5 tot 8 voeten lang, en de ftaart, die 
horizontaal ligt, doch aan de beide zyden iets m de hoogte ge- 
kromt is, zulkshyeen — verbeeld, 3 of 4 vademen breed 
waar mede hy, zich op de zyde geworpen hebbende, gewei- 
dis; (laan -kan. De huid is glad en zwart, doch in enigen met 
wit en geel, inzonderheid op de vinnen en den ftaart fierlyk 
semarmelt: de buik wit. Met den ftaart roeyt de vifch zich 
voort, en wel zo gezwind, dat het, als men de vrefelyke gro- 
te en zwaarte van den vifch overweegt, ten hoogden te ver- 
wonderen is. De vinnen gebruikt hy alleen , om zich te wen- 
den- doch het wyfje bedient 'er zich ook noch van, als zy vlucht, 
om hare jongen met dezelve voort te liepen, door de vinnen 
achter de uitftekende vleugelen, of einde van den ftaart der 
longen te Haan. Onmiddelyk onder den huid, die flegts zo dik 
als papier of dun pergament, en het zwoort , t geen een vin- 
eer dik is , ligt het ipek onmiddelyk boven over het vleefch 
o tot 12 duimen dik, zynde fchoon geel van verwe,zo de vifch 
gezond is; doch het vleefch in zich zelven mager en hoog rood. 
Aan de bovenkaak zitten aan de beide zyden de baarden die ta- 
melyk fcheef beneden waarts in de onderlip, als in een icnede 
fluiten, en de tong van beide zyden genoegzaam omvatten, ge- 
Ivk zv dan ook op hunne fcherpe kanten met hairen of vezelen 
voorzien zyn, op dat zy aan de ene zyde de lippen en tong 
voor het kerven en quetfen bewaren , en tefFens aan de andere 
zyde het ongediert, 't geen de vifch influrpt en tuffchen de bla- 
den der baarden tot zyn voedzel vermaalt , als in een net op- 
vange en houde, tot de vifch het inzwelgt. De baarden zitten 
als orgeipypen in de kaken, de allerkleinfte en kleiner voor en 
achter.de crootfte in het midden, welke laatfte 6,8 en meer 
voeten lang zyn. De tong zit meeft vaft, en eigentlyk is het 
alleen een groot ftuk fpek, waar mede men enige tonnen vul- 
len kan. Het oog is niet groter , dan een offeoog , en het 
gedroogd cryftallyne vocht als een grote erwete. Zy zitten 111 
het achterhoofd , alwaar het zelve het breedft is , van waar zo 
wel de kop voor, als het lyf achterwaarts, (leeds fmaller word, 

op 




en de STRAAT DA VIS. 



j6*i 



op dat zy enigzints voor en achter zich konnen zien , en den 
vifch zo veel te nutter zyn ; doch eigentlyk zitten dezelve zo- 
danig, dat zy voornamelyk daar mede over zich heen , en wat 
boven hun is, zien konnen, als waar toe zy dezelve het meeffc 
gebruiken; want vermits zy zich ter hunner zekerheid gaarne 
®nder het ys ophouden , doch zonder lucht te fcheppen 'er niet 
zeer lange onder duren konnen floeren zy boven zich, waar het 
licht doorvalt, en het ys mksdien het dunft is , en dringen te- 
gen het zelve (en wanneer het ontrent een elle dik is) met hun 
kop zodanig, dat het aldaar berften en hun de nodige friffche 
lucht ter inademing doorlaten moet, vermits zy anderzints tot 
dat einde alle van onder hetys zouden moeten hervoort komen, 
en zich fteeds aan het uitterfte gevaar bloot {leliën. Ter be- 
fchutting van de ogen heeft de dierlyke Walvifch, tegen den 
aart van alle andere viflchen , oogleden en winkbrawen, gelyk 
de landdieren. Hier by , en vermits hy zo zeer , beide van de 
zwaartviffchen en de menfchen , vervolgt en gedood word, en 
zyn geflacht niet flerk vermeerdert , heeft de wyze voorzorge 
van den goeden Schepper hem ook met een ongemeen fcherp 
en wyd gehoor, ter zyner redding, voorzien. Wel is waar, 
dat men aan den kop uitterlyk geen het geringd fpoor van oren 
of oorlappen ontdekt, die hem ook in het zwemmen hinder- 
]yk zouden zyn , en allerly moeyelyke toevallen onderhevig 
maken; doch zodra de opperhuid van den kop weggenomen 
word , vind men recht achter de ogen en een weinig lager een 
zwarte vlek , en op die plaats een tedere pyp, waar door on- 
getwyffelt het geluid tot aan het trommelvlies dringt ; want 
door dezelve boren of ftoten de matrozen met een bootshaak 
ongevaar twe ellen diep op de Cocblea, camtas cochkata huc- 
cinata, antrum buccinofum, gelyk de ontleedkundigen fpreken, 't 
geen een byzonder ter gehoor dienend been , en door hun 
W a l v i s c h o o r genaamt is (n) , welke zy , wanneer de vifch 

X reeds 



1 



(«) Dezen heten gemeenlyk in de Apotheken Lapides Tiburonis of La- 
pides Manati, en worden daar voor, byzonder in de landlieden, gamfch 

ver- 






I 



i62 BESCHRYVING van GROENLAND, 

reeds een wyl dood geweeft is, en een weinig rot (want ia 
een verfch gedoden zit het te valt) met die haken, om aan de 
apothekers of drogiften te verkopen, uitfcheuren, doch daar 
door enigzints quetzen. Iets meer of eigentlyker is my tot 
dezen tyd van de ledematen en inwendige gefteltheid van den 
kop van dezen vifch niets bekent ,geworden, vermits noch nie- 
mand , die de ontleedkunde verltond , of zich daar aan te oef- 
fenen luft had , 'er toe geraakt is. Dit is ook de oorzaak, dat 
men weinig van de inwendige delen van zyn lighaam en het 
ingewand te zeggen weet ; behalven het gene ik hier voren 
§. "XXX VII. van den zogenaamden hoofddarm bygebragt heb. 
Wanneer zy een doden vifch , die door de rotting reeds o- 
pen geberften is , vinden , zien zy wel iets van zyn gedarmt, 
't geen , na het verhaal van onze lieden , uit negen onder* 
fcheiden huiden, die men den een naden anderen aftrekken 
kan, en waar tuflchen ieder reis enige vetheid gevonden word, 
beftaan zoude ; doch waarop zy geen acht geven. Zyne Ex. 
crementa nemen enigen bywylen 'er uit, vermits dezelve als een 
enigzints vochte zinnober poeder uitzien , ook een rode en op 
ly waat enigen tyd durende verwe geven , en niet zeer onaan- 
genaam rieken zouden. De uitwendige teelleden zyn by de 
mannetjens een roede van 6 voeten lang, welke lengte, we- 
gens hunnen dikken buik, wel nodig is. Dezelve bevat on- 
der 7 of 8 duimen in haar Diameter, doch boven naauwlyks een 
duim, zo fpits loopt dezelve toe. Zy trekt zich geheel in het 

vaft 

verkeerd verkocht. Conf. Worm. Muf. p. 58. Daar men aan de ene kant be- 
hoorde te overdenken , dat die beide dieren zeer merkelyk van elkander 
onderfcheiden zyn, nadien de Tiburo een rechte vifch, namelyk de Zee- 
wolf, of grote Hay , maar de Manati (Lamantin) een viervoetig water 
en landdier, of groot zoort Robben is , waar van Lab at ene befchryving 
geeft in zyne Foïag. aux iflct Frang. de fAmeriq. P. ILpag. 59 feq. en de- 
ze benen geen de mihfte overeenkom!! met andere zogenaamde vifcfaftenen 
hebben. 'anderdeels maar alleen de Groenlandsvarers, van wien men dezel- 
ve koopr, behoeft te vragen , van waar zy dezelve bekomen hebben. Doch 
alzo is ook in het fuik der medicynen noch veel onzekerheid, vervverriug 
en duilterheid. 



EN de STRAAT DAVIS. 



163 



▼aft lighaam , en ligt daarin als in een fchede bewaart , gelyk dan 
ook de opening van dezelve met muskeien, als een fluitfpier, 
vaft gefloten is^ op dat zy niet aan den grond der zee in het 
zwemmen gequètft worde. Het teellit der wyfjens is dat der 
viervoetige dieren gelyk , doch ook zeer vaft gefloten. Be- 
neffens het zelve zit aan ieder zyde een borft of pram , die 
gewöonlyk plat zyn, doch door de moeder, wanneer zy haar 
jong te zuigen geven wil ,. van 6 tot 8 duimen in de lengte, 
en van 10 tot 12 duimen in de rondte , tot gemak van het 
jong , uitgedrongen konnen worden (0), De vermenging ge- 
fchied, volgens eeriftemmig bericht onzer Groenlandsvarers, 
zodanig , dat zy beide op hunne brode en plat liggende ftaar- 
ten als ftaan , met opgerechte lighamen tegen malkander flo- 
ten, en zich boven door middel hunner vinnen aan een fluiten. 
Echter bericht P. Dudley in de aangehaalde Tranfactions de vol- 
gende andere (doch vermoedelyk alleen aan zekere zoorten ge- 
wone) wyze: het wyfje, zegt hy, werpt zich op den rug, en 
buigt haar ftaart terug; het mannetje ruft op denzelven, en 
word van haar met hare vinnen als omarmt en vaftgehouden. 
Zy vermengen zich, volgens zyne aanmerking, flegts alle twe ja- 
ren. Een bezwangerde zoude 9 of 10 maanden dragen , en is 
dan het vetft, voornamelyk ontrent den rytyd. De vrucht zou- 
de, flegts 17 duimen lang zynde , reeds volkomen geheeld en 
wit , doch wanneer zy voldragen is , doorgaans 20 voeten lang 
en zwart zyn. Gewöonlyk brengen zy maar een jong, zelden 
twe, voort. Wanneer de moeder haar jong ftillen wil, werpt 
zy zich op zyde in het oppervlak des waters , en laat het zui- 
gen. De melk is als koemelk. Zy draagt zeer grote zorg voor 
haar jong, 't geen zy, vervolgt wordende , door middel harer 
vinnen op de bovengezegde wyze tegen zich gedrukt voort- 
fleept, en ook, offchoon gewend zynde, niet verlaat; ja, als 
zy zich naar den grond begeeft , onaangezien het gevaar , en, 
alhoewel zyeen halfuur onder het water kan blyven, nochtans 

X 2 om 

O) Vide Phihfoph.Tranfa&. iV. 387, Art, 2. 





IÖ4 BESCHRYV1NG van GROENLAND, 

om het jong/t geen zo lang zonder verffchen adem niet duren 
kan, veel gezwinder weder naar boven koomt. Gelyk zulks 
door den boven bygebragten Dudley aangetekend is (p). De 
Walviffchen blyven een ieder by hun zoort,en vermengen zich 
met geen ander. Voorts houden zy zich (leeds in grote hopen 
byeen, en verrichten zodanig alle hunne grote reizen. Het ge- 
wormt, waar van de Walvifch alleen leeft , behalven wat hy 
van zeer kleine vüïchen in het zog mede influrpt (q) fchync 
geenzints genoegzaam ter verzadiging van een zo groot dier, 
en nochtans word het 'er zo vet van , dat 'het in vetheid zyn 
gelyken niet heeft. Ik heb alle bedenkelyke moeite aange- 
wend, om enigen dier wormen in liqueur te bekomen, opdat 
ik dezelve naauwkeuriger zoude konnen befchouwen en be- 
fchryven , doch wegens de ongelooflyke nalatigheid der zul- 
ken , die op de vangft uitgaan , tot heden daar toe geenzints 
konnen geraken. 
II. De §> XL - De Noorpka.per, die door onze en de holland- 
Noord. fche 

fcggeft. M 

{p) Zy zuigen een jaar lang , en worden als dan door de engelfcben 
Sbort-beads, dat is Rortkoppen genaamt. Zyn zeer vet, zulks zy 50 
vaten traan geven; doch de moeder .zeer mager. Twejarigen beten Stunts, 
dat is Domlingen , vermits zy na de fpening dom zyn , en dan ge- 
ven zy flegts van 24 tot 28 vaten. Vervolgens heten zy ©C&ulfifcp ƒ 
Schedelvisch , wanneer hunne ouderdom niet meer bekent is, maar 
alleen uit.de lengte hunner Baarden gegift moet worden. Transacï. cit. 

(jf) Vid* Martent Spitsb. leize 12 hoofdft. ». 2. Zorgdrager Groenlandfche 
villehery n. deel 6. hoofdft. bladz. 87 en volgende , waar by ik voegen 
zal, 't geen Cbriftiaan Bullen in zyn gehouden journaal van het voorge- 
vallene op de reize naar de Noord -zee, Groenland en wyders in den 
iare 1667, te Breinen in het volgende jaar in quarto gedrukt Qcit.abHa- 
%$ difquif. de Leviath. Jobi) fchryft : De fpyze van den Walvifch zyn 
kleine wormen, die alhier dik in hec water dryven, zwart, zo groot als 
een graauwe erwete of kleine boon # rond geformeert, gelyk een hoorn- 
tje, met kleine fubtile kundige vleugelen , dun gelyk een velletje zyn ; 
zulks men dezelve niet vatten kan , en waar mede zy zwemmen. Hun 
raam is Wal vischaa s, en zy fmaken afs raauwe Moffelen. Hun reuk 
is , gelyk wanneer men met de handen lang in ongekookte fuiker 
gearbeid heeft. Die reuk blyft lang aan de vingeren zitten. Dat aas ont- 
ia.net de Walvifch met zyn grote bek in menigte, maalt het met zyue 
Eaarden aan (tukken* 't geen aan hem bevonden is. 



en de STRAAT D AVIS. jgg 

iche Groenlandsvarers naar het noordlykft voorgebergt in 
Noorwegen, de Noordkaap 'geheten, dus benaamc word , 
vermits hy zich in een grote menigte aldaar onthoud,, of zy 
hem aldaar het eerft en het meefl aantreffen, is den eigënt- 
1'yken Walvifch in alles gelyk , behalven dat hy zo wel van 
kop als lyf fmaller en kleiner (nadien hy maar 10 , 20 tot. 
30 quartelen fpek , en zeer kleine Baarden uitlevert , gelyk 
Mariens betuigt) ook mitsdien veel vlugger en gez winder ,. 
doch ook zo veel te gevaarlyker als gene is. Zyn huid is ook 
zo fluweelzwart niet, als de eigentlyke , maar enigzints wit- 
ter , en zyne kaken minder langachtig, doeh ronder. Ik wil- 
de hem noemen: Balcena minor edentula dor/o non pinnaio. Op 
deze zoort en de naaftvolgende worden de balani gevonden, 
waar van nader gefproken zal worden; doch niet op de gro- 
te WalvhTchen. 't Geen my van dien vifch merkwaardig voor* 
gekomen is, heb ik in de befchryving van Yiland , vermits 
hy zich in de yflandfche bayen fteeds bevind, bladz, 78 en 
volgende aangehaald. 

§. XLI. Nu volgen die Baarden en te gelyk een uit-Iïï. De 
Gewassen Rug hebben. Onder dezen koomt eerft voor de v . in " 
Vinvïsch-, na zyn achter op den rug naar den ilaart ver^ V!rch " 
heven flaande vin alzo genaamt. Engelfch mede Finfisb-, 
Franfch Gibbar. Balcena major edentula corpore JtriStiore dor/o pin> 
na mucronata notab'du Hy is zo lang , ook wel langer dan de 
rechte Walvifch , doch veel fmaller en langachtiger (r)\ ook 
veel vlugger, en , wanneer hy ook noch zo lange vervolgt word, 
niet zo haaffc moede te maken als de grote Walvifch , ook veel 
kwaadaarciger , en wegens- zyn heftig flaan.rn.et den Haart en 
dé vinnen veel gevaarlyker , als dezelve. Zyn huid is zo fin* 
weelzwart niet, als diQ van den Walvifch , maar als de zeelt; 
zyn buik wit; zyn vin op den rug 2| tot 4 voeten hoog, recht 
op flaande en fpits ; doch de zyvinnen ieder 6 of 7 



x 3 



voe- 



(ir) Zie deszelfs verdere befchryving beneffens de af beelding by Mat* 
Uns fpitsbsrgf* reisbefchr$ving IV, deel, cap. 11.. 





iC6 BESCHRYVING van GROENLAND, 

voeten lang,en mitsdien langer dan die van den Walvifch (j).Hy 
heeft veel minder fpek, dan de rechte met den vlakken rug. Zyn 
Baarden vallen ook korter, daarby knobbelig en flegt. Zyn keel 
of ftrotis veel groter, dan de anderen, want hy [leeft van Haring, 
Makrelen en andere viffchen. 
IV. De §• XLII. Van dezelve zoort is de Ju pit er of Jupiter- 
Jupiter- visch, welke benaming ongetwyffelt hervoort koomt van de 
vifdfa. t>y andere gebruikelyke benaming Gubartes of Gibbartas (f), die 
ook uit een andere, by de Biscayers ten minden voor deze ge- 
bruikelyke, benaming Gibbar verdorven («) is, Ondertuflchen 
kan ik noch niet recht eigentlyk en met volkomen zekerheid 
zeggen , wat Walvifch de zeelieden onder den naam van Jubar~ 
tes verftaan. Nochtans zal ik , wat ik van den Jupiter heb kon- 
nen ervaren , aanhalen', of uit deszelfs vergelyking met het 
geen anderen van de Jubartes gefchreven of verhaalt hebben, 
een duidelyk begrip gemaakt zoude konnen worden. Die Ju- 
piter 

(5) Pbilof. Transact. 2V. 387. Art. z.p. 258. 

(j) Rumpf verhaalt in 't voorby gaan, dat een Walvifch in Groenland 
zonder tanden door de matrozen Gibbartas genaamt word, doch geeft 'er 
geen de geringlre befchryving van Amboinfcbe Rariteit kamer p. 280. In 
de Pbilofopbical Transaïï. N. I. p. 1 2. word van een zekeren by de Bef 
pindas gevangen jongen Walvifch (Cubs) gefproken , die achter zeer fcherp» 
gelyk de nok van een huis, doch de kop zeer plomp, en vol grote bui» 
len aan de beide zyden , de rug zwart en den buik wit was. Waar by 
zyne wonderbare gezwindheid en fterkte , beneffens het grouwelyk ge- 
fchreeuw , 't .geen hy, tot hunne verwondering maakte, gedacht word, 
met byvoeging, dat men één van over de 100 voeten lang gevangen had, 
en dat dezelve het zoort zeer naby quam , 't geen Jubartes heet , zonder 
tanden, en langer dan de groenlandfche Wal viffchen, doch niet zo dft,en 
dat hy maar weinig en flegt fpek als gebonde vleefchnat had. 

(u) Zo veel is zeker, dat de Jubartes een zoort Vin viffchen is, even zo 
lang als en noch wel langer dan de groenlandfche vifch , doch fmaller. 
Rondelet de Pifcibus Lib. XFI.cap. 12» den Vinvifch onder den naam van 
15 al, e na vera befchryvende , zegt: Eam Santones belluarum pi/cato* 
res vocant Gibbar a gibbero dorfo. u t> in tumor em elato , in quo eft pin* 
na. Hiec bahenh vulgo di&is minor non efl , fed minus fpijja, minusque obefa 9 
longiore £? acutiore roflro &c, vorat apbyarum turmas. Uit deze Gibbar 
i's ongetwyffelt Jubartes door buitenlaiidfche Walvifchviffcheren gefmeet* 




en de STRAAT D A V I S. 



167 



piter is, zo als ik uit den eigen mond van den commandeur of 
fchipper, die in den jare 1723 één gevangen had, en enige 
andere berichten verftaan heb , niet zo dik van kop als de 
rechte Walvifch , maar van een veel fmaller of fpitfer en lan- 
ger kop en bek , en ook achter fcherper en fpitfer van h'f ; 
heeft twe blaasgaten , en fluit by het uitblazen , gelyk een 
menfch, met den bek, doch veel fterker; 't geen de eigent- 
lyke Walvifch niet doet. Zyne lengte gelykt, ja overtreft by- 
wylen , die van den eigen tl y ken Walvifch , offchoon die , wel- 
ke deze fchipper gevangen had , maar 50 tot 60 voeten lang 
was. Zyn huid legt hem genoegzaam los op het lyf met vele 
vouwen en kreuken. Hy is zwartblaauw van verwe. Op den 
rug heeft hy een ftompe niet veel gekromde en 2 voeten ver- 
heven vin, weshalven hy tot het gedacht der Vinviffchen be- 
hoort; doch heeft daar achter noch een bughel , die veel lager 
en enigzints langachtig is. Als de in den jare 1723 gevangene 
gewond was , had hy ongemeen hevig en gelyk een geflagt 
wordend varken gefchreeuwt. Dezelve had geen tanden, maar 
Baarden gehad, die flegts kort van i| ook 2 voeten , en onder 
zeer breed , zulks zy een driehoek fchenen , wit en broos wa- 
ren ; gelyk hy ook maar 14 quartelen en daarby dun water^ 
achtig fpek gaf , 't geen by het uitbranden verrookte en niet 
tot Traan werd. Hy mag heten : BaJcsna major corpore ftric: 
tiore edentula , dor/o plnnato. Voorts was dezelve zeer kwaad- 
aartig, en daar de gemene Walviffchen voor hunne vervolgers 
vluchten, was hy de floep nageylt , en had ook drie mannen 
uit dezelve, en zo. deerlyk geilagen , dat zy hun leven verloren 
(tu). Die vifch was doenmaals een paar, waar van de een den 
anderen niet verlaten wilde, maar, na dat de een gedood was , 
de ander zich 'er overgelegt en verfchrikkelyk gewoed had. 
Ten befluite is aan te merken, dat aan dezen vifch, inzon- 

der- 






O) My dunkt, dat deze befchryving, met die, bladz. 166 in de noot 
(ƒ) uit de Philoffphical. TransaQ* getrokken, zo naauw overeen koomtj. 
dat beiden, zo niet euerly vifch, ten rainften enerly zoort ten voorwerp 
hebben. 




i(S8 BESCHRYVING van GROENLAND, 

derheid onder den gorgel , op den nek en rug , ja zelfs op de 
vinnen, een menigte groteen kleine Zee-Ekels (Balani ) 
(r) of Pokken diep in den huid en het fpek zaten , en 
waarin zich wormen onthielden , die een gedachtigen huid 
of dekzel over zich hadden. Het gefchied meer, dat derge- 
lyk Moffel of fchelppokken zich, volgens het bericht onzer 
Groenlandsvarers,opdegantfch oude vilTchen zetten (» ; gelyk 
men dan ook de Concha Anat'ifere , Bernaclen shels ge- 
naamt , gemeenlyk aan lang in het water gelegen hout , en 
doorgaans de infe&en in menigte niet anders als aan oude dor- 
rende bomen vind. gjXuiL 



( X \ BALANUS , GLANS MARINA. EKELEN , PUISTEN, Ruiïipf. 

•vuleo'PoKKEN, Pediculus ceti, Boecon. Rechereb.p. £87 & 293. 

BALANUS, BaLASN/E CUIDAM OcEANI S E P TEN T R I O N A L I S ADH* 

rens, Lifteri Hifi. Concb.Lib. HL Se&. 3. In myne inrichting der Hoor- 
nen en Schelpen befchryf ik dezelve dat zy zyn .: Te ft* non tortues eert* 
loco affix*, fubrotund*, vertice valuato,quibm animalculum multü ctrrbu 
Tnlru£tum inhabitat. Rob. Sibbaïdi in Philofoph. Transaf.1?. 308, Art I. 
befchrvft zeer omftandig alzulk een Ba/anus roet de daarin wonende die- 
ren die met meer andere op een aan de fchotfche kuiten gevangen Wal- 
vifch gevonden waren , en geeft 'er een afbeelding van. Er word ook 
een zoort van Balani , of pokken , op de Moffelen gevonden , waar 111 
een diertje woond, met die op de Walviffchen van enerly gejacht , na- 
raelvk een zoort van een Potypus of veelpoot , volgens de figuur, die 
Leeuwenh. Ep. 83. p. 7*6 fa* afgebeeld en befchreven heeft. Het is een 
vermaak te zien , hoe die dierejens na het wegtrekken van de deurejens 
hunner huisiens , hunne vele met ringetjens voorzien en met ontelbare 
vezeltiens Vilti, (die ongetwyffelt hunne Brombi* zyn , en tot afzonde- 
fln'c der lucht van het water dienen) bezette halsjens , als zy ademen , 
wiffelswyze nu lang uitilaan, dan weder opkrullen (als de kapelletjens 
en udtiens hunne tongen) en binnen hunne hmijens trekken. Deze ge- 
lykfchynende diertjens enPolypï huisveften ook in de zogenaamde co»- 
ch« anatijer*. Sibb. Scot. il/u(lr. prodrom. Part. IL Lw. ^.cap. r«. Berre 
Icon. Plant. p. 133. Philofoph. Transa&. N. x^-j.pag. 925. die zich ook op 
de Walviffchen zetten. PhiL Tramact. iV. L pag. 13- , 

(y~) Ces coquillages marquentjelon les Indiens , la vieillefe de ces ammaux 
(Baleines) parce que leun peaux Cetant endurcies par Ie nombre des annies 
deviennent'difent-ils, prefqu'infenfibles, de maniere, que de pettts potfons 
enfermés dans leun coquilles trouvant de quoy fe novrrtr aux queues des 
Baleines, ik s> attacbeni aifement.P. FcuilUe journal des Vbfcrvat. Pbyfiqu. 
Vol. L pag. 397- 



en deSTRAATDAVIS. Hft 

J. XLIIL De Paal of Staakvisch, the Bunch-or Hump- V, De 
back-Whak op de kullen van Nieuw -Engeland, kan heten : Paal of 
Balana major edentuh pro pinna paxillum in dor/o gerens. De- S *? a £ " 
zelve heeft een Bunch of Bult, in de geftalte van een paal öf V1 C ' 
Haak, die achterwaarts ftaat, ter plaatfe de Vinvifch zyn vin 
draagt. Deze is een voet hoog , en zo dik als een mans hoofd. 
De zyvinnen zyn tot i8 voeten lang , zeer wit van verwe f 
en ftaan ter halver lyf. Het fpek köomt dat der WalviiTchen 
zeer naby, en de Baarden zyn ook niet veel waardig, offchoon 
een weinig beter als die der laatftgenoemden (z). 

§ XLIV. De Knobbelvïsch, the Srag - Whale op de VI. De 
kutten van Nieuw- Engeland genaamt («) , is in plaats van Km>b- 
de vin op de hoogte van zyn rug met een half dozyir knob- bel * 
beien of bulten bezet. Ik zoude hem noemen : Baleena major 
edentula dorfo verfus caudam nodofo. In geftalte en veelheid van 
het fpek koomt hy den rechten Walvifch het naaft by. Zyn 
Baarden zyn v/it , die niet willen fplyten. 

§. XLV. En hier mede kome ik tot de Walvïschsoor-vii. De 
ten , die Tandem hebben , waaronder een Tand heeft Storfc* 
de VXav tyxval / -m*»»^, in 't gemeen Monoeeros, de E e n h o o r N, t»al/ 
Eenhoornvisch (b) by de Groenlanders 'CoiPrtcF genaamt ° f de 
Dat dit een Walvifchfoort zy , is genoeg af te nemen, ver-hoora 
mits hy vinnen en een ftaart gelyk een Walvifch heeft , 
met blaasgaten in den nek, ter ademhaling, en met fpek over 

Y * het 

CO Phihf: Tramaft. N. 387. Aru 2. p, 258. 

(a) Philof. Tramnet, d, k 

(y) Dat de vooruititekende Tand geen Hoorn, maar veeleer een eigent- 
lyke Tand zy, is door anderen bereids met vele gronden bewezen. Ook 
heeft men flegts om daar van overtuigt te worden, derzelver gerykheid 
met de Tanden der Cachelotten en der Walruflen in het water in acht te 
nemen, en op het land met de Tanden der Elephauten, en inzonderheid 
van het dier Babi Ronfa beide uit het boven kakenbeen recht uitgewas- 
fen (WA hefchryving hy Gr ew. Muf,.P. h p\ 27 feqj) of boven "achter 
over krom als Hoornen gebogen Tanden, waar mede het zich des nachts 
aan een hogen tak, van een boom hangt. Valenten hefchryving der dieren 
van Amboina bladz. 2 o's , ongetwyffelt om te zekerer voor Tygers en der- 
gelyke dieren te flapea. 







170 BESCHRYVING van GROENLAND, 

het gantfche vleefch, gelyk deze vifch, voorzien is , en ook 
levende jongen zoogt enz. Zyne eigentlyke geftake is tot noch 
toe niet geheel beflecht, vermits onze lieden hem zelden ge- 
zien , en noch zeldener met opmerkende ogen befchouwt heb- 
ben. De vrucht , die uit een twehoornig wyfje voor enige 
jaren gefneden en herwaarts gebragt werd , was noch te jong, 
en door onvoorzichtige droging zo zeer ingekrompen , dat 
men 'er zich geen rechte verbeelding van maken konde. De 
fchippers , die de Straat Davis vlytig bevaren , hebben my 
willen verzekeren , dat de Eenhoorn fmal van lyf , en in ge- 
Halte den Steur veel meer gelyk , doch niet zo fpits van 
kop is. De huid is glad en zwartachtig , by enigen appel- 
graauw , gelyk Martens (c) bericht ; de buik wit. Hy had flegts 
twe vinnen en een gladden rug; fpek had hy ook niet veel, 
waar van een Traan koomt, die dunner is , en ook zo onaan* 
genaam niet riekt , als die van den Walvifch. Een van 20 
ellen, wiens langer Tand van 7 voeten was, had alleen i| 
ton fpek gegeven. Uit den fnuit aan de linker zyde gaat de 
lange gedraayde tand , die in de zee met allerly onzuiverheid, 
als met een fchede , overtogen zoude zyn , en bywylen t'ene- 
maal groen fchynen. Aan de rechter zyde is dezelve iets kor- 
ter , flomper en dicht toe (d). Zo de yllandfche biflchop , die 
aan Wormïus (d) narichten gaf, recht gemeten heeft, had een 
vifch van 30 ellen en iets daar over een Tand , die 7 ellen uit- 
steekt. Voor dezen hebben de goede lieden , welke den Tand 
voor een Hoorn aanzagen , uit het voorbeeld der Hinden en 
Reè'n gewaand , dat de wyfjensvifTchen geen Hoornen of Tan- 
den hadden (en welke waan onze groenlandfche commandeurs 
merendeels noch byblyft)en daar uit voorts gegift, dat de Bruin- 
vifch de Pboccena of Delpbinus Septentrionalis ('t geen doch een 

eige 



(O Vid. Spitsberg. Reize , IV. deel 6. boofdft. 11. 6*. 

ld) Ene anatomifche befchryving van het bovendeel van den kop geeft 
D. Sachs in zyne Monocerologia , Raceb. \6j6. 8. 

(*) In zyn Mufcum p. 282. Ik heb in inyne verzameling twe Tanden,. 
^ie geheel en ongefchouden zyn» 



£ ir d e S T R A A T D A V I S. i 7r 

eige foort op zich zelven is , die mannetjens en wyfjens onder 
zich heeft) het wyfje van den Eenhoorn was (ƒ). Doch zo 
weinig de wyfjens der WalriuTcben, of Elephanten de uitre- 
kende iange Tanden ontbreken , zo weinig ontbreekt het ook 
de Eenhoornnin 'er aan. Ja, die in den jare 16S4. door een 
hamburgs commandeur gevangen werd, had twe Tanden (g). 
Maar dewyl ik van dit twetandig wyfje gewag maak , kan 
ik niet nalaten, hierby te voegen, dat offchoon verfcheiden 
vermoeden, als of de tXaxfyxval gewoonlyk twe Tanden, en de 
eentandige zyn tweden alleen door een toeval verloren had, ik 
deswegens nooit overtuigt zal worden ; want de grote zeld- 
zaamheid ftaat in den weg (h) dat men altoos alleen viiTchen 

» 2 met 

(f) Sachs d. ï.p. 79. 

(g) In dat jaar 1684 had de commandeur Dirk Peterfen op het Schip, ge^ 
naamt de gulde Leeuw, het geluk, dat wyfje te vangen, en het opper hoofd- 
been met de daarin ftekende beide Tanden naar Hamburg te brengen, alwaar 
die zeldzaamheid noch by een onbeampt perfoon te vinden is» De beide 
Tanden fteken nefFens elkander, en wel recht voor den kop ter wyte van 
2. duimen, doch verwyden zich zodanig, dat zy aan de fpitfen 12 dui- 
men vaneen ftaan. De linker Tand heeft de lengte van 7 voeten en 5 
duimen, en aan den kop de rondte van 9 duimen. De rechter is 7 voe- 
ten lang, en aan den kop 8 duimen dik. Beiden fteken 1. voet en een 
duim in den kop, en is deszelfs been 2 voeten lang. en een en een half 
voet breed. 

(£) Men weet noch van het hoofd van een Eenhoorn met twe Tanden, 
dat in Amfterdam gezien is. Zie Zorgdrager Qroenlandfche Fijjchery bladz 
5>. en van 't geen den laeevTicbo Laffen Tichotiius, ProfefTor te Coppenha- 
gen, in den jare 1706 gelegenheid gaf. Exercit. Hiflorico-Critica onder den 
titel: Monoceros pifcis haud monoceros te fchryven. Hoewel het laatfte noch 
twyffelachtig blyft, en de toekomende verdere uitvoering van den fchryver 
het allereerft klaar en bewyflyk zoude hebben moeten maken, of het ge- 
vonden kleine been een eigentlyke Tandzy , of waarfchynlyk dat hy nooit 
had konnen uitwaflen, Want 'er is flegts een prodromus en een Exerci- 
tatio in het licht gekomen , en daar mede door de gevolgde dood van 
den fchryver dat werk blyven fteken. OndertufTchen , nadien ook die 
beide ftukjens zeer zelden te bekomen zyn, heb ik ter opmerking en te 
gelyk tot opheldering van 't geen van dezen vifch gefchrevenis,uit dien 
prodromus de ingevoegde kopere plaat hier mede den beminnaren der na- 
tuurkunde wel willen voor ogen leggen, vermits de befchryving, welke 
de heer Laurenzen in Mufeo regio, (waar in dit been van den kop gele- 
vert word) Se£ï. UI. n> 1. daar van geeft, en de afbeelding geheel onge- 
noegzaam is* & & * 






rp BESCHRYVING van GROENLAND, 

met een Tand aantreft ; behalven dat aan den kop, dien men 
bywylen bekoomt , geen het geringde fpoor van een afge- 
broken Tand gevonden word , maar veeleer de andere zyde 
van den fnuit dicht befloten en bewaiTent Zy zyn gezwin- 
de zwemmers , vermits zy zich met hunne ftaarten voortroe- 
yen, en met de vinnen, die echter daarenboven wegens hun- 
ne kleinheid onbequaam fchynen, naar vereifch wenden. Zy 
zouden bezwaarlyk geharpoeneert konnen worden, zo zy niet 
fchaarswyze zwommen , en , als men hun nadert , dicht by 
elkander, en wel zodanig zamendringen, dat de achterften den 
voorden de Tanden op den rug leggen , en daar door zich 
zelven verhinderen , dat zy niet gezwind naar den grond dui- 
kelen en weg geraken konnen , waar door een of twe van de 
achterften gefchoten en gevangen worden. 

Eindelyk is my het geluk dus gunftig geweeft, dat in den ja- 
re 1736 een Eenhoorn vifch of£T£av^tt?o! * n de maand february 
in een imakfchip naar Hamburg gebragt werd, die met een ho- 
gen vloed op de Elbe geraakt , doch by een fchielyke eb ge- 
ftrand,. en, na hevig getobt en zich vermoeit te hebben, ein- 
delyk afgemaakt was. 

De vifch was van geftalte meer dik dan langachtig, met een 
{lompen kop , een reiskoffer niet ongelyk ; had aan de linker 
zyde een uiiftekenden Hoorn, twe kleine vinnen of ftoffen, en 
een breden horizontaal op het water liggenden Haart, 

De huid was fneeuwit, met ontelbare zwarte vlekken, en 
als men door hare gantfche dikte,die niet geringe was, fneed, 
door en door gemarmeit, de onderbuik geheel wit en alomme 
glanzig, ook in het bevoelen zo zacht als fluweel. 

De gantfche lengte van den rand van den fnuit of kop tot 
aan het einde van den ftaart iof paryfche voeten en 11 voeten 
8 duimen hamburger maat. 

De Hoorn, of veelliever de Tand, flont 5 voeten 4 duimen 
paryfche maat uit den kop. 

Een ieder vin had ilegts 9 duimen in de lengte en geen twe 
vlakke handen in de brete ; doch de brete van den plac liggen- 
den Haart bedroeg 3 voeten 2 f duimen, 

D£ 




JBLzdz. iy'4 • «• ^/ie^ldin^ van een roTUfe, JZEimoojizr in den j are jo~8^. in de moeder 
jynde naazot'lyks £ prater- Jan Je m>'ens staande afoeeldiny , en, yolaens kef- lericht der 
Schippers , noen met ter kelfhe voldraaen . 




A.'j /)<> Kop met z. . y /cornen o/' '^Zanden . *1 ." 3. ZZte& öcyen cedeedte van ae ^xars/enp, 
a/s kZeine Tanden iy de opening van dm Kop aÜereer-st ontdekt. ^: c j.J>e alleen ver/w 
fefyk.ZZYt'f '■■ • lAKTvan / '. .: Vis en . .l^e.die radder Vilr van &oyen. PI? 6'. die Zinker 



met de arote xotreZ 

Zenl^TfD in yedaante en stv^/e de ^arote t't 

'an onder . ZVfj. JZet Teel-lidt 



e N d e STRAAT D A V ï S. m x 

De Tand, die lings gedraait was, quam aan de Iinkerzyde uit de 
bovekaak recht boven de opper lip. De rechter zyde was dicht 
toe en mee de gantfche huid geheel overtogen, en bevoe- 
lende geen de geringde holte in 't been van den kop te be- 
ipeuren. 

De bek zat zeer diep benedenwaarts , en de onderlip was 
fmal en kort, ja de gehele bek zeer klein, vermits de infne- 
de niet veel meer dan een hand breed was, zonder enige Tan- 
den , alleen de rand van den bek een weinig hart en ruig , de- 
tong ongevaar een hand breed. Boven op den kop was 'een 
blaasgat, 't geen als met vleefch gevoedert en met een klap- 
vhes, dat geopent en gefloten konde worden ,. voorzien was 
door welk gat de vifch het ingeflurpt water by de uicademine 
weder uitfpuiten konde. ö 

De ogen zaten diep nederwaarts en flegts een weinig ho^er, 
dan de bek , hunne opening was zeer klein , en met een zoort 
van oogleden voorzien. 

Het was een mannetje, doch de roede quam niet buiten de 
opening van het lighaam, 

Dit is alles, wat ik daar van uitterlyk konde waarnemen 
vermits de vifch in een fmakfehip vaft geperft lag , en zeer 
bezwaarlyk te befchouwen was; weshalven het ook moeite kos- 
te, de hier bygevoegde afbeelding te bekomen, offchoon ik 
daar toe meer dan een fchiider gebruikt heb. Ik had hem zeer 
gaarne geopent, om zyn ingewand naauwkeurig te bezien en 
te befchryven ;. geryk dan ook tot zvne ontleding bereids fchik- 
kingen gemaakt werden; doch eenVerfchil tuflehen den ampt- 
man en den landheer, en ook tuflehen den Iaatftgenoemden en 
de vjflehers Over den eigendom van den vifch ontdaan , ver- 
oorzaakte, dat hy onvermoed van hier weg en weder naar de 
plaats gebragt moeft worden , alwaar hy gevangen was. On- 
dertuflehen word ook ene befchryving en bericht van denzel- 
ven vifch in de f?allifcfc>e Xn&ixmvan den jare 1736N0.XIX. 
gevonden. 

Voorts fchynt het, als of meer dan een foort van Eenhoor- v . 
nen m de zee. zouden zyn. Eens zyn dergelyke gladde of onge^ ze iy e 

^ 3- draai- 




zyn 
meer, 
dan een 
foort. 



BESCHRYVING van GROENLAND, 

draaide Hoornen of Tanden naar Hamburg gebragt ( f) , die 
myns erachtens van een enigen vifch waren. Men dachte wel, 
dat het Hoornen of Tanden van ongebore Eenhoornen wa- 
ren ; doch ik weet van geen dier in de gantfche natuur dat 
met Hoornen ter waereld koomt. Een opmerkend comman- 
deur, die een zwangere heefc zien openen, 't geen een zeld- 
zaam geval is, heeft my ook verzekert, dat die vrucht zon- 
der Hoornen was ; ja het fchynt my ook zelfs onmogelyk; 
want naar allen vermoeden zoude gedurende de dracht of in de 
geboorte de baarmoeder door dergelyk een pen gequetft moe- 
ten worden, Aan de te voren verhaalde vrucht, in den jare 
1684 uitgefneden , werd dergelyken ook geheel niet befpeurt, 
en ik heb een gedraaiden Eenhoorntand , die niet zeer lang 
isj waaruit men ziet, dat van de eerfte jeugd af aan de Tan* 
den aan de bekende Eenhoornen reeds gedraait .hervoort ko- 
men (k). 
Zy z Y n Eindelyk merke ik noch aan , dat de Groenlandsvarers de 
* en * lyk » Eenhoornen voor een blyk van hun navolgende WalvhTchen 
rechte houden, en, dezelve ziende, zich tot de jagt gereed maken; 
vermits de bevinding geleert heeft, dat waar zich Eenhoor- 
nen laten zien, ten zelven tyde of niet verre van daar ook 
altoos WalvhTchen gevonden worden ; 't geen vermoedelyk 
van daar koomt, dat zy van foortgelyk aas leven , en zich 
mitsdien ook op enerly banken onthouden ; want offchoon hun- 
ne Bekken zeer verfchillende zyn , nadien de Eenhoorn geen 
Baarden als de WalvhTchen heeft, is deszelfs Bek nochtans zo 
gefield, dat hy wegens gebrek aan Tanden geen vifch noch 
iets hards vatten, veelmin kaauwen kan , maar het Walvifchaas 
fchynt eigentlyk zyn gewoon voeder te zyn. En nadien zyn 

bek 

(;') Vide Sachs Monocerolog. p. 5)5 feq. 

(F) Ik mag hier niet aanhalen den zeer byzonderen Eenhoornvifch,waar 
van in Rocbejort Hifi. Nat, & morale des I/les Antilles cap. 18 gedacht 
word; want zo die gantfche Hiftorie niet verdicht is, gelyk fchynt, is het 
geen eigentlyke Eenhoorn; maar een gantfeh andere aart van vifïchen , 
namelyk met flosvederen, fchubbeu enz. geweelt, dergelyken anders ner# 
gens vooikoomt. 



Walvis- 
fchen 
zullen 
volgen. 




endeSTRAAT DAVIS. I?5 

bek zo klein is , gebruikt hy de hairige baarden niet, welke de 
Walvifch om zyn vervarelyke keel nodig heeft, 

$. XLVI. Nu volgen zy, dk onder den bek vol Tan- VUL De 
den; doch boven geen of zeer weinige BAKTANDEN Cache " 
hebben, als de Cachelotten (/) Holi. Cazilot, gelvk lo " en# 
ook de Potvisch , Potwalvisch , by enige Noord- 
kapers (in) genaamt, Cete dentatus, Clus, Van welke eni- 
ge DIKKE enBOVEN PL A TRO NDE, enige SMALLER KROM- 

me en sikkelachtige Tanden hebben. Onder de dik-- 
tandige hebben enige kleiner, andere groter Tanden. 
Dat Walvisgeflacht is te merkwaarder , vermits het , behal- 
ven de beide koftbare heelmiddelen, de Sperma ceti (Wal- 
rath, Holl. Walschot, gelyk ook witte Amber 
Zeeschuim en Vischmist , Franfch Blanc de Balei- 
ne) en de Ambergries, Amber by zich heeft. In de 
Straat Davis en by Spitsbergen bevind zich alleen het foort 
met de kleine dikachtige en flompe Tanden , die een dikken 
kop, twe lange zy vinnen, een kleine hoogte, gelyk een vin 
achter 'aan den rug en een zeer breden ftaart van 12 of ook 
wel 15 voeten hebben. Balana macrocephala tripennis ', qua in 
mandibula inferiore dentes habet minus inflexos Sinplanum definen. 
tes. Sibbald. Doch worden by gantfche hopen en fchaarswyze 
gevonden. Een oud ervaren commandeur heeft my verhaalt 
dat hy eens in Groenland zulk een zwarm zag aankomen, voor 

wei- 
CO Deze benaming koomt van de J3iscayers,als de eerfte en befte Wal- 
vifehvangers, voort. In de Ephemerid. Nat. Curiof. Cent, I. Ann. x. üt 
d71!clc P A cuïlvT!'' quiinBa J° n ™> B ?«™> & '* infulaS.Johannis 
(«) Vermits zy by'de Noordkaap zo menigvuldig zyn, dat men by- 
wylen honderden ziet zwemmen. Aldaar had men ook allereerft evijn 
gevangen. Zre mfpeurmg van den Leviathan en Jobs boek door Theod, de 
Haaztr, vertaalt en vermeerdert door JVernerm Köhne I en II. toe,, alwaar 
ttl'^°f ZCgt W ° r , d: Dat V ?.° r eni ^ e i aren z ° d ™8 een vifch te Sluis 
hoofd ril r k n m l n T d J VCn S den men MorJ;*aperlot m \e t uit wiens 
«d« wa grover ' gehMU tW< * rly S ^ nM ' het eerfle *» > en liet: 






i 7 $ BESCHRYVING van GROENLAND, 

welke één groter , meer dan ioo voeten lang , als een ko- 
ning zwom , die , als hy zyn fchip gewaar werd , door een, 
flerk , al de andere overtreffend en als klokken door elkan- 
der klinkend geblaas , waar van het fchip fchudde en beefde , 
den hoop een teken gaf, waar op zy alle vluchten en wegzon- 
ken. Noch meermalen en in groter hopen worden zy by de 
Noordkaap en onder Finmarken gevonden ; doch die , ver- 
mits hunne wildheid , en nadien zy flegts een of twe plaat- 
fen boven de vinnen hebben , waarin men een harpoen wer- 
pen kan, en ook, aangemerkt hun zenuwachtig fpek , maar 
weinig Traan geven , niet veel gevangen worden. Dat vifch- 
foort is zo dik , plomp en zwaar niet , dan de rechte Wal- 
vifch , maar fmaller , ligter en mitsdien gezwinder , kan ook 
langer onder water verbly ven , doch is teffens ftyver en vas- 
ter van benen , weshalven het niet zo veel en fterk liaan kan, 
als de WalvifTchen. 'Er zyn twe foorten, die volgens het be- 
richt van onze lieden, welke die beide gezien hebben, elkander 
in lighaams geftalte en Tanden geheel gelyk , maar alleen daar 
in onderfcheiden zyn , dat het een iets groenachtig van verwe 
is, en een hard dekzel van benen over zyn harffenpan draagt, 
waar tegen het ander boven graauw , aan de buik wit van 
verwe is , en alleen een taay huiddekfel , een vinger dik over 
zyn harffenpan gefpannen heeft. Een der hamburgfche com- 
mandeurs, die in den jare 1727 een Cachelot van het laatfte 
foort ving, verhaalde, dat dezelve alleen voor een blaasgat had, 
waardoor hy het water recht vooruit blies. Op den fnuit hadhy 
veel en meer dan een el dik , doch recht op den dikken kop 
onderf de huid flegts maar drie vingeren dik fpek , waarop dat 
taay dekfel der harifenen ter dikte van een vinger volgde, Het 
brein zelf had in 28 kameren of vakjens gezeten, die hy de 
een na de andere had geopent en geledigt. Het Sperma Ceti 
was zo klaar als brandewyn geweeft. , en had , na het uit- 
gefchept v/as , naar fneeuwvlokken geleken. Het fpek van 
den gantfchen vifch was korlachtig van Sperma, en in het 
zelve hadden veel holen met zodanig Sperma vervult geweeft. 
Het aanmerkelykft, 't geen hy 'er byvoegde, was, dat de vifch 

ach- 






; 1P*» 



en de STRAAT DA VIS. 



m 



achter op den rug tegen den ffoart drie boggels had , waar 
van de eerde \\ voet, de twede § en de derde en achter de 
\ voet hoog waren. Wanneer zy te gronde wilden gaan , 
wierpen zy zich alle eerd op de rechter zyde, en fchoten dus 
op zyde naar de diepte. Ik ben in den beginnen van gedachten 
geweed, dat zy, die een zacht dekfel hadden , iets jonger wa- 
ren , en het dekfel met de jaren verharde , en benen werden ; 
doch de commandeur, die den zo even gemelden vifch gevan- 
gen had , heeft my verzekert , dat dezelve zyne volkomen 
grootte, en een lengte van 26 tot 27 ellen had ,waar tegen de 
terzelver tyd door een hollandfch viiTcher neffens hem gevan- 
gene groenachtige met een knobbelig dekfel flegts 40 voeten 
kng was. Ook had hy van den zynen 36 quarteièn fpek beko- 
men , waar by hy noch aanmerkte , dat de Cachelot , als de 
bek gefloten is , een dikke tong heeft , doch welke , als hy 
denzelven opent, zodanig ingetrokken word, dat zy zich ge- 
heel verheft. Ik heb een voor- en achtertand van hem uit dien 
Cachelot bekomen. Een hollandfch fchipper had voor korte 
jaren het geluk , by de Noordkaap een vifch van dat foort te 
vangen , uit wiens verhaal , door de in de voorgaande note aan- 
gehaalde lobne medegedeelt , ik dienflig oordefe , het een en 
ander tot nutte vervulling van de hidorie der Cachelotten hier 
by te voegen. De kop, zegt hy, maakte de helft van den vifch 
uit , en had ene byzondere gedalte , byna als de kolf van een 
fhaphaan , of het omgekeerd voorde gedeelte van een fchoen- 
leed. Voor op den neus had hy alleen een blaasgat; achter 
op den rug een boggel , een vin gelykende {n) ; veelligt had 
die fchipper den platten langachtigen bult niet opgemerkt. Inden 
bovenkaak had hy alleen aan de ene zyde 3 of 4 kiezen of 
baktanden , en voorts flegts holen of kallen , waarin de Tan- 
den van de onder-kaak paden ; doch de onder-kaak zat rond- 
om vol Tanden, waar van de grootden voor aan, en de klein den 

^ ach- 

O) Ene verdere befchryving van dezen vifch, en ook na alle vermoe- 
den oeszeifs belle afbeelding, vind men by den in de naaftvoorgaaiide aan- 
merking aangehaaldeu Köhne. 



i 7 8 BESCHRYVING van GROENLAND, 

achterwaarts ftonden , en , uitgebroken , de gedaante van een 
dikke komcomber hadden (o). Vermits aan dezen vifch het in- 
wendige van den kop het^ merkwaardigste , en voor dezen 
noch van niemand zo naarftig, dan van dien commandeur, op» 
gemerkt is, die den vorengenoemden predikant zyne aanmer- 
kingen medegedeelt heeft, zal ik een uktrekfel 'er van hier 
by voegen. Na dat de huid weggenomen was , werd het 
fpek ongevaar ter dikte van een handbreed gevonden, en daar 
onder een dik, taay, hard dek fel van vatte zenuwen , dat in 
plaats van een hanTenpan dienden : hierna volgde een twede af- 
zondering uitdergelyke zenuwen een handbreed dik, welke van 
den fnuit tot in den nek over dengantfchenkop uitgefpannen 
was, waar door hec eerde gedeelte van den boverf kop van 
deszelfs twede gedeelte gefcheiden werd. Die eerde kamer 
werd de klapmuts genaamt, en befluit de koftelyke ware, na- 
meiyk het zeer teder brein , 't geen ik niet ten onrechte Cere- 
helium noemen zal , en waaruit het befte Sperma Ceti vervaar- 
digt word. In die kamer bedaan de kallen of vaten uit een 
{toffe, die een dik floers gelykt.en uit dezelve had de fchipper 
7 quartelen van het koftelyk breinoli zeer heiier en wit ge- 
fchept ; 't geen op water gegoten als kaas runde en zamenliep, 
en , 'er van afgefchept , weder zo vloeybaar als te voren werd. 
Op die kamer volgt de andere , welke op het bovenfte gedeel- 
te van den bek ruft, en, naar de grote van den vifch, 4 tot 73 voe- 
ten hoog is. In dezelve word weder fpermatifch brein ('t geen 
ik Cerebrum noeme) in kleine vaten of cellen uit een ftofTe, 
de eyerfchalen niet ongelyk, en niet anders dan de Honig in 
de raten gevonden. En uit deze kamer kan men niet alleen 
het brein, zo veel 'er in is, nemen , maar zodra men dezelve 
ledig gemaakt heeft, verzamelt zich het Sperma uit het gant- 
fche lighaam door een grote ader langzaam weder in dezelve ; 
invoegen men het 'er uit fcheppen kan , welk alles wel eens 
1 1 quartelen bedragen heeft. Al de breinkafTen van de bei- 
de 




en de STRAAT DA VIS. If& 

de kameren zyn we] mee dunne vliesjens omfloten; doch door 
derzelver tedere gaatjens of pon ioopc van het brein een ge- 
ftadige invloed in de ogen , oren en andere delen. Ja een 
grote ader of buis (trekt zich onder den ruggraat van den kop 
tot aan den flaart uit, welke aan den kop de wytte van een 
mans lende , en achter by den flaart flegts van een vinger 
uitmaakt. Deze moet aan den gevangen Cachelot by het af- 
fnyden van het fpek en anderzints zorgvuldig in acht geno- 
men worden ; want by zo verre men in denzelven de geringde 
opening maakt, zoude al het Sperma ukvlieten. Die ader is 
de bron van de grote kracht , die in dat foort van vilTchen 
gevonden word, nadien uit dezelve vele honderden kleine va- 
tjens of buisjens hunnen oorfprong nemen, die het harfTenfap 
door den gantfehen vifch leid , en zyn vleefch , fpek , ook 
zelf het traan, 't geen 'er uit gekookt word, fpermatifch. 
maakt (/>). ^ r °ng is na de grootte van den vifch zeer klein, 
maar daar tegen de keel of Honk des te groter, en wel zo wyd, 
dat 'er een gantfche os bequaamlyk door kan ; gelyk dan ook 
in een maag allerly grote riften en graden, wel 7 of meer voe- 
ten lang van half verteerde fchepzelen gevonden zyn. Onze lie- 
den hebben van enen weleer 40 grote quartelen fpek geme- 
den. Het vleefch, 't geen zeer hart is, beftaat uit grove dra- 
den , en is met veel dikke en ftyve zenuwen doorvlochten ; 
gelyk dan ook deze vifch zeer weinig plaatfen heeft, waardoor 
een harpoen dnngen kan. Ik moet hierby noch aanmerken, 
vermits de natuurkundigen het tegendeel willen beweren, dat de 
wyfjens zo wel als de mannetjens fpermatifch brein in den kop 
hebben (q) 't geen ook alzints met de natuur overeenftemt, na- 
dien zy beide immers brein moeten hebben , en by geen fchep- 
zel het onderfcheid van het geflacht teffens een onderfcheid in 
den aart van het brein maakt. 

z * Doch 

(p) Een zeker verftandig en geloofwaardig fchipper heeft roy betuigt, by 
de ontdekking van den vilch hier en daar in het vleefch membraneufe fak- 
jens, met Sperma gevult, zelf gezien en befpeurt te hebben. 

Qq) K'óhne ib* §♦ iy. 




i3o BESCHRYVING van GROENLAND, 

Doch een foort met groter en breder Tanden zyn die op 
de kutten van Nieuw-Engeland gevangen worden. Men heet 
dezelve aldaar Sperma Ceti Whale (r) en by de Bermudis Trum* 
po (s). Hunne Tanden zyn (gelyk op de laatftaangehaalde 
plaats gezegt word) als de Tanden van een kamrad in een 
molen ; 't geen gewis een recht wel getroffen uitdrukking is, 
of gelyk den arm , daar hy aan de hand zit (f). Dudley (u) 
zegt, 'dat zy graauw van ver we zyn, een boggel op den rug, 
en een ry elpenbene Tanden van 5 of 6 duimen in den bek 
hebben. Hy fpreekt vaneen van 49 voeten , wiens kop 12 
tonnen Sperma Ceti gegeven had. De Traan uit hun fpek is 
klarer en zoeter , dan dat der WalvifTchen ; zv zyn veel tenge* 
rer dan deze, en wanneer zy gequetft zyn, werpen zy zich op 
de ruggen en verweren zich met den bek. Die vhTchen geven 
niet alleen het Sperma Ceti , maar ook het Amber , 't geen een 
nieuwe en zeer fchone ontdekking is , welke der ouden beuze- 
lary en twift, die men tot noch toe van deszelfs oorfprong le- 
zen mag , t'enemaat overhoop werpt. Ik zal uit de Philofophic. 
Transacl. No. 387 p. 267 het nodigde hier by voegen : ,, Het 
9 , Ambergries word maar alleen in de Sperma- Ceti- Whales ; 
„ dat is , Cachelotten gevonden , en beftaat uit ballen of ko- 
„ gelachtige lighamen van onderfcheide grootte van 3 tot 12 
„ duimen in haar diameter, die j| tot 20 ponden zwaar val- 
„ len, en in een wyden ey vormigen zak of blaas, welke 3 tot 4 
,, voeten lang , en twe of 3 voeten diep en wyd is, los ligt. 
„ De gemelde blaas heeft de gedaante van een olleblaas, noch- 
„ tans aan het einde fpitfer, of gelyk een lange blaasbalk, die 
„ de groffmeden gebruiken. Aan dezelve zitten twe buizen , 
„ waar van de een fleeds fpitfer in en door de gantfche lengte 
„ der roede gaat ; maar de andere hare opening in het ander 

„ ein- 

(r) Philof. Tramatt. N. 387. p. 2551. 

Cs) Philof. Transaft, N. 7. ƒ>♦ 132* 

(t) Hi habent diverfos dentes , qui ejus crajjiïiei fant , cujus carpus manu% 
bumancsy gelyk zulks in enen brief uit de Bermudes gefchreven in Epbe- 
werid^Nat. Curiof. f/V. loc p. 306 uitgedrukt word. 

(«) PbiloJ. Tramaft. N. 387. $ag* cit. 



en de STRAAT D A V I S. 



J8£ 



„ einde van den zak heeft , en van de nieren herkoomt. Die 
„ zak ligt recht over de tefticulen, die meer dan een voet lang 
„ zyn, en de lengte benedenwaarts tot aan den wortel der roe- 
„ de ongevaar 4 of 5 voeten onder den navel en 3 of 4 over 
„ den aars liggen. Dezelve is geheel vervult met een donker 
„ oranje verwige vochtigheid, die niet wel zo dik als een oly 
„ is, en dezelve reuk heeft , ja noch fterker riekt , dan de 
„ amberkogelen , welke 'er los in dry ven en zwemmen. Het 
„ inwendige van den zak is met dezelve verwe, welke die voch- 
„ tigheid heeft, fterk en donker , gelyk ook het canaal der 
„ roede , geverwt. Die kogelen fchynen , zo lang de vïfch 
„ levend is, zeer hard te zyn, dus dat dikwerf by het cpe, 
„ nen van den zak brede holle fcherven of fchalen, die van 
„ gelyke ftof en vaftigheid en van de kogelen afrefchilfert 
„ zyn, gevonden worden; de kogelen zei ven zyn aïs uit ver^ 
„ fcheide bedekzelen of fchorffen , de fchalen of huiden der 
„ uyen niet ongelyk, die de een de andere omvat, te zamen 
„ gezet. Nooit heeft men boven 4 kogelen in een zak gevon- 
„ den, en als men eens een van 20 pond vond , die de groot- 
„ (Ie was, welke ooit voorquam , waren geen andere meer in 
„ den zak. Dit Ambergries zoude maar alleen in oude volwas- 
„ fen viiTchen, en, zo men in 't algemeen meend, niet dan in 
„ de mannetjens gevonden worden ". Hier mede is het be- 
■flecht, dat het Amber in dit Walvifchfoort zvnen oorfpron^- 
neemt; doch wat het zy en waaruit het ontftaat , is noch zo 
zeker niet. Een geleerd man is van gevoelen, dat de meerge- 
melde zak de urinblaas en de amberkogelen een verdikking 
uit de vette en Hinkende deeltjens der daarin befloten vochtig - 
lieid zoude wezen,- vermits dezelve (bladz. i62),als zy eerft uitge- 
nomen worden, vochtig en van een ongemeen fterke en geen on- 
aangename reuk zyn ,• waarby ik ene kleinigheid, die weleer tot 
alleriy vragen en verkeerde antwoorden gelegenheid gegeven 
hebben, niet onaangeroert zal laten. In de Amberftukken wor- 
den dikwils kleine zwarte fpitfche fnavels gevonden, die glasach- 
tig en voor fcherven van gebroken moffelen of ïlakwormtjes aan- 
gezien zyn. Voor dezen heeft men dezelve voor fnavels van 

z 3 klei» 



iSb EESCHRYVING van GROENLAND, 

kleine vogelen gehouden , en daar uit zeldzame beiluiten we- 
gens den oorfprong van het Amber gemaakt; doch thans heeft 
de meergenoemde Dudley , lid van het kbninglyk groot -brit- 
tannifche genootfchap, getoont, dat die fnavelen van zekere 
kleine viïTchen zyn, Squid genaamt, welke dat Walvifchfoorc 
in menigte, als zyn meefte voedzel,inflokt. 

Ksempfer heeft ook van (jQ twe WalvifTchen melding ge- 
daan, die Amber in hunne ingewanden hadden, en op de kus- 
ten van Japan gevangen zouden zyn , waar van de ene Fian- 
firo en de andere Mokos heteden ; doch hy befchryfc dezelve 
niet, en wat hy anders daar van bybrengt , fchynt zeer ver- 
dacht. 

In den jare 1720 , den laatflen dag van dat jaar, gebeurde 
het, dat by een hevigen ftorm en zeer hoog water, een Cache- 
lot van dat foort op de Elbe geraakte, en, vermits hem door 
de 'er op volgende eb het water te veel ontliep , op de gron» 
den zitten bleef; als wanneer , nadien hy door het geweld der 
op hem {lotende baren gedood werd, het boerenvolk hem naar 
Wifchhaven , een dorp iets meer dan een myl van Stade gele- 
gen, ileepten, en van zyn fpek , zo veel men konde magtig 
worden , beroofden. Vermits geen natuurkundige zich ten 
dien tyde de moeite gaf, dien vifch te befchouwen en te ont- 
ledigen, heeft de natuurkunde het voordeel van die zeldzame 
gebeurtenis niet genoten , die zy had konnen genieten; onder. 
unTchen , op dat ook het weinige , 't geen ik gedeeltelyk uit 
het verhaal van die den vifch gezien hebben , gedeeltelyk uit 
nader befchouwing van de weinige ftukken , die van denzel- 
ven naar Hamburg gekomen zyn , heb konnen opmerken, niet 
verloren ga, zal ik het zelve hier aantekenen , in hope, dat het 
den natuurbeminnaren niet onaangenaam zal zyn. Zyne lengte 
was 60 tot 70, en zyne hoogte 30 tot 40 voeten, doch zy- 
ne geftalte , gelyk de afbeelding van een van zyn foort by 

Jon- 



(x) Hifiory cf Japan B* II. chap. 8 en Jppend. K p. 46 en vol- 

sende. 



en de STRAAT DA VIS. 183 

Jonfton Lib. K de pifcibus Tab. XLIL voordek , hoewel men 
zidi 'er in vergift heefc. De kop was na gelegenheid van den 
vifch ongemeen groot , en deszelfs bovendeel', tegen het on- 
derdeel gerekend , zonder evenredigheid , hoewel alleen na het 
uitterlyk aanzien , maar gewis niet na het wyze oogmerk van 
den Schepper ; want daarom heeft de kop van die vifch zo 
groot moeten zyn , op dat hy de ruime kas in zich zoude 
konnen befluiten, waarin hy de niet alleen tot zyn nooddruft, 
maar voornamelyk ook ter genezing van de menfchen (inzon- 
derheid in de ruwe noordelyke geweiten , alwaar de borftziek- 
tens menigvuldig zyn) zo noodzakelyke als nutte fchat van zyn 
brein in genoegzame menigte met zich dragen en bewaren 
moet; gelykdanook, als de gezegde boeren den kop onver- 
standig geklooft hadden , dat brein als een dikke vochtigheid 
er uitgelopen was, uit welke een apothekar alhier, die 'er iets 
van bekomen had, volgens de regelen der kunfl gemakkelyk 
het bede Sperma Ceti maakte. De onderkaak had aan de beide 
zyden 25 Tanden , die byna een fpan wyd de een van de an- 
der , en een weinig fcheef voorwaarts ingezakt zaten. Het uit 
den kaak gezaagde iluk, 't geen ik kogt, bevattede, zonder de 
huid en het fpek , een goeden voet in 't vierkant. Het tand- 
vleefch was,gelyk het verhemelte, fneeuwwit en van een zeer 
taay zamenweeffel als een paardenhoef, van boven met een 
gerimpelde en ingekerfde fchors bedekt , die zo vad was , dat 
men dezelve voor rotsachtig zoude hebben aangezien, waar van 
ik noch een ftukje in Liqueur tonen kan Als ik myn Iluk, om 
'er de Tanden te gemakkelyker uit te halen , in water op het 
vuur had doen zetten, had het 12 uren geftadig gekookt , aleer 
men het met een mes iets konde verwrikken ,°en het vleefch- 
achtige van het been los maken. Doch ten laatften werd het 
als gekookt ofTenverhemelt, doch zonder quade reuk of fmaak, 
zulks men het met een weinig zout zonder afkeer konde eten. 
De beide Tanden , welke ik 'er van bezitte , zyn de ene 61 
duimen lang, 8 duimen in de ronte dik , de andere 6% duimen 
lang, en in de dikte als de vorige , doch platter. Boven heb- 
ben zy een tamelyk brede vlakte ; doch die niet te meten is: 

(twe 




BESCHRYVING van GROENLAND, 

(twe jaren 'er na heb ik een veel groter Tand bekomen, die 
7 duimen lang en 8§ duimen dik en platachtig is , maar de- 
zelve meet van een andere en veel groter Cachelot , als waar 
van ik nu fpreek , gekomen zyn). Of achter in den boven- 
kaak enige Tanden geweeft zyn (gelyk uit het bovenaange- 
haalde gelooflyk is , doch door de fchippers gelochend word) 
daarnaar had men by dezen vïfch niet gezien, offchoon het 
van zelf in de ogen viel , dat de bovenkaak overal even zo veel 
groeven had, als zich in den onderkaak Tanden bevonden; na- 
dien dezelve, als de bek gefloten was, een ieder zich als in 
een fchede voegden. De ogen waren zeer klein , en het ge- 
droogt cryftallyne vocht was niet groter,dan dat der rechte Wal- 
viffchen /of als de kogel van een gemene vogelfnaphaan. Die 
vifch had over zyn lyf ten minden il handen breed fpek onder 
de huid boven over het vleefch gehad , waarna het boeren- 
volk alleen had getracht , en als zy het afgefneden hadden, om 
het tot Traan, 't geen toen zeer duur was, uit te branden, hier 
en daar verkogt ; doch men had hem niet geopent, veelmin naar 
zyn maag of ingewand gezien , maar vleefch en benen laten 
dry ven ; ook heb ik het genoegen gehad , dat de gehele ftaart, 
aan den rug afgehouwen, naar Hamburg gebragt,en voor geld 
getoont wierd ; waar door ik gelegenheid bequam , over den- 
zelven de een en andere aanmerkingen te maken. Dezelve 
was enigermaten driekantig , en zyn uitterfle rand in het mid- 
den als een halve maan , doch zeer weinig ingedrukt. Aldaar, 
namelyk aan het breedfte einde, was hy , van de ene fpits tot 
de andere gerekend, acht goede hamburgfche voeten breet, en 
op het midden gerekent 5 voeten en 8 duimen lang. Aan het 
einde, alwaar de ftaart aan den rug gezeten had, was hy in 
zyne ovale ronte 16 voeten 4 duimen dik. De huid was zwart, 
doch enigzints muisvaal, en met het zwoort gerekent op ver- 
re na zo dik niet , dan die der gemene Walviflchen , van 
buiten zacht gelyk fluweel in het bevoelen , en inwendig aan 
de vleefchzyde zeer gekerft. Het vleefch was verfch, fchoon 
root, doorgaans taayachtig of grofdradig , met vele zenuwen 
doorwaflen ; voorts zeer fterk en vaft,'t geen te meer nodig is, 

ver- 



en de STRAAT DA VIS, 



m 



vermits in den gantfchen ftaart gene benen zyn , maar flegts 
het uitterft einde van den ruggraat van if el, uit enige vier- 
kante allengs kleiner wordende zachte wervelbenen beftaan- 
de , zich in den ftaart uitftrekt , waar door alle beweging van 
denzelven naar vereifch verricht worcL My dunkt , dat de 
vaftheid van het vleefch aan dezen Cachelot daaruit was af te 
nemen i dat het zelve, onaangezien het weer toenmaals voch- 
tig en zacht wns , nochtans enige weken zonder verrotting 
duurde, en ook geen walchelyken (tank van zich gaf, offchoon 
het, om 'er noch enige Traan uit te trekken, met het fpek 
gekookt was. De daaruit gekookte Traan brande in de lamp , 
zonder ftinkenden damp, met een zo helle en reine vlam, als een 
witte wafchkaars. Dat de fchone breinoli zich door den gant- 
fchen vifch verfpreiden, en denzelven door en door fperma- 
tifch maken moet-, heb ik overtuigend konnen befluiten , ver- 
mits men my uit de uitterfte ftukken van zyn ftaart , waar 
mede ik het deed beproeven, goed zuiver Sperma Ceti, offchoon 
in geen grote menigte , hervoort bragt. Uit de overgebleven 
kanen (y) had men voortreflyk lym gekookt (s). 
, §. XLVII. Het twede , doch veel zeldzamer, dan het JX#Tvve- 
eerft, voorkomend foort der Cachelotten, is dat, welk de' foort 
smaller is , en rechte boven fpitfe Tanden heeft. Balcena^ Ca- 
macrocephala in inferiore tantum maxilla dcntata , dentibus acutis } ^ helot " 
humanis non prorjus abfimilibus , fmnam in dor/o habens. Vermits 
zodanig een Cachelot , of Cazilot door de Bremers ongevaar op 
de hoogte van 771 graden gevangen, en door den Heer de Ha- 
ze (a) wel befchreven is , zal ik my van deszelfs naricht bedie- 

Aa 



nen. 



(j) Dat is het zenuwachtige , 't geen na de uitkoking van het' vet te 
mg blyft. Creminm eft , quod remanet in patella aridum 'de camibus poft 
pinguedmem liquefa&am. Joh. de Jenua in Cathelica. 

(2) Men kan tegen 't geen van dezen Wnlvifch gezegt is, naflaan , 't 
geen Zorgdrager Opkomft der Groenlandfe Fifchety, op het einde van biadz. 
284 van den Potvifeh of Cachelot meld. 

O?) Een 7.eer beroemd natuurkundige en berucht profeiïbr en predikant 
te Breinen, in zyne zeer geleerd befchreven Dhquifitio de Leviathan Jobi 
& ceto Jon<e. -Brem. 1723. 8. 






j8ó BESCHRYVING van GROENLAND, 

nen. Die vifch was 70 voeten lang , hoewel men 'er ook 
van 80, ja 100 voeten heeft, die gevolglyk groter dan de 
eigentlyke Walvifïchen zyn. Zyne verwe was donkergraauw 
(nigrkans) , onder den buik allengs witachtig. De kop groot 
en verfchrikkelyk, den kolf van een fnaphaan, of het voorfle 
deel van een fchoenleeft (waar van de afbeelding te zien is) 
redelyk gelyk , en maakte byna de helft van het gantfche lig- 
haam uit. Voor aan het uitterfte gedeelte van zyn voorkop 
had hy maar ene opening , waar uit hy water blies. Hy had 
geen zo brede ook zo wyden bek als de Wal vifch, maar een 
veel wyder flonk, vermits dezen vifch een gantfchen Hayvifch 
van 12 voeten lang weder uitgefpogen had. De onderbek , 
die, tegen het bovengedeelte te rekenen, niet groot was, was 
echter op zich zelven niet klein, want het blote been van de 
onderkaak hield 162 voeten, die achter wyder was , doch al- 
lengs fpits toeliep. Hy had 52 grote boven fpits toelopende 
Tanden , de menfchelyke niet ongelyk , die gelyk de tan- 
den in een zaag ftonden , en ieder 2 ponden wogen. In den 
bovenbek waren even zo veel gaten , waarin dezelve , een ie- 
der als in zyn eige kas of fchede, floten, en ook de gantfche 
onderbek zowel in de bovenfte pafte , dat hy door dezelve t'e- 
nemaal bedekt en in gevat was. De ogen waren glimmend en 
geelachtig, doch klein, gelyk by de andere Walviflchen. De 
tong fpits, rond en vurig, hoewel na de grote van den vifch 
maar klein. Naaft aan den kop zaten twe vinnen, waar van 
ieder flegts i§ voet lang , doch in ieder been der vingeren 
7 gewrichten of leden waren, daar in die der WalvhTchen flegts f 
gevonden worden. Boven op den rug ftond niet alleen een ho- 
ge boggel , maar ook naby den flaart een kleiner , gelyk een 
vin. De huid was naauwlyks een halve vinger dik, doch; ver- 
mits zy over een zeer vaft zenuwachtig vleefch gefpannen is , 
ondoordringelyk, weshalven de vifch alleen op weinig plaatfen 
met den harpoen gewond kan worden. Uit zyn kop had men 
10 quartelen brein gehaalt , 't geen gewis niet weinig is , en 
daar van Sperma Ceti gemaakt. 
X. Derde §. XL VIII. Het derde en allerzelzaamfïe foort der Ca- 

CHE« 



en de STRAAT DAVIS. 



187 



chelotten is dat fmalle , kromme en fikkelvormige Tan- foort der 
den in de onderkaak heeft. Balana macrocephala , in inferiore Cache - 
tantum maxilla dentata , dentibus arcuatis falciformibus^pinnam in loltQn ' 
dor/o habens (b). Van dat foort ftrandeden den 2. december 
1723 by een geweldigen ftorm en ongemeen hogen water- 
vloed 17 in den mond van de Elve op de zee-banken by 't 
zogenaamd nieuw werk voor Ritzebuttel op hamburgfch grond- 
gebied. Doch dewyl ik van dezelve niets ter opmerking by- 
brengen kan, dan 't gunt de toenmalige amptman en raadsheer 
L**n in liters ad AmpL Senat. meld , zal ik daarvan een uittrek- 
zel alhier mede delen, nadien noch geen fchryver, zo verre my 
bekent is, 'er van iets aangetekent heeft. 

,, Dat die van Cuxhaven, wanneer zy om de Scharhoren by 
„ Oftertill_ gekomen waren , op het winterzand veertien en 
„ noch enige van 't zelve foort , in alles zeventien grote vis- 
„ fchen vonden , welke men Cachelotten noemt , en die in 
„ alle delen overeen kwamen met de afbeelding , die Zorgdra- 
3 , ger in zyne Groenlandfche Vijfcbery bladz. 162. van enen 
„ geeft. Van deze Viffchen was de helft van 't mannelyk en 
„ de andere helft van 't vrouwelyk geflacht ; zulks men meen- 
„ de, dat zy uit geilheid , en om op de lage gronden te fpe- 
„ len , derwaards gekomen waren , doch door de eb en ooften 
„ wind overvallen zynde, hadden moeten flranden. Bydeaan- 
„ komfl van die van Cuxhaven , fcheen het , als of aldaar zo 
„ vele kleine hollandfche fmak-fchepen lagen , waarby zich 
„ hunne fchuiten flegts als boten vertoonden. De lengte der 
„ viffchen was 40 , 50, 60 tot 70 voeten , en dewyl zy op 
„ hunne zyden lagen , konden 8 mannen in een gelid op dezel- 
s , ve Haan. Hun kop was boven de ogen de grootfte bak- 
„ ovens gelyk. De vinnen, ftaart en bovenkaken quamen in 



Aa 2 



al- 



(F) Sibbald heeft van enen gewag gemaakt, die dezen zeer gelyk, doch 
niet zo groot was, en in plaats van de vin een lange flosveder had. Ba- 
lana major in inferiore tantum maxilla dentata , dentibus arcuatis faki- 
formibus fpinam prs pinna longam in dor/b habens* 






I 







i88 BESCHRYVING van GROENLAND, 

„ alles met de gemelde afbeelding van Zorgdrager overeen. De 
„ or.derkaak, die iets korter, dan de bovenkaak, en van gelykè 
,, breedte van ontrent 12 duimen, en van voren rond was, had 
,, 42 Tanden, welke uit de kaken ontrent een vinger langfta- 
,, ken, en als een kegel, of veelliever wolfstand , onder 2 vin- 
,, geren dik, in een gekromde fpits toeliepen , en ook in de ka- 
„ mers en kallen der bovenkaak floten. Deze viiTchen lagen 
„ alle op ene zyde, met den kop naar het noorden , en naait 
„ ieder mannetje een wyfje , en werden by de aankomfl: van 
„ die van Cuxhaven noch zo warm bevonden , dat zy eerft 
„ dien nacht geftorven moeften zyn. Hunne Ver we was 
bruin, hun Huid een halven vinger dik, hun Spek, de* 
„ wyl het noch zo verfch lag, by enigen een quartier , by 
„ anderen 2 quartieren dik , en zo wit, dat men het, zo het 
,, onder varkens - fpek gemengt geweeft ware, niet zoude heb- 
„ ben konnen onderfcheiden. Naar de mening van enige Groen- 
„ landsvarers, zoude zulk een vifch, wanneer zyn fpek aan 
,, beide de zyden had , konnen afgefneden worden , 40 tot 
„ 50 quartelen gegeven hebben. Uit den kop hadden enigen 
„ 4 , 5 en meer tonnen breins of raauw Sperma Ceti getapt , 
„ en noch niet alles 'er uit halen konnen. Doch dewyl de 
,, vifch niet omgewend kende worden , hadden de fpekfny- 
9J ders denzelven moeten verlaten en aan den vloed overge- 
„ ven , die hen alle van een gedreven had enz. 

Hier by moet ik noch voegen , dat de kromme Tanden , 
welke ik van dezelve bekomen heb , 7| duimen hamburgfch 
lang waren, en onder aan het dikfte einde 7 duimen in de rond- 
te. Doch die vhTchen hadden , 't geen noch door niemand op- 
gemerkt is , gene loutere fpitfe oogtanden , maar vermits de- 
zelve tot kaauwen niet bequaam zyn , achter noch enige (ik 
weet niet hoe vele) baktanden van 5 duimen. Dezen zyn ook 
wel een weinig in de gedaante van een halve maan , doch. in 
het midden 43 en boven 3 duimen in de rondte; ook loopt hec 
boven einde niet in ene, maar in verfcheide ongelyke fpitfen 
en oneffenheden toe, op dat zy in 't kaauwen de fpvze des te 
beter vermorzelen en vermalen konnen. Of deze viflchen ook 

ach. 



3* 



_ ^*- 







3tad^z. 




Ctfy Tieefh go ^Zccrukn. in, de onderste hrn 
oakkerv; d>oeA/ irv de ooyeTiste alleerv zo 
veel-tatert/, waar' in/ de/J&ndenneé Sluiten. 



36 -vwt&ny cU& wa<r . 



i 



m 



endeSTRAATDAVIS. 189 

achter in de bovenkaak enige baktanden hadden , heefc men 
my niet konnen zeggen, lichter twyfFele ik daaraan geenzints, 
vermits andere Cachelotten met dezelve voorzien zyn, en hun 
nooddruft zulks fchynt te vorderen, nadien de onderbaktanden 
zo veel korter , dan de oogtanden zyn , mitsdien niet tot aan de 
bovenkaak reiken, en derhalven, ten ware anderen van boven 
hun te gemoet en te hulpe komen \ buiten Haat zyn , het groot 
geweld , 't geen tot kaauwen vereifcht word % aan te wen- 
den. In den jare 1738 wilde het geval , dat niet verre van 
St. Peter, in het eiderftandfche, een Cachelot flrande,die in, de 
onderkaak voor aan den fnuitene, en op iedere zyde 25, dus in 
alles 51 fikkelvormige Tanden had. Dezelve was 48 voeten 
lang, 12 voeten hoog , en op zyn dikft in de rondte 36 voe- 
ten ; had achter op den rug naby den flaart een knobbel van 
4- voeten lang en anderhalf voet hoog. De vin was 4 voe- 
ten lang en anderhalf voet breed, de flaart 12 voeten breed, 
het luchtgat i£ voet lang* en het mannelyk teellid aan het lyf 
i| voet in de rondte. Ik ben een tekening van denzelven mag- 
tig geworden, welke ik, zo zy is, alhier mededele. 

J. XLIX. Het laatfte Walvifchfoort, dat alleen onder Tan- XL De 
den heeft , is de Witvisch , albus pi/cis cetaceus Raj. Ik^it- 
wilde zetten : Balana minor alba in inferiore maxilia tantum den- Vlfch * 
tata Fine pinna in dor/o (c). Dezen worden in de Straat Davis 
in den zuidbocht gevangen, zyn den rechten Walvifch tamelyk 
geiyk , uitgenomen dat hun kop veel fpitfer is ; hebben ook 
den bult aan den kop gelyk de Walvifch , insgelyks gene vin- 
nen op den rug, maar wel aan ieder zyde ene, die tamelyk 
lang is. Hun flaart koomt ook overeen met dien van den Wal* 
vifch. Men zegt , dat zy maar een blaasgat hebben ; doch in 
de hariTenpan, die ik bezit, zyn duidelyk 2 gaten. Echter zou- 
Aa 3 de 



(c) Sibbaid heeft aokwel enen in zyne befchryving, doch die van den 
onzen zeer onderfcheiden is , nadien de zyne een ronden , doch de on- 
ze een fpitfen kop , de zyne neusgaten , doch de onze een blaasbuis 
heeft. Dierhalven heb ik ter onderfcheiding het bywoord alba 'er inge- 
voegt. 



■XII. 

Pot- 

vifch. 



190 BESCHRYVING van GROENLAND, 

de het konnen wezen , dat zy boven in een vleefchachtige buis 
te zamen lopen , en dus maar enen ftraal uitwerpen. Hun- 
ne verwe is geel wit, waarom zy door de Groenlandsvarers Wit- 
viffchen genaamt worden. Hunne grootte is 2 of 3 mans leng- 
te ; doch zy hebben flechts een of 2 quartelen fpek in , en dat 
daarenboven noch zo week, dat den ingefchoten harpoen 'er 
dikwerf weder uitflipt. Hierom geeft men zich zelden de 
moeite, jagt op hen te maken (d): dcch men ziet hen zeer 
gaarne, vermits men hen, wanneer zy zich in menigte ver- 
tonen , voor een teken van een haaft aanftaande goede Wal- 
vifchvangft houd. Uit het been van den kop,'t geen ik mag- 
tig geworden ben , heb ik opgemerkt , 't geen door niemand 
aangehaalt is , dat zy onder in den muil aan iedere zyde agt 
kleine, een weinig gebogen , boven ronde en platachtige Tan- 
den hebben , die gelyk als op den rug liggende in de kaak fte- 
ken. Ik heb met vlyt nagevorfcht , doch kan gene kenteke- 
nen vinden , dat zy in de bovenkaak ergens enige Tanden 
of achter aan enige baktanden hebben , gelyk ook gene der 
groenlandfche fchippers , welke ik 'er na gevraagt hebbe , zich 
herinneren konnen , dergelyken in de bovenkaak opgemerkt 
te hebben. Het fmert my, dat myne harflenpan, gedurende 
den tyd , dat ik op reis geweeft ben , zeer befchadigt gewor- 
den is ; zulks ik daar van gene volkome aftekening heb konnen 
laten maken , noch dezelve alhier mededelen- 
De §. L, Nu zyn noch overig die Walvifchfoorten, welke bo- 
ven en onder in den muil Tanden hebben. De 23ut5Hopf/ 
by de Hollanders Puts kop of Potvisch, by de Engel- 
fchen Grampus, FLouNDERs-HEAD,Raj.en by de Schot- 
ten Northcaper (gelyk Sibbald aanmerkt) genaamt, Or- 
ca Bellon. & Rondelet. Poreus marinus major, Gefner. ; by my: 
Balcena minor utraque maxilla dentata y pinnam in dor/o gerens. De- 
ze heeft een zwarte en donker bruine gladde huid en is 
wit onder den buik. Zyne lengte ftrekt zich uit tot 20 voe- 
ten, 



00 Zie Martens Spitsberg. Reife, Part. IV. c. 6. n. ?♦ 



en de STRAAT DAVIS. 



ior 



ten , en geeft 15 , zomtyds ook meer quartelen fpek. Zyn 
kop is van voren bot, dat is ftomp, gelyk als zich een om- 
gekeerde boot van voren, of als een pot vertoont, waar van 
hy by de Neder-Saxen en Hollanders den naam draagt; doch 
hy heeft een muil of fnuit , die een weinig uitfteekt, van 
voren en achteren even dik , en waar door hy van het Zeevar- 
ken of den Tonyn onderfcheiden is, wiens fnuit van achte- 
ren dik is, doch naar voren fpitfer toeloopt. Zyn lighaam is 
Hechts kort. Hy heeft, zo men my verzekert, vier Tanden 
aan iedere zyde, en enige baktanden; doch boven flechts klei- 
ne Tanden; voorts een blaasgat in den nek, op den rug een 
grote vin gelyk het Zeevarken , en twe voorde vinnen , als 
die van den Wal vifch, dien hy ook in opzicht tot den ftaart 
gelyk is (ff). 

5. LI. De Bruinvisch , het Zeevarken of de To-xni. Ds 
nyn, gelyk Martens wil, by de YHanders ©uwbual of TOi- Bruin - 
ting, by de Denen Brane^op / om zyn plompen kop , en vifch * 
&pvm$pual/ dat is Springer , by de Franfchen Marfouin of 
SoJ/teur; by de Engelfchen Porpus of Por pejje ; by de Schotten 
Seapork; by Rondelet en Gefner. Phoccena ; by Bellon. en Sca- 
lig. Phocamaof Turfio; by Schoneveld Delphinus Septentrionalis, 
en by my: Balana minor , utraque maxilla dentata, pinnam faU 
catam in dor/o habens. De verwe van dezen vifch is zwart op 
den huid, wit aan den buik, en zyne lengte van ? tot 8 voe- 
ten. Volgens Willughby heeft hy het blaasgat op den kop, en 
koomt hierin, gelyk ook in 't opfperren van den muil, naaf! aan 
den Putskop , behalven dat de fnuit meer naar een varkensmuil 
gelykt. De muil zit boven en onder vol fcherpe kleine Tan- 
den. De rugvin, die midden op den rug ftaat, is naar de kant 
van den Haart als een halve maan uitgeholt. De buikvinnen 
zyn gelyk die van den Wal vifch, zo ook de ftaart, behalven 
dat hy denzelven m de gedaante van een fikkei heeft (ƒ ). 't 

Geen 

■(O f ie Martens Spitsberg. Reife, Part. IV. c. 6. n. 4 

(O Zie Mariens d. I. cap. 6. u. 3. Willughby Hifi, Pi/c: JJb. II. cap, 

3° 





i 9 2 BESCHRYVING van GROENLAND, 

Geen voorts in dezen vifch aanmerkelyk is, vind men in de 
ltefchryving van Yfland bladz. 83 en volgende. 
. K LH De Dolphyn, of, gelyk hem onze fchippers in de 
w Noord-zee noemen , Zummder I en de Hollanders Tuime- 
laar, van tuimelen of fpringen (g)'t geen hy inzonderheid 
doed /wanneer onftuimig weer aanftaande is. Delpbinus ar> 
üaJimu de Dolphyn der ouden, by de Noorwegers pftgft 
ceheten; kan ook genaamt worden: Balena minor -utraquemax- 
)lladcntata, d«fo pinnato , WW*/«f», ^**&? 
het Zeevarken zeer gelyk, behalven dat de fnuit van den Dol- 
phyn meer vooruit fteekt en fnavelachtiger is. Hy is van vo- 
ren dik, van achter fmal , heeft twe blaasgaten , doch boven 
het voorhoofd een opening in de gedaante van een halve maan, 
waar in de beide ftralen zamenlopen , en door ene pyp m een 
zweren ftraal opgedreven worden. De vm op den rug is hoog 
na mate zyner pootte, de Maart ligt horizontaal, als die van 
den Walvifch (% De noordelykfte Noorwegers maken een 
foort van Cavhr van zyne eyeren. In de weftzee «de Dol- 
phyn alomme fmaller, en den fleur (behalven dat de fnuit van 

dezen re fpits is) zeer gelyk. 
YV n / §. LIIÏ. De ZwAARDviscHderGroenlandsvarers die 

lL?d- noch door niemand , zo veel ik weet befchreven is. Ik ver- 
vifch. ftoute my, hem te noemen: Batena minor utraque niaxilla den- 
tata , phnam gladio curvo fimilem in dor/o habens. Deze vifch 
heefteen ftompen kop, gelyk de Putskop o ^otvifch, en den 
muil vol kleine doch fcherpe 1 anden ; blaaft water , en heef 
™en horizontaal liggenden (taart, gelyk de Walvifch. Aan het 

a in de Memoires du Chevalier d'Arvieux Tom. III. pag. 400. word ge- 

ter is de afbeelding en 'ontleedkundige Ilcfchryvins van den Meer Dr. 
Kutmus in Supplem. ï. Mor. Vratiflav. art. 1 1. 



en de STRAAT DAVIS. 193 

einde van zyn rug zit het zogenaamde Zwaard of de Sabel, waar 
van hy zyn naam draagt (i). Het is if tot 2 ellen hoog , een 
half el tot 3 vierdedeel onder aan den rug breed , doch boven 
veel fmaller , naar de kant van den ftaart tamelyk terug gebo- 
gen , dik en krom ; zulks het veeleer een gekromden enigzints 
ipits gehouwen paal gelykt, daarenboven noch met de huiden 
het zwoort oveftogen, gevolglyk ten enemaal onbequaam , om 
't zy den Wal- 't zy enigen anderen vifch daar mede een (leek 
of fnede toe te brengen, Echter kan hy hem met den muil 
genoeg befchadigen; te weten dus: enigen van hun (want zy 
gemeenlyk by kleine fcholen zwemmen) rand den Walvifch 
aan^beangftigen hem, en fcheuren hem gantfche (lukken uit 
het lighaam , waar door hy zodanig afgemat en verhit word , 
dat hy den muil enigzints opfpert , en de tong , zo veel hy 
kan, uitfteekt. Naar deze fchieten zy in een ogenblik, ver- 
mits het hun daarom het meed te doen is, en zy anderzints 
weinig of niets van den Walvifch eten , of , uit hoofde van 
de dikke huid, iets van zyn vleefch affcheuren konnen. Doch 
fchieten, zodra hun doenlyk is, hem in den muil en rukken de 
tong geheel uk, van waar het koomt , dat onze lieden nu en 
dan een doden Walvifch vinden , die van zyn tong berooft en 
daar aan geflorven is. Onze Groenlandsvarers zien die Zwaard- 
viflchen menigwerf by Spitsbergen , ook in de Straat Davis, 
alwaar zy 10 tot 12 voeten lang worden. Zomtyds zyn ook 
wel kleinen of jongen zelfs by Bilgeland gezien. Men kan hen, 
om hunne grote gezwindheid,onmogelyk vangen, ten ware men 
een jongen met een fnaphaan treffen konde. Een ervaren fchip- 
per , dien ik vroeg , tot wat nut hy meende dat den vifch die 
paal (trekken konde, oordeelde niet onwaarfchynelyk, dat hem 
dezelve in 't zwemmen tot fluiten of ophouden en diergelyke te 
ftade koomt. 

Ik twyffele geenzints, of de op de kutten van Nieuw-Enge- 
land zich onthoudende , en door de Walvifchvangers aldaar zo 

Bb 

(O Voeg'erby, Befchryving van Yfland, bladz. 85, j 



ge- 




194 



BESCHRYVING van GROENLAND, 



i ; 






genaamde Killaers (k) dat is Walvis ch- doder s, zyn de* 
zelve zo even door my befchreven Zwaard viffchen , doch 
daaromftreeks van een groter flag , namelyk van 20 tot 30 
voeten lang. Want van hun word gemeld, dat zy in beide 
de kaken Tanden hebben , die in elkander fluiten, en hun een 
vin van 4 tot 5 voeten hoog tegen 't midden van den rug 
zit: Zy zwemmen altoos by fenolen van een. dozyn met el- 
kander, en vallen den jongen WaivifTchen als de Bulhonden 
een te vervolgen Stier aan. Enigen hechten zich aan zyn 
ftaart , om hem het flaan met denzelven te beletten, terwyl 
anderen zyn kop aandoen, en hem daar aan byten en flaan, 
tot het arme dier , dus verhit , de tong een weinig uit- 
fteekt, waarop als dan enigen zyne lippen, en, zo moge- 
lyk , zyne tong trachten te grypen. Wanneer zy hem ein- 
delyk gedood hebben, vreten zy voornamelyk van zyn tong 
en kop ; doch verlaten hem , ^zodra hy begint te ftinken. De- 
ze Killaers, of Doders,zyn van een zo onverwinnelyke fterk- 
te, dat wanneer enige floepen met elkander een doden vifch 
voortliepen , een enige dier Doders , welke 'er zyne Tanden 
in zet, vermogende is, den Wal vifch in 't ogenblik weg en 
met zich naar den grond te rukken. Zomtyds heeft men de- 
ze vhTchen gevangen en goede traan van hun gemaakt. 
Van 2 §.L1V. Eindelyk zal ik van noch twe viervoetige Ze e- 
viervoe- D ie ren fpreken, namelyk van den Walrus en den Zeehond, 
tige Zee- of Rob> 

De Walrus (0 Rosmarus, is den Zeehond in geftalte des 

lig. 



Dieren. 
1. Van 
den Wal 
ras. 



f/O Zie Phüof. TransaÜ. N. 587. p. 265. 

(/) Dat is Zeeros , of Zeepaard, gelyk hem de Engelfaxen 
j?0ré 2Bba( Qab %0ï$/ equus , Sax. $oré ftve £)tê / Allem. fiers & 
2DM/ Wall cete) geheten hebben. De Ruflchen noemen hem Qïïorfs / 
de Engelfchen Seakow y de Franfchen Vache marine , en die op de Noord- 
americaanfche kuilen, alwaar hy in menigte gevonden word \ Vacbe mw 
rine of ook wel Béte d la grande Dent. ZieDioayf. Defcription dacotesde 
CAmerique Septentrion* Pol. H.pag. 256. De Hollanders, welke naar Groen- 
land varen, heten hem Walrus of Wal ros ', doch anderen, die in 



EN de STRAAT DAVIS. 



W 



lighaarns zeer gelyk; doch groter, dikker en zwaarder (m). Zy 
hebben vier poten of (zo onze zeelieden dezelve ter onderschei- 
ding noemen) Vlaaxm (n) welke niet zo zeer dienen om te 
gaan, als wel tot zwemmen, gelyk dan ook de vingeren of 
tonen alomme met een huid bedekt en tuflchen aan gevulc , 
doch van voren met klaauwen gewapent zyn. De huid is 
een duim dik ; de hairen zyn kort, wreed , bruin en bruin- 
geel ; de kop dik , plomp en van voren plat. Aan het voor- 
hoofd heeft hy twe blaasgaten. De mui) is met dikke flyve 
borftels als een baard voorzien. Hy heeft drie Tanden on- 
der en vier boven. Behalven dezen fteken ook uit de bo- 
venkaak noch twe lange een weinig gekromde fchone Tan- 
den, welke de befte Elephants Tanden in hard- en witheid 

Bb 2 over- 

de Indien gereift en hier of daar dergelyken gezien hebben, noemen de- 
zelve Zeeleeuwen; doch ten onrechte: want de Zeeleeuwen veel kleiner 
oogtanden hebben , en veeleer een zoort van grote Zeerobben of Zee- 
honden zyn, welke met den kop en de gele verwe van het lighaain den 
Leeuwen gelyken. 1'alentyn Befcbryving van de Kaap bladz. 125 (in zyn 
groot werk van Ooft Indien) Kolbe in zyne Befchryving van dat voor- 
gebergte 1. deel bladz. 242, en de Anonymus of naamloze, door Hazaus 
in zyne Dif. Philolog. VII. §. 12, aangehaalt. De Manati of ' Lamantin* 
gelyk de Franfcben (preken , in de Wed- Indien, heeft veel overeenkom!! 
mee den Walrus , en is met hem van enerley gellacht. 

(jiï) Beft heeft van deze Zeedieren gefchreven Mariens in zyne Spits- 
bergf. Reife Part. IV. cap. 4. n. 5., alwaar hy een tamelyk goede af- 
beelding van dezelve geeft. De oude Noorwegers en Yflanders hebben 
niet alleen uit zyne lange Tanden heften van meflen , geveften van de. 
gens enz. gemaakt , maar ook uit de dikke en taye huid riemen toe 
fcheepszeilengefneden; gelyk de oude Ohtherus zulks iu zyn Periplus door 
Bafaus uitgegeven § 5» en aldaar in de aantekening verhaalt. Dezelve 
Ohtherus zegt ook §. 6. dat de fchatting, die de Finnen ten zynen tyde 
hunnen Koning gaven, beftond on toom feta a\\\> on fitgelrt fetfcerum an& 
%m\tê bane ant> ou t&em f&ip rapttm fyc beotf) of frtafeg &pbe gcworèt anï> 

S)f feofeg. Dat is : in dierenvellen , vogelvederen , walvifchbaarden en 
fcheepszeilen, die uit Hual- (waaronder hy den Walrus verftaat) en Zee- 
honden-huiden gewerkt en bereid werden. 

(V) Vleugelen, van het Saxis woord £j(aftl / waar van het DiminuïU 
vum Vlerken by de Hollanders gebruikelyk is, en vleugelen van vo- 
gelen betekent. 









n 



II 



BESCHRYVING van GROENLAND, 



overtreffen, Zy zyn niet recht rond, maar platachtig, ook niet 
gantfch glad , maar een weinig ruuw. De rechter Tand is 
altoos een weinig langer en groter dan de linker. Dewyl de- 
ze Dieren niet beftendig in het water 'duren konnen , maar 
dikwerf te land moeten komen , doch inzonderheid fteile klip- 
pen en afgebroken ysvelden zoeken, waarop zy met hunne kor- 
te en zydtwaards zittende poten onmogelyk klimmen , noch 
hunne zware en logge lighamen na zich {Iepen konnen ; heeft 
hun de alwyze en goede Schepper deze lange Tanden gege- 
ven , om dezelve in den grond of het ys te liaan , en zich 
dus op en over het gladde ys te trekken. Vermits daarenboven 
hunne fpyze een zoort van Moffelen zyn , welke wel een half 
el en dieper in den modder fteken, dienen hun ook die uitfte- 
kende Tanden als tot fnavels, om den modder aan een kant te 
floten en de Moffelen 'er uit te halen. Eindeiyk konnen zy zich 
met dezelve geweldig verweren en vervarelyk rondom- zich 
houwen. Na hunne grootte is ook , gelyk niet zwaar valt af 
te meten, de grootte en lengte hunner Tanden gevormt, Myn 
zal. vader was eens een paar magtig geworden , welke ieder 
2 paryfche voeten en een duim in de lengte, en aan het dik- 
fte einde 8 duimen in de rondte hadden ; hoedanige ikzedertdien 
tyd nergens meer gezien hebbe. Ik bezit noch een van dezel* 
ve; doch heb den anderen onlangs , om zyne zeldzaamheid , 
aan een voornaam heer voor het keizerlyk kunft Cabinet ver- 
eert. Zeldzaam is het te vinden, die recht grote, en noch zeld- 
zamer , die twe volkome en gezonde Tanden hebben. Voor 
vele jaren heb ik een gantfchen tamelyk groten kop van een pa- 
ryfchen voet en ioi duimen, niet alleen met 2 gezonde Tan- 
den , maar ook met het vleefch en de huid , in pekel gezouten, 
bekomen. Dewyl hy dus niet lange goed te houden was , deed 
ik hem afkoken , en heb de benen van dien kop noch in myne 
geringe verzameling hangen. Hiervan een afbeelding. Wat 
aan hem eetbaar is , heeft Martens aangemerkt. Een com- 
mandeur heeft my eens gezegt, dat hy met zyn volk van de 
Bieren gegeten had , en zy alle daar van bedwelmt in 't hoofd 

ge- 



en de STRAAT DAVI& 



197 



geworden waren , 't geen echter niet lange daar na met zwa- 
re hoofd pyn verdwenen was. 

g. LV. De Zeehond, Phoca , gemeenlyk Robbe , ook 2, Vm 
wel Satyuufc/ by de Denen Sdll)un£> ;< by de Noorwegers den Zee - 
Krtabe; by de Engelfchen Seal of Sealhund; by de Franfchen hond * 
J^Vaa <fe jwer ; in Noord America Loup mcmn , en by de Groen» 
landers pufa genaamt , word tamelyk wel by Martens (0) 
befchreven en afgebeelt, is daarenboven een zeer bekend Dier. 
In het jaar 1724 bekwam ik een kleinen opgezetten Zee- 
hond, die in de Straat Davis gevangen was. Zyn kop was 
klein , maar natuurlyk gelyk die van een Hond , welken men 
de oren glad afgefneden heeft. Hy had enige baardhairen , 
gelyk een knevel , die glad , ftyf en op een gantfch zonder- 
linge wyze gedraayt zyn. De bovenlip floeg een weinig o- 
ver de onderlip. De hals was dun en weinig langachtig; doch 
het eigentlyk lighaam kort, van voren dik met een brede borft, 
achterwaards veel fmaller en geheel ipks uitlopende. Zyne 
vier poten waren kort, en in gedaante als ganze poten; had- 
den gene Benen , maar Hechts gelyk een dikke lap van ruig- 
hairig leder. Aan de voorde poten waren 5 iange zwarte 
klaauwen , welke met de fpitzen uit den voorden rand van 
't vel een weinig vooruit ftaken. De poten zelven waren zon- 
der benen , en zo kort , dat wanneer hy op het land lag , hy 
uit hoofde der rondheid van zyn buik dezelve flechts even roe- 
yen en een weinig naar voren liaan konde, gelyk hy zich dan 
ook kommerlyk, offchoon gezwind genoeg, voortfleepte: want 
zy eigentlyk tot roeyen en zwemmen in 't water gefchapen 
zyn. De achterfte poten {tonden achter uit , en wel de bre- 
de einden perpendiculair als de (taarten der viilcben. Zyne 
hairen waren kort en ftyf. Over den rug had hy bruine 
ftrepen en vlekken ; voorts was hy graauw wit en onder aan 
den buik geel. De ftaart was niet langer, dan de ftomp van 
een Ree. Ik heb. dit Dier een weinig naauwkeurig gemeten , 

Bb 3 ten 

(0 Spitsbergf. Reife c, u »• 4, 



, i ■ 










ï 9 8 BESCHRYVING van GROENLAND, 

ten einde het by gelegenheid tegens anderen van elders in zee 
te vergelyken. Het gantfche Dier was van de fpits van zyn 
fnuit tot aan de bovenfpits der vleugel aan de achterfte poot 2 
paryfche voeten 4 duimen lang ; de kop enkel 3§ duimen lang, 
en boven over dwars 2f duimen breed ; de hals 2| duimen ; de 
dikte of hoogte, voor by de voorfle poten gemeten . 8§ duimen, 
en de breedte aldaar over den rug 9 duimen ; de bord een 
weinig hoger 9 duimen ; achter , daar de achterfte poten zaten, 
was de dikte in haar diameter 3§ duimen ; de ftaart 3I dui- 
men; de voorde poot aan den voorften hoek 3! duimen, aan 
den achterften il duim , in de breedte boven i T | duim , en 
onder 2| duim ; de achterfte poot lang 4J duimen, boven een 
weinig breder dan een duim; doch onder 6| duimen (p). Zy 
groeyen in de Straat Davis tot zodanig een grootte, dat zy 
twe mans lengte bereiken, en hebben wel vier vingeren dik 
breed fpek boven op het vleefch liggen , waar van zeer goede 
traan koomt. 
Tot de g. LVI. Thans, nu deze tot een zo hogen prys geftegen en 
vangft ^ e Walvifchvangft gemeenlyk zo flecht is , worden enige klei- 
worden 6 ne fchepen naar Groenland en de Straat Davis op de Robben- 
enige vangft uitgereed, die men Rob benslagers noemt, dewyl 
fchepen door dezen de Zeehonden inzonderheid opgezogt , en op het 
ultg S ys'i, wanneer zy liggen te flapen, overvallen worden, daar zy 
benfla- dezelve, door hun voor den neus te flaan, alwaar zy zeer te- 
gers ge- der zyn , doden, of met kleine ftevige lenfen of pieken afma- 
naamt. ken< 

Zyn den §• LVII. Den wilden inwoonderen in de Straat Davis zyn 
inwoon- de Zeehonden de allernutfte dieren , want zy hun niet alleen 
deren al- met hun vleefch tot voedfel (q), en met hun bloed tot artzeny, 
ó f". tot maar 

allerly 
gebruik 

zeer (p) Een naauwkeurige en fraye ontleding van dit Dier, door de Ko- 

dienftig» ningl. Franfche Ontleedkundigen te Parys gemaakt , virjd men in de Me- 
moires pour fervir a l'bifioire des Animaux p. 93 en volgende : waar by 
men voegen kan het 10. Artikel in het I. Supplement der breflaufche ver- 
zameling. 
(?) Van de Zeehonden iu Noord-America en hunne vangft zie Denys 

des 



en de STRAAT DAVIS. 



199 



maar ook met hunne huiden tot kleding, tot bouwing hun- 
ner fchuiten enz. , met hunne pezen en darmen tot venfte- 
ren, zeilen, ja toe nayen en binden, met hunne benen tot al- 
lerley huis en jagtgereedfehap , en tot meer ander gebruik die- 
nen, 't geen men niet alles optellen kan. Zo veel goeds {leekt 
in een enig fchepzel, wanneer de overvloed van veelerly fcho- 
ne zaken, welke den menfeh welludig, kiefch en vadzig maken, 
geen plaats heeft; maar gebrek en honger hem aandryven be- 
dacht te zyn, hoe het weinige , dat hy heeft, tot allerly ge- 
bruik bekwaamft aan te wenden (r). 

g. LVIII. Alvorens ik van de Robben of Zeehonden fchei- . Men 
de, zal ik noch van ene byzondere zeldzaamheid gewag ma- V1 j d de * 
ken. Een voornaam en geloofwaardig fchryver (s) namelyk ^k In 
bericht, dat in groot Tartaryen in het zoete en helder meer groot 
Baikal ('t geen de Ruffchen ten onrechte More , dat is zee , Ta " a - 
noemen, nadien het enkel een verzameling van verfcheide zoe- ryen * 
te vloeden is) een grote menigte derzelve gevonden worden. 
Dewyl ik nu zulks, zo veel ik weet,by niemand elders aange- 
troffen had, werd ik des te meer aangezet, by den zeer weetgie- 
rigen en Berg-ervarenen heer Heidenreich ( dien het ruffifch 
Opperberg Collegie te Petersburg door gantfeh Siberien en Tar- 
taryen tot aan de chinefche grenzen gezonden heeft , om zo 
wel nieuwe bergwerken op te zoeken, als ouden na te fporen 
en te verbeteren) daar naar te vernemen. Deze verzekerde 
my , dat zulks de zuivere waarheid was , ên hy die Dieren zelf 
op de plaats met zyne ogen gezien had; ja voegde 'er noch by, 

dat 



da Cotes de F Amerique Septentrion. Tom. I.p. 64. en volgende, alwaar hy 
ook aanmerkt, dat de jongen veel vetter zyn , dan de ouden, en dat hunne 
Traan fris, goed om te eten, en even zo bequaam 9 als boomoly , om te 
branden zy, vermits het niet ftinkt. Dezelve fchryver maakt Tom. II. ch. 
ij. gewag van noch een kleiner zoort , van welks vleefch en traan de 
Wilden een byzondere lekkerny maken , en met de traan hun hoofdhalc 
be fineren» 

CO Ql ia virtus , & quanta , boni, fit vivere parvo > 
Uifcite, Horat. 

($) In zyn verandert Rufland p. 8o* 



mu" 






2 oo BESCHRYVING van GROENLAND, 

dat zy die in de Ooftzee volkomen gelyk, doch enkel een wei- 
nig: kleiner zvn; ook dat, dewyl zy niet beftendig onder 't wa- 
ter duren konnen, hier en daar in het ys, wanneer het meer 
toeaevrozen is , openingen weten te behouden , om tot het 
zoeken van nooddruft uit en in te komen. De daarom ftreeks 
wonende Tartaren en Ruiïchen fchieten hen met driehoeki- 
ge Harpoenen , en gebruiken van die Dieren niets, dan de 
?raan, in hunne lampen tot licht. Ik heb nagedacht, hoe zy 
in dat meer gekomen mogten zyn, en opgemerkt , dat hun- 
ne voorouderen' zeer bequaamlyk met de daarin ook gevon- 
den wordende Steuren uit de Yszee de Demfei op en door de 
Tuneuske in het meer geraakt, en verdwaalt konnen zyn. Nu 
is het te verwonderen, dat hun nagedacht niet alleen in zoet 
water voortgekomen , maar zelfs tot een zo aanzienelyke 
£ rootte en vetheid gedeid is. Hieruit ziet men duidelyk hoe 
vermogende de gewoonte zy , die met de eerde jeugd een 
aanvang neemt f 't geen by verder nadenken veelhgc gele- 
genheid tot het een en ander verder nuttig onderzoek zoude 

Van de k TLll" V Nu zal het tyd zyn, tot de redelyke Schepzelen , 
Inboor- de Inboorlingen van de Straat Davis , die men 
gemeenlyk de Wilden heet , te komen. Dezelve zyn door 
den bank, zo wel de vrouws- als mansperfonen , korten ge- 
drongen van lighaara, daarby wel gepropomoneert van lede- 
matel, vet en gezet, vol van aangezicht, t geen echter een 
weinte plat is : gelyk ik ook aan dien Groenlander befpeurt 
heb, die voor enige jaren herwaards gebragt werd. < 

Door den bank hebben zy zwarte en Hechte hairen , bruine 
en rode aangezichten, doch zulks niet van nature,' maar van 
hunne vuile , ontyge en haveloze manier van leven, vermits zy 
,eel met traan en fpek omgaan, en met ongevyaflchen handen 
hun aangezicht wry ven , niet anders , dan gelyk de bekende 
Heidens zich door fmeren met allerly vet roodbruin maken: 
want zy niet alleen blank geboren worden , maar men zelis 
zomtvds onder hun , inzonderheid onder_ de vrouwsperfonen , 
blanke en gantfch niet onaartige aangezichten vind , welkers 

aan- 



lingen, 

hunne 

geftalte 

en lig- 

haams 

ge (lek- 

üeid« 



én de STRAAT DAVIS, 



201 



fcanminnigheid weleer enigen der derwaards gekomen colonis- 
t-en zo zeer bekoorde, dat zy dezelve ten vrouwe begeer- 
den. Zy zyn zelden met enige natunrlyke gebreken behebt, 
maar hebben doorgaans onverminkte ledematen, en zyn van 
een gezonde lighaams gefteltenis; weten ook, gelyk de fchry- 
ver van de groenlandfche Perluftratie zegt , van gene kin- 
derpokjens en dergelyke krankheden. Doch uit het naricht 
van deze zending, door hem naderhand uitgegeven , blykt , 
dat in den jare 1733 een gedoopte Groenlander, die door de 
pokken in Denmarken aangetafl: was , zyne landslieden had 
aangeftoken, v/aar door enige honderden weggerukt waren, 
nadien , ter oorzake van de grote koude dier luchtftreek , de 
pokken niet hadden konnen doorbreken , en het hun daaren- 
boven aan artzenyen en oppaffing mangelde ; en dat de ove- 
rige hun leven niet, dan door de vlucht en het vermeiden der 
kranken, gered hadden. 

^ §. LX. Aan de andere kant zyn zy gemeenlyk met de land- Van hun- 
ziekte, het Scorbut of Blaauwfchuit , enige zelfs met een zo "e Kunft 
boos foort van 't zelve behebt , dat het met witte bladders £ m . . 
en vlekken, als bloemen , uitflaat ; waartegen zy , behalven £" w * 
Lepelblad, noch een ander kruid, 't geen een dikbladerigen genezen, 
bloem en zeer fcharpen fmaak heeft, met nut gebruiken ; waar 
van de Denen de kracht ook hoog roemen. Zy hebben noch 
Wondhelers noch Geneesheren. Wanneer iemand 
een wonde ontfangt, word over dezelve een ledere riem ge- 
bonden , waaronder de quetzuur gemeenlyk zo wel geneeft, als 
of de befte plaafter 'er op gelegt ware. Enigen onder hun 
vind men , die Angekoken genaamt worden , en zich voor To- 
veraars, Waarzeggers en Artfen uitgeven, en het domme volk 
by den neus leiden. Wanneer iemand krank is ('t geen zy Do- 
mick noemen) maken zy allerly zotte potfen en gebaarden 
welke inderdaad een eigentlykgochelfpel zyn, en gedragen zich' 
als of zy een pees van enig Dier, of iets dergelyks, uic de ly! 
dende plaats halen , 't geen zy tonen , en voorgeven , dat de 
krankheid veroorzaakt heeft; doch dat dezelve nugeheeltis (t). 

G C p n 

CO Waarvan de heer Egede in zyne te meermalen aangehaalde Befchry» 

ving 






BESCHRYVING van GROENLAND, 

En dewyl de kranken merendeels door hunne goede en flerke 
lighaams geftekenis , gelyk ook door de inbeelding , dat dit 
een waarheid zy , genezen, vinden die bedriegers tamelyk veel 
geloof, en verdienen op die wyze hun nooddruft. Dezelve han- 
gen ook den kinderen, als mede zomtyds volwaiTe lieden moe- 
ren , als pater nofters 5 van zeker foort van Benen gemaakt, en 
andere dingen om den hals (u) , het domme volk diets maken- 
de , dat , die dezelve dragen , gezond blyven. Men vind onder 
hun oude lieden , en zoude hun getal waarfchynlyk veel gro- 
ter zyn , wanneer zy door hunne levenswyze dagelyks niet zo 
vele gevarelyke toevallen onderworpen v/aren. 
Van de §. LXL Hunne Taal is zeer zonderling en zo vreemd, 
Taal van dat ik niet weet, waar dezelve t'huis te brengen: zo ook hun- 
het land. ne u i t fpraak, dewyl zy den mond wonderlyk trekken, en door 
een gantfch eige wyze van de tong tegens het verhemel-e, de 
tanden enz. te ïlaan , een onnabootsbaar geluid geven , 't geen 
alzints zeer bezwaarlyk te vatten , en noch bezwaarlyker door let- 
ters uit te drukken is. Ik heb het geluk gehad , door medede- 
ling van een hoog en aanzienlyk perfoon een klein deenfch en 
groenlandfch Woordenboekske magtig te worden , 't geen de 
meergemelde prediker Egede opgeftelt had , en ik met een 
duitfche verklaring der woorden en enige weinige byvoegin- 
gen als een Aanhangzel dezer Befchryving mededeel. 'Er zyn 
wel enige weinige woorden , als Kinneka , een kind , Kona 9 
een vrouwsperfoon ; Noria , eten , welke men onbczwaarlyk 
te recht kan brengen: zo ook heeft de fchryver der Perluflra- 
tie enige noordfche woorden ; als Quan , de wortel Angelica , 
in het noordfch (D.uanne; de vifch Ni/e, by de Noren VXifx; 
2\oilecF/ een lamp, by de Noren 2^oile genaamt, enz. aan- 
gemerkt. Echter is dit alles weinig , en kan door den omgang 
met vreemden in latere tyden aangenomen en in zwang ge- 

ble- 



ving van Oud- Groenland voorbeelden bybrengt , welke hy zelf gezien* 
en de geceffende bedriegeryen oncdekc heeft. 

(») Dezen noemen zy sJngvoafc, en kan men deswegens by den heer 
Egede breder onderricht vinden. 



en de STRAAT DAVIS. 



203 



bleven zyn. Doch de Taal in haar zelve heeft geen de minde 
overeenkomt met de noordfche , oud - gothifche of yfland- 
fche, fin- of laplandfche Talen; ja niettegendaancle het noor- 
delykft gedeelte van America zo naby hun ligt, vind ik echter 
geenzints, dat zy -met het geen la Hontan en anderen van de 
fpraken der wilde volkeren in en ontrent Canada enz, aanteke- 
nen , enige de geringde verwandfchap heeft. Offchoon ons 
ook Strahlenberg 'm zyn noord- en ooftelyk deel van Europa 
en Afia een Tabula polyglotta der Talen van twe en dertig Tar- 
taarfche Volkeren gegeven heeft, vindeik niettemin onder die 
alle mede gene de minde gelykheid , ik wil niet zeggen afdam- 
ming in de groenlandfche Dialeft of taaluitfpraak. °Ondertus- 
fchen heeft my een kundige in die Taal verzekert , dat hare 
grootde aangenaamheid in de klank, en veel aartigs en nadruk- 
kelyks in hare zegswyzen en uitdrukkingen gelegen zy. Zy 
fchynt ook gantfch zo ruuw niet , als men by een zo ruuw en 
eenvouwig volk , gelyk de Wilden zyn , verwachten zoude ; 
maar veeleer voorheen door lieden, welke meer opmerking en 
ledigen tyd, dan zy, gehad hebben , met vlyt opgedelt te zyn * 
inzonderheid wanneer men den aart , buigingen enz, hunner 
Verba, ofwerkwoorden , overweegt, gelyk ook wat gebruik zy van 
de Pronomina fuffixa^oi 'aan gehechte voornaamwoorden , weten te 
maken, dat zy een Dualis 9 of twevoud, hebben en diergelyken (x\ 

Cc 2 Vol- 

C*0 Ik zal ter proeve en verwondering van de liefhebbers der Talen een 
\iittrekfel uit de groenlandfche Cot!e8anea 9 of verzamelingen , door den 
vromen en vlytigen prediker Egede in den jare 1725 gemaakc , en my 
door de goede hulpe van een voornaam vriend in fchrift ter hand geko- 
men , met een duitfche overzetting derzelve by deze Befchryving voe- 
gen. Die verzamelingen beftaan uit een klein Woordenboekske , *t geen 
in het Aanhangzel onder den letter A. gevonden word , en tegen de vo- 
ng&uM, of namen , die Tbom> Borrichius weleer in de Act. Med. flafk. 
Vol. II. p. 11 feq* heeft laten zetten , nagezien konnen worden ; en de 
Appendix formularum enz., of het Aanhangzel der wyzen van fpreken. 
Wyders in de FormidaConjugandi, o f 'het voorfchrift der buiging van de werk- 
woorden te vinden onder letter B. ; voorts in enige gronden van de chris» 
telyke Godsdienft, by wyze van vragen en antwoorden voorgeftelt , waar- 
vit ik de tien Geboden, bet Gebed des Here, en noch een ander Gebed 

ge- 






204- BESCHRYVING van GROENLAND, 

Volgens het bericht van den fchryver der Perluftratie in het 
I. hoofddeel word merendeels enerley Taal door het gantfche 
land gefproken. Zo hebben ook de vrouwsperfonen een by- 
zondere uitfpraak voor zich , nadien hare woorden gemeenlyk 
op een N uitgaan. 
Van hun- §• LX1I. Betreffende de Kleding der Groenlanders, de- 
ne KIe- zelve word van Reen- en Robbenvellen , welke zy door veel 
diB 6 # kloppen met ftenen, en met pis , traan en dergelyken eni- 
germate bereiden , ook wel uit vogelhuiden gemaakt , en mee 
draden genaak, welke zy uit de darmen van Robben en an- 
dere viflehen , na dat zy dezelve opgeblazen en opgefpleten 
hebben, weten te fnyden. Over de borft, naaft aan het lighaam» 
dragen zy een vel van Eiderenten , de zagte pluimzyde bin- 
nen w aards» 
i.Der De Mannen hebben een engen rok van Reen of Rob- 
Mannen, benvellen met armen en een kap , gelyk een monnikskap » 
welke rok hun tot aan de knien reikt , en zo wel van achte- 
ren als voren een nederhangende flip heeft. Des zomers dra- 
gen zy het ruige buiten en des winters binnen waards: ook dra- 
gen zy enge broeken tot om hunne lendenen , insgelyks kouf- 

fen 



getrokken heb, onder letter C. ,• in enige aanfpraken, waarvan ik de voor- 
naaiufte en tot meer dan een gebruik nutte §. o en 10. ia het Aanhangzel 
onder letter D» mededeel. Eindelyk heeft hy uit het eerfte boek van Mo- 
fes de beide eerde fJoofdftukken en enige Euangelien, zo goed hy kon- 
de, in de groenlandfche fprake overgezet , van welk boek ik het eerfte 
hoofdftuk onder letter E., en uic de Euangelien de Boodfchap van den 
Engel aan Maria, Lue. I. v. 26 en volgende onder letter F. geplaatft 
heb.Waarby ik noch moet aanmerken, dat ook de prapofitiones enconjunc- 
tioves t of voorzetfels en voegwoorden in deze Taal, uit Af- en Suffix* of 
aangehechte deeitjens beftaan, by voorbeeld: Sumit , van waar? Sumat > 
werwaards ? Jefumit , van Jefus ,• Jefumut , naar Jefus. Killac Nunalo , 
Hemel en Aarde; Guditog, en God. Dewyl de groenlandfche Taal gene 
woorden hebbende» om de voornaamfte woorden, tot den Godsdienft en 
de geeftelyke dingen behorende» uit te drukken, had de goede man dezel» 
ve uit de noorlche moedertaal moeten ontlenen , als: Gud , God; Enge- 
lij*, Engel; Synd, Zonde, Heilig forfuacb (van jjflly) heilig; Vclfignincb 
van SftlfyU* zegenen enz. 



en de STRAATDAVIS. 20? 

fèn of karfen met het ruwe binnenwaards. Enigen bedienen 
zich ook van gevolde yflandfche kouffen, welke zy van de De- 
nen enz. handelen. Hembden noch ietwes anders van linnen 
, hebben zy biet, dewyl by hun noch Hennip noch Vlas wafTen 
kan, en hunne armoede hen buiten flaat ftelt, enig Iywaad 
van de Denen te kopen. Doch wanneer iemand een hembd 
vereert word, trekt hy 't zelve over zyne gewone kleding aan, 
en pronkt daar mede, als met een zonderling fieraad. Wanneer 
zy naar zee, en inzonderheid ter Walvifchvangft gaan , trek- 
ken zy over hunne klederen een gantfch hembd of overtrek- 
fel, uit wambes, broek, koufièn en fchoenen in een ftuk be- 
ftaande , 't geen van gladde Robbenvellen zonder enig hair ge- 
maakt en met darmen zo dicht aan een genaait, ook alomme 
zo vaft toegefnoert is , dat geen water 'er doordringen , noch 
het zwaar maken kan. Daartegen hebben zy boven aan de 
borft een kleine met een pen gefloten opening , waar door 
zy 't zelve , door inblazing , met zo veel wind konnen aan- 
vullen, dat zy niet zinken , ja ter halver knie in 't water over 
einde gaan konnen , ook zich door matiging der lucht , na 't 
hun goed dunkt, op den? grond laten nederdalen, en weder naar 
boven ryzen: zulks een geloofwaardig fchipper my verzekert 
heeft , dat hy het niet alleen zelf verfcheide malen met ei- 
gen ogen had befchouwt , en hen het een of ander in zee 
van den grond doen ophalen , maar ook een matroos gehad , 
die, na zich een weinig geoeffent te hebben, insgelyks op het 
water gaan en voortwandelen konde. 

De Kleding der Vrouwen is niet zeer verfchillende n Der 
van die der Mannen ; behalven dat hare rokken enigzints wy- Vróu- 
der en hoger op de fchouderen zyn , om hare kinderen, die zy wen » 
altoos, waarzy gaan of ftaan , op den rug met zich voeren 
Haarin des te bekwamer te konnen dragen. In den zomer heb- 
ben zy korte broeken; zulks hare benen en knien merendeels 
bloot zyn ; doch des winters lange , die tot over de knien rei- 
ken (y). De vrouwen binden hare hairen in een bos zoda- 

Cc 3 nig 

00 Om daar van een beter begrip te hebben, kan men nazien de afbeel- 

dia» 






2cÓ BESCHRYVING van GROENLAND, 

nig op , dat zy eerft 'er onder een band leggen , alsdan het hair 
'er over flaan , en het noch eenmaal binden , zulks het rond , 
dik en ftyf moet opftaan. In dezen bos vlechten zy tot fieraad 
allerley glascoralen, welke zy ook in de oren, om den hals en 
de armen , ja ook zomwylen op de fchoenen hangen. Enige 
vrouwen, welke zich mogelyk by de mannen bekoorlyk willen 
maken, nayen zich zelven met een draad , die zy alvorens wel 
door het roet harer lampen getrokken hebben, tiuTchen de o- 
gen, op de wangen, aan de kin en ook aan de oren, in me- 
nin°-,[dat het fraaifte fieraad is, met allerly kleine naden tus- 
fchen vel en vleefch te gaan, waar van de zwarte kentekenen, 
wanneer de wond geheelt is , beftendig overig blyven , en 
even alzo uitzien, als my een perfoon toonde, die zich dergely- 
ken op den arm had doen nayen , gelyk de bekende beeltenis* 
fen , welke enigen , die het H. Graf bezien , zich op den arm 
laten tekenen \z). Men heeft my , als iets zekers, gezegt, 
dat dat verfierfel die fchepzelen , wanneer zy anderzints niet 
heffelyk zyn, aartig genoeg flaat. Is het niet een grote ere 
voor 'het mannelyk gedacht , dat de vrouwelyke kunne gewil- 
lig zo veel uitftaat, om zich by de mannen aanminnig te ma- 
ken ? Offchoön de groenlandfche vrouwen enige acht op ver- 
fiering fchynen te geven, zyn zy echter even zo morsfig, als 
de mannen , want de enen zo wel als de anderen zeer onrein 
leven , en zich zeer zelden , of wel zomtyds in hun eigen water 
wafTchen. 

§. LXIII. 

dingen der mannen en vrouwen, als de befte, die Jacobreus en Lauren- 
zen in 't Mufeum Rcg. Part, II. Sect. 2. n. 81. Tab. I. hebben doen 
ftellen. 

O) De ruflifche gezant Ysbrand Ides meld in zyne reize naar China 
bladz. 37 van de Tartaren. NifovierTungufi genaamt, welke hy onderweg 
aantrof: zy zyn ook liefhebbers van fchoonheit , en om die te vermeerde- 
ren , verfieren ze hunne aangezigten, het voorhooft , de wangen en kin- 
nen over al net op de volgende wyze. Zy doornayen de huid met al- 
lerhande beelteniffen ; den draad fmeren zy met een zwart vet , en na dat 
de draad enige dagen in de genaaide wonde is geweeft, trekken zy dien we- 
derom daaruit; alsdan blyft het genaaide teken liaan, en rneo ziet 'er wei- 
nige, die zulks niet hebben. 



en de STRAAT DAVIS, 



207 



5. LXIIL Zy hebben tweërley zoort van Woningen, als Vanen- 
ene voor den winter, en de andere voor den zomer. Hunne "e Wb- 
W 1 n t e r h u 1 z e n zyn de grootften , welke zy tegen den win- ninsen * 
ter, of wanneer zy lange op ene plaats menen te blyven, op- 
rechten: en dit is eiuentlyk het werk der vrouwen. Zy bou- 
wen dezelve vierhoekig van Genen en afgevallen rotsbrok- 
ken, welke zy met tufïchen ingeworpen mos of turfaarde we- 
ten vaft te maken, en zo dicht te verbinden , dat geen wind 
'er indringen kan. Zy laten dezelve niet ligt hoger dan twe 
ellen uit of boven den grond opryzen , maar het overige tot 
meerder vafhgheid en befchutting tegen wind en koude in 
den grond zinken. Boven op de muren leggen zy eni^e lat- 
ten, en bedekken dezelve, in plaats van een dak , met°aarde 
zoden of graslagen; ook zetten zy 'er enige venfters in , die 
zy uit opgefpannen en in de lengte met pezen dicht aan een • 
genaaide Robben- of andere vifchdarmen vervaardigen, waar 
door het licht valt, en de woning lichter, dan men vermoe- 
den zoude , maakt. De ingang word onder de aarde als de 
loop van een Mol gegraven; echter, op dat de wind en kou- 
de met in het huis mogten vallen, niet recht uit, maar krom 
en lang De buiten opening is altoos naar de zee gekeert, op 
dat zy , 'er uit komende, dezelve, als de voornaamlte bron van 
hun Jevensbeftaan en nooddruft , terftond in het gezicht mog- 
ten krygen, en zien, of zich ergens iets opdoet, om aan werk 
te geraken. Voor den ingang hangt, in p^ats van een deur, 
een vel, en wanneer men door die duiftere gans op de knien 
of zeer gebukt gekropen heeft, koomt men in het midden van 
het huis uit. In zodanig een huis , 't geen niet veel meer dan 
20 voeten in het vierkant heeft, wonen, vermits zy niet kyf- 
achtig zyn , en geen dienftboden houden , of gene meubelen 
bezitten, die de ruimte te eng maken, dikwerf 7 of 8 huisge- 
zinnen , inzonderheid bejaarde en gehuuwde kinderen , bloed- 
vrienden en zwagers byeen; gelyk dan ook alles, wat gevifcht 
of gejaagt word, hun alle gemeen behoort , en in goed ver- 
trouwen verteert word. Aan ieder zyde van het huis hebben 
zy een flaapftede van hout of planken , op (lenen, een halve 

e! 




2o8 BESCHRYVING van GROENLAND, 

el boven de aarde verheven , die, in plaats van bedden, met rui- 
ge Reevellen belegt zyn , waarop ieder huisgezin zyn eigen 
flaapplaats heeft, welke van de anderen door een 'er tuiïchen 
gefpannen vel van 2 ellen hoog afgefcheiden is. Die van een 
huisgezin zyn, flapen zodanig zamen,datmanenvrouwbyeen,de 
zonen aan de zyde van den vader, en de dochters aan de zyde 
van de moeder liggen. Voor de flaapftede heeft een ieder huis- 
gezin zyn eigen keuken flaan , welke in niets anders dan een 
lange lamp, uit de te voren befchreven Weekfteen gehouwen, 
beftaat ; want in dezelve is een diepe fleuf gemaakt , waarin 
men , door middel van een met fpek en traan wel doorkneed 
vaft ineen geperft pit van gedroogt mos , met traan bego- 
ten , een zachte, niet flikkerende of fpringende, en weinig 
damp verwekkende vlam onderhoud. Over dezelven hangt 
een ketel, aan de latten vaft gemaakt, waarin alles gekookt 
word ; weshalven die lamp zowel tot het koken der fpyzen , als 
het verlichten en verwarmen der huizen dient ; ook hebben 
enigen daarenboven de wanden , zo ik my niet verghTe , met 
ruige pelteryen, waar van de hairzyde binnenwaarts gekeert 
is, bekleed; waarom het in die hutten zo warm is, dat men 
van de geftrengheid van den winter dus weinig ongemak ge- 
voeld, dat de bewoonderen, mannen en vrouwen, zo lange zy 
in dezelve zyn, fteeds met het bovenlyf naakt zitten. Ondertus- 
fchen hebben die woningen voor vreemdelingen een onlydelyk 
gebrek, ik mene de affchouwelyke flank van het daarin byeen 
gelegt half verrot vleefch , de viffchen en traan , welke ftank 
zo hevig is, dat men meent te bezwyken ; men zwyge dat al- 
les vol luizen is. Vreemden , die by hun komen , offchoon 
zy van hunne natie zyn, vermits zy elkander 10 mylen in 
het rond bezoeken , laten zy niet by zich flapen , maar wyzen 
dezelve ene byzondere plaats met een plank daar toe aan. By 
hunne huizen maken zy kleine kuilen , die zy met ftenen op- 
zetten , en daarin de in den zomer gedroogde Lodden en het 
Zeehonden vleefch tot winter voorraad opleggen, 't Gstn zy 
in de herfft en winter vangen, leggen zy op den bloten grond 
onder de neeuw , en bewaren het dus voor het verderf. Als 

zy 




ende STRAAT DAVIS. 209 

zy niet meer ter zee konnen gaan , flepen zy hunne vrou- 
wenboten aan hunne huizen , leggen dezelve omgekeert op 
vier palen , en bedekken daar onder hunne pelteryen, en an- 
dere waren van waarde. De Winterhuizen betrekken 
zy in o&ober , en verlaten dezelve weder in het begin van 
may, 't zy voor een tyd, wanneer zy in de nabuurfchap biy- 
ven, of wel geheel en al, als zy van plaats veranderen, en 
een beter geweft zoeken, alwaar meerder te vangen ofte ja- 
gen is, als wanneer de verlaten woningen die genen ten deel wor- 
den, welken na hun by toeval aldaar komen. Hunne Zomer. 
woningen zyn ligte tenten van gladde Robben vellen, t we 
vellen over elkander gehangen , geheel rond , boven in de fpits 
niet groter, dan een gemene hut. Dezelve worden met hou- 
te ftaken opgezet , en heeft een ieder huisgezin zyne eigen , 
waarin het zich behelpt. De vermogenden onder hun behan- 
gen of voederen hunne tenten van binnen met ruige Ree- of 
andere vellen. Die tenten zouden in der daat fierlyk gemaakt 
zyn en veel reiner, dan hunne huizen gehouden worden, zulks 
dezelve zich zeer wel laten bewonen. Een ieder huisvader 
heeft ook in zyn tent een lamp, en een ketel, tot het koken 
der fpyzen, 'er over hangen. Als zy met hunne grote of vrou- 
wenboten in zee gaan , voeren zy hunne tenten mede. 

J. LXIV. Gelyk deze Groenlanders in hunne eenvouwigheid Van hun- 
zonder veel omflag en volgens de natuur leven, weten zyneVerio- 
ook by hunne Verlovingen en Huwelyken van gene wydlo- vin S en » 
pigheden , plechtigheden of ceremoniën. Een mansperfoon 
eifcht flechts , dat een meisje naar 's lands gebruik zich 
op den haar opliggenden huisarbeid, inzonderheid het nayen 
en kleermaken , verfta , en deze vraagt enkel, of een vryer 
een bekwame, vlytige en gelukkige viiTcher of jager zy. De- 
wyl ook gene vryfter een bruitfchat aanbrengt, en geen vryer 
iets te vermaken heeft, begrypt men Jigc , dat zich aan beide 
zyden gene zonderlinge zwarigheden opdoen , noch veel ont- 
halens nodig zy. Doch by deze gelegenheid openbaart zich 
een blyk van de aangeboren fchaamte.en (indien ik dus fpre- 
ken kan) natuurlyken weliïand van de vrouwelyke kunne. Vol- 

Dd g ens 



aio BESCHRYVING van GROENLAND, 

gens het 12. hoofddeel der Groenlandfche Periuftratie van den 
te meermalen aangehaalden fchryver (die in dit (luk beter be- 
richt geeft, dan ik ergens elders heb konnen bekomen) word 
de gantfche zaak op de volgende wyze begonnen , behan- 
delt en volbragt. Wanneer een jong gezel willens is, in den 
echt te treden, en noch ouders in leven heeft, openbaart hy 
hun zyn voornemen .en geeft hun te kennen, op welke perfoon 
hy verheft is , offchoon hy het meisje daar van noch geen 
woord gefproken heeft. Indien het met den zin der ouderen is, 
en het meisje hun wel aanflaat, beloven zy hem, dat zy haar 
zullen laten halen , waarop zy twe of drie oude vrouwen afzen- 
den, welke zich naar de ouders van de vfyfler, of indien de- 
zelve niet meer in leven zyn, naar hare bloedverwanten bege- 
ven. By dezen gekomen zynde , fpreken zy niet terftond van 
de vryagie , maar beginnen een ander gefprek , roemen 
echter, daar het pas geeft, den vryer, hoe bequaam hy zy, 
en wat geluk hy in de vangft hebbe. Eindelyk komen zy tot 
de zaak , en verzoeken van de ouderen het meisje , zonder haar 
zelfs het geringde deswegens te zeggen. -Indien de vryfter te- 
genwoordig is, gaat zy terftond heen, en gedraagt zich, als of 
zy niets van diergelyke reden weten wil. Terftond daar op 
flaan de ouders het verzoek toe , geven het ja-woord , roepen 
het meisje weder binnen en geven haar de zaak te kennen. De- 
ze rukt daarop haar hairbos los , trekt denzelven in de ogen, 
begint te wenen , zegt noch ja noch neen op de zaak , maar 
gedraagt zich veeleer of zy niet wil. Doch zulks helpt haar 
niets , nadien de oude vrouwen haar onder den arm nemen en 
met zich wegvoeren. Wanneer zy in 't huis koomt, daar zich 
haar toekomende man ophoud , zit zy fteeds by haar zelve en 
weent , en word haar in den beginnen niets van haren brui- 
degom gefproken , maar de bloedverwanten vertrooften haar 
en zeggen, dat zy noch vergenoegt en vrolyk zal worden, zo- 
dra zy maar een weinig beter kennis met haren bruidegom ge- 
maakt heeft. Na dat zy dus een wyl by haar zelve gezeten en 
geweent heeft , fpreekt haar ten laatfte de bruidegom aan , en 
verzoekt haar , naaft zyn zyde te willen komen liggen ; 't geen 







en de STRAAT DA VIS. 



211 



zy dan , na ernftig aanzoek , veelligt uit de aan beweging 
gerakende neiging der natuur , eindelyk doet. Anderen daar- 
tegen, welke zich op generley wyzen willen laten overreden 
te blyven, Jopen weder naar huis by hare ouders, die haar niet 
terug zenden , maar wachten, tot een bode van den bruidegom 
koomt % om haar weder af te halen. Doch indien zy dus twe 
of driemaal van haren man wegloopt, laat hy, om eens vooral 
een einde van de wederfpannigheid te maken , ten laatften 
een zak vervaardigen, waarin de weggelopen of al te blode 
bruid door de afgezonden oude vrouwen gedoken , de zak 
boven zodanig, dat niet dan haar hairen 'er uithangen, toe-, 
gefnoert , en zy op die wyze weder naar 't huis van haren 
bruidegom gefleept word : waarna zy dan eindelyk willens on- 
willens by hem blyft. 

J. LXV. Het is ook zonderling, dat dit volk zonder een van hun- 
wet desaangaande te hebben , uit natuurlyke eerbaarheid of ou-ue Hu- 
de gewoonte, waar van zy zelven zo min den oorfprong als weI y k en, 
grond weten, zich van hunne magen tot in den derden en e "?°? zy 
vierden graad onthouden, en dezelve niet trouwen. In 't ge-denEchE 
meen heeft een ieder flechts ene Vrouw, 't geen by hetgedra- 
louter gebrek aan wetten , waarin deze menfchen leven , des §en * 
te meer te verwonderen is , dewyl gemeenlyk de neiging der 
verdorve menfchelyke natuur tot de begeerte des vleefches , 
en gevolglyk tot de veelwyvery meer dan tot enige andere 
zonden aanprikkelt, ook .hedendaags bezwaarlyk een ander 
Heidenfch volk gevonden word , by 't welk dezelve niet in 
zwang ga. Echter vind men nu en dan een onder hun, die 
twe vrouwen heeft , niet zo zeer uit geilheid ; want zo men 
hem vraagt, waarom hy daar toe gekomen is, antwoord hy zon- 
der bewimpeling, en gelyk het by hem ligt, dat de ene bequa- 
mer dan de andere is, en hy ze beiden onderhouden kan. Hun- 
nen echt komen zy heilig na, en heeft men nooit gehoort, dat 
een man het met ene andere dan zyne eige vrouw gehouden 
hebbe. Echter is de Echt geenzints zo onverbreeklyk , dat 
niet fomwylen een man van zyne vrouw, wanneer zy niet naar 
zyn zin is (gelyk gewis welligt door hunne wyze van vryen gebeu- 

Dd 2 „ ren 



... 



sii2 BESCHRYVING van GROENLAND, 

ren kan) scheiden en een andere zoude nemen. Zo zy 
kinderen by den anderen hebben, ziet de man veel door de 
vingeren , en blyft by haar tot haar dood. OndertuiTchen 
zoude men zich niet verbeelden , hoe zeer deze anderzints 
eenvouwige menfchen hun mannelyk voorrecht over hunne 
vrouwen weten te tonen. De man zet zich het eerft aan 'c 
eten , en laat zich door zyne vrouw bedienen , welke niet durft 
toetaften , voor dat hy verzadigt en opgedaan zy. Zomwylen, 
wanneer zich madame niet wel gedraagt, zwayen ook ftok- 
flagen ,• doch zyn zy daarna terftond weder zo goede vrienden 
als te voren. Wanneer een der echte lieden ft erft , hertrouwt 
de overgebleven weduwenaar of weduwe, naar 't hem of haar 
goeddunkt. 
Van de §. LXVI. Het is ligt op te maken, dat dit foort van vrouw- 
opvoe- volk hartvochtig, zo wel in als na het baren zyn moet ; ook 
ding hun- bev - nd men ^ a ] zo . want men haar noch voor noch na van 
deren barenswee hoort klagen. Doch de natuurlyke moederlyke ge- 
negenheid jegens hare kinderen heeft by haar in den hoog- 
ften trap plaats , nadien zy dezelven ene ongemeen grote lief- 
de toedragen , en hen met de uitterfte zorgvuldigheid oppas- 
fen. Zo lange zy klein zyn, dragen zy dezelve alomme, waar 
zy gaan of zitten , op den rug (die den kinderen in plaats 
van een wieg dient) en ftillen hen met hare borften, tot zy 
3, 4 of meer jaren oud zyn. Van hunne Opvoeding ma- 
ken zy, gelyk ligt te begrypen is, weinig werks (/»): want men 
hen nooit hunne kinderen hoort beftraffen; maar zy hen hun- 
nen eigen wille laten involgen. Niettemin befpeurt^ men in 
hun , wanneer zy groot worden , gene zonderlinge neiging tot 
ene onbehoorlyk grote ligtvaardigheid ; en offchoon zy gene 
zonderlinge gehoorzaamheid, in zo verre de uiterlyke beleefd- 
heid betreft , jegens hunne ouders betuigen , vermits zy niet be- 
ter geleert noch opgevoed zyn , tonen zy echter ook gene we- 
der fpannigheid noch moedwil in de uitvoering van het een of 



an- 



O) Zie ©flmlc ©renf. upc Perlufiration, p. 47< 



ïn de S.TRAAT DAVIS. 213 

ander, dat zy hun bevolen hebben. De jonge knechtjens en 
meisjens blyven by hunne ouders, tot zy in den echten ftaat 
getreden zyn. Daarna zorgen zy voor zich zelven ; doch de 
ouders en kinderen verlaten eikander nooit, maar blyven fleeds 
in één huis by eikanderen. 

g.LXVII. De Groenlanders konnen zich naar alles fchikken, Van hun- 
ongelooflyk honger lyden , wanneer de nood zulks vereifcht ; ne Spy- 
doch ook vervaarlyk vreten , wanneer zy voorraad hebben. zen en 
Zy houden genen bepaalden tyd tot hunne maaltyden , en e- ^ erzel ' 
ten , als hun de honger of eetluft bekruipt, doch hun befte blreïdlê- 
maal houden zy des avonds. Velen ftaan ook des nachts op , len. 
als zy ontwakende eetlufl: befpeuren, en gaan eten. Zy komen 
nooit in enes anderen huis, indien zy 'er iets te doen hebben of ie- 
mand fpreken willen, zonder terftond aan 't eten te vallen. On- 
dertuffchen zyn hunne Spyzen en de toebereiding derzelven 
gantfch niet aantrekkelyk. Vleefch en vifch is alles,wat zy konnen 
hebben , dewyl hun land niet anders voortbrengt ; namelyk 
Vleefch van Reen , Harten , Zeehonden, en allerley land- en 
watervogels en viffchen , die hun uit het zoete water of uit de 
zee voorkomen , ook WalvnTchen , doch inzonderheid hunne 
kleine Jlofcfcm / die byna als onze GrondeJingen zyn. Hec 
vleefch eten zy nu eens raauw, namelyk wanneer het half ver- 
rot of op de klippen in de zon (b) gedroogt is, dan eens ge- 
kookt ; want zy zeer harde en taye fpyzen , ja zelfs in tyd van 
nood, riemen van het leder hunner klederen en oude fchoenen, 
een weinig in water gekookt , kaauwen en verdouwen konnen • 
weshalven zy de een zo wel als ander ïlompe afgebeten tan- 
den , gelyk de boerenhonden hebben. Verfchen vifch eten zy 
altoos gekookt; drogen echter ook veel, als Elften en dergelv- 
ken, inzonderheid de jloöben (welke in de maanden may en junv 
in menigte gevangen worden) in de zon tot hunne wintervoor- 
raat. Gedroogden vifch eten zy ongekookt en in plaats van brood 
Hunne fpyzen koken zy in enkel water, zonder zout ('t geen 

Dd 3 Z y 

O) Zie Befchryvitig vaa Yfland, in de Noot (jm) bladz, 70. 




2i 4 BESCHRYVING van GROENLAND, 

zy niet hebben) Hechts des zomers in het veld met een wei- 
nig ver, fmeer of traan, en des winters in hunne huizen met 
Robbenfpek. Het koken gefchied in een uit weekfteen gehou- 
wen ook wei in een rood of geel-koperen ketel, wanneer zy 
zodanig een by handel verkrygen konnen , over een grote lte- 
nen lamp, waarvan hier boven melding gedaan is. Hun vuur 
maken zy doormiddel van twe ftukken hout, waarvan het een 
als een wigge in het ander gedoken , en met een riem zo inel 
p;edraait word , dat door de hevige beweging het ene Ituk 
houts in brand geraakt. Zodra de fpys naar hunne wyze gekookt 
of halfgaar is, gieten zy allereerPr het nat af en drinken het 
zelve ; Ychudden vervolgens het gekookte in fchotelen , die 
nooit eewaflchen worden, of zo zy dezelven met hebben, op 
de blote aarde , welke zy met hunne voeten betreden , en 
zwelgen het dus in. Hunne grootfte lekkernyen Rellen zy m 
't bloed der Robben of Zeehonden , welke daarvan meer dan 
andere dieren voorzien zyn. Wanneer zy die dieren vangen, 
zyn zy bezorgt , 't zelve niet alleen door de fchielyke toe- 
ftopping der wonden in te houden, maar ook naderhand belt 
mogelyk 'er uit te krygen. Zy geven daarvan mets aan hun- 
ne vrouwen , maar behouden het enkel voor zich , t zy om 
het te drinken , wanneer zy daarvan een goeden voorraad 
hebben, of een weinig 'ér van over hunne fpy zen te gieten, 
(om dezelve een haut gout a la Groenlandicnne te geven; indien 
de voorraat gering is. i 
Van hun S- LX VIII. Hunne Drank is klaar Water, gelyk het de 
Drank, lieve God gefchapen heeft. Lange heeft het geduurt, aleer 
zy van de fpyzen der Denen iets wilden eten ; doch nader- 
hand hebben zy , welke enige omgang met hun gehad heb- 
ben , dezelve leren eten. Zommige heeft men ook overreed, 
Brandewyn te drinken , waarvan zy veel verdragen konnen , 
aleer zy dronken worden , ongetwyffelt (<?) uit hoofde van de 
menigte vets . waarmede hunne magen bezet zyn, waar door 



CO Gelyk de Schryver der Groenlandfche Perluilratie p. 39 aan- 
merkt. 




en de STRAAT DAVIS. 



2 IS 



neHandt- 
tering. 



de geeften van den Brandewyn zodanig gedempt worden, dat zy 
met konnen opltygen. Tabak roken heeft men hun niet 
konnen leren, vermits hun zulks te bitter en te fcharp op "de 
tong voorkoomt. 

5- LXIX. Thans zal het insgelyks tyd zyn , enig bericht te y mhtttt 
geven , hoe zy hun Jevensbefiaan en nooddruftig onderhoud er- 
langen. Dit gefchied door Vis se hem en Jagen, waarin 
de handtenng en bemoeinis der mannen enig en alleen be- 
fl-aat, en hun de vrouwen ook, zo veel zy konnen, behulpzaam 
zyn. Hun Visschen gefchied nu en dan wel eens in flro- 
men en beken; doch weinig en zelden: het meeden echter iii 
zee, voornameiyk op Wal- en ook andere viffchen, die hun 
de zee levert. Het Jagen doen zy in zee, op Robben of Zee- 
honden en Watervogels; te land op Reen , Hazen, wilde Hon- 
den en Patryzen... In beide gelegenheden betonen zy zich niet 
alleen onvermoeit, vaardig en behendig , maar hebben ook bv 
hunne armoede en gebrek aan behoorlyke werktuigen, zo wel 
uitgedachte en toebereide gereedfehappen, en in v t gebruiken 
derzelven zo fchrandere en genoegzame manieren en voordelige 
behendigheden, dat men zich by een naauwkeurige befchou- 
wmg aaarover met genoeg verwonderen kan. 

g LXX. Ik zal met hun Vifchtuig of Vischgereedschap v an hlin 
een begin maxen*- Weleer gebruikten zy Angels van been , neVlS 
•doch hebben dezelve thans van yzer , welke zy van de Denen gereed * 
of Hollanders magtig geworden zyn. De Netten , welke zv fchap * 
op de vloeden gebruiken , zyn van lange fmalle uit Walvifch- Pe "* 
baarden dun gefneden repen of riemen gemaakt, waarmede zv 
vaardig weten om te gaan, en voortreffelyk te vangen ; wes- 
halven ook de Denen betuigen moeten, dat daarmede beter 
dan met hunne hennippe garen, te viïTchen is. Zy hebben ook 
mt Reenpezen gevlochte Schepnetten met enge mazen, waar- 
mede zy de Lodden fcheppen (d). Hunne Harponen of Har- 
poenen (e), met welke zy de Robben en Wal viffchen fchïeten, 

GO ZleGroenL Perlujiratie p. 33. het> " 

CO U de naam der Wer P f P i es f Pyl, welke op den Walvifch gefch o. 

tea 






2i6 BESCHRYVING van GROENLAND, 

hebben getakte fpitfen van been ; doch die dezelve beter 
voorzien willen of konnen, zetten noch een yzere fpits voor 
de bene. En nadien deze fchamele menfchen geen ander hout 
hebben , om 'er hunne gereedfchappen van te maken , dan 't 
geen hun van de americaanfche kullen by geval toedryft , of 
door de Denen of Hollanders overgelaten word , en ook noch 
een groot gebrek aan yzer lyden , zyn zy zo behendig en voor- 
zichtig, dat zy midden aan de harpoenflok een opgeblazen Rob- 
benblaas (Avata door hun genaamt) hechten, op dat, zo de- 
zelve niet wel treffen of uitfcheuren mogt , zy niet verlo- 
ren gaan, maar dryvend op het water gevonden , gevifcht-, 
en weder gebruikt zoude konnen worden. Daarenboven zyn 
die fpitfen dus geftelt , dat zy, naar vereifch der omftandig- 
heden,in allerly (lokken gedoken, met riemen van leder en ba- 
lein vaflgehecht, en mitsdien genoegzaam verveelvuldigt kon- 
nen worden. De Harpoenen , die zy op de Walvifch fchie- 
ten zyn tamelyk groot, en de flokken tot te betere indringing 
zwaar, ook in de rondte noch met een tap van been voor- 
zien , om den duim 'er achter te leggen , en het werpen des 
te nadrukkelyker te volvoeren. Hier by hebben zy ook lan- 
ger en zwaarder flokken met grote fpitfen 'er aan , die zy, 
gelyk onze lieden de lenzen , tot (leken gebruiken. Behalven 
dezen hebben zy noch een groot foort van werppylen, om gro- 
te Robben en WalvifTchen te fchieten,aan welkers (tokken bo- 
ven twe bladen , van Walrustand gemaakt , in plaats van ve- 
deren gehecht zyn , om een te zekerer , gewiiTer en nadruk* 
kelyker fchoot te doen. Noch gebruiken zy , om de Water- 
vogelen, die zeer loos zyn, te fchieten, een foort van pylen, 

die 



ten word. De Franfchen zeggen harpon , en de Engelfchen barping- 
iron. Waarfchynlyk koomt dat woord van '^ Gnekfch *f**% waarmede 
een hakis geweer , 



t geen de ouden reeds by de vangit hunner zoge- 

naaVd'rw a rvmthên gebruikten , by Oppiari. i*M», Lib. V. v. 152., 

kennen gegeven word. 't Geen , om noch verder te gaan , van het 



te 



tlebreeuwfch 3T1 een werpfpies (Pid. omnino Bocbart. Hierozoic. P. II. 
L. 5. cap. J<; fel*) afftammen kan. 



over ZBIadz. 7j6' 

Cerv Gröenlands ~Vaah3'ui& , met de/ daar -toe/ 

ZeAvrendey WzirnBLAAS ensZyrir- Werlztuza . ^Bladx. rxay . 



Hrreet x* 

da openma jï-. 




yoeteris. 



3) e daartoe lerarende JtnsM, lana 4. 4 yceterv 

mwwiMimwwiui» niiim iimiiiiiimiliii(iliimiiiïïïï ï'"l<H» l "WlWltll!)»lllia 

éen ëroenlzndsche B00& lana 3 j^yoeten, 3ladz. aa,«/. 




^ro^dan^^WmtPs^jES -meteen, bene ment erv l, 
^Klant? 4J yceteK. Xladz . zjfr. 



met eert, Blaas , a. 4. yoet&v, dSTadz . tuf. 



"en dÖQ -fyrt VoGJ3LSCRaSTEÏr^7?te*<i 7>rr,on 1>„Z™ 



fyenrfyfe t yrcrte,~>'a7vee7is StenePyl 
in> eens Walvis cTvy 'elanden/. 

Oiladz. KzscJVo'ot Q 



3)eze&*e znsd^rofd. 









- 






en de STRAAT DAVïS. 



2ÏJ 



■ile niet flegts voor aan de fpits met een fcherp been. maar ook 
te midden in het vierkant met noch vier ingekerfde'fpitfe ha- 
ken van benen voorzien zyn, op dat, wanneer de vogel, by 
het zien aankomen van den py], gezwind dalen of ryzen, of op 
de een of andere zyde een weinig ontwyken , en dus de 
voorfle fpits miflen moge, echter een der middelfle, op alle 
gevallen gerichte, en met weerhaken voorziene fpks , zoude 
treffen ; weshalven hun het werpen zelden mislukt, aangemerkt 
zy van kindsbeen af door geftadige oeffening wel hebben leren 
treffen. Op dat daarenboven de fchoot des "te rechter ga, en 
te dieper indringe, hebben zy aan deze en andere werppvlen 
een zeker driehoekig werktuig uitgedacht, 't geen onder breed 
en boven fpits, in het midden langs de lengte met een kleine 
fleuf , waarin het boven eind van den pyjftok gelegt word , 
en boven aan met een kleinen nagel van been voorzien is, 
die boven op het eind van den pyl of de werpfpies vaftfteekr^ 
en, als de fchutter met de hand aan een zwik , in dat werk- 
tuig gemaakt, trekt, een zo veel te krachtiger nadruk geeft. 

g. LXXI. Twederley Vaartuigen hebben zy, om ter vifch. Va* de 
vangft te gaan en te varen, werwaards zy beft hun beftaan vin- Vaa "tf- 
<3en; een^ klein, 't geen alleen voor de mans-, en een gen ' waaï 
groot, 't geen voor vrouws- en mansperfonen dient. Het richter 
kleine is een langachtige fmalle floep gelyk, en Hechts voor vifch- 
een perfoon gemaakt. De bodem beflaat uit enige lange hou vangIi 
te ribben, met dergelyke dwarsribben , door fmalle riemen ^^ 
van balein verbonden en zaamgehecht : waar over vellen van 
Robben of Zeehonden , met draden van pezen dicht benaait 
getrokken zyn (ƒ). 

Ee Die 

(/) Deze is een der oudfte en eenvoudigfte wyze van fcheepsbouw „ 
welke men ook alomme by de volkeren der 3 oude bekende waereldde- 
len aantreft, gelyk na te liaan is by Scbefer de Milit. Naval. Feter, cap 
3\/* 2 ° M> waarby men ook de fchryvew voegen kan, die Haf/Ss 
Dtffert. de Leviathan Jobi cap, 4. §. I2 fa. aanhaalt , welke die wyze 
<>ok in de H. Schrift in den hebreeuwfehen grondtext ontdekt hebben. 
Iets nieuws deswegens vind men in cit. Muf. Reg. Dan. P. II SeQ. JU 




BESCHRYVING van GROENLAND, 

Die Boten zyn zo ligt , dat een man den zynen , werwaards 
hy wil, met zich dragen kan. Behalven deze kleine hebben zy 
ook, gelyk gezegt is, grote Boten , die zy ter onder- 
fcheiiiug Vnou wenboten heten, dewyl de vrouwen in 
dezelven meeftentyds roeyen, of vermits zy gedeekelyk'er me- 
de hunne reizen doen, wanneer zy zich met vrouw en kinde- 
ren, zak en pak in dezelve begeven , en een bequamer woon- 
plaats zoeken, of ook ter Walvifchvangft gaan , waartoe zy 
hunne vrouwen medenemen, om zo wel de fpyze te bereiden, 
en hun andere handreiking te doen , als wel om hunne gehele 
hembden of windhoudende overtrekfels , wanneer hier of daar 
een gat in dezelve geraakte, teritond te herilellen. Deze Bo- 
ten zyn eigen tlyk open pramen, voor en achter fpitsachcig on- 
diep en met een hogen rand of boort. Zy worden , gelyk de 
kleine, van dikke iioute ribben gemaakt, insgelyks met balein 
verbonden , en met leder overtrokken. Ook befmeren of be- 
pekkenzy dezelve met oud Robbenfpek , inzonderheid de fleu- 
ven of naden, die zy vlytig en gefladig toefmeren ; zulks zy 
eindelyk gantfch valt en dicht worden. Voor aan tuflchen de 
voortleven hebben zy een kleinen maft met een zeil , 't geen 
uit gefpouwen en gedroogde darmen van Walviflchen (Iriems- 
wyze met draden van Reënpezen of darmen tezamen genaait, 
lang, doch Hechts 3 of 4 ellen breed is, zonder touwen, om 
te brallen, of dergelyken; weshalven zy daar mede niet recht 
onder den wind zeilen konnen , vermits de Boten final zyn en 
ligt omflaan. Ondertuflchen konnen zy met dezelve gezwind 
ipoeden , en voert zodanig een Boot 20 en meer menfehen 
met hunne bagafie en tenten , ook wanneer de vangft goed 
geweefl: is, noch daarenboven een menigte Walvifcbfpek en 
Baarden. Des niettemin zyn zy op hun -zei ven zo ligt , dat 
zy door enige mannen over het land of ys gedragen konnen 
worden. Wanneer zy ter vangft willen uitgaan, maken zy al hun 
gereedfehap gereed, en trekken hunne daar toe byzondere ge- 
maakte klederen aan. Indien het op de Robben en Vogel- 
vangft gaat, Heken zy de kleine harpoenen of fpitfen aan de 
'er by behorende Hukken valt , en binden aan dezelve met 

een 




ïn be STRAAT DA VIS. m 

een lange lyn van leder een toebereide en opgeb!a7e Rob 
beaamd , waar van de kop, poten en ftaart afgefneden en al* 
Ie hairen glad afgefchrapt, vervolgens alle openingen met darm" 
draden zo dicht toegenaait en bezorgt zyn , dat zy wind houl 
den kan. Alleen is ineen ingehechten uitgeholt been een kleine 
opening, met een bene pen geflopt, waar door men den wind 
inblazen en uitlaten kan. Met deze opgeblaze huid hebben 
zy het voordeel , dat wanneer een harpoen , waaraan zy vaft 
zit, in een Rob geworpen word, dees daar door niet naar den 
grond duiken kan, maar terwyl hy fpartelt en tobt , den ja^er 
tyd en gelegenheid geven moet, hem nader by te komen en de 
reit te geven (g). 

Ee 2 Op 

C|) Dit h mede gene nieuwe of ongewone uitvinding ; maar hehh P „ 
reeds voor oude tyden de viffchers in de Weftzee aan de iynen waa 
aan de baken of angels , welke zy tot de Walvifchvangft gebruikten 
vaft waren , dergeiyke wyde met den mond opgeblazen Iedere iak^n 
gehad , welke zy tot het zelve einde achter na wierpen , wanneer S 
vifch naar den grond witte gaan. Oppian. fe<j„j* Lib. K v v ? ffa. e 

Ot ós 01 oppty irptseipyp-irets ivpiui cio-xês 
Mhuvs irfyoftétii 7rtirM$»Tecs tv$v$ h Urn f 

Dat is: zy, de viffchers namelyk, echter werpen de aan een lyn ffe boi*. 
den wyden en met den menfchelyken adem opgevulden ede?J F J deï 
ra het water zmkenden vifch terftond achter na 

Waarna in de volgende yerfen op een aangename wyze befchreven 
word, hoe de getroffen vifch met den zak of blaas, welke hem «fl2£ 
noodzaakt voor den dag te komen, fpartelt en woelt: ook geeftf b! 
mus die zelf by zodanig een vangit geweeft is, daarvan Hom. X in 
Hexaemeron een veel omftaiidiger befchryving. Doch ik kan l\h\»t'JZ 
onaangeroe» laten, dat de Cete , waarvan ^^Ttfi^ËSï^ 
geen eigen tlyke Walvifch , maar een Haay of Zeehond, en Zo S mde 
Cams Carchanas zy, gelyk zulks eensdeels uit zyn aangehaald! IvZer 
of metgezel , .^„*. fi i x & h vide Oppian. v. 6 7 fa. (wfarvan ook daar- 
«boven Tachard ra zyne Reisbefchryving van Stam Lib. I. p t en 
van de oorzake , waarom hy zich by den groten vifrh hA,H !, 







BESCHRYVING van GROENLAND, 



Op den Boot of het klein fchuitje word voor de zitplaats vare 
den viflcher een klein hout roet benen gehecht werktuig, gelykr 
de afbeelding toont, vaftgemaakt, waarom de lyn van de har- 
poen ordentelyk gewonden , en vervolgens achter de zitplaats- 
de gemelde aan het ander einde van de lyn gebonden Robben- 
huid, opgeblazen of met wind aan ge vul t , gelegt word De 
viflcher trekt over zyne gewone klederen , of een gedeelte 
derzelve, een wambes met de armen en het keursje van gladde 
Robbenvellen , 't geen hy rondom zich vaft maakt , ten einde 
al het water , 't geen hem tegens het lighaam Haat, terftond 
weder a%pe. Daarenboven heeft hy ook wel zodanig een- 
broek aan. Voor het hoofd ligt, om de ogen tegen de zon. 
te bedekken, een houte voorhoofdelad of v o o r h o o f d- 
scherm, 't geen van geftalte als een halve boog en aan de 
hoeken met benen fïerlyk genoeg vaft gemaakt is (b) tot 
zodanig een wytte , dat het genoegzaam om het gantfche 
voorhoofd tot achter de oren fluit. Alsdan zet hy zich in zyn 
klein fchuitje plat op zyn aars, met de benen recht voorwaards 
flekènde, en dopt de opening van zyn zitplaats rondom mei: 
zyne klederen en Robbenvellen zo dicht en vaft toe, ah immer 
mogelyk is. Nevens hem aan beide zyden legt hy zyne werp. 
pylen, en maakt dezelve vaft. In de hand neemt hy flechts 
een riem van vurenhout, welke aan beide einden een blad of 
fpaan heeft, die hoog en breed is, op de einden, ter meerder 
Hevigheid en duurzaamheid , met een rand van benen beveftigt. 
Met denzelven weet hy zich niet alleen zeer fnel voort te roe- 
yen en in evenwigt te houden , maar ook , wanneer hy om- 
geworpen word, zich weder over einie te helpen. Het is 
ongelooilyk , als men het niet gezien heeft , hoe fnel die 
vaartuigen door het water fchieten. Ik heb eens iemand ge- 
had, die daarin varen konde, en was niet in ftaat, met eert 

an- 

O) Waarfchynelyk hebben de oude Gothen ook zodanig een gedragen, 
't geen in de ffifioris Gothrici 3 Rolfi cap, 26, p. idi. Lnnifpaung 
$&*«.; towfpïWÓ) frontale genaamt werd. 



endeSTRAATDAVIS. -21 

anderzints fnelle floep, waarin vier kaerls uit alle hunne krach- 
ten roeyden, hem in te halen. Zy konnen 10 tot 12 noordfche. 
mylen op een dag afleggen , en by florm en holle zee , wan- 
neer onze boten en Hoepen niet uit durven komen , onbe^ 
fchroomt- varen ; want zy met de golven op en neer gaan , en 
het niet achten, wanneer een baar over hen heen Haat , na- 
dien het water nergens by hun indringen , gevolglyk op hun 
niet vatten kan ; en zo zy geheel t' onderde boven geworpen 
worden, deert hun zulks niet, vermits de meeden zo behendig 
zyn,dat zy met behulp van hunnen riem zich weder oprechten 
en over einde helpen konnen. Echter is daar toe meer be.« 
quaamheid, fterkte en oeffenïng nodig, dan men menen zou- 
de. Tot ncch toe heb ik onder vele jonge en flukfche lie- 
den Hechts één gevonden , die zich in zodanig een fchuitje 
recht op houden, en, onaangezien het zwenken, voortroeyen 
konde. Doch nooit heb ik enen gezien , die, omgeflagen 
zynde , zich weder konde oprechten, of over einde helpen ' v 
want zodra men buiten het evenwigt geraakt , word men zoda- 
nig topzwaar, en valt zo gantfchelyk om, dat men met het 
hoofd lynrecht nederwaards hangt. Desniettemin weten het 
velen der Groenlanders te doen, en zyn enige jonge waag- 
halzen onder hun zo behendig, dat zy den riem "op den nek 
leggen, denzelven met beide de handen alzo liggende aangry- 
pen , en zich zelven met kracht omwerpen , en ook aan de 
andere zyde, zonder de handen los te laten, of enige verande- 
ring met den riem te maken , weder te voorfchyn brengen en 
oprechten , *t geen echter iets zeldzaams is , en zelfs onder 
hun voorheen groot konfr.- en meefterfhik gehouden word. 

J. LXXII. Tot de Wal visch vangst behoort enige Hoe zy 
meerdere toerufting. Zy trekken daartoe hun geheel wambes met de 
of overtrekfel aan , waarvan hier boven breedvoeriger gefpro-^ 11 / 
ken is, hangen ook een groot mes, om fpek te fnyden , metvangft 
een flypfteen aan hunne zyde, nemen de grootfte harpoenen, omgaan*, 
werppylen én lenzen, en aan de harpoenen grote blazen, van 
de grootfte Robben gemaakt , voorts hunne grote Boten en 
vrouwen mede. Zodra zy een Walvifch ontdekken , gaan zy 

E e 1 in. 






222 



BESCHRYVING van GROENLAND, 




in hunne kleine fchuitjens van alle kanten op hem los, en wel 
met zodanig een drift , dat men 'er zich over verwonderen 
moet. Zy zoeken hem door de harpoenen aan enige blazen 
vall te krygen ; want hoe groot ook zulk een dier is r word 
het echter door enige van die blazen , om hunne Hgtheid en 
tegenftand, opgehouden en verhindert, naar den grond te zin- 
ken. Wanneer het hun gelukt, zodanig een Walvifch als het 
ware te arrefteren , naderen zy hem met lenzen , en zien 
hem zo vele fleken toe te brengen , dat hy , door 't verlie- 
zen van te veel bloed, -derven moet. Alsdan werpen zy zich 
in hunne met wind naar behoren opgeblazen wambefen of 
gantfche overtrekzels in zee , en zwemmen naar den vifch ; 
blyven ook dus dobberend, dewyl zy niet zinken konnen, by 
en rondom denzelven , tot zy het fpek afgefneden hebben , 't 
geen zy terftond in hunne grote Boten werpen. Daarenbo- 
ven weten zy , onaangezien hunne flechte werktuigen , de 
Baarden, of ten minften het grootfte gedeelte derzelve, uit den 
muil te halen, tot fchaamte onzer fpekfnyders en matrozen , 
welke zo velerly grote en koftbare werktuigen daar toe no- 
dig hebben. 
Van bun- J; LXX11I. Tot de Land-Jagt gebruiken zy, naar de eer- 
ne fagt- $ 6j ouc |fl;e en algemene wyze van alle volkeren der waereld, 
fchap.' Bogen en Pylen (i). De Bogen zyn lang, uit americaanfch 
pen. vu- 

(7) Ik moet alhier van een zeer zeldzaam ftuk gewag, maken, 't geen 
ik in myn Cabinet bezit. In 't jaar 1696 ving een onzer Groenlandsvarers 
een Walvifch, in wiens fpek men een ftene punt van een pyl vond, zyn- 
de aan alle de hoeken zeer fcherp geflepen, en de fteen zeer hard. De- 
zelve fchynt een Lapis Nephriticus 9 ten minden een groenachtige Jafpis te 
2yn. De geftalte koomt overeen met de yzere punten, die de Wilden der 
Straat Davis voor aan hunne werppylen hechten. Of zy zodanige ftene 
fpitfen gebruikt hebbeu, aleer zy yzere hadden , of zich met bene be- 
hielpen, heb ik niet konnen ontdekken. Ten minften moet de myne van 
noch verder afgelegen of americaanfche onbekende Wilden, by welke noch 
gene Hollanders of anderen, die hun yzer konden aanbrengen, gekomen 
zyn, in den Walvifch gefchoten , en de fchaft of ftok, waarin zy gefto- 
ken heeft, verloren of afgebroken wezen. 



endeSTRAATDAVIS, 2S $ 

vurenhout gemaakt, gelyk ook de Pylen , welke gedeeltelyk 
voor de Patryzen zonder fpitfen , ten delen voor de Harten 
en Reen met benen fpitfen of punten voorzien zyn. De ve- 
deren zyn van Ravenvederen. Met dat geweer begeven zy 
zich te veld, en zoeken zo lange , tot zy een dier aantref. 
ten. indien zy een of meer Harten befpeuren , omringen 
zy dezelven met volk (aangemerkt zich de vrouwen en kinde- 
ren by gantfche hopen mede terjagt begeven) zulks zy ner- 
gens weg konnen, behalven in het water, of anderzints naar een 
plaats alwaar zy met hunne Bogen en Pylen oppaiTen en 
gereed ftaan , om te fchieten. Men zegt ook , dat zy £oede 
boogfchutters zyn, b 

\Jii LXXlV ' Bllitend | t: viiTchen en jagen weet men by deze 'Fr zyn 
Wildtm van gene andere handteringen , ja zelfs niets van geen 
Handwerken. Want ieder mansperfoon maakt zyn nodie hand - 
vifch- of jagtgereedfchap zelf, en dit is ook het enigtfe, waar- K* 
mede zy zich eigentlyk en alleen op het land bezig houden. Het h« land. 
overige, als nayen , kleermaken , en huizen bouwen en op» 
rechten , is het werk der vrouwen. Beide zyn in hunnen ar- 
beid zo bequaam en vernuftig, dat, wanneer men derzeker 
aamgneid, bruikbaarheid en nuttigheid befchouwt , men be- 
kennen moet, dat zy andere zich meer inbeeldende volkeren 
daar mede befchamen. 

g. LXX.V. Buiten dit behoeft men volgens hunne opvoe- Maneei 
ding en evenswyze gene Kunsten noch Wetenschap^ Kun- 
pen by hun te zoeken. Zy konnen niet verder dan tot ut* en 
tellen, en weten van 't geen voor hunnen tyd gefchied is ,£"!?"■ 
in t geheel mets , noch te zeggen , hoe oud zy zyn , vei-p 7"" 
mits zy gene andere tydrekening, dan naar de maan kennen; ' 
en ook m dit ftuk flechts zo veel weten., als tot hun hand' 
tering nodig is : gelyk zy dan naar de maanrekeninff elkan- 
der beduiden wanneer de Walvifch of wanneer de Cache- 
lot koomt; ook wanneer deze of gene vifch zich op de kus- 
ten Iaat vinden en vangen. Dus hebben zy zelfs dit de De- 
nen m den beginne vroed gemaakt , en nooit in hunne op- 
gave gefeilc. Daarenboven zyn by hun enige weinige ken- 
bare 




*24 BESCHRYVING van GROENLAND, 

bare S t e r r e n, waarnaar zy zich waarfchynlyk op hunne rei- 
zen by nacht richten , en te recht weten te komen (k) , by- 
zondere namen gegeven , gelyk Egede in zyne Befchryving 
van Oud- Groenland getuigt. De Wagen (dit zal ongetwyffelc 
de grote Beer, Urfa major zyn), zegt hy, noemen zy Tugta, 
dat is, een Rendier; de Noord star (Noordpool, Urfa mi- 
nor) Kaumorfok , dat is , een die van de Robbenvangft terug 
koómtj vermits het fchynt, als of hy uit de zee ftygt en voor 
den dag koomt. Het Zeven gesternte, Killukturfet , 
vermits deze Sterren zo naby elkander (taan, dat het fchynt, 
als of zy aan elkander gebonden waren. Die fchry ver voege 

'er 

(F) Gelyk naar deze zelve Sterren, aleer het Compas uitgevonden was, 
de ouden voorheen inzonderheid hunne cours fielden. Homerus zingt OdyjJ, 
E. van zynen UlyJJes. 

— 6 TnjiïctXtü) IS-óveTó 7s^»r/{\7o><i 

~kï"fttv6$ , èiïé cl ü5T?05 tvt (ïXióxpotrit f5T<w7»j 
UXyietiïat r' ItrüfdvTt kx) oxj/t iïutiTtc Bei<i>r;j» ? 
A'pzTov $'»v kx) èiy.ugciv iniy^Tiv y.a.'hiayn 
H!V uvtS s-pé(p£Tett y.a) r' Qpiava iïoKSuet 
0"vsj <^' ufAftopov inhoerpav Oy.eatio~o 
Tijv yoip è'/ifiiv cLyaye KaXw^a o'iet Sectcet , 
Ilcn67repev6[A.eveti est api^epx^eipei i^ovra, 

— ipfe temonem gubemabat artificiofe 
Sedens , twque ei fomnus prjpebris incidebat,\ 
Pleiadesque contemplaxti 6f tarde occidentem Bootem 
Urfamquc quam & currum cognomento vacant» 
Oti<£ ibidem vertitur atque Oriot.em obfervat» 

Sofa vero expers efl aquarum Oceani. 
Etenim ipfam jufferat Calypfo diva dearum 
Ponto navigare , ad (ïnijiram manum habentem. 

En Virgilim Georgië, I. v. 137. 
Navita turn ftellis numeros &? nomina fecit , 
P /e ia das Hyadas cfaramque Lyeaonis A 'reien. 

Zo ook Mneid. III, v. 516 de Palinuro: 
Sidera cuncla votat tacito iabentia ccelo ; 
yirclurum, pluviasque Hyadas, geminofque Trionet, 
Armatumquc auro cifcuwfpicii Oriona* 



endeSTRAAT DAVIS, 22f 

'-er noch by, dat zich de. Groenlanders van het Weerlicht 
en het Noorderlicht ('t geen altoos by helder weer al- 
omme in de lucht gezien word) inbeelden , dat het zielen der 
afgeftorvenen zyn , welke gins en herwaards lonen en met el 
kander den bal kaatfen. P * C ei " 

T>& L f ?7 L Dat r d f Groen J lande f s noc * minder enigen Han- G el ? k 
del of Koopmanfchap onder elkander dryven , fpreekt van ook i!& 
zelven. Een ieder huisgezin , of de huisgezinnen, welke [ {oo P* 
zich by elkander houden, verfchaffen zich zo veel mogelvk han / eI 
hun nooddruft, en zyn gelukkig genoeg, wanneer zy ÖS 
rykelyk magtig worden. Dus heeft een ieder wat een ander 
heeft, en niemand bezit iets overvloedigs , veel min iets by- 
zonders, t geen hy den anderen zoude konnen bvzetten Wat 
daarboven tot gemak en nut dienen kan en verlann wor- 
den, moeten zy ten allen tyde van vreemden verwachten die 
toevallig by hun komen. ' U1C 

5, LXXVIL. Doch de Handel met vreemdfm h*Wi- r* • 
ook we.nig te beduiden, 't Geen de Wilden a™h U nn ^Ö" 
de opbrengen en leveren konnen, beftaat in WalvifcMbek metbui - 
en Baarden, Eenhoornhoornen , Reen- Voff-n- en Rak£„ t , enlan - 
vellen. Hiervan echcer konnen' zy , „J° £e ömftand & "^ 
heden , geen groten overvloed hebben, 't Geen zy van d e 
buitenlanders begeren , beftaat in enig grof wolle goed en 
linnen, yflandfche gevolde kouflèn en" wanten , kolere of 
bhkke ketels m eflen,fcharen, naaynaaldens , als mede taf 
fels kaften houte tafelborden, mouten (/), delen , planken" 
fpaanfche balken, enig y Z er en dergelyken. Gelyk deze ech 
ter eensdeels gene dingen van zonderlinge waarde zyn , ander 
deels ook de weinige en behoeftige inwoonders daamn ter 
ftond hunne nooddruft erlangen, is ligt te giften , dat met en 
by deze heden geen grote Handel te dryven is. Waarbv^daar" 

t e n b0 ^h ?Ï7 k a° m ' dat l elfs « een e « ^tenlandfehe 03 
tot noch toe in ftaat geweeft is , met uitftuiting der overigen 

den 
CO Qmal. Perlujlratie C ap« l0 . p. 39 , 



II II 




BESCHRYVING van GROENLAND, 

den geringen handel met de inboorlingen voor zich zelve te 
behouden.veelmin de markt noch verder bedervende fluiphande- 
laars en lorrendrayers af te keren. 
Derhal- g. LXXVIII. Door deze omftandigheden heeft noch kent 
ven ken- men a ]hi er geen Ge ld: want men het nergens toe befteden 
cebruT kan. ^ er z Y n § ouc * en z ^ ver noc ^ m hunne natuurlyke waar- 
ken zy de, namelyk naar hun gebruik en nut, dat is, in gene. 
ook geen Daartegen behoud het yzer, het geen alhier de beide grond- 
mi?' oorzaken van allen prys, te weten nut en fchaarsheid heeft, 
yzerT zyne wezentlyke waarde. Men heeft wel eens een Groen- 
van lander een ftuk goud van enige ducaten , en daar benevens 
waarde. een p aar naainaaldens of een hakbort (als waarmede onze 
kinderen fpelen) met een paar fnaren, om te klinken, voor- 
gelegt , wanneer hy het laatftgenoemde of de naaldens koos ; 
want naainaaldens weten zy te gebruiken , en wegens hec 
hakbort behoeft men zich mede geenzints te verwonderen , 
■ vermits zy grote liefhebbers van de muziek en het zingen 

zyn (m\ 
' § LXXIX. 



(*w) Het is merkwaardig: , dat men ten allen tyde , ook by de ander- 
zints eenvoudigfte en wildfte volkeren, een foorc van Vocaal- en Inftru- 
jnentaal muziek vind. De oorzaak daarvan moet, dewyl dezelve zo oud 
en algemeen is , zonder twyffel in de menfehelyke natuur zelve haren 
grond hebben : ook toont zich dit by een weinig nadenkens gantfeh dui- 
delyk. De menfeh is, na dat hy door den val der eerfre voorouders de 
eigentlyke oorzaken van de geruftheid en vrolykheid des gemoeds verlo- 
ren heeft, en daarentegen beide naar ziel en lighaam in onluft , zwak- 
heid, vermoeiender, arbeid enz. geraakt is, van nature tot vreze, zwaar- 
moedigheid, traagheid en treurigheid geneigt ; weswegens hy noodwen- 
dig iets ter zyner opwekking gebruikt. Ook is ligt te giffen, dat de eer- 
üe menfehen, die beft geweten hebben, waar van zy afgevallen waren, 
en mitsdien ook van de zwaarmoedigheid over de verandering het levendigft 
gevoel gehad hebben, terftond op allerly en teffens ook uitwendige mid« 
delen bedacht zyn geweeft , om hunne droeffenis te verdryven , en hun 
neergeflagen gemoed op te wekken. Dewyl zy nu waarfchynlyk befpeur- 
den, dat het lieffelyk kwinkeleren der zangvogelen hen innerlyk aandeed, 
en hun gemoed een weinig verligte, is het gelooflyk , dat zy welhaaft 
begrepen hebben , dat het de verfcheidenheid en verheffing der tonen 
was, welke deze zonderlinge kracht en werking met zich bragt, en daar- 
op 



ên de STRAAT DAVTS. 



227 



J. LXXIX. Wanneer zy te zamen komen, moet 'er getrom- Van hus- 
meic, gezongen en gedanft worden. Eerft zetten zy zich aan ne ver ^e- 

Ff 2 » t ring, mu- 

ziele en 

op terftond weder begonnen hebben* niet alleen hunne fteai te oeffenen, 
maar ook ter meerder opwekking allerly klinkende werktuigen uit te 
denken, en meer en meer te verbeteren. Hierin beruft het goed gebruik 
van de muziek, welke ongetwyrTelt by de vrome nakomelingen van Adam 
In zwang ging en Gode niet onbehagelyk ge weeft zal zyn. Doch gelyk 
het ten allen tyde pleeg, liet het de verdorve, en door de zoete melodie 
ontfpamieiï aart der menfehen daarby niet beruften , maar misbruikte , *t 
geen tot verkwikking in treurigheiden aanmoediging in den arbeid behoor- 
den te dienen, tot opwekking en aanprikkeling der wellufl , en verwek- 
king van zondige begeerlykheden. Ja men maakte 'er welhaaft een ei* 
gentlyk handwerk van , gelyk wy Gen» IV. v. 21 zien. dat fubal , de 
geiykaartige zoon vau den uit Caïns huis gefproten liederiyken 'Lamech 
daarvan reeds ten zynen tyde zodanig zyne bezigheid maakte , dat deze de 
vader was van alle die harpen en orgeien handelen* Ondertuflchen is die 
kunft in haar gedoogd gebruik met Noachs huisgezin mede in de Arke 
gegaan, en 'er weder uitgekomen zynde,ook met het toenemend menfche- 
lyk geflacht over den gantfehen aardbodem uitgebreid , en van tyd tot tyd 
verder verbetert. Wy vinden daarvan alomme de merktekenen, inzonder- 
heid in het ooften , alwaar men daarmede de onluftigheid verdryft en 
zich tot den arbeid aanmoedigt. Want zo ftaat by Jerem. XXXI. v. 5. *Mek 
zal planten en daar by op pypen fpelen (NB. volgens de overzetting van 
Lutherus, die de fchryver gebruikt) en in het tegendeel cap. XLVIII. v . 
33. men zal geen Druiven treden met vreugden gefchrey , om gene and'ere 
plaatfen by te brengen. Zo getuigt ook Chardin'in zyne r&yages Tom* I 
p. 127: dat het in het ooften byna een algemeen gebruik is, zich door 
het gezang tot den arbeid aan te moedigen,- dat, ten blyke, dat zulks uit 
loomheid van geeft zo wel als vadzigheid van lighaam ontftaat, men opge- 
merkt heeft, dat dat gebruik meeft naar de kant van 't zuiden in zwang 
gaat; dat by voorbeeld in de Indien de matrozen geen touw zouden 
kosnen aanroeren, dan zingende, noch het zelve in de hand nemen, dan in 
't midden van 't gezang; dat de Kamelen en Often gewoon zyn op het 
gezang geleid te worden, en dat na mate hun laft zwaarder is, men des te 
fterker en aanhoudender moet zingen. Zyne eige woorden zyn : Cefl um 
habitude pre/que univer felle dam tout C Oriënt de s'animer au travail par Ie 
chant. Et ce qui mar que * que cela nalt de parejfe d'efprit auft bien que 
de molk f e du corps , c'eli , qü-on obferve , que cette habitude el} la plus 
fort* du coté du midi. Aux Indes , par exemple , les mariniers ne fcau- 
roient rem u er une cordc, quen chant ant , 'm la prendre meute , qu'au mi- 
lieu du chant* les chamaux & les bceufs ent accoutumè d'etre mcn'és au 
(h&nt, &Jelon que leur charge e/l pefante , il faut chant er plus fort & plus 







228 BESCHRYVING van GROENLAND, 

't eten, en vreten meeflerlvk; daar na liaan zy op, om te /pe- 
len. Zy hebben, namelyk , een zoort van- T sommen, 
welke niet anders zyn, dan een weinig brede en rond te zal- 
men gezetten hoepelen van benen van dieren, waar overeen 
vel ftrak is gefpannen , en waaraan , vermits alleen de bo- 
venzyde overtogen is , vaa onder met een flok een geraas 
gemaakt word. Die Trom neemt een in de hand , fielt 
zich in het midden, en de overigen rondom hem. Welhaaflfc 
begint hy de Trom te roeren en te zingen van hunne vifch- 
vangft , jagten , reizen en wat hem voorts in de gedachten 
fchiet, naar zekere wyzen,die hun bekent zyn, en gezegt wor- 
den, enigzints aartig te luiden , en maakt ook allerly kluchtige 
grimalTen , gebaarden en fprongen ; wordende hy , die zulks 
het zotfl doen kan , altoos voor den beften man gehouden. De 
overige aanwezende mannen en vrouwen flemmen hierin over- 
een, en huppelen ook wel van het ene been op- het ander. Als 
de een vermoeit is, treed de ander in zyne plaats, neemt de 
Trom, en zet hetipel voort, tot zy alle moede worden; ja al- 
les, wat zy met malkander te fpreken , te handelen , of af te 
doen hebben , gefchied by het trommen en zingen. Wanneer 
zy een togt of vangfl zullen ondernemen, word zulks op die 
wyze afgefproken. Als. iemand gaarne iets wil verruilen of 
vertuiflchen , veild de trommeJflager dat ding, en zegt daarby, 
dat dit of dat 'er voor begeert word ; als dan iemand onder den 

hoop 

eanfiamment. Echter heeft men ook het nut der muziek by geeflelyke oef- 
feningen, waarin 's menfchen gemoed noch groter traagheid , dan in hec 
lighaamlyke, befpeuren laat, getracht te erlangen, en 't zelve daarom by 
den Godsdienft te baat genomen: gelyk het dan ook inzonderheid by de 
Joden, die naar hunnen aart noodwendig iets uitwendigs en fterk aan- 
doeuende vereifchten, op een uitnemende wyze ingeftelt is; 't geen de 
heidenfche volkeren, gelyk men- weet, vlytig nagevolgt hebben. Ook 
zal een ieder by zich zelven bevinden , hoe fterk een geeftelyk lied aan- 
doed, wanneer het met een aangename melodie gepaart gaat , en door 
medeftemming van de ene of andere bequame mufikale Inftrumenten (doch 
zonder een fehouwburgfche buitenfporigheid , welke de ydele driften 
gaande maakt, en ten hoogden flechts het welluftig oor vergenoegt) noch 
verder in 't gemoed gedrukt word enz, 



en de STRAAT DA VIS. m 

hoop de ruiling aanflaat, geeft hy zyn toertemming door een 
iJag op den aars van den trommelflager , waarmede de rui- 
ling nchtig en vaft is (»). Wanneer de een den ander misdaan 
beetc , befpaart de beledigde zyn wraak tot de Trom. Ey de 
eerfte gelegenheid, als een gezelfchap, om zich vrolyk te* ma- 
ken, byeen koomt, neemt hy de Trom , treed in den kring en 
klaagt trommende , huppelende en zingende de omftand]^ he- 
den van. zyn wedervaren , en maakt zyn wederparty deerjyk 
mt. Deze verantwoord zich op gelyke wyze, en zingt den ai- 
deren de waarheid toe , waar over het volk lacht, en dus is 
de twifr. geëindigt, waar na de partyen weder als goede vrien- 
den naar huis gaan. Gewis een lof- en navolgenswaardige ma- 
nier, om, alwaar geen recht noch richter gevonden word de 
twiften te beflechten, waaruit men ziet , dat 'm de natuur ftaac 
niet alles door het zwaart beflecht moet worden, maar dat raar 
den aart der menfchen noch door andere fchrandere of laak 
bare middelen de zaken te befliïTen zyn. Ook hebben de De" 
nen, na zy de landtale enigzints kundig geworden waren 
dikwerf moeten horen , dat hun een trommelflager als zv ee' 
komen waren, om den Groenlanderen het hunne te ontfutfe- 
len , hunne vrouwen te verleiden , en dergelyken meer de 
waarheid zingende fchamper onder den neus wreef. Daarentegen 
heeft men ook dikwils befpeurt , hoe aangenaam hun hunne 
Trom moet zyn; want als een Deen dezelve neemt, 'er een wei- 
nig op fpeelt en daarby zingt, fïrekt hun zulks tot zodanig een 
vreugde en welgevallen , dat zy niet weten , wat liefde hem 
daar voor weder te bewyzen. Ook heeft het vrouwvolk noch 
een kring of rondendans , waarin zy elkander by den hand 
houden, zingen, en nu eens voor dan achter zich en in een 
kring rondom huppelen. Wanneer vreemdelingen aankomen 
die hun aangenaam zyn, beginnende vrouwen aan het ftrand 
onder malkanderen lullig te zingen, en dezelven daar mede te 

Ff 3 ver- 

'qSS^SS^^'^^^' V ' 5 °' alsmedeE ^^befchryving van 








Het le- 



landers 
in den 
waren 
nattiur- 
ftaau 



*go BESCHRYVING van GROENLAND, 

verwelkomen. Het jonge manvolk heeft noch veelerly fpelefi 
en oeffeningen , als hen balflaan des winters by het maan- 
licht en anderen , die men my niet recht wifl: te befchryven; 
waar by zy wonderbare proeven hunner behendigheid , bc- 
quaamheid , vlugheid en ftoutmoedigheid geven , als waarop 
voornamelyk by hunne fpelen hun toeleg gericht is , die daar 
door fchrander, onberifpelyk , ja nut worden. 

§. LXXX. Aleer ik deze befchryving fluite , moet ik noch 
Groen" * ets van * iet GEI)RAG en ^e zeden der Groenlanders , van 
hunnen Politieken toestand en van hunnen Gods- 
dienst aanmerken, nadien zo vele uitzonderingen, waarna 
de menfchelyke handelingen in het gemeen gewoonlyk afge* 
meten worden, by die Wilden voorkomen, dat zy een gantfch 
byzonder en zelf ontftaan volk fchynen te zyn , dergelyken 
noch in geen deel der bekende waereld ontdekt fchynt te we- 
zen. Van hunne geboorte af, leven zy in de allergrootfte vry- 
heid. In hunne kindfche jaren ondervinden zy niets van enige 
tucht of beftraffing der ouders ; wanneer zy volwaflen zyn niets 
van de banden van enige wetten, doch allerminft: van een over - 
heids bedwang. Een ieder leeft zo hy wil , zorgt voor zyn on- 
derhoud, zo hy het verftaat, en de gelykheid is zo groot, dat 
de een den ander niets tegen te werpen , min te bevelen 
heeft. Ik maak geen zwarigheid te zeggen , dat die lieden in 
den eigentlyken ftaat der natuur en der vryheid leven ; doch 
zodanig enen, die denzelven geheel niet gelyk fchynt; want 
velen, die van het recht der natuur fchryven, zulks in hun- 
ne Syftemata gemeenlyk afkeuren , en op de affchouwelykfte 
wyze afmalen (0). 

J. LXXXL 



(0) Ciceri de Invent. Lth L cap. 2. Fuit quondam tempus, quumin agris 
bomines paffim beftiarum modo vagabantur, & fibi victu ferino vitam propa- 
gabant , nee ratione animi quicquam, feel pleraque vin'bus corporis adtnini* 
ftrabant. Nondum divina reiigionis, non humani officii ratio colebatur\ ne- 
mo legitimas viderat nuptias , non certos quhquam infpexerat libcros , non 
jut , aquabile quid utiiitath baberet , aceeperat. Ita propter errorem a f que 
infeitiam cceca atque temeraria dominatrix animi cupiditas ad fe explendam 

vi» 







bn»e STRAAT DA VIS. £31 

J LXXXf. De Groenlanders zyn eenvouwig , doch niet Van hua- 
dom, ongeleert, doch aan hunne gemoedsneigingen niet ver- ne ze ' 
flaaft , aan gene gezelfchappen verbonden , doch gezellig , dea ' 
vreed en behulpzaam (p). Uitwendige plichtsplegingen en 
welgemaniertheid vind men by hun niet veel. De een betuigt 
tegen den ander geen eerbied, en het koomt hun wonderlyk 
te voren, als zy by de Denen zien, dat de een den ander ho- 
ger dan zich zelven acht , en dat de een beveelt , de ander 
gehoorzaamt. Wanneer zy elkander bezoeken, groet de aan- 
komende den huis waard niet, en deze heet den ander niet wel- 
koom,maar wyft hem alleen de plaats, waar hy zich nederzet- 
ten kan. Als de vreemde weder weg gaat , gefchied het ook, 
zonder dat wederzyds een v/oord gewiffelt word; en dus is de 
gantfche verkering, die zy met malkander hebben, in allen de- 
len en by alle gelegenheden gefield ; waaruit men ziet , dat 
vriendfchap zonder complimenten en zonder reverentien 
beftaan kan. Zy zyn zeer onrein en fmullig, bemorflchen hun. 

ne 

viribus corporis abutebatur, £rV. 't Geen ik een Heiden ren goede kan hou- 
den. Hebbes de Cive cap. Jf, §. x. is van een gelyke verbeelding; extra ci- 
vitatem fru&us ab induftria nemini certus: in civitate omnibus. Deniqiteex' 
tra civitatem imperium af eüuum % bellum, metus, paupertas , foeditas , fa 
litiido* barbaries, ignorantia , feritas: in civitate imperium rationis, pax t 
fecuritas &c. welke woorden de voortreffelyke Puffendorff enigzints on- 
voorzichtig de zynen gemaakt , en in zyn Compendium de officio hominh 
& civis Lib. II. cap. i. §. 9. geftelt heeft, 't Geen echter grondig weder- 
legt word door den fchranderen en oordeelkundiger! rechtsgeleerden Titius 
Obferv. 461 feq. % wiens tegenwerpingen en ftrydige Hellingen door 't ge- 
drag onzer Wilden ten vollen beveiligt en opgeheldert worden. Het is in- 
derdaad onnodig, zeldzame voortellingen te baat te nemen, nadien mea 
buiten dat grond genoeg heeft, het voorrecht van een betere opvoeding 
burgerlyken ftaat en vooral chriftelyken Godsdienlt aan te pryzen ; zo 
Maar de beter onderwezenen naar de regelen der ware wysgeerte, echte 
ftaatkunde en goddelyke openbaring leefden. 

(/>)Zy zyn gelyk Demonak byLucianus van rechtfehapen eerlyke lieden 
Zegt: ireünes Ixarias ha t«f Zoyov , et tut Itnetltf fo* T \* tóptt. Zy doeu 
van zelven, volgens de neiging des vernufcs,'t gunt anderen onwillens door 
dwang der wetten doen. Seneca fpreekt niet onaardig van zulke lieden, 
2eggende: non eram illi fapientes vin, ttiamfi faciebant facienda fapienti* 




23 2 BESCHRYVING van GROENLAND, 

ne klederen , handen en aanzicht met vifchfpek , traan en an- 
dere vetheden, en waffchen zich zelden; ook wallenen zy hun 
vaatwerk en fchotelen nooit , als de honden dezelve afgeleKt 
hebben, Zv fchromen niet, in de tegenwoordigheid van an- 
deren een wind te laten vliegen , of voor hunne ogen hun 
eévoei* te doen. "Anderzints zyn zy in hunnen omgang 
vri-ndelyk en vrolyk, en hebben gaarne, dat men met hun 
fcherft la) ; want van nature zyn zy tot droeigeeftigheid ge- 
nekt, laten, alleen zynde, het hoofd hangen, en zuchten dik- 
wil, zonder dat zy, naar de oorzaak gevraagd wordende., 
daar van eigentlyke en byzondere redenen konnen geven, Zy 
hebben een gevoel van hun eiendig , onruftig , arbeidzaam , 
■moevelvk en gevaarlyk leven, en zien geen beterfchap te ge- 
moet. Ja hoe kan het anders zyn, nadien zy geen grond tot 
trooft uit de wysgeerte, veelmin tót ^.&>*^ t""^ 
Vele fel- fi LXXXII. Voorts leven zy onder elkander m de grootite 
len zyn ve ?draagzaamheid en enigheid, weten van geen haat nyd , 
hun on- * * jrJL D vervolging, gekyf en ftryd, en noch minder van 
" ^^è^&^i^o^, moordof doodOag, 
ook nooit van oorlog met de naburen , waarom hun fchietge- 
weer niet daar toe, maar alleen ter jagt (r) bequaam is. Van 
Leren of hoerery hoort men niets; zelfs houdende ongehuuw- 
den zich kuifch, en verlokt of verleid niemand een ander tot 
ontucht. De Denen hebben weleer het een of ander jong 
mei.ie op de proef geftelt, maar altoos te vergeefs Hunne 
we nige natuurlyke neiging tot vleefchelyke luiten blykt daar 

door klaar genoeg, dat zy , ge yk hlCT ^ orM . aan ^ e ^VrV 
zelden tv/e vrouwen nemen, 't geen hun echter geheel vry- 
ftaat. De echte lieden blyven zo naauw aan elkander verbon-, 
den , dat men van echtbreuk geen voorbeeld heeft. Den ei- 
gendom kennen zy, en de een laat den ander, wat hy heeft of 



in few vertunt. Senec. Epiftol. 9°° 



en ds STRAAT DA VIS. 



*33 



vangt; doch diefftal en roof is iets onbekents. Alles ligt en 
flaat open: men heeft gene deuren noch floten, kiften noch 
kallen, en men hoort ook niet, dat de een den anderen er- 
gens in bedriegen of bedotten zoude. 

§. LXXXIII. OndertufTchen hebben deze lieden gene. Wet- z y heb- 
ten, om hen te leren , wat zy doen of laten moeten ; veel min, be " "och 
die hen daar toe verbinden , maar zy zyn hun zelven een Wet , Wetten 
en hebben derhaiven noch bedienen zich van gene Overheid , verheid!" 
als die ter handhaving vande wetten, ter befchutting der goede 
enftraffing der quaden verordent is (x). 

§. LXXXIV. Mynes erachtens is het niet onopgemerkt over Natuur- 
het hoofd te zien , maar alzints ten uitterfte aanmerkenswaar- en Staat- 
dig, dat deze lieden, welke noch opvoeding , noch fcholen , kunci 'ge 
noch zedenkundige boeken, noch leraars, ja niet dan een zelfs- wtlr™' 
gevormt en onbefchaaft begrip hebben , uit een inwendige na- door zy 
tuurlyke neiging , welke zich reeds vroeger dan het begrip buite « 
by hun bevind en van 't zelve weinig nut trekt, zo veel boos, twyi [? 1 . 
onnutsen fchadelyks achterlaten, en daartegen zo veel goeds, worden , 
nuts en heilzaams in 't werk (tellen. Dit is buiten twyffel noch onder el- 

Gg een kanderen 

vreed- 

0) Dus heeft Joh. Barclajus niet ten onrechte geoordeelt, als hy Ar-x^^ tS 
gen. Lib. L cap. 15. zegt : f contineri fua fponte intra fines ju ft it ia pof et 
genus bumanum , tune in pari omnium pietate non fupervacanea modo , fed 
injufta effent imperia, qua cives jam fponte aquijfimos ad inutilcm fervitutem 
adigerent. Ook geloof ik , dat wanneer Boecler de Groenlanders gekent 
hadde, hy ad Grotium Lib. I. c. 3./». 200. zo algemeen en befliffend niet 
zoude geichreven hebben: ordo imperandi & parevdi omni natura rationali 
ita deftinatus eft, ut focietas £f muit iplicatio fine eo cogitari nequeat. Maar 
konnen verdorven menfehen door hunne geaartheid en omfiandigheden zo 
verre komen, dat zy zonder overheid beftaan konnen, zo zouden de nieu- 
we leraars van 't recht der natuur en volkeren niet zeer dwalen , wan- 
neer zy fielden , dat de volmaakte menfehen in den (laat der onfchuld gene 
burgerlyke wetten noch overheid van noden hadden. Doch helaas « de 
Groenlanders alleen leven in zodanige gelukkige eenvouwigheid, armo'ede 
en omfiandigheden , dat zy zonder de beheerfching ener overheid onder 
elkander te recht konnen komen. De overige bewoners der bekende wae- 
reld zyn daartegen zo geaart , dat men God niet genoeg danken kan , dat 
hy den overheid-fland ingeftelt, en denzelven met het medegedeelt gezag 
en recht ter ürafoeffening voorzien heeft enz. 






.*' 



J34 BESCHRYVING van GROENLAND, 

een klein overblyffel van het ingefchapen Goddelyk even- 
beeld. Doch wanneer men zulks, als het ware, met het licht 
van een opgehelderd vernuft befchouw-t , bevind men , dat het 
by deze Wilden niet recht geoeffent of aangewend, maar veel- 
eer noch verduiftert word ; nadien zy niet tot de rechte tedere 
banden of plichten komen, maar Hechts by de allergrooffte ge- 
houdenheden of zodanige plichten blyven , zonder welke de 
uitwendige ruft niet behouden kan worden , noch de omgang 
met zynes gelyken of de menfchelyke zamenleving beftaan. 
Daarenboven zyn hunne omftandigheden zodanig geftelt , dat 
zy hun tot de gezegde deugden, of veelliever tot onthouding 
van de daar tegen overftaande ondeugden, niet alleen gelegen* 
heid geven; maar hen zelfs daartoe aandryven en dwingen. 
De onkunde van het quaad, en het mangel aan middelen ter 
aanprikkeling, zo ook van fnode en quade voorbeelden, maakt, dat 
in deze eenvouwigheid blyven. De ruwe luchtftreek, de wei- 
nige voorraad van het nodige, en de moeyelyke wyze van 't 
zelve te bekomen , houd hen in te vredenheid en gelykheid. 
Dewyl niemand meer weet noch heeft dan de ander , heeft 
hy ook gene reden , zich boven den anderen te verheffen , 
en deze gene beweegoorzaken, hem enige meerderheid in te 
willigen. Vermits een alleen niets uitrechten kan , moet hy 
trachten , de anderen ten vrienden te behouden , hun byftand 
bieden, om byftand van hun te genieten. Des moeten zy ook, 
't geen zy gevangen hebben , dewyl de een zo goed als de 
ander is, en de een zo veel moeite als de ander aangewent 
heeft, gelyk delen. Een ieder moet den anderen het zyne la- 
ten , anderzints nam deze hem op zyn beurt het zyne af. Ge- 
kyf, twift en vyandfchap moeten zy vermeiden, want dezelve 
geen ander einde hebben , dan dat zy elkander zouden aantas- 
ten. Het land is zo elendig en ontoegangelyk, hun getal zo 
gering , hunne gantfche geftekheid zo ongefchikt daar toe , of, 
om beter te zeggen , zy hebben gantfchelyk niets, 't geen naar 
enige krygstoeruftmg gelyken zoude, dat zy op anderen onmo- 
gelyk verwinningen konnen maken, en by hun ftaat het alzints 
zo flecht , dat niemand de luft bekruipen kan , hen te overhe- 

ren. 



en de STRAAT DAVIS. 2^ 

ren. Hunne arbeidzame levenswyze verdryfc hun de welluft, 
ja hun ontbreekt alle fterke drank , die by andere volkeren 
meeft tot aanprikkeling derzelve dient enz. En op die wyze 
fpruit hunne fchynbare deugdryke wandel niet zo zeer uit een 
inwendige aanfporing, als wel uit de uitwendige omftandighe- 
den , waarin zy zich bevinden. 

J. LXXXV. Ook openbaart zich inderdaad onder deze zo Hunne 
eenvouwig levende lieden hier en daar het zaad des quaads , 't ^ade 
geen in de herten aller ftervelïngen gewortelt is. Want zyach» aart °" 
ten de Denen minder, dan zich zelven (r) ; beelden zich in , zfch je? 

Gg 2 datgens 

vreemde- 
(0 My is een ware en zo in dit als andere opzichten merkenswaar- lin £ en en 
dige gebeurtenis verhaalt. Men had een groenlandfchen jongeling mede J UKela a- 
naar Coppenhagen genomen , en op de beft vriendelykfte wyze behan- " ers * 
delt, op dat hy zyne landslieden een goed gevoelen van de deenfch e na- 
tie inboezemen mogt. Toen die jongeling in de nieuwe volkplanting we- 
der quam, en men goedvond , dat hy met een Wildin trouwen zoude, 
ten einde zich daar door by zyne landsgenoten des te aangenamer te 
maken, zag hy naar een welgefchapen en verftandig meisje om, en liet 
de ouders om haar verzoeken; doch ving flip: ook toen hy haar zelf aan- 
fprak , gaf zy hem , wel is waar , zo veel te kennen , dat zyn perfoon 
en de uit Denmarken medegebragte fraye dingen haar wel aanftouden ; 
doch betuigde hem t effens ronduit , dat zy niets van hem aan- noch hem 
cooit ten man nemen wilde. Men konde lange de oorzaak van een zo on- 
vermoede weigering niet ontdekken. Eindelyk bragc men het door veel 
moeite zo verre , dat zy met haren broeder naar de deenfche volkplan- 
ting quam, en na dat men , al wat mogelyk was, aangewend had , om 
haar gemoed te verwinnen , en achter de oorzaak van haar beftendig neen 
te komen , betuigde zy ten laatften aan een Deen t die hare taal fpreken 
konde., dat zy tot den haar opgedragen party niet befluiten konde, enkel 
en alleen , vermits zy in overweging nam , dat de bruidegom , die zich 
t>y haar aangegeven had , welligt binnen korten fierven konde, en dat, 
zo hy voor haar overleed, zy van honger en kommer zoude moeten om- 
komen, vermits de Denen haar alsdan niet zouden achten, en de Groen- 
landers haar noch minder weder by hun nemen, dewyl zy den Denen 
gelyk hun zelven bekent was, gene genegenheid, maar wel ene grote ge- 
Tingachting toedroegen. Gelyk zy zich dan ook niet eer tot het huwe- 
!yk liet bepraten, dan tot men haren broeder door allerly goede woor- 
den en beloften overhaalt had, haar te overreden.; onder de vafte verzeke 
-ring, dat hy, zo zy weduwe mogt worden, haar niet verftoten, maar voor 
het onderhoud van haar en hare kinderen beftendig zorgen zoude. 







BESCHRYVING van GROENLAND, 

dat de andere volkeren van hun afkomftig zyn j en wanneer zy 
jegens hun een goede mine maken , gefchied zulks enkel uit 
vreze , vermits zy hen voor moediger en fterker , dan zich 
zelven , houden. Inzonderheid word over de onverwinnelyke 
halfterrigheid en eigenzinnigheid der Groenlanders , voorna- 
melyk harer vrouwen, zeer geklaagt. Ook zegt men, dat zy 
gene zwarigheid maken , den Denen , wanneer zy het hei- 
melyk doen konnen, iets te ontnemen. Indien hun van de- 
zen een weldaad gefchied , laten zy gene erkentenis noch 
dankbaarheid blyken. Daarenboven heeft men my verhaalt, 
dat toen twe jaren voor het aanleggen der volkplanting een 
fchïp ter ontdekking derwaards gezonden werd , en een der 
deenfche matrozen zich te verre onder hun waagde, enigen 
van hun hem terftond nedergeworpen , verfcheide gaten in 
het lyf gefneden , en het bloed met grote begeerte 'er uit- 
gezogen hadden : waarvan men echter zedert niets vernomen 
heeft. Maar wanneer men nu hieruit den toeftand van een 
menfeh, die geheel aan zich zelven gelaten is, rypelyk over- 
weegt, en daarby aanmerkt, hoe Hecht hy op den weg van c 
goede en der deugd vordert, moeten de zo genaamde befchaat- 
dere volkeren met de allereerbiedigfte dankbetuiging de grote 
weldaad erkennen , die de ware beminnaar der menfehen 
hun bewyft , daar hy niet alleen het overblyffel van het hun 
ingefchapen goddelyk evenbeeld door zo vele leraren op hoge 
en lage fcholen , als het ware , opklaart en opheldert; maar ook, 
door zyne aanfporing tot het zedelyke , het gantfche begrip 
der natuurlyke wet , ook wat aan deze noch tot volkomenheid 
ontbreekt , door zyn geopenbaart woord , en door zo vele 't 
zelve verklarende predikatien hun duidelyk, volftandig, over- 
tuigend en opwekkend voor ogen legt: ja (op dat ik het tot Go- 
des lof 'er noch byvoege) daarenboven , dewyl de menfeh 
niet alleen tot dit leven gefchapen, maar noch een oneindig 
beter toeftand voor hem bewaart is , en al het aangehaalde 
hem tot de erlanging en genieting van denzelven niet bren- 
gen kan, hem een Middelaar voorftelt en aanwyft, die hem 
de noch verder hier toe nodige lere geopenbaart , de ware 

krach- 







en de STRAAT DA VIS. 



237 



krachtige hulpmiddelen ontdekt, en eindelyk door zyn eigen 
dood 's menfchen gebrek vervult en te wege gebragt heeft , 
dat zy zo wel hier in het tydelyke geruft , vergenoegt en ge- 
lukkig, als hier namaals in het tydeloze zalig en eeuwig leven 
konnen. 

§. LXXXVI. Zo heerlyk en trooftelyk als deze kennis voor ^ y weten 
ons is, zo droevig en verfchrikkelyk is het daarentegen , dat van ge- 
deze, anderzints zo goedaartige fchepfelen, zonder God in de lien 
waereld, dat is, zonder enige wetenfchap en kennis van hun-Jj°^'* 
nen enigen Schepper en Weldoener leven, in zo verre , dat noch ' 
zy zelfs in hunne taal geen woord hebben , waarmede dithebben 
allerhoogfl: wezen te konnen benoemen ; maar zy, welke doorns hec 
de Denen enig beter onderricht bekomen hebben , verplicht begrip 
geweeft zyn, het woord Gud van hun te ontlenen, en in hun- van een 
ne taal over te nemen. Het is ten hoogften te verwonde- Godheid, 
ren , en niet te begrypen , gelyk men voortyds aangemerkt 
heeft («), ook de ervarenis der latere tyden, en de geftadig 
gedane ontdekking van zo vele voorheen onbekende landen 
zulks bewaarheid , dat geen volk , hoe afgelegen, hoe eenvou- 
wig, hoe ruuw en wild het ook zyn mag, gevonden word s by 
't welk men niet enige wetenfchap van God heeft aangetroffen, 
offchoon het noch zo verduiftert , verdorven , dwalend , ja 
tot afgödery verkeerd is ; hoe het desniettegenftaande mogelyk 
zy, dat eigentlyk de Groenlanders zo gantfchelyk alle kennis 
van God ontberen. Ik heb my zelven langen tyd daar van 
niet konnen overreden ; doch het eindelyk moeten geloven , 
vermits alle , die ik heb gefproken , my zulks verzekeren , ook 
de fchryver der Groenlandfche Perluftratie - , die de Befchryving 
van oud Groenland van den wakkeren en vromen predikant 
Egede tot zyn grond legt, in zyn laatfte hoofddeel insgelyks 
betuigt, dat het in waarheid alzo zy. Echter is het zeker ge- 

Gg 3 noeg, 

(«) Cic. TafcuU Qitaft. Uh. I. cap» 3. Quod miïïa gens tam fera , nemh 
omnium tam fit immanis , cujus mentem non imbuerit Deorum opinio. Mult'i 
de Dihprava fentiur.t', id ehtm vitiofo more effici föletjomnes tarnen etfe vim 
cc naturam divinam arbitrantür. 







238 BESCHRYVING van GROENLAND,' 

noeg, dat hunne voorouders weleer enige kennifle van God 
en den Godsdienft gehad hebben. Doch hoe zy dezelve dus 
gantfchelyk hebben konnen verliezen , is des te onbegrypely- 
ker , vermits immers de ouders , ten minden de moeders , 
gewoon zyn, 't gunt zy van dergelyke dingen begrypen, hun- 
ne kinderen altoos in te prenten. Ook zoude men niet heb- 
ben konnen vermoeden, dat zy niet ten minden allengs we- 
der, gelyk by andere zeer wilde volkeren plaats gehad heeft (a;), 
de ogen hemelwaards zouden geflagen , en de weldaden, die zy 
by voorbeeld van de zon zo voelbaar genieten, erkent, en daar- 
om aan dezelve enige eerbied bewezen hebben. Doch dus we- 
ten deze lieden niets het allergeringfte van enige Godheid , af- 
goden-beelden , of betuiging, die naar enigen Godsdienft ge- 
lykt. Ieder dag van de week, maand, of het jaar, is hun zo 
onheilig als de ander. Zy mogen opftaan of liggen gaan, zich 
aan het eten zetten , of hun maaltyd gedaan hebben , noch- 
tans befpeurt men niet, dat zy enige de minfte aandachtige 
gebaarden maken , veelmin enig gebed doen. Offchoon een 
geboren word , trouwt of fterft, kan men echter by hun geen 
het minfte bewys ontwaar worden , dat naar Godsdienft 
zweemt. 

Zy verbeelden zich , dat alles , zo als het is , van eertyds 
geweeft, en van zelven ontftaan zy. Werpt men hun tegen, 
dat het onmogelyk zy, dat die heerlyke gefchapenheden, als 
de zon enz, , genen maker gehad zouden hebben, daar zelfs 

ge- 



(*) Ca/ar de beïl. Gallic. Lib, VI. cap. 21. Deorum numero eos fofos du- 
cunt {Qermanf) quos cernunt £7 quorum operibus aperte juvatitur, Solem , 
Vulcanum & Lunam* 't Geen ook en meer ander van de heidenfche Ys- 
landers gezegt word. Het luid zeer ftichrelyk, dat van een der eerlte be- 
zitters van Yfland, namelyk Tborkcl, bygenaamt Mana y dat is Maan» ver- 
haalt word, dat hem zyne heidenfcbe landsgenoten dien bynaam fpotswyze 
gegeven hadden, en wel om gene andere oorzake , quam quod a Luna aftro- 
rumque opificio admirabili aliquid de invifibili opifice colligendum fiatuiffet , 
qui quoque jatn moriturus y fe in locum foli adverfum efferri fecit, comwen- 
dando fe in^manm illius Dei , qui folem crcaverat. Landrama P* I. cap. 9. 
/Irngr. Jona Specim. I/Iandic, Se ft, I. cap. 1. 



endeSTRAATDAVIS. 239 

gene van hunne fchuitjens van zelven ontdaan, antwoorden 
zy wel, dat zy zulks niet begrypen konnen , doch hem ech- 
ter niet kennen, noch weten, wie hy zy. Enigen voegen er 
uit een dwaze inbeelding van hunne natie by , dat het dan 
een Kallak , dat is een van hun volk geweeft moet zyn , die 
den hemel en de aarde gemaakt heeft. 

§. LXXXVII. Inmiddels komen echter by hun enige , on- Het te- 
getwyffelt van hunne oudfte voorvaderen afftammende , ge-S ende el 
bruiken voor, die den fchyn van een By ge loof hebben , is - Ü L £ e " 
als de hier voren gemelde quade en dwaze verbinding der nefby-" 
befchadigde ledematen , het aanhangen van enige halsbanden gelovig 
of andere dingen , als ftukken van oud hout , vogelklaati- J h y" en ' 
wen , fnavels van Raven , om voor krankheden be-b r e u f k e e * n 
waart te worden, of gelukkig te zyn (y) en dergelyken. niet op te 
Doch men befpeurt niet , dat zy daarby enig uitzicht of hope maken, 
op een bovennatuurlyke of duivelfche kracht hebben ; maar zy 
doen zulks enkel hierom , dewyl zy het anderen dus zien doen 
en gehoort hebben , dat het goed of dienftig zy. Echter moe- 
ten zy aan Toveraars of Tovery geloven ; want wan- 
neer in den jare 1734 een Groenlander zyne dochter en oud- 
lten zoon, dien hy ongemeen beminde, door de toen woeden- 
de en aanftekende ziekte verloor, floeg hy een vrouw, die voor 
een toveres gehouden werd, op de plaats dood , uit een dwa- 
ze verbeelding , dat zy met hare tovery zyn kind van kant ge- 
holpen had, in welke verbeelding het hem had gefterkt, na- 
dien de jonge op zyn uitterfte liggende voorgaf, dat de ge- 
daante van dat wyf altoos voor hem flond , over hem tover- 
de, en, zo hy zeide, hem doodde. De heer Egede meld in zyne 
befchryving, door verder onderzoek ontdekt te hebben, dat de 
Groenlanders menen, dat zo dra de menfch fterfc, de ziel, 
die zy Targneck noemen , uit hem ten hemel vaa'rt , doch 
het lighaam in de aarde blyft en verrot. Dit ook is de oor- 
zaak, waarom zy by den afgeflor venen, wanneer zy hem be- 



O) Zie Groenl. Perluffrat, p. 57. 




24.0 BESCHRYVING van GROENLAND, 

eraven, het vifch en jagtgereedfchap leggen , 't geen hy in 
zyn leven gebruikt heeft, vermits zy zich verbeelden , dat die 
fterven, elders, alwaar een menigte Reen te jagen en Rob- 
ben enz. te vangen zyn , weder leven ; doch waar , en hoe lan- 
ge, weten zy niet, veel min, dat het lighaam ook eenmaal 
weder op zafftaan. Derhalven ware het wel te wenfchen, dat 
deze elendige menfchen in de gronden van den waren Gods- 
dienft onderwezen wierden ; te meer , dewyl zy , wat men hun 
van God en zyne befchutting en zegen , van een toekomlhg 
beter leven enz. zegt, met luft aanhoren, gewillig aannemen, 
en 'er zich mede trooften. Ook is daar mede reeds een roem- 
waardig begin gemaakt. Wat daar toe gelegenheid gegeven 
hebbe, en hoe het daarmede afgelopen zy, heb ik reeds in t 
begin dezer Befchryving §. li bladz. 125 en volgende gemelt. 
Nu echter de volkplantingen voor 't grootfle gedeelte vernietigt 
en enige predikers van daar vertrokken zyn, de nieuwbekeer- 
den en noch niet recht beveftigden ook welhaafl naar lands 
gebruik verflrooit zullen geraken, is het te duchten, dat de ge- 
ringe wetenfchap van God, den Heiland der waereld, en van 
den Godsdienft, welke hun aangebragt is ,' in weinige jaren 
weder in vergetenheid vervallenen deze ongelukkige hoop in 
de duiflernis en elende, waarin dezelve ligt, helaas noch lange 
blyven zal (z). 
v™ het 8. LXXXVIII. Nu blyft overig, dat ik van het begra- 
besravenVEN en BETREUREN hunner Doden gewag maak. Zo- 
en be- dra iemand onder hun geftorven is , nemen hem de naatten 
treuren yan zyn ge fl ac ht , en beftellen hem met veel rouwgeklag en 
Doden, geween ter aarde. Het lyk leggen zy in een graf van zoden 

CO Ik moet hier by noch melden, dat een handfchriftvan den vromen 
predikant Eeede, onder den titel: <8fflttodftttè ©eraenter til teil Sfcnfï* 
HfiC fimbéfab for ben ©rSllïanbéfC Cafbeeumener , hoc e(l, Element a Cbm- 
tiana religionh pro catecbumenis lingua 'Jroenlandica cum ver/ione Damca 
Ao I72A. a Dn. Jobanne Egedc Miflionarto Danico in Gfoen/andia fcripta , 
in 8vo, in de Catalogus der Daneskioldfche Bibliotheek gevonden, en daar 
uit voor de koninglyke Bibliotheek gekocht is. 



en de SJRAAT DA VIS. 
aarde en ftenen, in zyn volle kleding, plat op de aarde, brei- 
den een paar vellen over 't zelve , en bedekken het voorts 
met zoden aarde en vele ftenen, Nevens den afgeftorven leg- 
gen zy het hem behoort hebbende vifeh en jagtgereedfchap 
als zyn fchuirje, boog en pylen, werppylen enz.; want de ove! 
ng blyvende zich, wat den afgeftorven toebehoort , in genen 
dele aanmatigen. Ook houden zy den doden voor zo onrein 
dat gene, dan zyne naaftbeftaanden , hem durven aanraken ' 
geiyk zy hem dan ook alleen op den rug naar 't graf moeten 
dragen. Zy betreuren hunne doden zeer. De bloed en zwa- 
gerverwandten komen in den beginnen driemalen des daags 
naderhand echter zo menigwerf niet, maar dikwüs en zelfs een 
gantfch jaar door te zamen , zetten zich neder , leggen het 
hoofd in de handen , de ellebogen op de kmën , betreuren 
dus en bewenen den doden. Ingeval de afgeftorven gene 
bloedverwandten noch vrienden heeft, laat men hem onaange- 
roert op de plaats liggen (a), daar hy verfcheiden is. De oor- 
zake daar van is de zo even aangehaalde onreinheid, die bui- 
ten de aliernaafte verwandten, zo zy menen, alle de overigen 
befmet. ° 

J. LXXXIX, Ten befluite zal ik myne giffiugen wegens de Van 
ar kom t van dit zo zonderling volk ter verdere overwednff waar dit 
alhier by voegen. Ik oordeel, dat de voorvaders van dit volk Volk zyn 
uit het noorden van Aften van de famojeedfche of fyberi- ? P °rong 
fehe Tartaren afftammen, en, naar de wyze der vruchtbare heeft* 
noordfehe volkeren, verjaagt en verplicht geweeft zyn, een 
nieuwe woonplaats en verblyf met verdryving der oude bc 
zitters te zoeken. Gelyk zy dan veelligt door Nova Zembla 
(Z>) hunnen weg genomen zullen hebben,, en in het oofter ge- 
deelte van Groenland, (dewyl de dalen alstoen zowel aldaar als 

Hh in 

(a) Zie Groenlandf, Perlujlratie p. 48. 

(£) Dit: heeft des te eer konnen gefchieden , dewyl, geivk thins zeker 
ontdekt , S Nova Zembla door een landeng'te aan de ooftzy e by dLx 
mond der Oby aan Syberië valï gehecht is. Zie Strallenbergs „oordeijk 
en ooftlyk gedeelte van Europa enz. in de Inleiding, pag, i|."° ° ■** 





2 4 2 BESCHRYVING van GROENLAND, 
in het «refter gedeelte met zo veel fneeuw en ys, als heden- 
daags, niet gevalt , noch de steeboezems , die zy overfteken 
moeiten f met zo veel ys, als thans, bezet zyn ge weeft) ge- 
Tongen zynde , de aldaar gevonden Chriftenen vermoert zich 
in hunne plaatfe nedergezet , een gedeelte der hunnen naar t 
wefterdeel van Groenland gezonden en dezen de aldaar wo- 
nende Chriftenen niet beter behandelt zullen hebben. De ge- 
fchichtfchfyvers noemen deze nieuwe gaften de wilae S.rel- 
lirtttm/ en zeggen, dat de Chriftenen door hun verdelgt zyn , 
H m'elden IL van hunne afkomft. De Wilden in de Straat 
Davis zeggen onder elkander, dat hunne voorouders toen zy 
daar te lande quamen, de inboorlingen dood floegen; doeh van 
hunne afftamming weten zy noch minder bericht te geven als 
van welke zy door de „bergen en yszee meer en meer afge- 
zondert zvn, waar door zy hunnen ouden Godsdienft en alles 
vergeten hebben. Ondertuffehen grond zich ^^^rnmeden 
op de vele overeenkomften , welke ik tuffchen de wilde Groen- 
Snder. en de gemelde fyberifche of famojeedfche Tartaren , zo 
in lighaams geitalte, als dragt en levenswyze vmde (c). De m- 
fovifche Tangufi hebben riemen met een blad aan ieder einde , 
doornaven ook hunne aangezichten met figuren (<*), ge yk de 
Groenfanders. De heer baron van Palmberg , die als ko- 
ninglvk zweedfche gouverneur van Finland geftorven is , 
heeft' my verhaalt , dat wanneer in het begin van den laat- 
ften oorlog de Ruflchen in Lyjfend vielen, en ook zyn kerk- 
dorp plunderden, zy dergelyke Tartaren by zich gehad had- 
den , die zynen predikant., een jong en wel gezet ^man , zo- 
dra zy hem in het oog kregen , tegen de aarde hadden ge- 
worpen , op verfcheide plaatfen van zyn hghaam wonden ge- 
fneden, en als Tygerdieren daaruit het bloed gezogen: c 
geen anderen ten dien tyde mede wedervaren was. Zodanig 
ö een 



(e) Zie de Bnihis Reizen over Mofcou enz* cap, II. en Ysbrand Ides 
lleize cap. 19. p. 116. 

(J) Ysbraud Ides cap, 1. p. 37 en volgende. 



en de STRAAT D A V I S; 

een onmenfchelyk gedrag jegens een deenfchen matroos, heb 
ik hier boven van de wilde Groenlanders verhaak: ook* zou- 
de men by naauwer onderzoek meer andere dergelyke over- 
eenkomden en kentekenen konnen vinden. Doch dit Jate ik 
san anderen overig, die daartoe meer ledigen tyd hebben 
en yle naar het 



I- I' N D E. 




H.h 2 




AAN 



244 



AANHANGZEL 

Letter A. 

DICTIONAKIOLUM* 

O F 

Deenfch, Hollandfch en Groenlandfch 

WOORDENBOEKSKE, 

NB. De Accenten of geluidtekenen , welke boven de Groen- 
landfche woorden , en inzonderheid boven de mede-klin- 
kers gemeenlyk geftelt worden, heeft men alhier by man- 
gel van zodanig fchrift Hechts hier en daar aangewezen. 



Nomina Substantiva 
of . 



pdittn I een Priefter, Pellefte. 

- / een Engel, Engellp. 

©ieffode/ de Duivel, longarsne. 



Zelfstandige Naamwoorden. Ü Hoofdft. van de Waereld. 



I. Hoofdft. van God. 

$iiï3 / God , Gud. 

qjuö jpaber/ God de Vader, Gud 
Augulta. 

<&VfofM>ti®&/ Gods Zoon, Gudib 
Nianga. 
- - - , de Verlote, Sarnickfach. 

®uü tien iïtüm ^ianïï / God de 
Heilige Geeft , Gudib Anarfdh . 
dat is Gods Adem, hebbende zy 
geen ander woord , om 't we- 
zen van een Geeft uit te druk- 
ken. 

^fUlïtcmc/de Schepper , Senarfoe. 

«éïMminrc/ de Schepping, Seüacb* 

eerren/ de Heer, Nallegdrsnach. 



ï^inimcï/ de Hemel, Killach. 
3?arüCll/ de Aarde, Nuna. 
forten/ de Zon, Sackanach. 
^Oejptto / Zonnefchyn , Sacha- 

nacpoé. 
Roeten gatt mbt / de Zon gaat 

onder^ Sackanach terripoch. 
^oeïen rjaet ap I de Zon gaat op, 

Sackanach nuioch. 
t ïiïöaai!C/ de Maan, Kaumeb. 
£tkï\\c/ het Gefternte, UUoiach. 
Kyr*, of ®ag/ het Licht of de 

Dag, Kavocb. 
<2T>a0 / de Dag , Ullach, ook Ulluit. 
0Miuiiït/ Duiftcr, TaacL 
j&iïtt/ de Nacht, Unnuach. 

UI, Hoofdft. 



AANHANGZEL. 



H5 



III. Hoofdft. van 't Vuur, 

SA/ het Vuur, Jgnacb. 

<$tti\l/ Vonken , Ignitfet. 

%iï$CZl\\ een Vuurfteen , Ignec- 
tant. 

üEmnpe/ een Lamp 5 Kollech. 

ïxorren / de Rook , Igga , ook 
Ijjeck. 

HtfctjïucijtMï/ uitgedoofde Ko- 
len, Auma. 

SCgfie/ Affche, Ackfa. 

IV. Hoofdft. van de Lucht. 

- - - -/ de Lucht, Siïla. 
^'ftpei:/ Wolken, Nïija. 
/ een heldere Lucht, Al- 

lacknacb. 
®ani}jt of.^Taage / een Nevel , 

Pyocb. 
ïicgn/ de Regen, Skielluch. 
®£t regnet*/ het regent, Skiellupocb. 

- - - -/ Hagel, Netakomet. 
jéwtZ I Sneeuw, Aput, ook Kanich. 
Mztfè tfroffc/ flerke Vorft. Ir/e. 
<^raafce/ Droppelen, Gute. 

- - - -/ Droogte , Sarmeck , ook 

Corben/ Donder, Kallach. 
&miï / de Wind , Annoe. 

V. Hoofdft. van bet Water e 

^anb/ het Water, Imach 
%ttïl ! een Beek , Koveitfiach. 
Cïfb/ een Rivier, Koek, 
ï^afb / de Zee , Imach tarajotb. 
^tt&n / ^e Stroom , Sarbacb. 
2£uïge / een Baar , Malicb , ook 
Ingulicb. 

Eh 



3ffoeö/ de Vloed, Uglipocb. 

tfitttf de Eb, Dinipoch. 

%m Sffatafes / een Zeeboezem 5 

Kangertluck. 
4btl een Eiland, Kickertacb. 
Mwfo I een Zee-engte , Straat, 

Tunjzua. 
Mm^-I Scheren, Jekarlocb. 

VI. Hoofdft. van de Aarde. 

%tnh of mm/ de Aarde, lp. 

foucb. 
%ïtT3é( het Gebergte, Kackars* 

nach. 
ïfoge/ een Hoogte of Heuvel , 

Kackat. 
M>kt-Mm^l vlak Land, Nach- 

jeitfincb. 
€ng of 0&fe / een Weide , Iquit. 
£>&nb/ Zand, Sickait. 
MMtl Mos, Ory£. 
Cit5/ Bergftof, Jgnacb. 
^tcene/ Stenen, Ujackei: 
%\mt eïïer @Tm / Loot of Tin 9 

Ackerloch. 

^cni/ Yfer, Sauvicb. 

^taaöer of^feefsmg/ Koper of ge- 
kal amvnt Koper, Kangifdcb. 

EtettefteÉn/ een Wetfteen, Silicb. 

(Cafeffieert/ Talckfteen, Ukafifacb. 

MfëM/ W\\\tfyzX I een Schelp , 
Moffel, Uillocb. 

fótoig jéftftl-- - -, Kiblekujach. 

VIL Hoofdft. van Bomen en enige 

Aardvruchten. 
@Tran of Jjftafb / Hout of Bo- 

fchadie, Opicb. 
ÏSoeÜ / een Wortel , Socleit. 
23ïafce of Ipfb / Bladen of Loof, 

Pilloch. 

3 m 




AANHANGZEL. 



gehouwen Hout , Kef uk. 

mimi Hars, mm ... . 

(ênéötó trfe/ Jeneverbezien,v4<yaJ- 

lakajarfèt^. 

°£mW/ y . Paunakar fit.. 

%^%att I de Vrucht van de 

Myitenboorri , Kiutarnget. 
&aét&toj een zoort van zwar- 

teKmis-ofDoornbezien, P,g- 

CtfÏÏtè Sitót/ een zoort even ais 
Doarnbezien , KwgumeU 

3iMtè ^5«t een zoort van Braam- 
"beziën, Okjornch. 

éuaüri/ Angeüca- wortel, g«w. 

VIJL Hoofdft. van Dieren, 

ètmtfiï een Dier, NerfuU 
&tt#bbk/ een Rendier, lucktu. 
*&töui een Beer, Nennocb. 
fefl!/- een Vos, Kakaka. 
'éüdXC/ een Haas, Ukallicb. 
miwtn / een Eekhoorntje, Tuacb, 
£\} ïfmia/ een Hond, Kimmech. 

IX. Hoofdft. van Vogelen. 

jtttjeïi/ een Vogel , Tingmiacb> 
' ook Piarewjkacb. 
Winner / een Vleugel , Sulluit. 
<£3A een Ey, Ménnicb. 
Mint/ een Jong, JPwracö". 
fee/ Sneeuwhoen (Lagopus; 

een witte' Vogel ter grootte van 

een Duif, Akeirfit. 
0afbn / een Rave , Tulluacb. 
<ètt\\! een Arend, Necbtoarlicb. 
$$\Ü)Z I een Valk, Kickfoiarfuacb, 

ëmm een Gans > Nerlech - 

%xfotï\j een Eend, Kacbktwg. 



gaatje/ een Meeuw, Naviat, 
Eamrae of "Eumöc/ - - -, Apa. 



grifte/ 



Sarbacb. 



€thtl f utfd/ een Eider-End, Mê- 

velecb. 
(©rm/ 9 ..Koperlocb. 

Eonyc/ een Vlo, Pilleciucb. 
%\\Ü$/ een Luis, Komacb. 

mmi een Mu s> ft>^- 

X. Hoofdft. van Vijfeben. 

fl^Cti/ een Viich, Negpia , ook. 
Auliiauket. 

3MfiSiït / een Walvifch, ^rfcac/;. 

©ua#£ ^aröEC/ Walvifcn Baar- 
den , Sokaeb , Cacbelotte: Kiotèlic. 

%%n/ - -, Ëfcrfat. 

(ptjt/ Dorfch of Kabeljauw, O- 
«uac/j , ook Saólicb. . 

lilïtffC/ een Knorhaan, Kanaifocb. 

#toii3iTr/ een Schel* Okóetach. 

SShicte of «fcurite/ Heilbot, 2Vé- 
taenacb, ' 

Kaaïte/ een Rob, Zeehond, Pw/a. 

ftoöfpÉ / een z:001t van ü > 

Sulïupaukct. 

Jêtccnöitti/ een Lamprei, Vifch 
die zich by de Klippen en Rot- 
zen onthoud, Kiutilicb. 

XL Hoofdft. van den Menfcb. 
Ct ^euftiie/ een Menlch, Innut. 
€t ïiöcr 5&aui/ een klein Kind, 

Mecttitungul , ook Nalluvian- 

guacb. 
Wiis^CKfon/ een jong Perfoon. 

Innurfutveifiacb. 
#annneUtëa»ö/ een oud Man, 

Utockacb. . . 

P0C ^arn/ecn Meisje, Nmacb- 



|%e/ een Maagd, Nimachfeifia. 
mwmht/ een Vrouw, Agna, ook 

$mirmeï<&tiraöe/eenoudeVrouw, 
' Agna koechfeijia. 



A ANH AN GZ EL 



MJ 



XII Hoofd/l. van 'j- Menfcben 
Ligbaam, 
feseme/ eenLighaam, Timd. 
^ofUct/ het Hoofd, NiackoA. 

mïjfcl!/ een Schouder, Tuvicb. 
. MtinU/ de Keel, Iggera. 
gfac|e/ de Nek, ri/oi 
-25nif*/ de Borit, Boezem , Ech 

Jarroa. 
9Brjft/ een Borft, ««, 
Stoft/ ©otter/ TepelslMtfo*. 
Kjig/ de Rug, Kulleg. 
%m/ de Buik, NaiJ-acX 
mtheïl! de Navel, Kallitzia. 
%m^tï\l ,- -, Usna. 
SUrm/ een Arm, Tallicb. 
mintf deElbogen, Muful 
M&t! de Zyde , Tullimaot. 
ï^atlb/ de Hand, Akfeit. 
Wmt #aiitr / de rechter hand, 
1 Fallicpid. 
'Ifonffre ^an& /-de linker hand , 

Saumia. 
tfïab feaanö / de Palm van de 

Hand, Itumd. 
Utofbe"/ 't Hol van de Hand, Zaö- 
>r£ \ 

- - -/ een Vinger, Tickara , ook 

$"-ajt\il een Nagel, Kuckicb. 
1 . t/ een Lid, Naukufikd. 
,§fu#t£/ een Hoofd, 'SMa. 
iiertlE/ üe Harfiènen, Karacbsè. 
-%nfbet iaac / het Hoofd-hair , 
JNwtkietcka, 



geWeen Oor, Sto. 
l*Öt/ het Aangezicht, Xj*^ 

®«8B/ de Ogen-, ■>./&*. 

flpJ £teen/ een Oog-- appel, 

-Kimmerd. 

^mnKüaut/de Oog -leden, 

^mnmmt/ de Wenkbrauwen, 
KubtucB. 

Bom / de Neus , iW , ook 

Kingera. 
- - 7 de Mond, &zmi 
tafeer/ de Kaken, UZ/a*. 
mnh/ een Tand, JBfltó. 
fage/ de Kin, Tobluce. 
mm / de Lippen , Karlocb. 
&m/ de Tong, Ockd. 
mam/ de Vuift, Erecbpet 
mmtta/ de Ruggraat, JTmpic- 

Kffbfteen/ een Rib , Tullimijika. 
%tm/ 't Gebeente, ÓW4. 
J|U&/ de Huid, Amia& 
mm/ het Vleefch , Weka. 
gnöiiOÏte/ het Ingewand, IméUd 
^icrte/ het Hert, C7wiaȣ 
M|affae/ de Maag, Na. 
Kaf\m/ de Lever, Tinnod. 
%Utt/ de Blaas, Avatitatt. 
MM$fcM&w/ de Drek, kam#é; 

/ de Pis, Koch, ook KoB. 

Kumpe/.deAars, Nulloch. 
%imb/ het Bloed , Aitck. 
%ttn/ een Been, Kanah. 
%mt/ het dik van 't Been, Qp- 

peticb. 
Mnat/ de Knie, Smeken 
c Mi.mtl/ de Enkels, Tinnumufoè, 
falf/ de Hiel, C^mza. 
ifOBÖ/ de Voet, ïfiekaka. 
-f Oeöfoeïe/ de Voetzolen, Atti%r& 




243 



AAN H ANGZEL. 



focböïati/ - - -, Ifagei. 
{CatX / de Tenen , Ingoei. 
^tot 0itl / de grote Tenen, 

Puttod. 
ïHntiet ï|a!en / onder Hakken , 

Magnei. 
£>ï$lta/ de Ziel, Tagneit. 

XIII. Hoofdft. van Huisraad en 

Klederen, 
f tpfc 0etrêïiaö / Vifchgereed- 
fchap, Aulifaui. 

- - - - / al het Gereedfchap tot 
de Vifchvangffc en Scheepvaart 
dienend, word met één woord 
genaamt, Pufenut. 

SCngeïï / een Angel , Karlufa. , 
03arn/ een Net, Kacbfuticb. 
25«e/ een Boog, Pe/?£/è. 
Pet/ eenPyl, Kacbfutb. 
z&fafe/- een "Zak , Aulemicb. 
$rutic/ - - - , tywï, 
23ïacpifeeï / een blikke Ketel , 

Kiblifocb. 
QMe/ Bier, Karjuticb. 
$X& %&t\y I een houte Schotel , 

Pogetacb. 
0iit/ - - -, Allaxicb. 
[ێnbt I een Ton , Neppatbit. 
J5töd of S&enrij / een Stoel of 

Bank, ïfiatacb. 
-ïfailöc/ een Kan, Emungefocb. 

- - - f een Glas , Kaumerfoit. 
J§>Zj:/ een Schaar, Keijuticb. 
^lt 4^aaüï/ een Naaide, M?m/J. 
ïiliappc J^aaöï / een Spel , Kuc- 

kelicb. 
£m ïïing/ een Vingerhoed, Tec- 

keriacL 
ïkiortcï/ een Rok, Ahnoacb. 
^iïïnöïïioïteïy een ledere Rok, 

Kappiteicb. 



%U%tt/ een Broek, Karlicb.. 
ïiliapper/ Knopen, Nautich. 
ï^Defcr/ Koutten, Alekenicb. 
Aantipte/ Handfchoenen , Acka- 

ticb. 
ïf.ufbe/ een Kap, NeJJach. 
^raaö/ een Draad, Acktucnaracb^ 
§föQZ\ Schoenen, IJiamacb. 
JtfoffiCi: / Laarfen, Kamicb. 

XIV. Hoofdft. van een Huis en 
deszelfs Delen. 

%nzi\% Pat3/ een bebouwbare 

Plaats, Inna. 
ï|lUl£ / een Huis , Iglbé. 
tffccït/ een Tent, Tappacb. 
^or / de Deur , Mattua. 
^ogcïï/ een Sleutel, Mattuach* 

faut. 
QStlïfF/ de Vloer, Nettacb. 
t^mÖHÉ / een Venfter , Iggelacb. 
%ofit/ de Zolder, Kalliab. 
MfèZtJ de Sparren, Pupelicb. 
0t%t I een Byl , AglimauL 
3£afbei* / een Boor, Keibloracb, ook 

Ketula. 
^ag/ een Zaag, Plecbtut. 
^orb/ een Boord, Rand, Seitiliach , 
a^cfbe/ een Oven, Kirfarbiacb. 

XV. Hoofdft. van Smitsgcreedfchap». 

Jwieb/ een Smit, Sabbipob. 
ïWfe 55aÏ0/ een Blaasbalk, S^ 

bicbsdb. 
- - -I een Hamer, Kautacb. 
^yitsor/een Staaf Yzer, Kiklacb. 
01/ cenVvl, Ajomicb. 
Scril/ Yzer", Sauvicb. 



XVL 



AANHANGZEL 



H9 



XVI. Hoofdft. van Reizen en 
Vaaren. 

%$tn/ een Weg, Ackufinak. 

/ een Reize , Kammoocb. 

Jrtaf/ een Stok, Ajaupia. 
2öaaö/ een Boot, Sloep, Umiach. 
€n ïtfcen 2&ia&/ een kleine Boot, 

Kajab. 
/ een grote vrouwen 

Boot, Kunikaijah. 
J§*nn%/ een Schip, Ummiachfuacb. 
^eigï / een Zeil , Dingerlaut. 
30ajter/ de Maften, Nappar aut. 
ïteer / Riemen , Pautich , ook 

Eputd. 
J&tatt/ het Roer, Stuur, Akkota. 

^Tüfia/ , Aklunach. 

35+ie/ een Spriet, Senneruta. 
jjfïorg/ de Vlag, Arbolifa. 

XVII. Hoofdft. van Scbryfgereed- 

fcbap. 

%Q#/ een Boek, Eruftoeroch, ook 
Macbperfecb , Aglecket, Schrift. 
^cn/ een Pen , Sulucb. 
(jïumgemaaï/Taal, Spraak, Okafé. 

XVIII. Hoofdft. van Verwandten. 

^ïecÖtgftatyVerwandfchap, IUoe. 
5faöec/ een Vader, Attdta, An- 

gutta. 
g&ütbtt/ een Moeder, Agnab , 

ook Okoocb. 
#nicïjtf0mmetf8 <®umtie / - - - 9 

Nartufocb. 
Ǥfa/ een Zoon, Nianga, ook 



botter/ een Dochter, P^ma. 

/een Schoon-vader , S&ffa 

f aöct ^mthtl / een Oom van 

Vaders zyde, Akd. 
Stofa/ een Broeder, deoudfte^ 

Angejuod. 
%mbzi/ een Broeder, de jongfte, 

&b$$tl eenZufter, Noyd. 
M&toto/ een Zuflers Kind, Ka- 

langei. 
%nm/ een Kind , Kittongeu 
jfor&öeni/ Voorouders, ^/wge/o- 

kuit, 
HEm&eïtarn/ Kindskinderen, Nal- 

luvianguacb. 
ïferre/ een Heer, Nallegacb. 
tiener/ een Dienaar, Kibgd. 

XIX. Hoofdft. van verfcbeide 
Koopwaren. 

M loftman^Öaö / Koopmanfchap , 

Neokitichfacb. 
^peiïï/ een Spiegel, Taractocb. 
iPerïer/ Paarlen, Sappdne. 
ÏÜifle/ Kiften, Itlabich. 
ïlaaröeMing / de kling van een 

Degen , Pennamicb. 
ïffnifu/ een Mes , Ingelicb , ook 

Sanicb. 
■êftaaï/ een Schaal, Poyetacb. 

€t$faffcnern/ -, Ugkmich. 

^ttpjtetèjje / Poppengoed , Pin- 

femicb. 
Ct-^euaTteMïetre / een Men- 

fchen Beeld , Innueracb. 
€t Makt SMÏeöe / een gefchil- 

derd Beeld, Aftiliacb. 



n 



N o- 



25<> 



AANHANGZEL. 



ld 



Nomina Adjectiva 

of 

Byvoegelyke Naamwoorden. 

€n anÖCL*/ een ander, Aipd. 
%ï\t og €ngï}lier/alle en een ie- 

gelyk, Tomarmic. 
^ïtfantiept/ almagtig, Kdit. 
35eet$ïtna/ beter , Sernekau. 
^ïïntr/ blind, Tackpeifoch. 
SMuöferöig/ bloedgierig, Moloch. 
S&eörojta/ bedroeft , Alliufatacb. 
W\\X[\I (Catté/ dom, Okaifocb. 
^êfb / dol ," Tujfiliiceactocb. 
Cïenöig/' elendig, Piard. 
j$knb§k I vyandig , Kigagnakau. 
Jremtliet/ vroom , Kabluniacb. 
JfeEÖ/ vet, Poellekdu. 
Jaae/ weinig, Ikkekau. 
Juïtf/ vol, Ullikartoeb. 
Jurcétfamïig / vreesachtig, Nar* 

tujocb. 
jperftanöig/ verflandig, Sillakae- 

toch. 
€>attlttieï/ oud, Innekoakaa. 
05ïao/ vrolyk, Tappactocb. 
ilbiDi wit, Kakodtut. 
^xxQZi hoog, Teckekau. 
mat/ lam, Sebbutfach. 
ï|aarb/ hart, Magnars. 
ï|e^ïig/ heslyk, Pinneitforfuacb. 
éunntig/ hongerig, Mfkw. 
^aïftibeïen/ half, M 
ïftaftciE / hoe groot , Kannocu . 

ook Angitifoch. 
ïfaftig / gezwind , haafhg , Tue- 

viokau. 
üuafs/ujefoen/ oneffen, Manee- 

kau. 



i^bafj/ parp/fcharp, Ippicpocb^ 

^bornan/ , Kannocktocb. 

£}bormange/ hoe veel, Kapfevic 
9!efba/ fc&ïet/ eenvoudig, flecht, 

Mennipdbf ook Mennipocb. 
^ÖEÏig/ een iegelyk, lpfaliocb. 
ïtïar/ klaar, Kaamerjocb. 

ïtbarfmritjeïft/ , Same. 

ïtrum/ ftopet/ krom, gebogen,. 

Navingarfocb* 
ïfatrig/ gierig, wrekkig , Erlig- 

tougoach. 
fóort/ kort, Neakau. 
ïtcmftig/ konftig, Angekoch. 
ïtïoeg/ fchrander > SillakaCtocb. 
HCaij/ luy, T/gad?. 
HCanpfom/ langzaam , Tuevekau. 
r €ang/ lang, Teckekau. 
KCang tEt f ra / verre van daar , 

Ungefekau. 
%Ü3tn/ klein, Mickerfwiguach. . 
1ÏEÖ/ ligt, Okichpoc. 
^opnagdg/ leugenachtig, SWgJo- 

Zor/wac/jf 
^Bagct/ mager, Sellokau. 
^itëett / middelmatig , KaJlikküiL • 
Üfèiïö/ mild, Samivocb. 
cïSpn/ nieuw, Neuteifiacb. 
3£at/ bet/ naby, Sannianê. 
«Éogïe/ enige, JWef. 
#fuenti(ï/ boven op, Povanè. 
^fbcrfloijig / overvloedig , ^zar- 

^om et* magrntiï/ — ,///ate. 

ffiaaöt/'- - -, Okangifocb. 

-atma gafiic mria/ - - - 5 Jfr/froa- 
güacbi 

$i1g/ ryk, Pifackichforfuach. 

ïttoö/ rood, Aiipalldtacb. 

^aa mangc/ menigerley, /?;w«ff- 

nicb. 
g&ïtl zout, Tnrcoc/j. 



AANHANGZE L« 



Jmcfbe/ tmng/ gedrongen, eng, 

Tettopa. 
M> feaïöet/ . '■- -, i\%, Kangifocb. 
Mtttï)/ fterk , Nekoakau. 
<§ïförig/ glibberig, Koajfekau. 
J50Ö/ zoet, Tirugafnukakau. 
Iïïjl3iaf3/ ftomp, ^Ma». 
4>BftftO?/ zo groot, Taima angi- 

tifocb, 
Jtëarjp / ©baf5/ fcharp, Ippechkau. 
JJÉMhïi I ichoon , Pingakau. 
^aaöan/ zodanig, Emaitocb. 
Jtëalrtjegtig/ fchalkachtig, door-' 
liepen , Akpalingnach, unaffuacb. 
^ret$anfcifd}/ ftrydig, KaJJèkm. 
Qibt/ dor, Pennakau. 
&UtlU/ J&at/ zwaar, Okimaakau. 
(^Din/ ï<k/ ledig, Nungatoch, , 
^Tpnti/ f maal/ dun, fmal , Saa- 

^Tocjïigt/ dorflig, Immerekau. 
Wx\\\tj onbefchaamt, Iktongilacb. 
Ulig/ jong, Innufutocb. 
Wittity/ wys , SillakaBocb. 
ïlbittig/ dwaas, Sillakangillacb. 
3£reö/ fortarnet/ boos, toornig, 

Ningaetocb. 
I^aaiï/ - - -, Kujfikau. 

Adv erbia 
of 

B Y W O O R D E Ne 

Sla/ ja, 4?5 ook 2 ^ flw » 

3&ep/ neen, Nagge. 

Sfa faa/ ja voorwaar, Songong. 

Pronomina 
of 



ni 



Wü/ gy, ƒ«. 

tantï/ hy, t7»a, C/Ma, Taum. 
i/ wy, t/ög-at. 
1/ gvüeden, 7/%ê. 
^e/ zy, Octo, Tauko. 
^et/ het, iltóo. 
«©atjet/ iemand, Mee. 

Getallen, 

i Attaufe. 

2 Marluc. 

3 Pingctfut. 

4 Sijfimat. 

5 Tellimat. 

6 Arbonec. 

7 Arlecb, of Arbonec marluc. 
8'. Arbonec , pingafut. 

9 Kollinilloet. 
io JToKfr. 
ii Arkanget. 

12 Arkanget marluc. 

13 Arkanget pingafut. 

14 Arkanget Jijpmat. 
ij Arkanget tellimat. 

16 Arbafanget. 

17 -<4r&. marluc. 

18 *4r£. pingafut. 

19 ^r&. fijfimat. 

20 -^rè. tellimat. 

V 'E 'R B A 

Of 

W E R K W O Ö R D E N, 



A; 



Voornaamwoorden, in de 'derde perfbom 

. kanoer / gevoelen , Anakfatopocb. 
fes/ ik , Uawga. SÜCÏjter/ achten, menen, Ndtecpocb. 

li 2 



5Haïmer/ openen, Matuerpoc, NB. 

tafiffeib; 

zepeb. 




AANHANGZEL 



^Ü&ï^btï (waarfchynelyk) gehoor- 
zamen , Inertipoch. 

%t\btt/ - - - , Nerriocb. 

SHeïÖté/ Innokoellopocb. 

è^ffirètier/ afbranden, Opa. 

Sförpber/ afbroeyen, Nappua. 

SGffilïet/ aftrekken, Piglaytopd. 

9ÜffiUÖS#/ afhakken, Kippud. 

$fïïtat5ee/ afkrabben, Küliatto- 
pocb. 

%fëMiZZ/ affchillen, Auvicapoch. 

^lltenöci: / aanfteken, Ekickackpa. 

^t&epöcr/ arbeiden, Senoa. 

^Ittraaer/ begeren, Piomoocb. 

B. 
25afüet/ beven, Seiucpoc. 
%htt/ dragen, Tynracpoch. 
2&mge fcrtce / bevreeft worden , 

Eifikanga. 
%hlVfol uitdragen, Annicpa. 
%mK$tt/ aan de deur kloppen , 

SSeöecïjer/ bedekken, Mattudb. 
%zUt/ ftefaïïer / gebieden , be- 
velen, Inneppa. 
Getier / bidden , Inchfiapoe. 
2$ebtafta en /iemand bedroeven, 

25efeammet/ bekomen, Pya. 
SMeec Cll / iemand beledigen , 

Iglugtiga. 
25erimmer / beroemen , Ofouro- 

poch. 
55efeet/ bezien, Irfigd. 
3&Z$Mltmzt/ befchermen, Samid. 
«^etffelïner/ befchuldigen, Pajjud. 
%Z]0^Zt/ befoeken, Tickerapocb. 
55efpnttee/ befpuwen, Kijjapoch. 
betaler/ betalen, Ackillerpocb. 
Vitoer / bieden , aanbieden , 

Kaeckd. 



2$iee efter/ ergens naar wagten, 

Utdekya. 
25intïer/ binden, Killarchfopocb. 
%\a\zt/ blazen, Salluapocb. 
SSÏóöec gi&C/ vervrolyken , Iman- 

gecpocb. 
55lifuee fecb/ vet worden, Puello- 
. pocb. 
^ïifuec taarm / warm worden , 

Kijfalapocb. 
25ufber naalö/ koud worden, Kia- 

glagpocb, 
2£üfüet beeeö / boos worden, Nin- 

gapoch. 
%.b^Zt( bloeden, Meitfapocb. 
2$Iuté beu / zich fchamen , Iktó- 

pocb. 
^anee/ buigen, Niuktipocb. 
Stetgaar / voortgaan, Aulapoch, 
%ïa\txzt/ branden, Opa. 
%mut/ gebruiken, Attopd. 
25rnöet af/ afbreken, Nappua. 
dender neö / nedervellen, Perpd. 
^5uttee/ byten, Tauforpd. 



C. 



Cirdiïer / met een kring afteke- 
nen, Kapiropd. 

D. 

^>ag$/ het word dag, Kaulapoch. 

danser/ danfen, Keticbpocb. 

"i®izt I gedyen , nut zyn , Mellu- 
pocb. 

^6:r/ doden, Tokolecbpocb. 

dragee aanöen/ adem halen, Ana- 
fatoebkimackpd. 

dragee fca/ wegdragen , Aulapocb. 

drager £ftoe af/ fchoenen afdra- 
gen , afïïyten, Kamillapocb. 

Wtfktlf treffen, Tockopa. 



AANHANGZEL. 



^rfcger/ drukken, Imacpocb. 
^rifberïjen/ voörtfdryveh, Ajae- 

tapoch. 

"©remmer / dromen, Sinitopoch. 
mrtöttf droppelen, vloeyen, 

GuJJillapoch. 

E. 

Cffïetfoïget/ navolgen, Malicpd. 
Cner/ toeëigenen, of eigen toe- 
behoren, Pia. 
Cljéfter / beminnen , Neglipocb. 
CipEr igen / weder beminnen , 

Ackingacpd. 
Cnöer/ eindigen, Navopocb. 
Cr fcange / bevreeft zyn , Eifika. 
Cr gïaö / vrolyk zyn , Tappacpoch. 
Cr goö for/ het is daar toe goed, 

Aktungila. 
Cr Ïjeêö/ het is heet, Onakau. 
Cr ïjatiö/ het is wit, Kakoepocb. 
Crïjnffeen/ - - -, Pallacpocb. 
Cr icïJE ttï fteöe / niet op zyn plaats 

zyn, Maningild. 
Cr firaftffó! / krachteloos zyn , 

Nukakangilach. 
€r to$i/ gezond zyn , Tokon- 

gilacbpoch. 
Cr fturij/ ziek zyn , Nepacbfima- 

rocb. 
Cr J*ftinen / vuil zyn , Appercbpoê. 
Cr ptfnnenöe/ doorfchynendzyn, 

Kiblaripocb. 
Cr ftoït / trotfch zyn , Makita- 
' vocb. 

Cr tiïfiagc/ achter zyn, Unicpoch. 
Cr ti'ïfÏBoe / op zyn* plaats zyn , 

Manepocb. 
Cr ticl} / dik zyn , Ipfokau. 
Crtom/ dom zyn, Nungupocb. 
Crbu^/ wyszyn, Sillakapocb. 



253 



Cr tt&e/ uit zyn, Sillamepoch. 
Cr tmg/ jong zyn, Inmrfutoch 

F. 
tfaaer/ ontfangen , Pyd. 
5faaer maö/ f Pys bekomen, Ma- 

matopocb. 

tfaarmeö gmcgmo/ - - -, Mittd- 

pocb. 
^arer fcflfr/ dwalen , Tamapoeh 
$a)tztj beveftigen, Ivertippd. 
„fate/ vallen, Or/ooc/j. 
Jfaforr tlEö/ nedervallen,iVêda- 

jparfbcr/ verwen , 'Aglepóch. 
#met/ vylen, Ajupocb. 
tfigitl/ viffen, Anlifarpocb, A- 

moupoch. 
tfïpöer/ vloeyen , Puctavoch. 
iflper/ vouwen, Kimacpd. 
5fótner tïï $EröEii / ter waereld 

brengen, Ernyoch. 
0ïm ttlEö/ mede volgen , Ai- 

para. 
jfoïer/ voelen, M^ga. 
Jf oröEEfto / verderven , ^ro- 

tfotte/ vereren, fchenken, 7V 

JFuÖEn ÖEtaïmg/ zonder betaling, 
Ackikangifocb. 

3ForftpnüEr / verkondigen , 0£a- 
riacbopocb. 

.forïOErEr/ verliezen, Tamapoch. 

5forïengi^ tfttt/ naar iets verlan- 
gen, Nerriapocb, 

3f0rnEmmEr/ vernemen, Taucb- 
facbpd. 

tforfEEEttlis/ zich voorzien, Ta- 



jFör^tectjer/ verfchrikken, Ta- 

pecfarpd. 



AANHANGZEL. 




5f 0tptcrï}i*5 / verfchrikt worden, 

■ Aunilapoch. 
•ft orf o jcr / verzoeken, beproeven, 

Actopocb. 
fttxtttlicx I vertellen , Okalupocb. 
jft ortoniCL* en / iemand vertoornen, 

Nugacsfapoe. 
3fott&tmg paa/ op iets vertoornt 

worden, Kingagnakau. 
ftüttt^iitt/ verdriet hebben, Pe- 

kitfimooch. 
jfnt&atEt/ bewaren , Tokoppd. 
Jrataget/ wegnemen , Appd. 
jftittet/ boren, Apercbjopd. 



G. 



<0aat/ gaan, Pijapocb. 

<6aat ftott / weggaan , Aulapocb. 

vtëaarfüEÖi/ verby gaan, fezgi- 

pocb. 
®aat ï^mïï / heimelyk gaan , 

Taripoch. 
<£aarinti/ ingaan, Ifarpoch. 
Ojiemmet / behouden , bewaren , 

Manopd. 
OBientaget/ wegnemen, Urmipa. 
<J3iett£t/ giffchen , vermoeden, 

Ekoppard. 
«S&iflier/ geven, Tym'i. 
4E>ifbtt age paa / ergens acht op 

geven , Nacllacpocb. 
<DifVitr gïan^ / glans van zich ge- 
ven , Kibïaripocb. 
lifter ïiitti fca fi0 / geluid van 

zich geven, Syanapoób. 
dMfuetnafbn/ een naam geven , 

Aitfapocb. 
<ÉMot/ maken, doen, Senod. 
$iot sftaoe / fchade doen , Petlecd, 
©iê: eniie paa /een einde maken. 

Navocb. 



<$ièz Ijbafs / fcharp maken, Epiek* 

Japd. 
<&:k fit Mjüfb/zyn gevoeg doen, 

Annolapocb. 
<£iefpet/ gespen, toegespen, E- 

kiebfapocb. 
(Biüïl^tt/ glin fleren , Kibïaripocb. 
ffimtl/ polyften, glat maken, 

Manicfarpd. 
$150$/ verheugt worden , Sac- 

mapocb. 
®ïemmct/ vergeten, Puipocb. 
<£nafiier / knabbelen , knagen , 

Mangipocb. 
tönitrec/ wryven, Aggiapocb. 
oratio:/ wenen, Kiavocb. 
a^riner / grynzen, lagchen , Sic- 

kongapoch. 

H. 

^abter/ kyven, twiften , Nallac- 
pQcb. 

ïlaftier t epe/ in eigendom hebben, 
* Pekarpocb. 

l^afUEt ïöft tüï/ luft tot iets heb- 
ben, Ècklinakaund. 

ü^aïter/ houden, Sibbipocb. 

ïfenörifnet / heen dryven , Ajac- 
topocb. 

ïfymuzt Op / ophangen , Inniocb. 

ïfenter tiïï/ herhalen, Avid. 

ïfteïptt/ helpen, Killod. 

ïfoïbcr Op / ophouden , Sorapoch. 

i^tirjnec / huppelen , Naingilapocb. 

%b:tl/ horen, TuJJacbpd. 

||0£jter/ hoeflen, Kuejjopocb. 

ï^ugnei: af / af hou wen, Kippud. 

i^tmsr et / hon geren , Kalekaupocb. 

ï|«cf5baïcr / uitkiezen, Imangecb- 
pocb. 

I. 3?0ietv 




AANHANGZEL 



% *5$ 



I. 

^m'jmtaget/ terug nemen, Uter- 

tipd. 
^Jïjieïfïaer / doodflaan, Tockopd. 
ÜltOÏitCÏjeC / influitcn , IJJertipd. 
%gübbzz/ inwikkelen, ImupocL 

K, 

$fiaö$tteti/ - - -, Erkeiafupocb. 
ütftaïöer/ roepen, Toeklecpd. 
ïEfaïüei: hlö / binnen roepen, IJJer- 

kod. 
üanij/ konnen, Ajungilacb. 
ïfaniï irïje/ niet konnen, Ajapocb, 
ïUafter fiort / wegwerpen, Egigppd. 
Mtmmtt/ kammen, Illahipoch, 
ïitenoet/ kennen, Ilifera. 
WobtZl kopen, NivernaBopoch. 
Maaer/ klagen, Kunichpoch. 
Mèfhtt I kloven , fpouwen , Kop- 

pua. 
Ütüfbei:/ kleven, Maijuapocb, 
ïff lljïttet / ftrikken, Kellerfopd. 
$fngt;r/ koken, Kolacpaluichpocb, 

Igavóch. 
ïiommcr/ komen, Agacpocb. 
Jammer for ïiufet / voor '* licht 

komen, Nucocb. 
Hommer igieil / wederkomen , 

Tickipoch. 
Üommet tiiftagc / terug komen , 

Utechpocb. 
ïfti A at3er/ krabben, Killiaclopoch 
ïï^tffer / kuflen , Kunichpoch : dat 

is, W.UtlytZZl rieken. 

;N& Die by de Groenlanders 
kufTen fleken de Neufen 
byeen* 



L. 



HCaancc/ lenen, Attopd. 

HCaöer af/ aflaten , ophouden, So~, 

rapoch. 
3£att fee / Iaat zien , Attagog. 
KEaÖer fom / het fchynt, Mittapoch. 
%a$zi/ genezen , helen, Kaitfa- 

poch. 
'f-ZZZf lagchen, Iglapoch. 
%hztl leren, Ajakorfopd. 
legger ïjer/ wegleggen, Elijd. 
legger net* / nederleggen , Jr- 

macbpoch. 
%Zïi#i$ zftztl naar iets verlangen, 

Neniopoch. 
WitXyztl - - -, Alluttapoch. 
üDgget/ liggen, Inmpongd. 
%va\\XZZ/ liegen, Seüokau. 
UToöet/ lopen, Akpapocb. 
f £pfrer am tëring/ rondom lopen, 

Kavipoch. 
Kb^zt tiort /weglopen, Kimavocb, 
IGCoftei:/ beloven, toezeggen, Zï- 

nAckpé. 
%b\zt Op / oploflen , Killerutapd» 
%urf}ZZ ttfï / toelluiten , iktaa. 
Hurfjet Op/ openen, Mattuacpd. 
%#biZZ tiïï / toehoren, Nallacpocb. 

M„ 
3lBangfer/ mangelen, ontberen, 

Pekdngila. 
MSeener/ menen, Ifumavocb. 
Minhffizt/ - - - , 'Michliopoch. 
3&i$f}$g.Zt / mishagen , NarroaL 
^fftet? miffen, Tamapoch. 
Motizt twtïjen/ ophouden, Pró= 



^iKoccïtnei:/ donker maken, Ta«- 



*5«# 



NHANGZEL. 




3]fèumïer/ mommelen, Katamaa- 
pocb. 

N. 

3Baaer/ naderen, Innungild. 
3&aftiner/ noemen, Aitjeïpoch. 
3&eOHafter/nederwerpen, Neckac- 

tipd. 
«ï&nfer/ niezen, Tarripoch. 



O. 



€>miee/ openen, Mattuerpd. 

<®fnerfïntter/ overtrekken, UJiach- 
pd. 

»$füerm'naer en/ iemand overwin- 
nen, Aftungüd. 

(©jpfnlöer/ opvullen, Uglikarpocb. 

<ènnajïer af mafnen / ftofferen , 
opfieren, Narriacpoch. 

q^ptóffter / opligten , opheffen , 
Kanaëtapoch. 

Q^ntöfer/ oploffen, Külamkfapoch. 

^pïUCÖer/ opfluiten , Macuacbpd, 

q^ntenoer/ opfteken, aanfteken, 
Ekichpd. 

<£>puan;ner/ openen, Eitercbpocb. 

<©nbacïier/ opwekken, Tupachpa. 

^nnojcer / opwaffen, Agliocb. 



P. 



gaanaïöer /toeroepen, Tancbfacb- 

pd , Toclecpd. 
^aa^er/ toegieten, üTo^a. 

§>atter/ , Mellupocb. 

Petter/ op de fluit fpelen, iTar- 

" lupocb. 

©iffBr/ piffen, Koyocb. 

Peper/ , Pifferau. 

^prtffer/ pryzen, loven, Ofouga. 
^rnber/ optoyen, opüeren, ?£• 

nercbfapd. 



(fèttfaer / - - - , Ingechpoch. 
4&n&üer/ guller / (mogelyk) 
kwellen, Unnulecpocb. 



ifiaaöer/ roepen, Nibbliafocb. 

ïïaaner naa en / tegen iemand roe- 
pen, Toclecpd. 

Ulammer/ treffen, Erckapd. 

öcDÖté/ gered worden , Tuppac- 
pocb. 

ïïenfer on/ opryzen , opbeuren, 
Nekuepocb. 

Kifber neö / nedervallen , Perlod. 

ïütfner iftocfjer/in ftukken fcheu- 
ren, AJJerocpocb. 

Koer naa en 2öaaö / in een boot 
roeyen, Epupoch. 

S. 

^amïer/ talmen , Ekittapocb. 

(éamtncïjer/ gewetens ruft onder- 
vinden, Angccbpocb. 

<êeer/ zien, Teckod. 

^eigïer/ zeilen, Ticbfiapocb. 

ketter neö / nederzetten, InnipoL 

^iger/ zeggen, Okalupocb. 

^iüoer/ koken, fieden, Kalla- 
■bolucbpocb. 

<5iunmaV zingen, Imnachpocb. 

^ftaörr/ befchadigen, Petleka. 

^fihncr/ fchynen, Kiblaripocb. 

^ftiltacr/ floten, Egicbpocb, Au- 
leriocb. 

^Hülïcr/ verbergen, IJJarctoppd. 

^ftraücr af/ aKchcLveT),Küliactopd. 

^nredji**/ verfchrikt worden, Tup- 
pakau. «êftrif* 



«ftèrifüer / fchryven, Aglecbpocb. 
Mntt/ flaan, Tiglupd. 
^ïaet feiïï/ misdaan , Tamapoch. 
&Wl ïcïjteïï/dood flaan, Tokoppd. 
JêMf/ geflagen worden, Papoch. 
<£)ïm:fjet vb/ ontflaan, uitlaten, 

Kamichpoch. 
<§mager/ fmaken, Oktopocb. 
^mülcc / goeden fier maken , 

fmullen , Kungajupocb. 
J&mtfftt / makken , praten, 'O ka- 

luppocb. 
knapper/ ftiefer/ flelen, Tigli- 

pocb. 
fileer/ fnyen, Kanicbpoch. 
«©afbel*/ fl apen, Sinipaapocb. 
s§nger efter/ nazoeken,, Ujarcpocb. 
j&bzvxx./ zorgen, Alliufapocb. 
<§pi e tfer/ fpyzigen, Manetopocb. 
J^porger/ vragen , Apercbfopocb. 
sputter/ fpuwen, Kijacbpocb. 
springer op / opfpringen , Me- 

y?£/a. 
springer nefï / nederfpringen , 

Pijrlacb. 
springer ober / overfpringen , 

Akimocbpd. 
<§taat/ flaan, Kikakpocb. 
^taarooen/ open flaan, Mager- 

fimavocb. 
^taarop/ opflaan, Nekucpocb. 
<êtaar ftiïïe/ ftil flaan, Unigiocb. 
^tammer / flamelen, Iptorecpocb. 
jêtttfgtt I zich uitrekken, Teit- 

feepd. 
Miticutt/ fleken, Kappud. 
M>tkltl/ (lillen, Tiglipocb. ' 
&tiüzt til freeo/te vrede fleljen, 

Imangncbpocb. 
«Sturer/ floren, ontruflen, ^ö- 

M^ZZ/ nayen, Mecbfopoch. 



*57 



AANHANGZEL. 

<%ni*Ser ncü/ nederzmken,^ma 
T 



fefe paa/omiets denken, 

Ekarjapocb. 
&om fra ee / van elkander »ef 
■ men, Jckfapd. 
mm ofber öaana / de overhand 

nemen, Angileckd. 
Mer/ fpreken, Okallopocb. 
Jetïer/ tellen, Z^oró. 
gier/ zwygen , Nepangipoch, 
mttj waflehen, Eruhopoch. 
gLotone? / donderen , Kallecpoch. 
mtutl drogen , dorren ƒ Pm- 

nerkfapa. 
mx. örtfrer mfcö ttt / durven , 

Sappinailangd. 
(JTor frije / niet durven, Sapperpoch. 
mtttiil getreden worde», Kafk- 

lam. M 

^Troer./ geloven, betrouwen, Op* 

pecpocb. 

' V, 

©aao bare/ nat zyn, Kanfecpoch 
^aager/ waken, Erkommavocb. 
©ngner Op/ ontwaken, Elecbpocb. 
^aiijer Op/ opwekken, Eterfapd. 
$emni£/ gewagt worden, #fea- 



pocb. 
©armer/ .warmen, Keierf apocb. 
iltifiitter / uithollen , Aperfopocb. 
Mogaar/ uitgaan , Amnccb. 
ïtolatier / uitladen , Annipd. 
©eeo icïj af/ niets 'er van weten, 

Nellolarreitfiocb. 
Wiïï enoeïteïj ïjafbe/ eindeiykwil- 

len hebben , Pïomooch. 
5DÏÏÏ itfje / niet willen, Piomatigüd. 
•Dilfer/weizen, leiden, Ajekarfopd. 
K k mu 



Q> 







25S 



AANHANGZEL 



$orber aften / avond warden , 

Unnulecpocb. 
©arber gammeï / oud worden , 

Uttokarfuangopocb. 
$ütber (torre / groot worden ,. 

Agilecpocb^ 
$ceber ÏEfUcntti^ / levend worden, 

Umapocb.. 
Sorbet fyzth I heet worden , Kir- 

faleckpocb. 
©ocber bofu/ drabbig worden , 

Titfileftjïmgopocb. 



Sorbet tüuc^ / bekwaam worden,. 

Kaitfapocb.. 
39orer I waffen, groeyen , Aglakau* 
dranger eftee en / naar iemand 

vurig verlangen , Ircbfupd,. 

Hllrïjet (miiïchien) jong worden, 

verjongen , UmajarpocL. 



APPENDIX 

Formularum loqiiendi ufitatijjïmariim 
of 
Aanhangzel der gebruikelykfte wyzen van fpreken.. 

^tenbet/ wagt een weinig, vóikie.. 

ï^lüt tl Ijanb? waar is hy? nau? 

<èifU nii0 bet tjib / geef my dat hier , kaifiiü 

T@tl ïjar tut bet/ daar hebt gy het, aich. 

3f|eg ïjae ICÏJC fenet bet/ ik heb het niet gekregen, pingilanga. 

ét bet til ïebt maar ïeg 5 is dat geoorlooft ? mag ik wel ? nareit ? 

^Êt et i ftüCÏjer/ dat is in Hukken, aliktonich. 

ü^Üat tl öCt ? wat is dat ? funa? 

S(cg neb itfyt paö bet er| ik weet niet, wat het is ,. funamit. 

ïiom Ijib/ koom hier, kackeit. 

6aar tat/ ga voort, aulareit. 

j$tt big net/ zet u neder , inüit. 

'4>taar nu/ fta op, nekmtit. 

^iiïidje nare meb/ ik wil niet mede, arparamangilac 

Bfaéltl ïjÓeerbet tiH wien hoort dit toe? Kiapia? 

ï|uab {jeebce ? hoe heet het? Kinaibblil 

$nab Ijeebec rjanb? hoe heet hy? &wa? 

«|eg tteb h\)t pab öanb Öeeber/ ik weet niet hoe hy heet , hiname. 

Miab liiïï bit Öafcr berfot'; wat wilt gv daar voor hebben ? fumik- 



WÊm 



AANHANGZEL, 



m 



pbab mf tut toer for 5 wat geeft gy daar voor ? fiomacb'a 9 
mem pt giort bet* wie heeft dat gedaan .? kiafenoa? ' 
£ab mm. fee bet forft/ laat het my eerfl zien, kamelorlock 
glfn mig bet/ geef my dat, fo&ft of tynieüb. 
mme leg Mbe bet* mag ik het hebben? piglaeiL 
Sfm big pir/ koom herwaards, kaijomit. 
jftët big ÖDrt/ pak u voort, fackiomit. 
ï|enb bet ïjiö/ houd hier , agwró. 
.forteïï noget/ vertel wat, okalaëtaareiU 
^ee ijer / zie hier, amt 
3Cab bet bare/ laat het zien, tamaiïe. 

^aaïebi£ öruger W/of er bar maneer /zulk een gebruik hebben wv 
of het is onze manier, taima pijferagut. u 

05aarafïmfet/ ga uit het licht, tarutareit, 

■SJPJSJïSKi^ fiam * zy c , «y niet W*w*r he ™ ? eichfirmliuch? 

i^bab pal bet tm 5 waar toe zal <iat dienen ? fuchfach ? 

Sniorgen/ dezen morgen, akkago. 

% bag/ dezen dag, voitfacb. 

4En attben bag/ een anderen dag, kaupet. 



leg gaar/ ik ga, epeifack 
^et prer mig itjje ttïï/ 



Baar binbetï jtiïïfé/ wanneer de wind geftilt is 
<^U fagoe tiet JO/ gy zeide het ja, ufima. 
leg ïjaar icïje faart mab / ik heb niet te eten 



\\/ dat hoort my niet toe , piingila, 
eröetlCÏjefaiia* is dat niet waar? üld? 
^êjpor ïjam öer öttt / vraag hem 'er om , attiule. 
3Tab Öam fcom ïjib/ laat hem hier komen, okai 
J>ïmnöer feber/ haaft u, maak voortgang , ajjiorufe.. 
leg gaar töje feet bicïj for / ik heb u voor dezen niet gezien , teckon* 

annoe niptapet, 

i'ekregen , mama tun~ 

Sfèg menber big/ ik kenne u, ïliferaït. 

Wm ïjfce Utt porïeb$bar> laathoren, hoe was het? kannoicb? 

2|bar mi! bU gaar f}tïll waar wilt gy henen gaan ? fufuitb? 

ïMuab feller ïjam? wat ontbreekt hem ? wat ïcheelt hem? fülleka? 

$j>3ieiu ïm«t 5 by wien ? kimit ? 

JjÜrmb big / haalt u , wakker aan , ackonit. 

Baar ieg ïjar giart bet ferbig/ wanneer ik het gereed gemaakt heb. 

ijmorócko. 
i^aar bu faart mab* hebt gy eten gekregen? mama topeit ? 
Ifar bu irfje feet mig Ifc l had gy my voor dezen niet gezien? teckon* 
giocbpiiigd? 

Kk 2 ^ I{ 



■ 



2(5o 



AANHANG ZE L. 





®U fïotj feitt/ gv floegt mis, tama kautit. 

(S£ag bet met big / neem dit met u , mcbjalieit* 

JForfog/ beproef, attagó. 

*<f%oet/ zeg het, okareit. 

33ceb ftambetcim/ bid hem 'erom, innerjuch. 

^aat öet ftïtfte aoö ïjèïec/ als het goed weer word , kajfapet. 

&ez tyW&M fianti ba: figatï / zie hoe hy zich gedraagt x te&[uygK 

€t bet faa? is het zo ? aatP 

3Mt forïeeben/ haaft verleden , Mog&. , 

®et et ïenae ftbett/ het is lange geleden , itjacb. v 

mt be ftare öatt fatne/ daar waren zy heen of weggevaren^awtfa.. 

rótöï/ hoor toe, atf&L . 

<éftaï Jt0 gat mÖ5 zal ik binnen gaan? ^of«a ? 

f ïjat£ tum/ in zyne plaats, innè. 

Het et ïtaefom/ dat is enerley , Jorlo. 

mat öet ÖOtineeti^/ als het vermeerdert word, angikanget. 

fc^^fiiSW?*P- »'* <* <* fchoon zyt^- 

sSüfc'gieat .entete :»W» heb een dnde ' er van S enmkt >«™- 

»ar busfort het 5 hebt gy het gemaakt? fmmucb? 
Mm btt iche? hoort gy het met ? «w mhit 1 

teMiSitrtó ons wede, naar huis „Un,**** 

3|babïagbe gano-? wat zeide hyJMfg/ 

ï3üflt ba? waar, aan wat kant * Jua f m 

let fStt jeo.0* fat/ dat.zeide ik u te voren, ima pohppoiL 

{^ieftiïïe/ zwygftil, nepaugarit. 

ï^botfta* van waar? tówd r 

Ï5bntfiften5 werwaards?>^«d? _ f 

lÖfêSM^i f *? - eet, zal 

h^rukwalvk -bekomen, K ^#.^Wf^?^ 
^trsftaïiïaeöw/ ik zal u liaan, tighjjougit. 

2ï toffe fot bm7 ik ligge u. voor , f&iglokitpogit. _ 

|&/ dT4rfte lang, de ^eerfte maal , M«r W. 
Sfiïl ben naiUT/ de twede maal , hngurlamic. 
linbftab biij bet om/ hy bad u 'er om, tuchfiachpatü. 



km ics (Bta ucb? mag ik nederzittcn 



/;?^; 



feèft? 



gtt 




$anü Ipöer öig idjz aö/ hy vraaet niets na nf «>«* • 
ineriïiffangnüatit. ' S S na of 3 eeft mecs om u > 

®aar utr/ ga uit, a»«^jr. 

3Caö rö gaar na/ laten wy uiteaan, /S&nna2 tó/a 

$ana drertag/ hy eertu, nallacpdtiir. 

£aa miggtare tiet farjt/ laat ik dat eerfl doen, /^fcrta 

^£f taS ** B * /iond » ™ > ™ — her .eg , 
ganö («gr/ hy zegt , nangminech. 

ISmSL%f. P ? a/ h ^ ] ] eeft ê' ene Meeren aan, f^toóüfefc 
|K e **£* faa / ik dagt dat het zo was , uJMbd. ? 
Jta tuft ter tat faa/ en het was even zo, / MWa Wa. 
15 «Om for fllbB/ wy komen te laat, kiugocbpogut. 
gtet Sar ttt Mt* wat hebt gy gekogt f fmkpijjivit Ti 
mtm tl ïa£ a|* wie is by ons? kikunésra? 
^.etöent/ daarmede, matumingd: 
§paa aena ftea / op de plaats, &z#M. 

^Q^ m f^- te te ' hy wil ' 5 dat ^ daar zult zyn > fer > 1 - 

Sfeg troer Mg/ ik gelove u, oppermkdgït. 

m hfflenotö Safer Öet/ik wil het nog hebben, piomalloappoum. 

|anö er to ww tt.fiefl:/ - -, msfaconicforejaZb. 

Seg fattrr tiet taU/ ik vat dat wel , nellongimapêcka. 



'£aö fee/ tm gêrmöer big/ laat zien,gy overhaalt u , attauta tumor* 

lotit. 
Wu er ï|etre üfber bem/ gy zyt Heer 'er over, ockonut nallegdotiu 
l>et er itfje at ïeearfjet/ daarom is niet te lagchen, tipJineingilaSt . 
^et er mig tcïje ftrïjageïigt/ dat behaagt my niet, piomineingilack. 
6n ftebpor matige foïcfj öor/ een plaats daar vele lieden wonen* 

innuihochfuiU 

Letter B. 






II 



F o r m u l a Voorschrift der buiging van 

Conjugandi Verbum het Werkwoord 

Negligpunga, of Neglissaraunga. 

Modus Indicativüs of de Aantonende Wyze* 



Trcefens of de Tegenwoordige Tyd, 



Enkelv. 

Meerv.. 
Tweev. 
Meerv- 
Tweev. 

Meerv. 
Tweev, 



{ 



Ik bemin, Negligpunga , 
Gy bemint, lveglipotit> 
Hy bemint, Negligpöch, 
Wy (vele) beminnen, JSFegligpogut, 
Wy (beide) beminnen, JVegligpogiik, 
Gy (vele) bemindt, Negligpoufe, 
Gy (beide) bemindt, Neglïpoutik, 
Zy (vele) beminnen, Negligput , 
Zy (beide) beminnen, Neglipuk, 



of NegliJJaraunga. 
Neglifjaravit. 
NegiiJJarau. 
Neglijjardgut. 
NegliJJaraguk. 
Neglitfaraufe. 
NeglCjJarautik, 
Neglijjardut, 
Neglïjfaruk. 



Zo ook het ontkennend Werkwoord 
Neglingildnga , ik bemin niet. 



Meer vouwt 
Tweevouwt 
Meervouwt 
Tweevouwt 
Meervouwt 
Tweevouwt 



{ 



Ik bemin niet , Neglini 
Enkelvouwt^, Gy bemint niet, Neglingilatit. 
Hy bemint niet , Neglingilak. 
Wy (vele) beminnen niet, Neglingilagut. 
Wy (beide) beminnen niet , NegUngïlaguk 
Gy (vele) bemindt niet, Neglingilaje. 
Gy (beide) bemindt niet, Neglivgüatik. 
Zy (vele) beminnen niet, Neglingilet. 
Zy (beide) beminnen niet, Neglingilek. 



De 



AANHANGZEL, 



263 



De Pronomina, dat is, Voornaamwoorden , of de particulce fufHxa 
dat is, aangehechte deeltjens, veroorzaken weder een nieuwe veran- 
dering in de buigingen ; by voorbeeld : 

Negligpagit,. ik bemin u. Negligparma , gy bemint my.- 

Voorts dient men aan te merken , dat offchoon de Werkwoor- 
den zonder Voornaamwoorden gebogen worden ,. als uit het boven- 
gaande blykt, men echter by wylen zekere perfonen, 't zy in het 
Enkel, Twee- of Meervouwt uitdrukken ma?, met deze volgende 
er byge voegde Voornaamwoorden, als: Uanga, ik; Mit, gy; Omo, 
Uno Tauno, hy, zy, dat of het; Uagut, wy; Uaguk, wv beide; 
Mhbfe, gyl. ; Ilhbtik , gyl. beide ; Okko , zy (in 't mannel.) en Tau~ 
ko } zy (in t vrouweL geflacht/) by voorbeeld:: 

NegUgpaufe, ik bemin ulieden, Uagut neglipaufe, wy beminnen ulieden. 
JSegligpanga, hy bemint my. Ockonegligpdnga, zy beminnen my. 

Doch zulks verflaat zich ook aldus van zich zelven uit de rede- 
of zamennang der zake, zonder behulp van enige Particula of deel- 
tjes 1 als 1 



Gud neglïgpdtigut , God bemint ons. 
InnwtnegligpatigutyMenfchen beminnen ons- 



Modus flectendi of de Wyze van buiging. 

Ik bemin u, Negligpagit , of Negligpaukitof NegliJJardgit. 
Ik bemin hem, Negligpara,. Negliffardga. 

Ik bemin ulieden, NegUgpaufe , Neglijfaraufe^ 

Ik bemin ui. beide Negligpautik, NeglïfJarautiL 

Ik bemin hem, Negligpacka, Negliffaracka.. 

Ik bemin hen beide,, Negligpaecka.. NegliJJaraika. 



Gy bemint my, Nigligparma , 

Gy bemint hem, Negligpèt , 

Gy bemint ons, Neglipautigut ,. 

Gy bemint ons beide, Neglipautiguk, 

Gy bemint haar, Negiipatit, 

Gy bemint haar beide , Negligpatik, 

Hy bemint my, Negligpdnga, 
Hy bemint u, Negligp&tit ,. 



of NegliJJaragmal 
Neglijjarèt. 
Negliffarautigut.- 
Neglijjarautiguk. 
Neglijjaratit, t. w.tauko.- 
Negiijjaratik,t. w. tauko. 

of Neglijjardnga. 
Neglijjaratit, 

ïïf 








AANHANGZEL 



Hy bemint hem, Negligpd, 

Hy bemint ons, Negligpdtigut , 

Hy bemint ons beide , Negligpdtiguk^ 

Hy bemint ulieden, NegUgpafe, 

Hy bemint ui. beide, Negligpatik^ 

Hy bemint hen, Negligpêi , 

Hy bemint het beide, Negligpek, 

Wy 'beminnen u , Negligpauiigït , 
Wy beminnen hem, Negligpardput , 
Wy beminnen ulieden, Neglipaufe, 
Wy beminnen ui. beide, Negligpautik, 
Wy beminnen haar, Negligparput , 
Wy beminnen haar beide, Negligparpuk, 



of Neglifjiard. 
Negltffardtigut. 
Neglijjardtiguk. 
NegliJJaraje. 
NeglijJaratiL 
Neglijfaréu 
Neglijjarek. 



of Neglijjar anti git. 
Neglïjjardput. 
Neglijfaraufe . 
Negkjjarautik. 
Neglijjaraput, t.w. taüko. 
Negliffarapuk^. w.tauko. 



Gyl. bemindt my, Negligpaafiga , 
Gyl. bemindt hem, Negligpaufinna , 



-of Neglijjaraufinga. 
Neglijjaraufinna. 
Gyl. bemindt ons, Negligpaufigut , NegliJJaraufigut. 

Gyl. bemindt ons beide, Negligpaujiguk, Neglijjaraufiguk. 
Gyl. bemindt hen, Negligpaufi, Negltjjaraufi, t.w. ocfo. 

Zy beminnen my , Tbw£o of OcAo Negligpanga of Neglijjaranga. 

Zy beminnen u, Negligpatit, Neglffiardtit. 

Zy beminnen hem, - - - - Negligpaet, Neglifiaraet. 

Zy beminnen ons , - - -. - Negligpatigut , Neglijfardtigut. 

Zy beminnen ons beide, - - Negligpatiguk , Neglijjardtiguk. 

Zy beminnen ulieden, - - Negligpafe, NegUfJaraje. 

Zy beminnen ui. beide, - - Negligpatik, Negliffaratik. 

Zy beminnen hen, .... Negligpaeit, JVeglïffareü. 

Zy beminnen hen beide, - - Negligpeick, NegliJJareicL 

Dus ook het ontkennend Werkwoord: 

Neglingilagit , Neglingilara, Neglingilaufe , Neglingilatik 3 Neglin- 
gildcka, Neglingilecka enz. 

Prceteritum of <fe Verleden Tyd. 

Ik heb bemint, of ik beminde, Neglitunga. 

Gy hebt bemint, of gy beminde > Negligtotit. 

Hy heeft bemint , of hy beminde , Neglrgtuacpoc of Negeligtok 

Wy hebben bemint, of wy beminden, Negligtogut. 



Wy 






Il . 



AANHANG ZE L. 



•2(55 



T\?i h e ^ e K ebben be ? h h of w y beide beminden, Negligtoguk. 
Gy. hebt bemint, of gyl. bemindet, Negligtofe. 6 S 

7ÏhM ^ebt bemint, of gyl. beide bemindet, Negligtotik. 

y NegUgtut bbenbemint > ^^-beidebQmiSden, Mgligtumfik, of 

^fc^H^ ># ^ °! .aaogehechte deeltjes, zyn aïnief wel dezel, 
ve als m den tegen woordigen tyd; doch worden aldus gebogen: 

SfcS h em b emmt, ïfegligtuaepara , of iW|%W. 
^^K Uie K^ b £ mm - t ' N ^gtuacpmfe, oftfegfigkiufe. 

Ik heb hen beide bemint, Negligtuacpicka , of Negligkicka. 



Gy hebt my bemint, Mgligtuarepagma , of Negligkdgma, 

Gy hebt hem bemint, Negtigtuarepet , of i\^|*l. S 

r? fö Z S K C T n ï? Mël&uarepautigut, of Negligkiutigut. 

%l heb hen ben^^TS'- ^g^ep^guk, lf NeglgkiutiguL 

55 hfiï E C ?' Mgl'gtuacpatit, of Negligkitit. 6 

Gy hebt hen beide bemint, Negligtuacpatik , of Negligkitit 



Hy heeft 
Hy heeft 
Hy heeft 
Hy heeft 
Hy heeft 
Hy heeft 
Hy heeft 
Hy heeft 



u l P ^} nC ' A r N °$ l &™repanga, of Negfykanga, 



-■eglïgtuacpdtit, of Negligkatit. 
ons bemint, Ntglfgtuacpatigut 9 of Éegligkatigul. 

ulieden bemint, Negligtuarepdfe , of NegligkSfe * 

hen bém^ em ^ t^%^M^, of 5\^/^. 

hen bemant, Neghgtuarepei , of Negligkei. 

hen beide bemint, Negligtuarepik , of JVegligkit 

W^ ESÜ L' be f ^^ %*^*i of NegligHütigit. 

w Y ffi f* b , eide bemint ' KelligtoacpaJtik, of UflMüaik 
w Y ^S E'" ^Tl' ra ^° NegligtüacpAPut, of WeSpui 

Gyl. hebt my bemint, tiegligtuacpaufinga, of Ncgligkwfwg'. 

1 L1 Gy 







i66 



AANHANGZEL, 



Gyl. hebt hem bemint , ~Negligtuacpaufiuna , of Negligkhifiuna. 
Gyl. hebt ons bemint, Negiiguiacpaujïgut , of NegLgmiJigut. 
Gyl. hebt ons beide bemint, Negligtuacpaujïguk, of NegligLiufiguk. 
Gyl. hebt hen bemint, Negligtuacpaufi ocko, of Negligkiujï ocko. 
Gyl. hebt hen beide bemint, Neglituacpaufi ocko, of Negïikuji ocko. 



Zy hebben 
Zy hebben 
Zy hebben 
Zy hebben 
Zy hebben 

tiguk. 
Zy hebben 
Zy hebben 
Zy hebben 



my bemint , tauko 'Negligtuacpanga , of Negligkanga. 
u bemint , to£o Negligtuacpatit , of ISegligkdtit. 
hem bemint, ta«£o Negligtuacpaet , of Negligknet. 
ons bemint, tow£o Negllgtuacpatigut , of "Negligkatigut. 
ons beide bemint , taw&o Negligtuacpatiguk , of Negligka- 

ulieden bemint , taw£o Negligtuacpdfe , of Negligkafe. 
ui. beide bemint , to&o Negligtuacpatik, of ~Negligkatik. 
hen bemint, tauko Negligtuacpeit , of Negligkeit. 



NB. Ik heb in de Tyden enige buitenregeligheden waargenomen ; 
doch kan eigentlyk deswegens noch niets zekers zeggen, vermits 
my de rechte grond mangelt. 
Het ontkennend Werkwoord word ook , gelyk boven , dus ge- 
bogen : 
NegUngitfuriga, Neglingitfolit, "Neglingitfocb enz. 

Alfo ook in de aangehechte Deeltjes, namelyk: 
Neglingituacpdgit of Neglingikiukit , Neglingituacpara of 'Negllngickigd 
enz. 

Futurum of de toekomende Tyd. 



Ik zal beminnen , Neglijfounga. 
Gy zult beminnen , Negliffodtit. 
Hy zal beminnen , Neglijjoócb. 
Wy zullen beminnen, Neglijogut. 

Wy beide zullen beminnen , Ne- 

glijoguk. 
Gyl. zult beminnen, Negliffufe. 
Gyl. beide zult beminnen , Neglif- 

'futik. 
Zy zullen beminnen , 'Neglijfaput 
Zy beide willen " 

'glijjapuk. 



Ik wil beminnen, Negb'gomapmmga. 
Gy wilt beminnen , 'iSlegl'gnviapotit. 
Hy wilt beminnen, Ncgligomapock. 
Wy willen beminnen , tiegligoma- 

pogut. 
Wy beide willen beminnen , Nf- 

gligomapoguk. 
Gyl. wilt beminnen, Negligomapofc. 
Gyl. beide wilt beminnen, N*i#- 

gwnapotik. 
Zy willen beminnenjNfgfogomflpztf. 
Zy beide willen beminnen* Nfg/Z- 

gomapuk. 






Op 



r&» 



AANHANGZEL. 



2ó> 



Op gelyke wyze word het ontkennend Werkwoord gebogen, als : 

NeglijJingUdnga , ik zal niet beminnen. Negligomangilanga , ik wil niet 
beminnen, enz. 

De aangehechte Deeltjes zyn alhier dezelve als in den Tesenwoor- 
digen tyd, namelvk: 
Negliffodgit, ik zal u beminnen. NegliJJara.ik zal hem beminnen, enz. 

Imperativus Modus of de Gebiedende Wyze 
Profens of de tegenwoordige Tyd, 

Bemin gy, Negligniareit , of Negligit, 

Bemin hy, Neglile. 

Beminnen wy, Neglieta. 

Bemint gyl. Negligiarite, of Negligitfe, 

Bemint gyl. beide , Negligüik. 

Beminnen zy , Negligit. 

Beminnen zy beide, Neglilik. 



Met de aangehechte Deeltjes. 
Bemin gy my , Neglinga. 
Bemin gy hein , Negliguk. 
Bemin gy ons , Negligtigut. 
Bemin gy ons beide, Negïigtiguk. 
Bemin gy hen , Negligkit. 
Bemin gy hen beide, Negligkit 

Bemin hy my , Negliglinga. 
Bemin hy u, Negliglijit. 
Bemin hy ons , Negliglifigut. 
Bemin hy ons beide , NegligUJïguk. 
Bemin hy ulieden , Negliglife. 
Bemin hy ui. beide, Negliglitü. 
Bemin hy hen , NegliglifigiL 

Bemint gyl. my , NegliJJinga. 
Bemint gyl. hem, Negliffiuk. 
Bemint gyl. ons, NegliJJigtit. 
Bemint gyl. ons beide , Negliffiguk. 
Bemint gyl. hen , Negliffigkit. 
Bemint gyl. hen beide, Neglijfikik. 



Ontkennende. 

Neglignanga. 

Neglignago, 

Neglignata. 

Neglignaguk, 

Neglignagit, 

Neglignagik. 

Neglingnanga. 
Neglignatit. 
Negliugnatigut, 
Neglingnatiguk. : 
Neglingnafe. 
Neglingnagit, 
itigifc 



Neglingnanga, 

Neglingnafiuk. 

Neglingnatigut. 

Neglingnatiguk. 

Neglingnafigit. 

Neglingnafigik. 



. I 



LI 2 



Be. 




AANHANGZEL. 



2Ó& 

Beminnen zy my , Ocko negliglinga. 
Beminnen zy u , Ocko neglijit. 
Beminnen zy ons, Ocko negligtijigut. 
Beminnen zy ons beide, Ocko negligtijïguk. 
Beminnen zy ulieden , Ocko negUgliJ'e. 
Beminnen zy ui. beide, Ocko negliglitik. 
Beminnen zy hen , Ocko negligliMit. 
Beminnen zy hen beide,. Ocko negtiglijigik^ 



Neglingnanga. 
'Neglingnatit. 
'Negllngnat'gut. 
Neglingnatiguk. 

Negli?ig?iajè. 
Neglmgnatik. 
Neglingnatigit. 
NegliTignatigik. 



Modus Interrogativus of de Vragende Wyze 



Pwfens of de tegenwoordige Tyd^ 



Bemin ik? Negïïgpunga 
Bemint gy? Negiigpifê- 
Bemint hy? Negligpa? 
Beminnen wy ? NegligpoguP?- 
Beminnen wy beide? Negligpoguk? 
Bemindt gylieden? Negligpijè'} 
Bemindt gyl. beide? Neglfgpitik? 
Beminnen zy? Negligpait? 
Beminnen zy beide.? Negligpaik?- 

Bemint gy my ? Negligpinga ? 
Bemint hy my? ~Negligpanga7 
Bemindt gylieden my V ~NeghgpiJinga? : 
Bemindt gyl. beide my ? ISegjigpitinga ? 
Beminnen zymy? Negliganga ocko? 
Beminnen. zy beide my? Negligpainga? 

Bemin- ik u? Negligpagit? 
Bemint hy u ? Negligpatit? 
Beminnen wy u ? Negligpaniigit ? 
Beminnen wy beide u ? Negligpautikit 
Beminnen zy u ? Ocko negligpatit ? 
Beminnen. zy beide u? Negligpatikï 



**?•- 



Bemin- ik hem? ~Negligpara? 
Bemint gy hem ? Negligpiguk? 
Bemint hy hem ? Negligpau ? 
Beminnen wy hem ? Negligparput ? 



Ontkennende» 
~Neglingili?iga ? 
ISeglingilaiiga ? 
NeglingÜLifinga ? 
NegUngilatinga ? 
~Neglingila?iga ocko? 
Negüngilawga ? : 



Be* 



A A N H A N G Z E L. 

Beminnen wy beide hem? Negligparpuk? 
Bemindt gyl. hem? NegligpifiukF 
Bemindt gyl. beide hem? Negligpicko? 
Beminnen, zy hem? Neglegparjuk? 
Beminnen- zy beide hem ?. Negligpecko $ 

Bemint gy ons ? NegUgpeutigutf' 
Bemint hy ons ?. Negligpatigut ? 
Bemindt gyl. ons? ISegligpiJïgut?' 
Beminnen zy ons? "Negligpatigut ocko? 



26> 



Ontkennende.. 
'Neglingiligut ? 
Negïingilatig-ut ? 
Neglingilijigut ? 
Neglingüatigut ocko? 



De Verleden Tyd en de Toekomende Tyd komen- met de Aanto- 
nende Wyze over een ( . 

MOD ÜS, CoNJUNCTIVUSof DE Z AMENVO EG END E WyzË 

Pmfens of de tegenwoordige Tyd. 

t~ M , . -xt 7. r Ontkennende. 

JDat ik beminne, Neghgkangama., ~Neglïginnama t 

Dat gy bemint , Negligkanguit. Negliginnauit.. 

Dat hy beminne >. N egligkangame. Negliginname, 

Dat wy beminnen , Negligkangeuta, , enz. 

Dat gyl. bemindt, Negligkangeufe. 

Dat zy beminnen , Negligkangamu, of Negligkangameta. 

Met de aangehechte Voornaamwoorden word de zamenvoeeende 
wyze dus gebogen;. & 

Dat ik n beminne, Neglïgkangatukit , of Negligkangit, 
Dat ik hem beminne, Negligkangoicke.. 
Dar ik ui. beminne , Negligkangoicke. 
Dat ik hen beminne, 'Negligkangeufe. 
Dat ik hen beide, beminne, Negligkangekii, 

Dat gy my bemint, "Negligkagma. 

Dat gy hem bemint, Negligkauko, 

Dat gy ons bemint,. Negligkangeutigut', of'Negligkautteut: 

Dat gy ons beide bemm Negligkangeutiguk, of ' Negligkautiguk 

Dat gy hen bemint, Negligkaukit. b 

Dat gy hen beide bemint, NegligkaiikiL 



LI 3, 



Dat 




w^ 








270 

Dat 



hy 



Dat hy 



hy 
hy 



Dat 
Dat 
Dat hy 
Dat hy 
Dat hy 
Dat hy 
Dat hy 



AANHANGZEL. 

my beminne , Negligkdminga. 

u beminne, Negligkangatit, of Negligmatit. 

hem beminne, Kegligkamiuk. 

ons beminne, tsegligkangijigut , of Negligkangatigut. 

ons beide beminne, Negligkairijiguk, of NegligmatiguL 

ulieden beminne, Negïigkamije. 

ui. beide beminne, Negligkamitik. 

hen beminne, N egligkamigit , of Fegligkangamigit. 

hen beide beminne, Negligkamigik. 



Dat wy u beminnen , Negligkautigk.it , of Negligkangeuligkit. 
Dat wy hem beminnen, f< cgligkangeutico , of ISegligkautigo. 
Dat wy ulieden beminnen, hegllgkangenfe, of Negllgkauje. 
Dat wy ui. beide beminnen, Negligkangeutik. 
Dat wy hen beminnen, Negligkautigit , of Negligkangeutigit. 
Dat wy hen beide beminnen, 'NegligkautigiL 

Dat g\i. my bemindt, Négligkaftgèujinga, ofNegligkautinga. 
Dat gyl. hen bemindt, Negligkangeiifiuk, of '-Negligkaufi uk. 
Dat gyl. ons bemindt, Negligkcmgeufigut , of Negligkaufigut. 
Dat gyl. ons beide bemindt, Negligkangeujiguk, of Negligkaujiguk. 
Dat gyl. hen bemindt, Negligkangeufigït, of Negligkaufigit. 
Dat gyl. hen beide bemindt, Negligkangeujtgik, of ~Neg)igkaufigib 

Dat zy my beminnen , to/£o NegHgkammiriga. 

Dat zy. u. beminnen, taz^o Negligkcmgatit , of Ntgligmatit. 

Dat zy hem beminnen, tów£ó Negligkamiük , of Negligkangdmiuk. 

Dat zy ons beminnen , ta«£o 'Negligkamigzik. 

Dat zy ons beide beminnen, £a«£o Negligkamigjigut. 

Dat zy ulieden beminnen , ?az//co Negligkamife. 

Dat zy hen beminnen , taw£o N egligkamigit , of Negligkangamigit. 

Dat zy hen beide beminnen, frM$o Negligkamigik. 

Deze Zamenvoegende Wyze lyd noch andere buigingen, wanneer 
dezelve door omdat, dewyf, wanneer enz. aangeduid vvord, als: 

Om dat ik beminne, Negligkoma. 

Om dat gy bemint, Negligkoit. 

Om' dat hy beminne, Nègligkorie. 

Om dat wy beminnen , Üegligkoutit. 

Om dat wy beide beminnen ," Negligkoutik. 

Om dat gyl. bemindt, Negligkofe, 

Om 



AANHANGZEL, 1?t 

Om dat gyl. bemindt , NegligkofiL 
Om dat zy beminnen , Negligkomit. 
Om dat zy beide beminnen , Negligkomik. 

Prceteritum of de verleden Tyd. 

Wanneer ik beminde, NegliJJarangoma. 
Wanneer gy bemindet, Neglijjarangoit. 
Wanneer hy beminde, Negliffarangone. 
Wanneer wy beminden , Neglijfarangeuta. 
Wanneer gyl. bemindet, ~Negli()arangeufe. 
Wanneer zy beminden, Neglijfarangeta. 

Het ontkennend Werkwoord Iaat zich op dezelve wyze buigen. 

Ik "Negliama. 

Gy JZegligvü. 

Hy Negligame. 

Wy Negligauta. 

Gyl. Negligaufe. 

Zy Negligmeta. 

De aangehechte Voornaamwoorden zyn alhier wel eedeelcelvk 
maar met alle dezelve als in 't vorige ; doch het is my onmogelyk al'- 
les noch omftandig aan te tonen, vermits deze Zamenvoeeende Wv- 
gronTSbb g en.' '* Wy t0t n ° Ch t0e Van deDzelven g^en volkomen 

Futurum, of de toekomende Tyd. 

Dat ik zal beminnen , NegligMlunga. 
Dat gy zult beminnen, Neglugkullutit. 
Dat hy zal beminnen , Negligkullugo. 
Dat wy zullen beminnen , Negligkulluta. 
Dat gyl. zult beminnen , Negligkullufe. 
Dat zy zullen beminnen , 'Negligkullugit. 

Modus Düeitativus, of de Twy'ffelende Wyze. 

Deze Wyze word aan het einde van 't woord door het woordie 

Kokau te kennen gegeven P by voorbeeld ; 

Het 



2?2 AANHANGZEL, 

Het kan zyn, dat ik beminne, Neglijja-kókau. 
Het kan zyn, dat hy 'er in is, Kdmane-kókau, enz. 

Modus Optativus ., of de Wenschende Wyze. 

Deze Wyze word voor het woord aangeduid door de InterjeÏÏio of 
TuiTchenwérpingA'/^, als.: 

Og dat ik konde beminnen! Sillan negliguminach l 
Og dat ik het had! Sillan una piuminack ! 

Modus Infinitivus, of de Onbepaalde Wyze. 

Deze Wyze vind men in de Groenlandfche Sprake niet , uitgeno- 
men dat , wanneer twe Woorden zamenkomen , men dezelve dus 
uitfpreekt: 

Ik kan beminnen , Negligneck ajungilanga. 

Ik kan maken, Senaneng ajungilanga. 

Participium of Deelwoord. 

Beminnende of een die bemint, Negligtok, of Negünfifok. 

Dat zy Pajfi-va of Lydende Werkwoorden hebben, kan ik tot .noch 
toe uit hunne tale niet* befpeuren ; want wanneer een Woord voor- 
koomt, dat by ons een ïydetide betekenis heeft , plaatlt men een 
Activum of bedryvend werkwoord met een ander woord ^er voor. 
Doch het woord 'Aitferpa (hy roept hem) vind men wel in een ly- 
dende betekenis, Ahfifovock, (hy zal geroepen worden.) Zo fchynt 
ook het Woord Tockoleckpock , (hy ïterft) een lydende betekenis te 
hebben in Tekovok (by ons, hy is -geftorven.) 

De Nomine of van het Naamwoord. 

De Nomina fubftantma of zelfftandige Naamwoorden lyden gene 
verandering als enkel in Ca/u genitivo of in den Teler, die op een 
B, D, of M. uitgaat, als by voorbeeld : 

Gudib manga, Gods zoon, Killab Senarfoc , 's Hemels Schepper, 
Koem aka , de naam der Vloed. In nomin. of in den Noemer heet 
een Vloed, Koec. 

De Numeri of Getallen zyn drie , gelyk in de Werkwoorden , 
Kamelyk een Enkelvouwt, Tweevouvvt en Meervouwt, als: 

Een 



1*1 




AANHANGZEL 



273 



Een Menfch, Innug. Twe Menfchen, Innuk. Vele Menfchen, Innuit 
Een Huis, Iglock. Twe Huizen, Igluk. Vele Huizen, Muit. 
Een Kult, Itlerbik. Twe Kuiten, Itlerhuk. Vele Kuiten, Itlerheit. 

De Pronomina of Voornaamwoorden worden in de Zelfftandige 
Naamwoorden op de volgende wy 



(ze gefmolten: 



Myn Huis, Iglora. 
Uw Huis, Iglut. 
Zyn Huis, ïgloa. 
Ons Huis, Jglogut. 
Ulieder Huis, Iglarfe. 
Hun Huis, Igloaèt. 



Myn LandyNunagd, van Nuna, Land. 

Uw Land , Nunet. 

Zyn Land , Nund. 

Ons Land , Numiigut. 

Ulieder Land , Nunarfe. 

Hun Land , Nunaèt. 



Wanneer 'er een Prapojiiio of Voorzetzel bykoomt, luid het aldus 



Op myn Land , Nuhaune. 
Op zyn Land , Nunanê. 
Op ulieder Land , Nunaufine. 



Op uw Land , Nunagne. 
Op ons Land , Nunaugtine. 
Op hun Land , Nunane. 



De Nomina adjeftiva of byvoegelyke Naamwoorden gaan gemeen- 
lyk uit op kau, lak , of ak , by voorbeeld : 

Groot, angekau. Schoon, heerlyk, ajungilak. 

Gevoegelyk, piagakau. Goedhartig, ertintongilak. 

Ook is hunne uitgang zomwylen/o* en rok; doch alsdan is het al- 
toos een Participium of Deelwoord. 

De buiging van een byvoegelyk Naamwoord gefchied dus in een 
verbum perfonale of perfonelyk Werkwoord : 



Ik ben groot, Angekaunga. 
Gy zyt groot, Angekautit. 
Hy is groot, Angekau. 



Wy zyn groot, Angehmgut. 
Gyl. zyt groot, Angekaufe. 
Zy zyn groot , Angekaul. 



DeGradus Comparationis of Trappen van Vergelyking zyn dusdanig 
van uitgang, namelyk in Pojitivo of in den ftellenden Trap au , lak 
ófak; in Comparativo of in den Vergrotenden Trap itja of ka, en in 
Superlativo of in den Overfchryenden Trap ik of ak , by voorbeeld : 



Angekau, groot. 

Angekitja of Angecka, een weinig, 

of iets groter. 
Angekaik of Angeforfuak , aller 

grootft. 



Mickekau, klein. 

Mickeketja of Mickeka, een weinig 

of iets kleiner. 
Mickekaik of Mickekinguak , aller- 

kleinlt. 
Mm Let- 









AANHANGZEL. 

Letter C. 

De Tien Geboden 
Deenfch. 



Cn <0ub ^fïaïï tni aïïene feienbe/ efêfte 03 tofne. 



<®aar gtatg J^afbe EÏÏer nrb nefirinS / ba ptafl tm icge tfiïfcmnte/ 
6ub ölifuEE eïïee£ faceeö 09 frrafter öig, * ' 

3* 
faabenb fififnenbe (Pao. £Mï bn icöear&cnbe/ men aïïcne ïofue 

4* 
^ec orfj eïpi bins fforaïfcere/ faa gnaïï tat fflïfre gamclï paa 2m> 
een* 

^ïae intet 3Jfêen$fe njiEÏÏ/ bh icïje fylkz fareö paa Ijonu 

6. 
^u ^naï! inj un öafue 03 eï^ke En jjufsroe. 

^n maar ïeöe ftieïe* 

8, 
ICuuf ic^e paa ncnxn* 

9* 
»mer icïje bEt tn anbEn euee eö öanb eb bïïï mijte* 

10. 
a ? nbEn^uf3tOE/^iEnEr eïïec 5F«n éfiaH öu icÖE&Em'ErEEÏÏEréKaöe 

ï|Erpaa fien.ee «5nb faaïebi£ 
leo ee altene <$ub bin *|erre En fatftadjelto <c5uti 05 flor ^erre. 
I^tenfom ere mg uïnbnje/ er jtn fienb^i Otf) &ab er jeg / on 
|naïï ftaflE bem tiïi ^lefneïen: men be ïnbige eper jes on ?Hall taae 
öEm nu jf tmmeïen* 

Hollandfch. 



De Tien Geboden Gods. 

Enen God zult gy alleen kennen 3 beminnen en loven. 



Wan^ 



z 



AANHANGZEL 



275 



2.' 



Wanneer Gods Naam of Woord genoemt word, zult gy nieü {pot- 
ten, God word anderzints toornig en ftraft u. 

3* 
Op den zevenden Dag zult gy niet arbeiden, maar alleen God lo- 
ven. 

4* 
• Eert en bemint uwe Ouders, zo zult gy oud worden op aarde. 

Slaat gene Menfchen dood, wbrdet ook niet toornig op hen, 

6» 
Gy zult maar ene Huisvrouw hebben en beminnen, 

Gy meugt niet flelen. 

8» 

Liegt niet jegens iemand. 

9* 

Begeert niet, dat een ander eigen is, en hy niet miffen wil. 

io* 
Eens anders Huisvrouw of Dienftknecht of Vee zult gy niet bege- 
ren noch befchadigen. 

Hierop fpreekt God dus : 
Ik ben alleen God uw Heer , een verfchrikkelyk God en r grote 
Heer. Allen , die my ongehoorzaam zyn , ben ik een Vyand (of) 
hate ik, en zal ze naar den Duivel werpen : maar die gehoorzamen 
bemin ik, en zal ze in den Hemel nemen. 

Groenlandfch. 

Gudib innecfutei Kollinit. 



Gud kljfiet attaufe UliJJara yjfoet, neglijfoet ofourrysfoettog, 

2* 
Gudib acka Ockaluttd taisaranget, mittanaunec^ Gud ningeckennoacb 
fékmnodtit. 

3» 

Ullu arbone matlungöpetafenofaurnec, Gudimut ofóuriaurniareit. 

4* 

Angoiokaet naltekü mglikittog, tave uttokarc juangyjfootit nuname, 



Mm 2 



5, In- 





AANHANCZEL. 

Innucb tockutfaunago , ningülanaunago. 

Nullia kijjiet attaufe pijfoet neglijoettog. 

Atle pienic tiglifaunogo, 

o 
Atlemut feiglofaunec. 

Atle pienic esligdnic pioméfournogo. 

Atleb Nullia kibgei oxelo attemiclo pioméfournogo pilTaunaïïo 
..- „ Tuppichfd Gud tamejja: 6 * 

Uangahffima Gud, nallegdrfuet Gud nallegarsnacïog exienakau in 
nuchmut tomarmio uamnut werêticfaunifut Hnsaznarnirkn S r *; 
egiffodcka: inniut mertis fonaStut ig^M^t^S!^ 
NB. In het overzetten der Geboden heeft men dp rw«i„ ac u 
woorden niet volkomen konnen vollen ; doch So^^l 
tot noch toe vergenoegen, dat «t^ïË^iï^ 

Het Gebed des Here, 

Deenfch. 

<&ubg cêónje? €a\e of S36m 

iFatrer hor/ fom et i ^imineïen/ oie «fèaftm bttc roeffet ö f jritiVm?., 
fcen / oer öm tflgfc ïaö ftomme m / Wt oio mn Mo / m&t 

t! f^ J^ ta JÏÏ? n °9 eti ^mraeïen/ ïaöoet ach faafe h/l 
jaSiepaa »öen. oBüfU o£ ï tra* oor maa/ Itee iS^/fiSs 

Hollandfch. 

Gods Zoons Rede of Gebed. 

Onze Vader , die in de Hemelen zyt , uw Naam worde (met lof) 

ver- 



T>. 



AANHANGZEL. 



*77 



verheven van de menfchen ; dat u toebehoort laat komen ; in het 
woord dat van u handelt onderwys ons ; wanneer gy iets wilt in den 
Hemel , laat dat ook alzo gefchieden op aarde. Geef ons heden on- 
ze fpys. Zyt niet vertoornt, dewyl wy ontuchtig en u ongehoor- 
zaam ge weeft zyn. Dat wy ons niet vertoornen tegen die op ons 
vertoornt zyn. Befchermt ons tegen den Duivel. Dat wy onze 
handen niet flaan aan 't geen niet deugt. De Hemel en alle dingen 
behoren u. Gy zyt groot en pryswaardig t'allen tyde. Amen. 

Groenlandfch. 

Gudib Nianga Okatutlah. 

Attdtona killac mêtocb ackèt ofourroglé innuihmit , Gtidit pienic mavs- 
pillit , okaluctab illignic ajokarfatigut , killac me pekufarangovü , nuname- 
tog tameikille , ullame mamanic tynijjiut. Ningackinec ajoruta ülïgnut 
inerciis fauguta ,uaptinut ningacfatut ningis ingüacka. Tongarfumit far- 
nuftigut, ajorctor Jbmicb pijjauneta. Killac ailemiclo tomarmic pifit an- 
gefor fuotit ofournak autith ipfaliame. Amen. 

NB. Het Vader Ons kan niet wel woord voor woord overgezet 
worden. 

Een Gebed 

Waarin de Groenlanders hunne Onwetenheid en Onverftand 
God den Here voordragen. 

Deenfch. 

cêaaïeötè goal i fcefee ïiü <&uti. 

$<SuM ini er flor/ trn ïjar giort ^immzïtn og barben meget 
ijerhg* Wi ïfaïaïer fom oocr öer ubj kanoet / Jjnorfore ere in faa 
gaïne?$ub #immeïen£ ogSforbemj^ïfa&er Sïenöe iriicïje- mi giftier 
ü$ Mzb/ men ui iinbe irtje fra ïjaiiem bet Kommer, $i tac^er icïje 
<#ub. <éaaïebi£ ere ui %e fom te unfornuftige "Bint/ forbi ui idje 
tenrfje uaa mb. 38aar ni ere bobe/ iieeb ui k§t ïjnor ui dommer 
fen. Mu forfl tjafoer ui öort af utaftem forbi iri ereubueu'ge/ og 
fcïje üfenöe «Sub/ og etëne ®ub£ Mm lefum Cïjrift/ fom er bob 
tor o£/ $&aïl öanö SenKajte o£ tiïï ^iefnde, & <6uo ! öu er ftor* 
5forbi bu nuc§i^ ofuer o£/ og icïje uwe/ at in ptaïï noine tin 32ief* 

Mm 3 «eten* 







273 



[AANHANGZEL 



Mm. m öafber feu fefaDfet bine nrófe/ at bit êMïk feomrae m/ 
m mm rt om «ramden? Mz&z.m m zknt£ï f*ZmzX 
«fte tf. ©i ere game/ giore o£ Mage. TOeften M taq nj/ mm 
fmtm *# fta Qtodfea 3Caa o£ gifte agt naa prljtenl tafe I 

J|0/ Mn öu er no^trerijeïtg; 09 rorö feu ïjar faut/ at fee mm K 
teBte 03 eüSBe ing/ jfedï tat&fte tffl «ïen t|d£ % tó5 
ji&ïte naar bi feor/ ba gior n£ igien feftentre / og faö 0^ tónme tffl 

Hollandfch. 

Alzo zult gy tot God bidden. 

O God! gy zyt groot, gy hebt den Hemel en de Aarde heerlvlc 
gemaakt Wy Kalalers (elders ftaat Kablunachers in 't Groenlandfch 
Kaoliinet) die hier te lande wonen , waarom zyn wv zo onverfran 
dig? God den Schepper des Hemels en der Aarde kLnen w V n ie t 
Gy geeft ons fpyze, maar wy weten niet van waar zy koomt Wv 
danken God niet. Aldus zyn wy de onvernuftige dieren êelvk 
want wy denken niet om God. Als wy fterven , weten wy niet waa? 
wy komen. Nu eerft hebben wy van priefters gehoort. Dewvl wv 
ontuchtig zyn en God niet kennen, ook Gods Zoon Jefus Chriftus 
met beminnen, zult gy ons naar den Duivel werpen. O God ' zv 
zyt groot, want gy heerfcht over ons , en wilt niet, dat wy naar 
den Duivel zouden varen. Daarom hebt gy bevolen , dat uwe prie- 
fters herwaards zouden komen, en ons van des Hemels Schepper ver- 
tellen. Wy zyn elendig, erbarmt u over ons. Wy zyn onveYflandie 
maak ons wys. De Duivelen willen ons grypen ; maar bevrvd onJ 
van de Duivelen. Dat wy acht geven op des priefters rede. Ö God f 
gy zyt groot! Dat wy u beminnen, dewyl gy groot zyt. Dat wv u" 
vrezen, dewvl gy verfchrikkelyk zyt; en vermits gy gezegt helt 
dat gy de zu ken, die u niet vrezen noch beminnen , by de DuW 
len 111 de He zult werpen. Eindelyk, wanneer wy flerven maak- 
komen 11 W Ievendi 3 > en laat ons & den onfterffelyken HemeJ 

Groenlandfch. 
Taima Gudimut OkalyJJufc. 
Gudna ! angekautit, killac Nunalo ajungiforfuamic fenoet. Uagut kaldle 

0* 






AANHANGZEL 



*79 



(elders kablunet) mane nunaméetut , faaog fitter opout ? Gud Killab Nu- 
nalo Senarfoc illiferaingi Juut. Nekicbfanic tynijjiut , limit nelloarcput. 
Gudimut kyangafa ingilagut. Nerfutit fillaikangi tamac pout , Gudimut 
eckarfaringimuta. Togokuta fumat nelloarcput aitheit. Pellejlemit tujja- 
repout. Aiorouta , Guditog üliferaingineuta , neglifaringautago Gudib 
Nianga Jejus Cbriji , naptinut jokofoc , Tongarfumut egiffmtiguU 
Gudna! angekautit 9 naptinut umajat merigut Tongarfum utio pekufa 
tangi meli^ut. Pellejiit tamave ineppei kalalemut killac Senarfomic okalu* 
kulluit. Piaragult, umac Jartigut Silleropaut , Jillac carligjiut. Tongar- 
fuc pie moatigut ; ibtile Tongarjumit Jarniutigut. Pelleftib okaMHb nah 
leftd. Gudna! angekautit. Neglilagit , angekangoit. Exiellagittog, exigna- 
kaugoit ; okarogittog illignut exiagifut negliajifutlo Tongarfuc ignamut 
egiffoet. Ne/a tockoguta, umatitigut, killac mutlo tockoskaungijome illignut 
pillat aeit* 

Letter D. 

Uittrekzel uit enige kleine Aanfpraken , die wylen de heer 
Egede , om de Groenlanders hunne onwetenheid en aan- 
ftaanden overgang voor te dragen, opgeftelt heeft. 

Deenfch. 

§• 9. 

m Mïimatfjer bare i oegmiöeïffen ïteaefom ban bittige/ fom U 
og bifeefïet intet af ®uö* Mtn öer $tiö fente fine prater, til M ƒ 
fom unöerbufte n£ om $uö ïfimmeïeng ptaoere/öa troeöe bi afc 
famme naa 03uti 03 gefbe fïittig agt naa f erfterin^ tmöer£büfeiog / 
os entmn eï^ner bt ®tiö og f&m og aïtiö eï^er ijannem, 1 feer at 
m' morgen og aften ïofbe ®uö / öipgifte/ naar bi $ïaï faan 4Baö / 
og ofter bit bi ïjar faaet Msfo / ïofber og tacïjer bi ®uö for ^aöen 
og n<tringemï|ber fiufbenöe öag ïjoïöe bi ïjeïïig/ og aröenöe intet/ 
men ïofber <$uö öenö gan$ïe öag* ©i aöïnöe ocfjfaa 6uö* feerfom bf 
icïje faa gioröe/ öa Sunöe bi icïje fcommer tiïï ^immeïen* Mï i nu 
og faa ïtomme tiïï ï|immeïen / ïjbor i aïötig if&ïï öêr/ öa er öet 
irfje nocïj at troe- I maae ocïj faa ïofbe <6uö ftmmelen^ïtaöere 
morgen og aften ïigfaa bu f païï aïtiö tarfje <6uö for ganö gifber 
eöer naring^ <®g naar i fatt i$ mfcing/ öu païï i öeöe 4Buö oer om 
töï aïting ïjor ïjannem tiïï* MSen ïjine Angekut ïaö farn / troe irie 
ganö öe figer/ foröi öe öur intet/ men ere ïognere, Jlaar öeno 70e 
oag Sommer/ öa ^ftaïï i intet ar&eiöe giore / t§i $ttö &oït 00 öeittt 

' öag/ 






r 




28 o AANHANGZEL 

ban./ bet fianh fiaf be ^ftafet ^immeï og %mm. 3 £ftaï¥ ïfoefaa W 
ïoftc «*ub benb gan^e bag- 1 païl tacïje taniem at panb öat 
mort efcer borftanfctae. ^ïïermcft ?ftaïï i tartjc öannem / at |an# 
kon er fflcftien atëengfte og bob for eber/naa bet netje gftulfe torn* 
we tiï Wiieïni.^crfor cïéft 43ub| £ ên igien- 3! gfeaü fengte benb/ 
fcrsftrccïjeïtge €>ub/ og fortorne tjam ic&e. Mm forta i ïcfte gure 
faaïcötë/ ba ftanb i fcfte ïjeïïer fiomme tffl lummelen / men ®iefl»j 
ïcn eftaïï tage cber / tgi aïïene be fom frngtc <0ub og eï£fte €>i\H 
gbn lefum Cjjrift païï ftomme tiïï ^imnwfrn, 

Hollandfch. 

§> o. 

Wv KabïunaChers (dat is, Groenlanders) waren in den beginnen 
onvefWtie.eelyk wy ook van God niets het geringde willen. Doch 
God zond zyne prieiters tot ons , welke ons onderwezen van God 
den Schepper des Hemels. Daarop geloofden wy alle te zamen m 
God en saven vlytig acht op 't onderwys der prieiters , en thans 
beminnen wy God, en willen hem ook altyd beminnen. Gy ziet , 
dat wy 's morgens en 's avonds God loven, ook dat als wy gaan e- 
ten of als wy gegeten hebben wy God loven en danken voor de 
fpvze en ons beilaan. Den zevenden dag houden wy heilig en ar- 
beiden niet , maar loven God den gantichen dag. Wy eren ook 
God. Indien wy zulks niet deden , konden wy niet m den Hemel 
komen Wilt gy nu ook alzo in den Hemel komen, alwaar gy nooit 
fterven zult, zo is het niet genoeg zulks te geloven. Gy moet ook 
God den Schepper des Hemels loven 's morgens en s avonds gelyk 
wv Gy moet God altyd danken , dat hy u beftaan geeft. Ln 
wanneer hy uw beflaan van u neemt, zo zult gy God daar voor 
danken, dien het alles toekoomt. Maar laat uwe Angekut (dat is 
Waarzeggers) varen, gelooft niet wat zy zeggen, want zy deugen 
niet, maar zyn leugenaars. Wanneer de zevende dag koomt , zult 
cv genen arbeid doen , dewyl God op dien dag rufte , toen .'hy He- 
mel en Aarde gefchapen had. Gy zult, gelyk wy , God den gant- 
fchen dag loven. Gy zult hem danken, dat hy u verftandig gemaakt 
heeft Allermeeft zult gy hem danken , dat zyn Zoon Menich ge- 
worden, en voor u geftorven is , op dat gy niet naar den Duivel 
zoudt varen. Daarom bemint Gods Zoon weder. Gy zult den ver- 
fchrikkelyken God vrezen en hem niet vertoornen. Maar wanneer 
ev zulks niet doedt , kondt gy te minder in den Hemel komen , 
&J maar 



AANHANGSEL. 28ï 

ÏÏfr^f ? UiVCl T r al ^ nademaal zy alleen, die God vrezen, 
en Gods Zoon Jefus Chnftus beminnen, in den Hemel zullen komen! 

Groenlandich. 

§. 9. 

,U a § u t K ^} met f™lanticfötk illipfe, Gud Hlloa fenarfoc nélloacput, 

Gudib pelejlit iiaptimt ptmmeta , killac fenarfomic uaptinut okdrmerd 

tave tamaura Gudimut oppecpout pelleftib okaluftd ndldcpaput fulletos 

£//n m M oul : fgWoacput ipfaliome. Teckufarafe uagut ullakut unu- 

kullo Gudimut ojougangiit mamma torrugta tamaikataguttog ; nekich- 

Janictyniffaramgatigut Ullu arbone marluugopetafenifaringilacput. Gud 

Met, ullactomait ofouraragut. Gudimutlo inertlooragut.° Tameinikuta 

külacmutanIJoalloacpout, killacmut tocko fockangifome piomou/e , opper- 

nankfma nomangüach , Gudimut killac Senarjbc ofouroifufei ulldkut 

unnuk ullo forlouagut. l P f alioc Gudimut ky J aifu f dfabfdnTtZ 

mmmafe Nehchjamc pekmgifa nangeufo Gudimut imhJieiiTu% 

piaimgit Angekuttt > Jeiglotórfait éltakit , okaluBd opper tiame oe air l 

nea feiglometog. Ullu arbone marlangöpeta feijfaunec* \ dudforZat 

killac nunalo innermagit forlo uagm%Moc cLeit Gudimut ofoZSe 

kyanacbfucb fülalimic Jenemmafe nekichfanic tynnimmafe. Akfut Gu 

dimut Kyannaijufe Manga innungumet illipferiutlo tockomet Towar- 

fucmut peckongikulluje. Gudib Manga tave akfut neglifiucb GudiZi 

mma exignaïau exigiffoarfe ningijfdriaunogo ƒ taiml pMranïSe 

KMacmut ajyffufe fongarjumutle piffufe. hffiet Gudimut eiZtne'. 

ghgmlo. Gudib Manga Jefus Cbrifi killiacmut pijfaput, 

Deenfch. 
5- ra 

#3 fmn i b&bz fïet intet af aBttfcr og Raceten at firn» / fm ' «* 

fach og mtmi at oet et norjet Mengt vaat be fmn Ör w 

forjtaer i Ml at faaimnt nuer intet- m Sta tif S st namï? 
ftodje tt&t/ ten/ .f tiQïemoer og antre faaoant nimlerle mtftfi 
feer ja öat etter intet/ 03 feano icöe ïjeïWoe- SS firJ 

teeü naat 1 ere fmge/ og at i Jafne ndting/ öat ftaromet aïtfani 

Nn uien 







AANHANGZEL 



2g2 

bet ci w* faa tot Ui fee EïïMaföttfë£&&2 t " aa£ 




? E *„ f aa f l E at ' 0n 8 an 8 fiWtee filcne on fiate San iSm 
a L? .,s/f ,? ' 2 S? a flltI ftnmaen pan ebe r ifiidi / dit eubbé 

ra ga* '■** ~ «~ waas tas 

Hollandfch. 

§. io. . 

Engelykgyniet het geringfte van God en den Schemer ww^ 

weet gy W el, dat zulks niet deugt: want waar toe d£S ü 1 ; ^ 

hebt dat koomt alles van God. Ooit getaoffgy zo zeer^uwe 2" 

£en W^ eB) enleu S^aars, offchoon gy weetfdatly niet" 
aeugen Waarom toveren zy niet bv da" en als hw kX 1" 
dat wy het zien konden? Maar dewyl zy Wen toviren Vv 'm°? 



AANHANGZ.EL, 



283 



'fchaamt; want wy weten genoeg, waarop zich die leugenaars ver 
laten. Zie! de grote God in den Hemel wil nu niet, dat g V to 
veren zoudt ; maar zal zeer vertoornt op u worden. Hy wil nos 
minder dat gy de Angekut en leugenaars, geloven zoudt Maar 
wanneer gy uw levensbeftaan behouden wilt of zwak zyt zo zult 
gy enkel God alleen aanbidden , want hy kan en zal u uw beftaan 
en gezondheid geven. Vertrouwt daarom op hem, bemint hem en 
roept hem aan. Indien gy dit niet doed , zal hy u uw levens on 
derhoud met geven., en wanneer gy eens fterft , u by den Duivel in 
de hel werpen. Toont dat gy eenmaal verftandig geworden zvt en 
werpt zulk onnut tuig van u weg; maar betrouwt alleen op God 
Want ra geval gy niet aflaat van toveren, zo zullen wv u ten 
laatften dood Haan, en u uitroeyen van de Aarde, dewyl God ons 
bevolen heeft, zodanige Angekut en leugenaars te doden. Waar 
wil het met zulke dwaze mentenen heen, die hun vertrouwen niet 
-op God hunnen Schepper Hellen, maai- op den Duivel, die hen pv- 
nigen zal m de Helle. ** 

Groenlandfcho 

§. 10. 

Killac fumrfomic Nelloeufo , tave atlenit djorSha piïïafaufe.' An- 
t°Z f- lf ermra J e ? IJwnaardfe ajungüao tameitunic Veiartut kaitfi^ 
faput nekichjamc pekait Jamt. Sülackarrufe , nellyffingi kalkacpife an- 
goach ajuiorfivoch Mach uttokarfuach lingmiffit Iffgei, kuckei tamal 
Umcatkmigtofuchfit aiormete kaüjonec ajoaraut. Taimale piljaraufe, 
külac, Jenarjoe nello cufino. Tauna ajungilac kaüfoardngeufe nekich fa- 
■torangeufe. GudimÜ kiffiet piffaraut. Angekuslo feigto tor/uit opper rara- 
Jeyiettongiiak loacpife ajuput faaogme kévome tuogiffaringikt tdve teckou 
ajungilacput feiglometa taafaranget tongijjaraut , tave okaluaraut , Ton- 
garjumut okaluppaput , killacmut pyout, nellongilacput feirtotórfuit Au- 
la! Gud nallegarfuacb pouna exignatorfuach manna tomachimiló i'e nin 
gackemwaje. Angekutmutlooppeckungüdfe feiglokangeta, ajoi%ommeta\ 
nohebfanic pekangifaraugeufe , mpachfimarangeufe GudimW kiffiet tuch- 
feifufe. Tauna apmgüac nekichfanic tynnyjjodfe nepacbfwiardngeufe kat- 
Moafeopemife negkatmo Tamamikufe nekichjdnk tynnifingila/e toc- 
koife Tongarfuma egijjoafe. Attaute ! Sillackarmareitfe ajortiut eneldi 
Gudimut hjfiane opperreutfe. Tongiamuc Jbrangikufe ke fa tock^fodrfe 
Nunamit nungijjoaje Gud innemmetigiit Angekut To7igarfutlotocMul- 
iuit Suchfacka imimt tamaitut fülackdngifut , Gudfenarfomic oppingi- 
Jut Tongarfumutlo kijftam opperraraut, tauna igmmeoyjóajè. 

Na 2 Let- 



I 






! I 



AANHANGZEL. 

Letter E. 
GENESIS, 

Capittel I. 

v. i. 

Siwilamic Gudfenod Killac Nunalo. 

V. 2. 

Nunatog erovarcbt pinneüfoarfuach taatorfovocb imac kolldne. Tav? 
Gudib Anarfab ringovocb imac kolane. 

v. 3- 
Guditog ókarpoc : Kamareit tdve kaumapoc e 

v. 4. 
Gud tekod kdvocb ajimgifórfuvocb Guditog kdvocb tadmit auvixapd. 

v. 5. 
Guditog kdvocb aitferpd uttoch ta'dchlo aitferpd Umiuach tdve zinnupoc 
kaulupoclo ullocb Siurlecb. 

v, 6. 
Gud ókarpoc dmma: immdne tcffüarle (dat is uittrekken} ermit auvz~- 
Ulluo* 

vi 7. 
Tdve Gud fenoa tejjiliacb immdne , auvigdpocïo imac, tejjilïacb attdriCy 
immdmü tejjiliacb kolane , tave tameipoc. 

v. 8. 
. Guditog aitferpd tejfiliacb, Killac , tdve- unnupöc kau.lapoclo, ullocb- 
aipa. 

v. o. 
Gud ókarpoc dmma. Ermit killac attdne attaufimut ekittarlit (dat is . 
op enen hoop verzamelt worden) pennantoc nuiackulluo tdve tdmeijoc. 

v. 10. 
Gudipg pennatlocb aitferpd Nuna , , kaufocbfocb aitferpd imac. Guditog 
teckod ajimgifórfuvocb. 

V. IT. 

Gud ókarpoc dmma iguit opiitlo Nunamit aglirlit , tdve tameicpoc (dat 
zaat geven kan en vruchten dragen na zynen aart enz. moet over- 
geflagen worden , dewyl ik tot nog toe gene woorden weet , hoe 
zulks uit te drukken.) 

v. 12. 
Nuna mittog iguit opiitlo uvigicb agliaftoput 3 Guditog teckod ajungi- 
forfuvocb. 

v. 15. 



AANHANGZEIU 



ns 



v. 13, 
Unnupa kaulapocU ulloch pingajuvL 
v. 14. 
Gud ókarpoc dmma : Killacme kiblarlit , ulloch unnuamit aurocblo 
okiochmit auvixilluit (word dus vertaalt: 'er werd licht aan den He- 
mel , om een onderfcheid te maken tuflchen dag en nacht zomer 
en winter ; anderzints kan ik zulks niet uitdrukken.} 

v. 15. 
Kiblakulluit killacme-, Nuna muttog kaumahilluit , tdve tdmeipoc. 

v. 16. 
Gud fenoa kiblurfuit ■' marluc , kihlarfoch angeforfuacb Hblakulluo ullu- 
me, kiblarfoc mickekd. Kiblakulluo unmiacbmè ullucrejitló. 

v. 17. 
Guditog killiacme ererclepei Nummut kaumakulluit. 

v. 18. 
Kiblakalluit ullukut unukatlo , auvixilluit tog kavocb taamit Guditog 
teckod ajungiforfwuocb», 

v. l%- 
Tave unnucpoch kaulapoclo ulloc fijjema. 

v. 20. 
Gud ókarpoc dmma: immdne umarfut amerleforfuangurlit , TingmifRllo 
Xsfunab Kolldne, Kiüac. attdn&. 

v. 21. 
Gud fenoa arbacfuit umarfutlo. amarlekant immdne tingmirfitlo , Gui 
teckod ejungiforfwuocb. 

▼. 22. 
Guditog velfigniei, okarpigeitog , amatleforfuangaritfe immdne Urn* 
mirjitlo amarleforfuangaritfe Nunamé. 

v. 23. 
Tave unnupoc Kaulapoclo, ullocb tellimdb» 
v. 24. 
■ Gud ókarpoc dmma: Nerfutit amarlekautl NunampJlii umarfut atlemu 
do tave tdmeipoc. 

v. 25. 
Guditog fenoa nerfutit nunamé Umarfutlo uvigicb numame (dat is * 
allerhande levende dieren op aarde) Guditog teckod ajmgifórfu*- 

v. 26". 

Gud ókarpoc dmma : Seniagtatd innucbmic Vagut arfignic nattigah 

ulluo aulifauketmut immdne, Tingmirfitmutlo nerfutitmuth umarfut- 
mtitlo tomarmie nunamé, J 



N-n 3 



v, 27. 




286* 



AANHANGZEL. 



^üogfenod innuch, Gud aJJingLc , Augut attaufe agnab atmfi 

v. 28. 
Guditog veljigniei okalybbieitog , amarleforfuangaritfe Nuname aulirn,, 
ketmut, immdne Tmgmvrfitmutlo. Killac ittane yneffutitmmZom^ 
nuname nalkgaritfiicb. >u*m muuo tomarmic 

v„ 29. 

gat is: alle kruiden en gewaffen waar van men eten kan Het bv? 
nge kan ik noch niet uitdrukken.) 

Nejfutit tomarmic nuname tingmirjitlo killac attdne atlemiclo umarfut 
nuname iguit mamangifut (*dat is : gras 't eeen vin Z\^ru J - 
gegeten Êm wordenf^mU JL^of * de menfchen niet 

v. 01 

Guditog tomarmic J enifjei teckoei, aitia , tomafe amneiforruattut tJSu 
ve unnupoc kaulopoclo ulloch arborec. «J^WJorjuaput , t& 

Letter F. 

De Roodfchap van den Engel aan Maria. 

Luc. I. v« 26 en volgende. 

Kaumet arboneugamet , Gud Engelip Gabriel omickod, GaliUa N* 
ToTl T l l C ° Ieifmi T W** Davidühanit uviacbfarrolid MmZl 
f «ÊL aC r ka i Mana ' Engeli P Mariamut ijarpoe okarbiaJ AitaGud 
^^^^^^^* oc 4p«* «fimgiMoott f Dat is- 
gy zult heerlyk worden boven andere Vrouwen) Teckoami^h tu» 

Ut. Tave tauma eruit aungifoch (uw lieerlvke 7onr,Tr „*• s - M 

BLAD- 




BLADWYZER 

Der voornaamfle 

Z A K E N. 



Aardbevingen in Yfland. 
•** Bladz. ƒ 

Aardbranden in Yfland. 8 

Aardvruchten ontbreken in Ys- 



land. 



wat foorten in 



m 

2 3 

Groen- 



land wallen. 138 

Amber (zware) I11 Yfland. 17 

»— — waar te vinden. 180 

Amiantbergen (Groenlandfche en 

Syberifche) 139 

Arenden zyn menigvuldig in Ys- 

land * 33- 34- 

B. 

T>aldnus. 168 

** Beren komen fomtyds in het 

voorjaar aan Yfland met het Ys 

aandryven. 25 

Bergen (vele vuurbrakende) in 

Yfland. 8 

Bergharft in Yfl and. 17 

Berghoenen zyn in Yfland. 33 
Bergfchgenootfchap } waarom we= 

der opgeheven. 131 

Betalingen , hoe door de Denen 

aan de Yflanders gefchieden. 

108 

Bevergeil word door de vifTchen 

gefchuuwr.' . 20 

Bloed word door de viflehen- ge- 

fehuuwt, 79 



Bomen weinig in Yfland. 21 

Boter,- .hoe door de Yflanders toe- 
bereid word. 32 
Branding , die het water boven 
het oppervlak der Zee doet fly- 

t, &' en ' J 33 

Bronnen (warme) in Yfland. 13 

143 
tiruod ontbreekt in Yfland. 23. 09 
— in plaats van 't zelve ge- 
bruiken de Yflanders Stokvifch.- 

_ GO 

Bruinvifch in Yfland, 83 

■■ " " ' - in Groenland. 10 r 
Bygelovigheid der Yflanders op 
het zien van de GeyervogeL ■ 
_ 40 

Byzonnen in Yfland. 93 

'____: in Groenland» - 338 



'achelot of Cazelót. 

' volgende. 

D. 



175 en 



Tienen (de) hebben den handel 
• I - , alleen op Yfland. 109 

Dieren in Yfland, 25 en volgende. 
■ 1 Groenland. 143 

— (wilde) worden in Yfland 
niet gevonden. 25 

Doden worden door de Groen- 
ter 







BLADWYZER. 



landers voor onrein gehouden. 

241 

Dolphyn, I02 

Donder in Yfland des winters ft er- 

ker dan des zomers. 
Dons Gevend) koftbaar 
Doodftraffen in Yiland 

wie uitgevoert. 
Dorfch. 
Drank der Yflanders. 

Groenlanders 



en door 
119 
75 

99 

214 

38. 39 



Duikelaars in Yfland. 
Dwaallichten menigvuldig in den 
winter in Yfland 92 



E. 



T7b en Vloed in Yfland. 94 
•*"* ' — Groenland. 138 

Eenhoorn , verfcheide berichten 

van dien vifch. I( 5 

Enden , verfcheide foorten in Ys- 

land. qg 

Eyder dons. og 

Eyderend. gg 

f byzondere eigenfchap 

van dien vogel. o 

Eyeren der zoetwatervogels in 



Yfland. 



lackvifch. 



F. 



41 



67. 72 



G. 



*<3Agathes. 17 

Ganzen in Yfland. 38 

Gebergte in Yfland, waar uit het 
beftaat. ^ 

■ Groenland. 142 

•Gebreken der Yflanders. 1 13 



Geeftelykheid in Yfland, hoe g e . 
fielt. f I2 

Geiten zyn in Yfland niet. 31 
Gemoeds geiïalte der Yflanders, 

Geneverhout word door de Vis- 
ichen gefchuuwt. 20 

Gefteentens worden in warmer 
landen harder. k 

Geyervogel word zelden in Ys- 
land gezien. ^ 

Gieren zyn menigvuldig in Ys- 
land. „« 

Groenland, eerfte deenfche volk- 
planting aldaar. I2 c 

•Groenland er S ,b erichten van hun. 

"T~""} 1 J dry Y en S een Koop- 
handel onder elkander. 225 

' " ï :*— weinig Koop- 
handel met buitenlanders. 225 

— kennen noch gebruiken 

geen Geld. 22Ö 

l ~ — " hunne verkering , mu- 
ziek en danfen. 227 

' leven in den waren na- 

tuurftaat. 2 ~ 

- hunne Zeden. 231 

' . ■ z yn weinig feilen on- 
derhevig. „ 2 

; ■ hebben noch wetten 
noch overheid. 2 ^ 

- hunnen quaden aart "je- 

gens de vreemdelingen. 2 o 5 

——-weten van God noch 
Godsdienft. ™ 

' zyn bygelovig. 239 

— — hóe zy hunne doden be- 
graven en betreuren. 240 

*- — giffingen van hunne af- 
kom ft. O^J 

Groenlandfchc Walvifch. ij 9 
Ham- 



BLADWYZER. 



H. 



Hamburgers hebben voortyds 
op Yfland handel. gedreven, 
no 
Handel der Groenlanders. 225 
Handwerken, gene in Groenland. 

223 

Hangvifch. 69. 72. 

Haring, berichten van denzelven 

en zyne vangft. 43 

Havikken zyn menigvuldig in Ys- 

TT lan ^ . 33- 34 

Hayvifch. 85 

Hecla ^Berg) in Yfland. 10 

Heilbot. 76 

Honden en Katten heeft men in 
Yfland. 33 

• heeft men mede in Groen- 

land. 145 

Hoornen , redenen waarom zy 
het Rundvee in Yfland ontbre- 
ken, daar de Schapen 'er me- 
de voorzien zyn. 28 
Huwelyken der Yflanders. 1 14 
! ■ ■ ■ Groenlanders. 211 

J. 

Jaargetyden, alleen twe inYs- 
fand. 03 

Jagt der Groenlanders.. 222 

jeugt , hoe in Yfland opgevoed 

word. 1 13 

Iniedten , die in Yfland gevonden 

worden. 88 

Inkomften van den koning van 

Denmarken in Yfland. 1 15 

Iupiter Vifch. ió<5 



K 



abeljauw , berichten van den- 
zelven.. 60 
— " hoe door de Yflan- 
ders gevangen word. 66 
Kalk word door de ViiTchen ge- 
fchuuwt.. 20 
Katten en Honden heeft men in 
Yfland,. 33 

« worden geheel niet in 

Groenland gevonden. 146 

Kerken in Yfland. 112 

Kinderen, hunne opvoeding in Ys- 
land. 96 

■ " " ■ Groen- 

land. 212 

Kleding der Yflanders*. ico 

' Groenlanders. 204 

Klipvifch. 72 

Knobbelvifch. 169 

Konften en Wetenfchappen in 

Groenland onbekent. 223 

Koolvifch. 75 

Koorn ontbreekt in Yfland. 23 

Koude, de grootfle eerft. in April 

^ in Yfland.. 93 

Krankheden weinig in Yfland. 96 

— — — ««™ d er Groenlanders en 

derzelver genezing. 201 

Kriftal (Yflandfch) 16 

Kruiden ,. heilzaam in Yfland. 22 



J-Labberdaan.. 
Landge vogelt in Yfland. 
Lenge in Yfland. 
Lommen in Yfland. 
Luchtftreek in Yfland. 
" ' " tt~* Groenland. 
O o 



7* 

33 
7i 
39 





BLADWYZER. 



M 



U. 



Lakreel. *,g 

Mallemuk (befchryving van een 
levende) H9 

Marmer zoude in Yfland te vin- 
den zyn. j*. 

Maten zyn in Yfland op den'ham- 
burgfchen voet geftelt. 110 

Meir (driemaal 's jaars ontbran- 
dend) I0 

Melk, de voornaamfte artzeny der 
Yflanders. r* 2 

Mineralen in Yfland. j 7 

— Groenland. 140 

Muizen fierven op het kerkhof 
van het kloofter Widoe. ,88 

Muziek der Groenlanders. 227 

waarom de menfchen de- 
zelve natuürlyker wyze bemin- 
den» 226 in de noot. 



Netten der Watervogels in Ys- 

land wonderlyk voorzigtig ge- 

plaatft. 4 q 

Noorderlicht in Yfland. 00 

" Groenland. 138 



ftaat. 

Noordkaper. 



van waar het ont- 
91 
47. 79. en 164 

O. 



ft 



1 aalvifch. I( $g 

Paarden en hunnen kommerlyken 
toeftand in Yfland. 2 6 

Pluimgediert (tam) heeft men 
weinig in Yiland. «« 

Potvifch. jQQ 

Predikanten in Yftand hun laak- 
baar gedrag. II2 
Puimfteen. I7 
Putskop. I90 
R« 

I> af, waar van dezelve gemaakt 
xv word. jj 

Ravens zyn menigvuldig in Ys- 

land. «« „ ö 

Rechten in Yfland. iiö 

— — gene in Groenland. 2™ 
Regering in Yfland. 115 

■ gene in Groenland. 233 

Rekel, waai- van dezelve gemaakt 

word. 77 

Religie, die in Yfland gedoogt 

word. 1 j r 
hare toeftand in Yfland. 

Robben. jp 7 

RoofvogeIs,onbefchryffelyke me- 
nigte in Yfland. «~ 
Rothfchaar. i% 
S. 



/"Jngediert is in Yfland weinig, 

*~* en waarin het bcftaat, 88 

OfTen en Koeyen zyn in Yfland 

klein en zonder hoornen, 31 



Calpcter veel in Yfland. 6 

^ Schapen, hunnen kommerlyken 

toeftand in Yfland. " 26 

Schelvifch. 73 

Slangen waarom gene in Yfland 

zyn. 8? 

Snippen zyn in Yfland, 33 

Spe- 



..- 



BLADWYZE R. 



Spelen en vermaken der Yfl an- 
ders. 1 14 

■ ■ " « »■■ -■ »■ ■ » Groen- 

landers. 227 

■ Sperma Ceti, waar te vinden. 178 
Spyzen der Yïlanders, en hoe zy 

dezelve toebereiden. 97 

«— ■ — Groenlanders, en der- 

zelver toebereiding. 213 

Staakvifch. 169 

Sterren, enigen den Groenlande- 
ren bekent. 224 
Stokvifch. 66 
Straat Davis inboorlingen hunne 
geftalte en lighaams gefteltenis. 
200 
»» kunft, omkrankheden te 



genezen. 



deren. 



taal. 

kleding. 

woningen. 

verlovingen. 

huwelyken. 

opvoeding hunner 



201 
202 
204 
207 
209 
211 
kin- 
212 

— — - fpyzenenderzelver toe- 
bereiding. 213 

■ drank. 214 
■ handtering. 215 

• vifchgereedfchappen. 215 

■ vaartuigen tot de vifch- 
vangft. 217 

■ » Walvisvangft 221 

- ■" Jagtgereedlchappen.222 



r raan , taalkundige aanmerking 

over dat woord (in de noot) 

82 

— — foorten van hetzelve. 82. 

— dient in plaats van talk 

l<*8 



Trommen der Groenlanders. 228 

Tonyn. I0I 

Tuimelaar. 190 

Ü. 



U 



ilen zyn menigvuldig in 
land. 
hunne foorten. 



Ys- 

33 

3 6 



Valken zyn menigvuldig in Ys 
lanrl «« « „ 



land. 



33- 34 



— — ■ hoe gevangen, vervoerd 
en gevoed worden. 35 

SSeecfjtem in Groenland. 142 

Veeflagting der Yflanders. 32 
Verpachting en verhuring der Ha- 
vens in Yiland. 1 1 j 
Vinvifch. 165 
Viflchen in Groenland. 155 
Vifchtyd in Yfland , wanneer be- 
gint. 66 
Vogelen in Yfland. 33 
— — — — Groenland. 146 
Vollen in Yfland. 25 
Vuurbrakende bergen in Yfland. 8 
Vy vers (warme) in Yfland. 13 

W. 

YX/achtelen zyn in Yfland. 33 

▼ V Wagenfchot beduiding van 

dat woord, 104 in de noot. 

Walrus. 194 

Walvifch. 78 

* » ■ ' — waarin van andere vis- 

fchen te onderfcheiden. 157 

■ onderfcheiden foorten 

en andere narichten van dien 

vifch. 158 

Walvifchbaarden, 8 1 

— -■ - fpek. 82 

■O-o 2 'Wal- 




D3Z0- 



BLADWYZER. 



Walvifchtraan. 82 

Walvifchdoder. 194 

Walvifchvangn\, hoe de Groen- 
landers dezelve verrichten. 221 
"■ . ' — : waarom de Hol- 
landers daarin beter flagen dan 
de Denen. 129 

Waren , die in Yfland" uit en in- 
gevoert worden. 109 

Watervogels in Yfland. 



.37 

n » . — weten hunne netten 

wonder voorzichtig teplaatfen. 
40 
Weekfteen in Groenland. 142 
Wetten in Yfland. 116 

— - — gene in Groenland. 233 
Winden, gefteltenis op Yfland. 93 
Witviich. 189 

Woningenl der Yflanders. 10 1 

1 , Groenlanders. 207 

Wyting. 73 

Y 

"Y's, hoe lang het in Groenland 

A duurt. 136 

Ysdeeltjens vervullende lucht ge- 

lykeennevel. in de noot 136 

Yfland is vol klippen. 3 

■ ■ zonder gebaande wegen. 4 

■ niet volkryk. 5 
- aardbevingen onderhevig. 

»■ » vol zwavel en falpe ter. 6 

■ zeer gezond voor de in- 
boorlingen. 95 

■ heeft goede weiden en gras. 
22 

■ • gezonde kruiden. 22 

Yflanders hunne gemoeds geflel- 
tenis. 102 
■ ■ lighaams geflel- 
tenis. 95 
***~~-~*m —4 handtering. 104 



Yflanders hunne zucht tot hun ei- 
gen vaderland. 103 
■ - ■ Veehoedery. 105 

« arbeidt ioó 

■' koophandel. 107 

1 hoe hunne kinderen op- 

voeden. 90. 113 

— ■ — ■■ . ■ ■ — - Vifchboten 
maken. 104 

— — houden hunne rekenin- 
gen in viiTchen. 108 

Yflands ligging en grote. 3 



'7 aagvifeh of Zwaartvifch. 8<5 
ié ~- / ZeebuHen. 87 

Zeegewaflen in Yfland. 24 

Zeehonden. 85. 197 

■ {trekken den inwoonde- 

ren van de Straat Davis tot 
ioS 
87 

CM 



groot nut, 

Zeekoeyen. 

ZeenefteL . 

Zeeftieren. 

Zeevarken. 83 

Zeewater zouter by Yfland , dan 
lager in de Noort-zee en waar- 
om. 94 

Zon 1, wanneer zy in Yfland niet 
ondergaat. 89 

■— — fchynt zowel in den zomer 
als in de.n winter in Groenland. 

Zout word in Yfland niet overal 

gevonden. 21 

Zwaartvifch of Zaagvifch. 86- 

1 der Groenlanders. 192 

Zwavel veel in Yfland. 6. 19 

» word door de viflchcn 

gefchuuwt. 20 

Zwynen ontbreken in Yfland. 33 



F I N I S. 



VERBETERINGEN 

Wegens de 

BESCHRYVING 

Van het Groot Eyland 

S L A N D, 

Befchreven 
Door den Heer 

JOHAN ANDERSON. 

Opgemaakt in een tweejarig verblvf 
op dat Eyland, 

Door den Heer 

NIELS HORREBOW. 




— 















IV 






J : ... 






z 



DE BOEKVERKOPER 



AAN DEN 

E Z E 



R. 



VOor ontrent yyfjaaren gaf ik de BESCHRYVING 
1 mc"P L ^ ND ' GROENLAND e n de STRAAT 
D,iVIi>, door den geleerden Heer ANDERSON ontwor- 
pen en in het Nederduitfch vertaald, in 't Jicht, en had het 
genoegen te zien, dat dezelve door het publiek geenzins 
ongunftig ontfangen wierdt. Tot dat werk hadt die Heer 
gene geringe moeite en oplettenheid befteet, en alles t'za- 
men gegaan, wat enigzins ter bereiking van zyn oogmerk 
konde dienen. Zyne naarftigheid en weetluft hadden hem 
in t geen hem hier en daar ontbreken most, de toevlucht 
doen nemen tot anderen, wier berichten hem ook eniger- 
mate in daat fielden, dat gebrekkige te vervullen. Ten 
aanzien van Ysland bediende hy zich inzonderheid van het 
die da tLlf- Z iT g ? b ' chi PP erS en Onder-kooplieden, 
üJh » . t i aadyks bevaren en ' ero P gehandelt hadden, 
feenzins^/n f f' S eme «'y k g*« » blelf dat onderricht 
geenzins van feilen en misgrepen bevryd; maar die lieden 
Z h* ver Sf ende ' deden ook dien Heer enige feilen begaan, 
2l Zl 3kea l t^f k fteIlen > welke V «et een verkeerd 
Z e A^! h °r\ hadden ' of die hun doot S™ te kundige Ys- 

HORRipnw'rT- Dit bewoo § den Hee ' NIELS 
f> K ^°f> dle door een tweejarig verblyf op het ge- 
melde Eiland een' meerdere kundigheid van Wlnl% 

hadt 'de nen W0 ^ n H er l en / an hU " ne bedr y Ven verkre gen 
SCHRY u P [wr de v!'? d ^ atten > en een ' 2ek «er BE- 
d ?mS G ; SL £ ND te omwerpen, waar in hy 
de TO? VEn d K D - J Heer Jnder f° n dermate ****** 
EenoeLtn w yne 1 arbe 't^ eVOe g d b y dienvan denlaatft- 
dat TiS Ü"' het P ubl «kde volledigfte berichten van 
dat £.land verkreeg. Dat werk, allereefft door hem inde 

* * Deen- 











Deenfche tale befchreven, werdt welhaaft od hoog bevel 
yan den thans regerenden Koning van Denmarken ook in 
de Hoogduitfche en Franfche talen vertolkten my federt 
tfoor geleerde en kundige lieden zo zeer aangeprezen , dat 
Jk gene bedenklykheid maakte, het mede in het Neder- 
duitfch te doen vertalen , opdat onze landsgenoten niet 
beroofd zouden blyven van een werk , dat behalven de 
goedkeuring van zyne Deenfche Majefteit, insgelyks die 
yan vele Ge eerden verworven hadt, en waarmede ik ook 
inzonderheid de bezitters van het werk van den Heer An- 
derjon geen geringen dienft dacht te doen, vermits hun 
hier door met een' opheldering en verbetering van dat 
werk teffens een' volledige Befclryving van Ysland in handen 
gelevert wordt, en zy door die beide werken alles ver- 
krygen, wat hunne weetluft deswegens zoude konnen 
verlangen of hunne begeerte voldoen. By zo verre ik 
hierin myn doelwit bereike , zal het my aangenaam we- 
zen, het publiek hier mede van nut geweeft tezyn* 



VOOR. 





VOORREDE 

v A N DEN 

SCHR YVER. 

i^fffeSgÈ^Sfi^ '< ^n de bel. 

enig «richt heeft , is "chto II"/" men daarvan 
minder met 2ekerheid weet D g e e vJ an , dWaar Van «en 
tig afe eenig Volk in £ %&J?. '^fW* 2 ° v 'y 
en oprecht aan te tekenen ™, L om al,ÊS eenvouwig 
gge ontdekking, dfcS&,^ fe .^«hnd federf 
bouwing jn den jare 874 ft e ] J ? 8Ó1 en - z y ne be- 
het te wenfchen ware, 4 «jfv^* ls ' z ° dat 
van den beginnen een' aaneeneefchJLu u"a" e Daric hten 
land hadt, opdat men W^Ö^W^ Ys - 
komen,hoeLtmeteen'R e nnhi; l- P u Z0 " de konne n be- 
gaat. Doch hoe opleLmff 1 i' D - har f ^boorte toe- 
het aantekenen hnnner H lftor ie Vw^'l ^ Ys ' Wders '" 
ben 2y zich weinig gelegen latei l.v" m ° gen 2 y"> heb- 
een' volkome Befa'hr g yv! n g g e ' va , n te h n u ' g f! n ' ™ het Publiek 
^ kleme Trapten fefejÖ^S» 

3 -Thof- 


























il-; 











VOORREDE 

Thorlacius by forme van twiftredenen uitgegeven , niet 
als iets volledigs aangemerkt konnen worden , oftchoon 
zy anderzins zeer wel gefchreven zyn, waarom men het 
den Vreemdelingen heeft overgelaten dien arbeid op zich 
te nemen, welken de inwoonders des Lands zelven het 
beft zouden hebben konnen verrichten, vermits het voor 
een vreemdeling geen' geringe zaak is, een' volkome Be- 
fchryving te geven van een zo groot Land, t geen tef- 
fens van wonderbare dingen in de Natuur vol is : ja zelfs 
is het voor een Vreemdeling t'enemaal onmooglyk , wan- 
neer hy zich niet enigen tyd in het Land opgehouden , 
de taal geleert en zich benaarftigt heeft , om van alle 
dingen een' genoegzame kundigheid te verkrygen. Hoe 
zwaar die zaak echter is , heeft men nochtans onder de 
vreemdelingen de zodanigen gevonden , die in (taat meen- 
den te zyn , een' Befchry ving van het Land te geven. E- 
nigen van dezen zyn flegts een korten tyd in het land en tef- 
fens met een' Befchryving van het zelve gereed geweeft. 
Anderen hebben het Land niet eens gezien , maar van de 
lieden , die op Ysland varen , allerlei berichten by een 
verzamelt, waaraan zy geloof gaven en derhalven hun- 
ne Befchryving daarop grondeden. Van dien eeriten aart 
was de bekende Blefkenius, die een korten tyd opeen 
Hollandfch Schip onder Ysland lag en mooglyk wel eens 
aan land ging, doch de taal geheel niet verftondt, en ech- 
ter na zyne terug komft een klein gefchrift van Ysland 
uitgaf, zo fchaamteloos en tot verklyning van de ere der 
Natie {trekkende, als het doorgaans onrecht en onwaar- 
achtig is , waarom de geleerde Arngnmus Jona hem m 
een byzonder traótaat onder den titel van Anatome Blefke- 
niana beantwoord en wederlegt heeft. 

Van de tweede foort is de geleerde en beroemde Heer 
lohan Anderfon , in leven eerfte Burgermeefter der Mad 
Hamburg, die, gelyk hy in zyne Voorrede zei zegt: 
. verfcheide Schippers en Onderkooplieden , die met 
* „ r lact- 



va n den S C H R Y V E R, 

„ Flackvifch, Traan en diergelyken naar Gluckftadt ko- 
r, men, by zich ontboden, en hun zo door veel navra- 
't, gen , dan door het vertonen van verfcheide Naturalia 
„ uit zyn voorraad bewogen hadt, dat zy hem wat zy van 
„ den natuurlyken en politiken toeftand van dat Eiland 
,, wiften en hun zelven uit eige bevinding van de han- 
,, tering en handel bekent was, naauwkeurig en omftan- 
„ dig verhaalden, 't Geen hy nu dus van hun te weten 
„ kwam en hem voorts van Ysland zeker bekent was, 
„ hadt hy opgetekent; zyne berichten van dat Eiland ver- 
„ volgens in orde gebragt , en dezelve een ieder in de 
„ handen gegeven". Hier uit ziet men, op wat gronden 
die Heer zyne Berichten gebouwt heeft , en dat die wak- : 
kere en voorname Man geenzins willens was , het Publiek 
een onvoordeelig begrip van het Land en de Natie te ge- 
ven, maar ter nederftelde 't geen hy waarachtig geloofde 
te zyn. Als een verftandig en weetgierig Man trachtede 
hy en beyverde zich „ om van dit grote en in veelerlei 
„ opzichten merkwaerdig Eiland, in plaats van de ver* 
„ minkte, gebrekkige, verouderde en met taltoze grove 
„ verdichtfelen bedorven berichten, waar mede men zich 
„ tot nu toe hadt moeten behelpen, iets nieuwer, gewich- 
„ tiger, volkomener en grondiger in 't daglicht te ftel- 
„ len". Dus fchryft hy zelf in de Voorrede , maar wift 
niet, dathy, om de begeerde ware kundigheid van het 
Land te verkrygen , zich tot de onrechte Perfonen wend- 
de ; weshalven die verdichtfelen en verouderde onware 
vertellingen van het Land alleen vermeerdert , de prys- 
waarde oogmerken van den Schryver verydelt en het 
publiek misleid is. 

Wanneer men al eens toeftaan konde , dat onder de 
Schippers, Onder -Kooplieden en diergelyke perfonen, 
van welken wvlen de Heer Burgermeefier Anderfon zyne 
berichten ontfangen hadt, enigen geweeft mogten zyn, 
die verftands genoeg hadden, om van den natuurlyken en 

# 4 poli- 




• . 















VOORREDE 

politieken toeftand van Ysland te oordeelen , zo gehengt 
hun ampt en bezigheid niet, noch geeft hun gene gelegen- 
heid, iets beftipts en voldoenends daar van te vernemen. 
Zy leggen in een' Haven aan de een' of andere zyde van 
het Land. Van hunne komft tot dat zy weder afzeilen, 
hebben zy genoeg te doen, de een met den Koophandel 
en de ander met het uit- en inladen der Koopmanfchap- 
pen; weshalven zy gewis geen tyd overig hebben, om den 
toeftand van het Land naar te vorflchen. Even zo weinig 
konnen zy van de hanteering en handel der inwoonders 
iets van belang weten; want wanneer de Schepen van de 
Compagnie in Ysland zyn, hebben de Yslanders niets an- 
ders te doen, dan hun hooi in te zamelen. De Viflèry 
gefchiedt dan niet veel, vermits de Vifch in dien tyd niet 
wel gedroogt kan^ worden. Voorts- beftaat de voornaam- 
fte bezigheid der inwoonders alsdan in den handel met de 
Kooplieden, waarom zy gewoon zyn, zich op te hou- 
den ter plaatfe, alwaar die handel gedreven wordt. Van 
de gefteltenis der Lucht ten aanzien van warmte en koude 
konnen de Schippers en Kooplieden even zo weinig oor- 
deelen ; want die naar Glukftadt varen , bevinden zich maar 
alleen des zomers in Ysland. Heeft dusdanig een Perfoon 
dan bericht, dat het aldaar zo warm was, dat men byna 
naakt moeit gaan , zo vermoede ik, dat hy juiit dien dag 
vele VhTchen zou hebben moeten wegen en aan boord 
brengen.. Heeft een Koopman gedurende den winter in 
Ysland gelegen, 't geen by wylen uit noodzaaklykheid 
door geleden fchade aan zyn Schip heeft konnen gefchie- 
den, zulks hy niet weder vertrekken konde, zal hv denk- 
lyk uitgeemlykheid en weerzin alles flechter en elendiger 
aangezien hebben, dan het wezentlyk was. 

Hier uit blykt nu, hoe verre zich de bevinding van die 
lieden uitftrekt en hoe gering dezelve is. Echter is niet 
te twyffelen, dat zy zich daarop beroepen zullen hebben , 
toen zyde ere genoten, door den cerften Burgermeefter 

van 







2 



TAN DEN SCHRYVER. 

van Hamburg verzogt en van hem zeer wel ontfan^n te 
worden. Zy hebben het voor het geringfte gedeelte van 
hun plicht gehouden, dien voornamen en geleerden Man 
alles te verhalen, 't geen zy volgens de aanleiding zyner 
vragen merkten, dat hy weten wilde, en voor leen zo 
onverftandigen en onachtzamen aangezien willen worden, 
als of zy van alle de dingen in 't Land geen naricht kon- 
den geven byzonder nadien zy vermoedelyk dikwils al- 
daar geweeft waren. Dus hebben zy zich op hunne eige 
bevinding beroepen en zo wel verhaalt 't geen zv niet 
wiften, als 't geen zy willen. * 

AnA^n" gefchi . edt ' d « wylen de Heer Burgermeefter 
Anderfon , geenzms twyffelende aan de onwederfpreekly- 
ke waarheid en oprechtheid der hem gegeven berichten 
vermits zy hem van lieden ter hand klaLn, die aa rlyka 
gewoon waren naar Ysland te varen, en alle's uit de eer- 
fteband en eige bevinding waanden te hebben , zyne Be- 

beke y nd n waI an H Jt'? d ° k nt 7° r P en . heeft 5 en nad * n h ™ 
bekend was, dat het publiek weinig of gantfch gene kun- 

tthnüZ^ T erre \ fgeIegen land hadt - wild « «y *P* 

gelchnft ten dienfte van het publiek gemeen maken/wel- 
h SÏÏ^ 8 Zyne "^ V£rVU,den • t0e " ^ ?9» ** 

in het V n£n n r,r erdtda , t g erc h»ft«ith« Hoogduitfch ook 

Leno^S t I V£rtaalt - e " '" die beide tale ° m « groot 
genoegen gelezen, vermits men vertrouwde, daarin een 
volkomen en zeker bericht van het Land te zullen vi n" 
den; doch zo onwederfpreeklyk het is, dat in 't gemllde 
gefchnft vele geleerde en fchrandere Aanmerkinfen t. 
vonden worden, die hunnen Auteur waardig zyn zo ff 
ker ,s het ook dat de berichten , waa?óp de* Schryver" 

ftemm g en § . r0nd ""* ' *"* d,e met de waarheid S22S 

Op dat dan het publiek in deze zeker geftelt en het 

Land verantwoord worde tegens deze en gefe befchuldl 

gin- 









VOORREDE van den SCHRYVER. 

gingen, welke men tegens het zelve ingebragt heeft, heb 
ik befloten de tegenwoordige Befchryving te ontwerpen, 
waarin zekere berichten nopens het Land, de lucht, de in- 
woonders en hunne handteering gegeven worden. Ik volo- 
het gefchrift van wylen den Heer Burgermeefter Andere 
fon Artikel voor Artikel, en toon , waarin die Heer zich 
vergift , en hoe alles in der daad gelegen is. By die gele- 
genheid heb ik hier en daar mede iets nieuws bygebragt, 
waar van de Heer Anderfon geheel niets gefproken heeft. 
Voorts fteunt deze myne Befchryving op 'c geen ik zelf 
gezien en gedurende een tweejarig verblyf aldaar te Lan- 
de ondervonden heb. 't Gebeurde aleer ik in 't land 
kwam , hebben my wakkere en geftudeerde Yslanders 
verhaalt, die het zelven gezien hadden en 'er beter be- 
fcheid van wiïten , dan de gemene man , van wien een 
Schipper ofOnderkoopman zyne berichten zoude hebben 
mogen bekomen. 



DE 



Pag. I 



D E 



TEGENWOORDIGE STAAT 

O F 
OMSTANDIGE BESCHRYVING 

VAN 

Y S L A N D. 

Ermits de Befchryving van Tsland , door den 
geleerden Heer Johan Ander fon , in leven eer- 
ften Burgermeefter der vrye Keyzerlyke 
Ryksftad Hamlurg, ontworpen, merendeels 
op berichten van Schippers en Kooplieden 
fteunt, is het geenzinste verwonderen, dat 
hier en daar vele feilen ingeflopen zyn, die 
ik door een verkregene kundigheid, gedurende een tweeja- 
rig verblyf op dat Eiland, nodig geoordeelt heb te moeten 
verbeeteren. 

§. i. 

Het Eiland Tsland ligt volgens de aanmerkingen, die Ysiands 
ik op het bevel van den Koning van Denmarken op de ligging 
Koninglyke Hoeve Beszefted, in het wefteiyk gedeelte van en § rote * 
het Eiland geleegen, gemaakt heb, op de breette van 64 
graden 6 minuten, en uit de aldaar waargenomen Maanver- 
durftenng kan men befluiten, dat de lengte, te rekenen 
van de Londenfche Middaglyn, 25 graden Weftlyker en 
dus byna 4 graden Ooftlyker is, dan men tot nu toe gelooft 
heeft. Offchoon de lengte en breette van dat Land be- 

A zwaar- 











t BES CHRYVING 

zwaarlyk te beftemmen zyn,kanmen echter de lengte veel 
zekerder op 120 dan op 70 Deenfche Mylen bepafen en 
wanneer men de Middellengte van het Ooften naar het wZ 
ten neemt op de fmalfte zyde, is de breedfte wel niet lan- 
nlJ™ ** ********* 4i Mylen, doch echter op de 
meefte plaatfen van het Zuiden naar het Noorden veel 

tefe J ! 2 T Clf V?M, 6c J Mylen ' Zulks men de Middelbreet- 

te van het Land billyk op S o Deenfche Mylen bepalen kan. 

Geflel- S. II. In plaats dat het gantfche Eiland aan alle zyden 

SSm. n r i PPen om &™ en aIs ingefloten zoude zyn, vint 

Sfden me ? T el f r mere " d ^ls aan het Land een zuiveren grond, 

grond. en K het er gevolglyk ongelyk anders mede gelegen dan 

met Noorwegen, alwaar men langs het Land binnen de 

Klippen varen kan , waar tegen Tsland meeft ontbloot te- 

gensde Zee ligt. Aan deZuidzyde zal men aldaar, bultende 

I°I ï T Pen ' 1 n,et Ved anderen ^ het Land vinden: 
doch by het inlopen van de een' of andere Haven, als 
peback Gnndevtus en Böfand, ontmoet men naby het 
Land Klippen en Banken in Zee, waar voor zich de Zee- 
varenden zorgvuldig hoeden moeten. Ook ligt midden 
m Hafnefiord, welke een' der fchoonfte Havens is, die 
men wenfchen kan, een' kleine Klip in het inlopen. Dat 
m Land voorts omgeven zoude zyn door vele kleine on- 
bewoonde Eilandjes, is mede een vergiffing; want wanneer 
men een zekere uitgeftrektheid naar het Weiten mBiedie- 
fiord buiten voor Dale-Syjjel uitzondert, alwaar een' me- 
nigte van zodanige groene en weide- ryke Eilandjes lie- 
gen zul en rondom dat grote Land niet veel meer dtn 
om het kleine Eiland Zeeland gevonden worden. Betref- 
fende de inwendige gefchapenheid van het Land, is het 
wel niet te lochenen, dat in Tsland zo wel als in Noorwe- 
gen vele grote Bergen gevonden worden, die Jaar uit Jaar 
m met Sneeuw en Ys bedekt zyn; doch het is niet min- 
der een waarheid, dat die Bergen zo fteil niet konnen 
wezen, dat men ze niet zoude konnen beklimmen, dewyl 
jaarlyks dikmaal grote reizen met vele honderden paarden 
over dezelve gefchieden, nadien de meefte Inwoonders uit 

de 




■"■■■■■■■■■■ 



2 



van YSLAND, 



3 



de Noordlykedeelen over die Bergen trekken « m b„„ 
<i« togen „ia «kto, ,hkL'i n "£,*£, T, 5 

dien zulks £SlfM*«. en "*-S n ' £ 
ftukgronds «ant,ftfsh« 'zeker d«W ^ T* kIein ^ 
niet verhindert of belemmert^ de ' e,2en °aar door kan. 
voor een kmt™ "' De,emmeil: . worden , dan maar alleen 

gefchfed e n^uo d fd e an OP e eTv e k n|Se tf"^ R «**refi 
den , en worden fcfe'ï Tn^T^ Lan " 
ruimt. 't Is waar, dat gee^ wL^T £k* ' P °? d ', g ^ 
gebruikt, maar alles tfpLd ff of Karr f n '" 't Land 

remin kan men alÓmme gemaklvklvX' ^V 2°^ niet " 
niet te voet te gaan! emalcl y k r yden, en behoeft men 

VolkSfmomtSrlvr 1 ^ h6t ¥ nd niet *«" H °^ 
zwarte" dood * die °n to a Jfft W ° rd T aan de z °g«naamde »£, ft , 

dat Land zo^l als ve? e e Lde a r e ft tr V 7 d f s ; eertiende |«»S 
fchen is 20&«rf bvna alle nirftL ' w , annee r de Men- is. 

zware p, a ge heeRS^fcve'n '"d' "'T* 1 die 
«och overig geblevenen redde de zich od de Zfu" der 
alwaar zy gezond bleven m Ij- a P de Rot sbergen, 
zelfde Peif mede een Tro„? JK$? ^««rfa* door dié 
en het derhalven gene Menfcrfen '"r 01 ^™ ver,oor . 
van r,W OHtbelren konde Lhh het ; Eda bev0,ken 
overgeblevene InwoSershet Land w!5 6Chter de Weini S e 
datthansmeerdan fcSSBS?.*,^^ 
^vendie zog enaamd e ° SS » B£T3ft$. 

ma- 






4 BESCHRYVING 

malen zware krankheden op Yshmd gewoed: dus ia de Ja» 
ren 1697, 1698 en 1699 vele Menfchen van hongerttier- 
v en. In den Jare 1707 rukten de Kinderpokjes, met wel- 
ke een' foort van Peft gepaart ging , meer dan 20000 
Menfchen in het graf, en enigen tyd 'er na overleden ve- 
ten aan de gewone Kinderpokjes. By die oorzaken, waar- 
om het Land niet zodanig, als wel anders zyn konde, ver- 
meerdert is , zouden noch verfcheide anderen gevoegt kon- 
nen worden; doch zulks is geenzins aan de gefteltems van 
het Aardryk of de Lucht toe te fchryven. Hoe weinig het 
Land ook bebouwd mag zyn, liggen nochtans meer dan 
j2 mylendiep in het Land bevolkte plaatfen, Naby de 
22 Havens rondom Ysland zyn loutere Kooplieden, gelyk 
dezelve genoemt en befchreven worden, alwaar de Koop- 
lieden van de Compagnie met de Inwoonders van het Land 
handel dry ven, en daar tegen vind men, om zo te fpre- 
ken gene Dorpen. Doch vermits die zogenaamde Steden 
niet'overeen komen met het denkbeeld, dat men zich bui- 
ten 's Lands daar van zoude konnen vormen , moet ik zeg- 
gen dat dezelve alleen beftaan uit de Huizen der geoótro - 
teerde Tshndfche Compagnie, welke op iedere plaats 3 of 
4 woningen der Kooplieden, Winkels, Keukens en Pak- 
huizen zyn, die in Ys land den naam van Steden dragen , of- 
fchoon hier in ongelyk aan de Steden, welke in andere Lan- 
den dus genaamt worden. OndertulTchen kan men echter 
met meer zekerheid zeggen, dat men in Tsland Steden 
maar geen' Dorpen vindt ; want iedere Hoeve of Bey op 
zich zelven alleen ftaat , en hare eige Grasweide rondom 
zich heeft, die de eigenaar aan 2,3,4,6. en dikwerf meer 
Huislieden verhuurt, en wordt het gantfche Land dus m 
Kerfpelen verdeelt. Nochtans is het hier zo min als el- 
ders een ieder geoorlooft, zonder voorweten en opzicht 
van de Overheid of de Eigenaars, waar het hem behagen 
zoude, een Huis te bouwen, maar worden daar toe bekwa- 
me plaatfen verkoren, alwaar men veel Gras vindt; doch 
radien de Voorzienigheid de Zee rondom dit Land met 

een 



z 



vanYSLAND. s 

een' grote menigte van allerlei Viffchen gezegent heeft , 
is het niet te verwonderen, dat de Kuften voïkryker dan 
wel het Land van binnen zyn, vermits tot deViflèry veele 
Menfchen vereifcht worden , en ook daar van ongelyk 
meer dan van den Akkerbouw leven konnen. 

§. V". Het Land is geenzins hol , behaiven op zeer wei- Van de 
nige plaatfen, alwaar weleer en in vroegere tyden Aard- Aardbe - 
branden geween: zyn. Voor het overige vindt men aldaar ! in S en 
gelyk in andere Landen,een vatten, zwaren en harden grond ' Land 
en op vele plaatfen zo goede aarde , als tot het zajen ge' 
wenfcht zoude konnen worden. Alleen op twee plaatfen 
naamlyk in Noorden Syfel, in het Diftrikt van Hufevigs y en 
in 't Zuiden in Guldbnnge- Sy ffel by Kryfevig, word Zwavel 
gevonden, en heeft de Aarde hier en daar by de warme 
Baden een zwavelachtigen reuk; weshalven het Land tot 
Aardbevingen niet zo zeer gefchikt is, als wel gemeent 
word. Gedurende twee Jaren, dat ik in het Land geweeft 
ben, heb ik geen' de minfte Aardbevingen befpeurt, en 
ook van anderen verdaan, dat zy dezelve nooit gevoelt 
hadden, hoewel brave Lieden my berichteden, dat men 
op enige plaatfen nu of dan Aardfchuddingen ontwaar 
wierdt, die echter zelden fchaden verwekten, en dat zulks 
inzonderheid in het Zuidelyke gedeelte des Lands, maar 
zelden naar het Weften en Noorden voorviel, 't Zoude 
wel eens gebeurt konnen zyn, dat een Huis door een' 
Aardbeving omviel, doch gemeenlyk zyn de Menfchen ge- 
red, en hoort men zelden, dat door een' Aardbeving, hoe 
hevig ook, Vuurbraken ontftaan of Watervloeden voort- 
gefproten zyn. 

S. VI. Hier boven zeide ik, dat maaralleen op twee plaat- Van 
ien Zwavel gevonden wordt en nergens elders, gelyk men Vuur- 
ook op de laatfte dier gemelde plaatfen enige Salpeter aan>^ k ^ 
treft. Op vele andere plaatfen heb ik diep in de Ve»X& 
gronden zien graven , doch zonder dat ooit Zwavel of Sal- 
peter te voorichyn kwam, maar wel dat de Turf hier en 
daar een Zwavelachtigen reuk van zich gaf> gelyk in an- 

A l dere 




6 BESCHRYVING. 

dere Landen meer gevonden wordt. In den Jare 1728 b- 
gon in de Noorder- Syjfel een Berg vuur uit te werpen 2n 
zettede de er omliggende Zwavei-aarde in brand , waar uit 
een Vuurvloed ontftont, die in een Meer, My-wtne ge - 
naamt,vlietede;doch nadien zodanig een Aardbrand niet ont- 
itaan kan buiten de twee hier veren gemelde Diftrföen aï- 
waar Zwavel-A arde gevonden wordt, en ook gene zoda- 
nig een Aardbrand federt den jare 1000 tot 1728 geweeft 
is, kan niet gezegt worden, dat het dikwerf gefchiedt en 
noch minder dat het de Aarde verderft en voor eeuwïö 
onvruchtbaar maakt. ' D 

Inden Jare i 7 iö viel in Noorder Syjfel een' Aardbeving 
voor waar op een grote Berg, Krafle genaamd, met een 
verfchnklyk gekraak en gerucht Rook, Vuur, AiTche en 
Stenen begon uit te werpen; doch vermits het ten allen 
gelukke flil weder was , werdt het Land daar rondom 
met met Afch en Stenen verdorven, maar vielen dezelve 
op de Rots zelve en aan den voet neder. De Rots brand- 
de nu en dan een tyd lang, zonder fchade te veroorzaken 
en zonder dat men een' andere Aardbeving befpeurde,dan 
die de uitbraak van het Vuur veroorzaakt hadt. Hierna 
ontltaken in den Jare 1728 door de flerke Vuurbrakino- 
enigen der omliggende Zwavel-Gebergtens , die een wfl 
brandden, tot dat van de brandende ftorTen genoegzaam 
een Vuurvloed verzamelt werdt, die zeer langzaam van 
dien Berg naar het Zuiden en de lager Landen afvloeide; 
zulks eenige Inwoonders rondom het bovengenoemd Meer 
My-vatne, omtrent 3 Mylen van dat gebergte gelegen, in 
de Lente van het Jaar 1729 hunne Woningen verlieten en 
in den Zomer het Houtwerk van de Kerken en hunne 
Huizen wegnamen en medevoerden, als wanneer eindelyk 
die langzaam voortgaande Vuurftroom, ontrent den Herfïi 
langs de meeft af hellende plaatfen tot aan dat Meer voort- 
vloeide , en een Hoeve en enige Landeryen naby dat Meer 
liggende overftroomde. Eindelyk ftorte die Stroom met 
een geweldig bruifchen in dat Meer 3 en bleef tot in het 

vol- 



vamYSLAND. 7 

volgende Jaar 1730 aanhouden, vermoedelyk vermits het 
Zwavel-Gebergte gene verdere Stofte hadt om zich te 
onderhouden. Sedert werdt die vlietende Stofte hard en 
het langs ,den weg gebrande Stenen overig , waar óver 
de Inwoonders gaan konden, die hunne Kerk op de vori- 
ge plaats weder opbouwden, en dit wasde gantfchefchade; 
welke die anderzins zo vreeslyke Vuurvloed veroorzaak- 
te, waardoor geen levend Schepfel om 't leven kwam. 
Het Meer My-vatne, in 't welk die vurige ftöffe vlietede 
werd met veel gebrande Stenen aangevult en daar door 
veroorzaakt, dat, daar het voorheen taamlyk diep was 
het zedert zeer ondiep werdt. De Viflchen Silungen ge- 
naamd, waarfchynlyk de zelfde, die men elders Forellen 
heet, werden 'er m langen tyd niet gevonden, doch thans 
weder in grote menigte gevangen. Dit zyn de ware om- 
ftandigheden van die yflelyke gebeurtenis, die meer dan 4. 
Jaren geduurt heeft, na dat de Berg Krafle hadt begonnen 
Vuur uit te werpen, en waarna geen Aardbrandnoch Vuur- 
brakende Berg in Tsland gevonden is 

nitwhrin^R 61 verre . d « menin 2"Wzelden andere dan Van 
uitgebrande Bergen vindt, aan en om welke men de wer-Vuur- 
kingen en overgeblevene tekenen van een vorigen Brand S ra |? n ' 
2ïffi?£f k ? nnen , be ^«en, kan ik verzeleren datgen^ 
men m dat Eiland, zo lange het bewoond is, geen twintig 
Bergen vinden zal, die Vuur uitgebraakt hebben, maar we! 
vele duizenden die nooit brandeden of ooit brandenz™ 
len. Te voren heb ik getoont, dat men in Tsland, gelvk 
in andere Landen, allerhande Aarde, en gevolglyk ook 
Zandaarde vindt 5 weshalven men niét zefgen Ican , dat 
alomme geen gewoon Zand, als op andere plaatfen, maar 
flegts oude Aflche en verbrande Steenftof te \inden s?m 
het tegendeel is het een' waarheid, dat men hier eü daar 
L %h? n i r? treft ' en wel inzonderheid ter plaatfe 
«?Jr3 ° frShrg VUUr ™ l S^™ en daar door zware 
overftrommgen veroorzaakt heeft, vermits het gefmolte Ys 
en Sneeuw zo vele lagen Aarde heeft voortgedreven, dat 

aldaar 




3 



BESCHRYVING 



aldaar het blote Zand overgebleven is, en by wylen goede 
ftukken Land genoegzaam overftelpt en bedorven heeft; 
doch daartegen wordt geen' AlTche of verbrande Steenftof 
gevonden , behalven maar op weinige plaatfen , alwaar bran- 
dende Bergen als de Hecla , Krap en enige meer geweeft zyn. 
't Gaat voor geen vallen regel door, dat de Vuurbrakende 
Bergen onverhoeds weder in woede geraken en zich begin- 
nen te ontladen-, want de Iawoonders, in de nabuurfchap 
wonende, door de bevinding geleert hebben, dat wanneer 
de Joëkel waft, dat is, als het Ys en de Sneeuw zo hoog 
flygen, dat de Kloven, waar uit te voren Vuur kwam, ver- 
floppen, als dan de tyd nadert, dat zy Aardbevingen en 
een Vuuruitberfting vanden Berg vermoeden konnen. Daar- 
om duchten zy , dat de Rotsberg , die in den Jare 1 728 brand- 
de , welhaaft weder ontfteken zal, vermits zy zien konnen , 
dat het Ys en de Sneeuw daar over heen gewaden zyn ,en 
vermoedelyk de luchtgaten dempen en verftoppen,waar door 
de uitdamping verhindert wordt. g 

Vanden §. VIII. De Hecla is ten allen tyde in de Waereld door 
&- r f zyne Vuurbraking onder de beroemde Bergen getelt, en 
liecla ' worden Menfchen gevonden, die menen, dat die Berg zo- 
danio- een verband met den Fefuvws in Italië heeft, dat 
wanneer deze Vuur braakt, de Heda zulks ook begint te 
doen; doch thans wordt hy voor geen der voornaam (ten 111 
fsland gehouden, vermits hy veele Jaren ftil geweelt- is, 
en anderen ondertuflchen zo fterk als weleer de Hecla ge- 
woed hebben, als by voorbeeld de Krafle -in Worder-Mel 
ende Joëkelen, Kotlegau en Oeratfe in Skafteplds-Syffei. Ook 
is bevonden, dat de Hecla geen' overeentlemmmg met de 
Btnaen de Vefumw heeft, vermits deze onlangs gebrand 
hebben, en de Hecla (lil geweeft is. 't Is denklyk, dat 
de Hecla zyn aanzien verkregen heeft, vermits voor- 
heen zyne Vuurbraking telkens heviger dan die van 
anderen was; doch dat dat Vuuruit werpen veele honderden 
Wen achtereen geduurt zoude hebben, kan niet toege- 
ilaan worden , nadien men een langen tuiTchentyd van Itilte 



van YSLAND. 



9 



niet achtereen durend noemen kan. De Hecla heeft in 
800 jaren en daar boven , zo lange Tsland bewoond ge- 
weeft is, niet meer dan tienmalen gebrand, naamlyk inde 
jaren 1 104 1157,1222,1300, 1341, 1362, 1389, 1558, 
1036 en de laatftemaal 1Ó93, aIs wanneer hy den 13 Fe- 
bruary begon te branden, en daar mede tot in de maand 
Augufti aanhieldt, gelyk ook de vorige branden fteeds eni- 
ge maanden geduurt hebben. Hier by is aanmerklyk, dat 
de Hecla m de 14. eeuw het allermeeft, naamlyk vier ma- 
len, gewoed heeft, en in de volgende 15. eeuw t'enennaal 
mi ge weeft is, en dus in 1 69 jaren achtereen heeft opge- 
houden vuur uit te werpen. Vervolgens heeft hy in de iö~. 
eeuw maar eens, en in de 1 7. flegts tweemaal vuur gebraakt, 
waar op weder een fiilftand van ontrent 60 jaren gevolgtis. 
Hier uit befluit ik, dat zyne vuurbraking van tyd tot tyd 
afgenomen, en het vuur elders in het land lucht bekomen 
en een weg gevonden hebbende, de Hecla met den tyd wel 
eens geheel mogt ophouden vuur uit te werpen : doch het 
is alleen aan God bekent, en geen menfch kan beftetnmen , 
wat deswegens in het toekomende gebeuren zal Thans 
wordt aan den Hecla geen den minften damp noch rook be- 
lpeurt, en vindt men alleen in enige kleine holen ziedend 
water, van welk foort ook vele en ongelyk grotere in r/- 
land aangetroffen worden. Wyders verdient dat men aan- 
haie en opmerke, dat offchoon de Hecla in de laatfie Vuur- 
braking, waar door eengroot gedeelte goede weiden met 
affche , zand en puimfteen bedekt werdt, grote fchade ver- 
wekte, dezelve echter door den tyd weder vergeten is 
vermits de affche en het zand allengs door den wind naar 
lagere plaatfen en in de moeraffen en poelen gedreven, en 
dezelve daar door droog en tot weilanden bekwaam gewor- 
den zyn; behalvendat ook het aardryk, alwaar die affche 
allereerft lag-, daardoor genoegzaam gemeft en vruchtba- 
rerjs geworden, dan het te voren was 3 zulks aldaar thans 
weder gras waft Op andere plaatfen heeft zich boven op 
de affche een' laag aarde gezet j weshalven de affche een ja 

B twee 



IO 



BESCHRYVING 



twee fpitten diep onder de aarde ligt, waar door, om zo 
te fpreken, de weiden rondom den Hecla veel beter dan te 
voren zyn. Niet verre van den voet des bergs worden 
zelfs hoven en huizen gevonden, die geen het minde na- 
deel van den Hecla lyden. Dat de Hecla niet te beklimmen 
zoude zyn, is een' vergifïïng, vermits verfcheide lieden 'er 
cp geweeft zyn, en noch in 't jaar 1750 twee Tslandfcbe 
Studenten van Coppenhagen, die derwaards gereift waren, om 
'er de zeldzaamheden der natuur te ontdekken, welke een 
geruimen tyd rondom op dien berg alles befchouwden j 
doch niets dan ftenen, zand en aiTche,hier en daar fcheu- 
ren en kloven en enig ziedend water vonden , en eindelyk, 
na dat zy tot aan de knien door die aflche en het zand ge- 
gaan hadden, onbefchadigt, hoewel zeer vermoeid, van 
daar terug kwamen. Dus ook hebben vele anderen dien 
berg bevonden, welke, om dezelve te bezien, derwaards 
gereift waren. De Hecla is een taamlyk hoge berg, en 
een dergrootfte 'mTsland^ doch aldaar worden noch groter 
gevonden, als by voorbeeld de Wefter Joehl\ ook is de 
Hecla een Jöekel^ dat is een berg, wiens boven fpits fteets 
met ys en fheeuw bedekt is, en gevolglyk waarop nie- 
mand komen kan. 
Van een § IX. Aan den Hecla of den voet van dien berg vindt 
driemaal men en jg e kleine wateren, die altoos warm zyn, het een 
ombran- meer net an der ™ n i doch niemand heeft ooit met den 
dend Thermometer waargenomen ('t geen echter zyn nut zoude 
Meir. hebben) of zy des winters warmer zyn, of altoos een e- 
vengelyken graad van warmte hebben; maar het is zeker 7 
en ik zelf heb dikwerf gezien , dat zy den enen tyd min- 
der dan den anderen damp uitgeven. De bevinding leert, 
dat wanneer zy fterk dampen, regen volgt, en wanneer 
zwakker, droog weer te verwachten is, 't geen zeer ligt 
uit de natuurlere opgemaakt kan worden ; want als de lucht 
vochtig is, is meer ftofFe tot dampen voorhanden, vermits 
de damp vermeerdert wordt; daar in het tegendeel, wan- 
neer de lucht droog is, en gene vochtigheden by zich 

heeft 



t -*--" g!1B: - 



van YSLAND. 



l£ 



heeft, de damp natuuilyker wyze verminderen moet. Doch 
nooit zyn boven die warme wateren by den Heek, noch 
boven anderen in het land, die echter ongelyk warmer 

ftrvHf e pi Zyn '/ U - rV i- amill , en S ezien i want ^e zo zeer 
ftryd.ge Elementen in Tsknd zo min als in andere landen 
dus enig zyn dat zy zich zodanig verzamelen zouden , dat 
het Water zoude tonnen brandea 't Is geen zeldzaam ge uk, 
m r/WnrM Wateren te vinden , ve, mitsdezelve op hon! 
derden plaatfen daar te lande aangetroffen worden, by wel- 
ke zich by wylen zeer fraije en wonderbare verfchynfelen 
worden n ' **" **" de BU&e Para S raaf geroken zal 

§. X. Ik zal my niet inlaten, om de oorzaak van de war- Van 
me Bronnen infiU na te fporen, vermits zulks toTde-r™ 
natuurkunde behoort, doch meen te moeten vaftftellen dat Bron - 
de Zwavel in den grond daar van de reden geenzins is-u"' , 
Dikwils ben .k by vele warme Bronnen geweeft; doch hébSSt 
,K' d , e f ™§ fte l™* « de Aarde gevonden, 2tn 
alleen by de Kryfev, S s Bergen, alwaar het Zwavel-oord is. 
Demeeftedier waterenhebben geen mynftoffigen fmaak, ge- 
lyk ik door verfcheide proefnemingen bevonden heb. Dezelve 
tonnenden naam van Vyvers enBronnen naauwlyks draden , 
nnmers metyan deeerftgenoemden; want de openingsden 
grond, waar in dat water ziedt, gemeenlyk niet gro?er dan 
een brouwketel ,s, en niet zelden noch kleinen Op ver- 
fcheide plaatfen komt geheel geen water uit de gaten, maar 
bopt afvlietende van hogere plaatfen over den heten grond 
waai- door het water warm word, rookten dus verder voorN 

tonnen ^£" f* *2 Wlte " g£en ' Bron -n genaamt 
konnen worden. In een drogen zomer, waarin geen toe- 
vloed van water was, heb ik* geen damp befpeun maar 
den grond zo heet bevonden, dat ik met de Pchoene™er 
aón i^enT !» D ^ danig £en hete S^nd w° as ftee" 
een Ï»S t * S 'l' en J daar & ^ len f[ " al1 « openingen, 
2 «H~ i .r 8 " breed ' uit we,ke een fterkerhette dan 
op andere plaatfen voortkwam, en wanneer het waterover 

B 2 zo 






ir BESCHRYVING 

zodanig een heten grond liep , kookte het fterker boven: 
die enge fpleten , dan wel elders. Dat hete water werdt in 
de landfpraak een Huer genaamt , en daar van worden 
drïederlei foorten in Tsland gevonden. Enigen zyn maatlyk 
heet, weshalven men de handen , zonder dezelve te bran- 
den, *er in houden kan; anderen zyn kokend heet, die 
foortgelyke blazen, als het kokend water, opgeven, en 
weder anderen zo overmatig fterk kokend, dat zy het wa- 
ter als een Springbron in de hoogte dry ven. De laatstge- 
noemden konnen weder in twederlei foorten verdeelt wor- 
den, vermits enigen, zonder een zekeren tyd of ordre het 
water, gelyk ik zeide, door het fterk koken in de hoogte 
dry ven, en andere weder op zekere tyden ophouden, en 
in een' beftendige ordre het water van zich uitwerpen. Van 
die Jaatfte foort is het hete water in het diftricl van Hufe» 
vjgs 'mNporder-SyJJel^ welks wonderbare werking wel ver- 
dient, dat ik 'er iets meerder van zegge. En nadien die: 
hete Bron byna de merkwaardigfte in het land is, zal ik 'er 
een kort bericht van geven a 't geen gewis niet onaange- 
naam kan zyn. 

Befchryvmg van een hte Bron in het Dijtri ft van Hufevigs. 

Dezelve ligt by een' hoeve, Reykum genaamd , welke 
naam vele hoeven in het land hebben^ en alle van de hete 
Bronnen afftammen , waar by zy gelegen zyn ; want Ryk 
ïn het Yslands Rook is, en werden mitsdien alzo genaamt 
van den rook en den damp, die uit de gemelde Bronnen 
voortkomen. Te dier plaatfe zyn drie hete Bronnen, die 
ongevaar 30 vademen van een liggen, uit welke het water 
by verwiüeling zodanig opkookt, dat wanneer de Bron' 
die aan het ene einde is, water uitgeworpen heeft, de 
middelfte, daar na die aan het ander einde, en daarop 
weder de eer(te zulks insgelyks begint te doen; en in die 
orde varen zy (leeds voort, ieder van hun ongevaar drie- 
maal in een kwartier uurs, op te wellen* Zy alle zyn in 

een. 



takYSLAND; i? 

een harden fteengrond, doch op een vlak veld. Twee van< 
dezelve dringen het water van tufTchen de ftenen in de 
hoogte j hebben derhalven geen' gewiffe opening, en dry- 
ven het water maar alleen ontrent eenhelle hoog uit den 
grond; doch de derde heeft een' ronde opening, als ware 
zy door de konft in een' harde fteenrots gemaakt, en h 
ontrent zo wyd als een grote brouwemmer. Uit deze fpringt 
het water, wanneer het de beurt van die Bron is, vyf a zes 
ellen hoog, waarop het weder in zyn omvang tot op on- 
trent twee ellen daalt, en als dan kan een ieder toetre- 
aen en die wonderbare uitwerking befchouwen ; doch moet 
by tyds terug gaan , als de Bron weder begint op te wellen. 
Wanneer het water op zyn laagft gevallen is, volgen drie 
opbruiffchingen : door de eerfte ftygt het tot op de helft 
van den bovenrand; door de tweede tot den rand zelven 
endoor de derde fpringt het, gelyk ik zeide, vyf of zes 
ellen hoog, waar na- het plotsiing twee ellen diep in zvn 
omvang zmktj en terwyl het water dus in die hete Bron.' 
op zyn diepft gevallen is, ontfpringt die aan het ander 
einde, en vervolgens de middelfte, tot de beurt weder aan 
de grootfte komt. De zeldzaamheden , hier by verder 
voorvallende, zyn deze: wanneer men water uit de groot- 
fte Bron m een flefch doet, zal men bevinden, dat het 
noch twee- of driemaal overloopt, ten zelven tyde als de 
Bron zelve opwelt ; dus lange behoudt het water de geftino-, 
om zo te fpreken, by zich, na dat men het uit de BrSn 
genomen heeft; doch daarna, ftilt het , en word koud, 
Wanneer men de flefch, zo dra het water 'er in. gedaan 
is, wilde toeftoppen, zoude men verzekert konnen zyn 

a\ f ri L° nd Van een zoude berften > 2 <> <*ra het watel 
m de hete Bron opwelde, 't geen met vele honderden fles- 
fchen beproeft is, om die zeldzame uitwerking te zien. 
Wanneer het water m de Bron begint te dalen, en men 'er 
weder bykomen kan, trekt het alles wat men ''er in werp? 
naar beneden ja zelfs hout, 't geen anderzins op het 
witci dryft s doch de Bron werpt het gewis ook- weder 



1 



*4 



BESCHRYVING 



uit, als zy opwelt , en kan men het dan op den grond 
aan den zyde of den rand der Bron weder vinden. De be- 
vinding heeft meer dan eens geleert, dat, wanneer men 
grote Kenen , zo zwaar als een man opligten kan , in de 
Bron werpt, dezelve beneden een groot gedruis en brui- 
fchen verwekken, doch die (tenen worden fteeds door de 
fterke opperfching van het water weder 'er uit en op den 
rand van de Bron geworpen : waarom men 'er ook vele 
ftenen rondom ziet liggen, waar mede de proeven dikwerf 
genomen zyn. Het uitgeworpen water maakt een' kleine 
beek, welke zich allengs verkoelt en eindelyk in een' 
rivier valt, fmaakt zeer weinig of geheel niet mynftoffig, 
en is, koud zynde, zeer goed te drinken. De grond daar 
omftreeks tot aan de hete Bron geeft zeer fchone weiden, 
behalven vyf of zes ellen rondom dezelve, naamlyk zo 
verre het hete water fpringt , en alwaar de grond louter 
fleen is. Een' hoeve, langs welke het laauwe water van 
de Bron voorby vliet, laat altoos zyn Vee uit dat water 
drinken, en het is alomme bekent, dat de Koejen, die 
daar uit gedrenkt worden, overvloediger melk geven, dan 
anderen. Dusdanige zeldzame en wonderbare uitwerkfelen 
hebben niet alleen die hete Bronnen , maar ook enige an- 
deren; behalven alleen, dat zy van zodanig een' beften- 
dige verwifTeling niet zyn, noch de een' of de andere met 
een' zo gewiflè ordre het water in de hoogte niet opgeven. 
Zy, die naby de kokend hete Bronnen wonen, waar van 
men aldaar zeer velen heeft, bedienen 'er zich met veel 
nut van in menigerlei toevallen 5 koken 'er hunnen fpy- 
zen in , na dat zy den ketel met koud water en vleefch 
in de opwelling gehangen hebben, als wanneer de fpyze 
zonder veel moeite gaar worden kan. Ik weet, dat vele 
reizenden hun Theewater zeer fpoedig in zodanig een' Bron 
gekookt hebben, zo dra zy maar den Theeketel in het wa- 
ter gehangen hadden. Ik zelf heb een man by een' fterk 
kokende Bron by Kryfevig een gantfchen dag bezig gezien 
met het krommen van Hoepels , die hy door behulp van 

dat 



van Y'S 'L' A N D. 



*S 



dat kokend water zodanig als hy wilde meer of min tot 
groter of kleiner vaten krommen konde , offchoon e< 
nige van dezelve een duim dik waren • doch hy moeft 
ondertuiTchen om ieder uur, en fomtyds noch eerder, als 
hy het nodig vondt, van de Bron afgaan, om verfche lucht 
tefcheppen, door den verfchriklyk zwavelachtigen en an- 
dere zwaren flank van die Bron, vermis het daar omftreeks 
vol_ Zwavel, Aluin Salpeter en allerhande vermengde aar- 
de is, gelyk ik zelf aldaar by myn aanwezen waargenomen 
Hebj weshaïven ik door den doordringenden flank te dier 
plaatje het by die Bron niet langer houden konde. Behal- 
ven het nut, dat de Inwoonders dus van dat warme water 
nebben, bedienen zy 'er zich ook van, om 'er in te ba- 
den , naamlyk wanneer dat water als een beek uitlopen- 
de byna laauw, of een koud lopend water 'er nabv 
is, t geen zy 'er in leiden, om het hete te matigen. Dus 
neb ik een Bad, zeer aartig door-de natuur gemaakt ge- 
zien , zynde als een' grote tobbe in een gantfchen fteen 
met een zeer gladden en zuiveren bodem, waar over men 
een tent konde fpannen. Dat Bad was dus aartig geflelt 
dat men zonder veel moeite het water matigen en het naaf 
believen warm of koud maken konde, vermits enige wa- 
terleidingen zo warm water gaven , dat men de hand 'er 
niet in houden konde, en wederom anderen 'er kil koud 
water mbragten , met 't welk men het ander konde tempe- 
ren. In den bodem van dezen door de natuur gemtakten 
waterbak was een gat naar een voorbyvlietenden ftroom 
waar door dezelve terftond gereinigt konde worden: en 
wanneer dat gat weder gedopt werdt, liep die bak opnieuw 
vol water, en konde op de voorgemelde wyze naar beho- 
ren worden gematigt. De naby wonende inwoonders ge- 
bruikten het menigmaal, om zich te baden, en men hield t 
het daar voor, dat het de lieden gezond en oud maakte. 
Onder den gemenen man in ttiWiseeh* fabel ontdaan 
die men elkander verhaalt en gelooft, en ook daar en 
boven het bygeloof heeft, dat zich op dat hete water 

ze- 






t6 



BESCHRYVING 



zekere zwarte vogels met lange fnebben, de Snippen niet 
ongelyk, zouden ophouden. Doch het is ongerymt en 
onnatuurlyk,dat vogelen zich zouden konnen onthouden 
en zwemmen in een water, dat zo heet is, dat men 'er 
ovTenvleefch in koken kan. 
Geftel- §, XI. Hier en daar heb ik aan het ftrand, gelyk ook 
tenisvanj n ^e een en fe an dere gebergtens gekleurde ftenen van 
bergte" fchone rode, groene en meerder verwen gevonden ; doch 
waarin geen Marmer. Echter kan aldaar Marmer zyn, hoewel 
vermoe- 2U ]| (S fl e gt s een' giiüng is, en zoude het konnen gebeuren, 
marmer dat -de inwoonders 'er ten enigen tyde naar zochten ; te 
is. ' meer, vermits de Koning lieden derwaarts gezonden heeft, 
die het breken van ftenen verftaan, van wie het de Y stan- 
ders ook zouden konnen leren. 
Vande §, XII. Nadien ik in eigen perfoon in de rotzen geen' 
Kriftal- i^ftaifen gevonden heb, kan ik deswegens geen bericht 
geven, te minder noch, vermits my anderen des aangaan- 
de ook niets hebben ontdekt. 
Vande §. XIII. Alwaar vuurbrakende bergen zyn , vindt men 

Puim- eem eenlvk Puimfteen, doch wiens rein- of onreinheid my 
(teen. =>. , . J . ■ ' J 

Biet bekent is. 

OfBerg- g. XIV. Het is bekent, dat door de inwoondersdeslands 
üofin foei- en daar tulTchen de bergen een' Bergftof gevonden 
grond wordt, die zy zelven gefmolten en daar van knopen en 
gevon- cachetten gemaakt hebben , en die zedert bevonden is zil- 
den ver te zyn. Verfcheide der inwoonders, wanneer zy kam- 
word# men of fleutels foldeeren, weten hier en daar in het geberg- 
te een ftoffe te vinden, die zy aan de kammen hechten, en 
dan een deeg van leem 'er om maken en in 't vuur werpen 
tot dat het gebrand is, als wanneer zy het leem aan ftukken 
liaan, en dan is dekamof fleutel gefoldeert, zonder dat zy, 
gelyk anders de gewoonte is, koper daar toe gebruiken , 
weshalven het koper moet zyn, of een' andere Bergttof tot 
foldeering bekwaam. En dat voorts op vele plaatfen ryke 
Kopermynen zyn, is aldaarzeer wel bekent. Verfcheide der 

in- 



- — . 



van YSLAND, 



*7 



inwoonders hebben met eige hand voor zich zeïven goed 
en bruikbaar yzerwerk gemaakt uit ertzfen, die zy zonder 
moeite aldaar op menige plaatfen genoeg vinden konnen, 
weshalven die Bergftof 'er veel moet zyn. 

§. XV. Dat het land Bergharft , Aardpek en andere lym- Vatf 
achtige aarde uitlevert , is buiten twyftel, en heeft m e n {f a e ffën 
daar van overvloedige blyken in de bergen , die gebrand Turf. 
hebben ; want 'er die floffen noodwendig voorhanden - 
geweeft moeten zyn. De Turf is 'er doorgaans zeer goed, 
en gebruiken de inwoonders niet ligt iets anders ter bran- 
ding, alwaar dezelve te bekomen is, doch anderzins worden 
ook op verfcheide plaatfen takboflèn en braambezien hout 
gebrand, waar van hier en daar een genoegzame voorraad 
is. De Zee-Turf zal vermoedelyk de Turf zyn , die ver- 
fcheide der inwoonders naby het Strand of de Zeekuden 
graven; en dit doen zy, zodra de eb begint, op dat zy, al- 
eer de vloed komt, daar mede gereed zouden zyn. Die 
Turf is, gelyk de andere, zeer goed en zwaar. Op die 
wyze graven velen hunnen Turf in het zuidergedeelte des 
lands , 't zy om den Gras-Turf, die aldaar niet zeer over- 
vloedig is, te befparen, of om dat verfcheiden aan de Zee- 
kusten taamlyk verre reizen moeten, om den Turf te ha- 
len, en zy zich met den Zee-Turf zeer wel behelpen kon- 
nen. 

§. XVI. In Tsland worden twee foorten van Agaat-Stenen Van A. 
gevonden. De ene brandt als een licht, wanneer het aan- gaatfte, 
gedoken is, en is een aardpek, glanzig, zwart en taamlyk nen * 
hart. De andere , die de Tslanders Hrafn-tinna , (dat is zwart 
vuurfteen) noemen , brandt niet, ïs harder dan de eerftge- 
noemde, en laat zich in dunne blaadjes klieven, die enig- 
zins doorzichtig en het glas niet ongelyk zyn, weshalven 
ik het met den Heer Ander fon eens ben, dat het een vitri- 
ficatie is; en 't geen my aanleiding geeft zulks te meer te 
geloven is, vermits de Berg Krap, die in dzNoorder-Sys- 
fel brandt, ene taamlyke menigte van die (tenen uitgeeft, 
onder welke ftukken ter grote van een kleinen tafel ge von- 

C den 




V I N 

den worden , die zes lysponden en daarboven gewogea 
hebben. 
Van de §• XVII. Hoedanig het met de Zwavel hier te lande ge- 
Zwavel, legen zy, zal ik uit eige ondervinding nader ontvouwen, 
l^ooit vindt men ergens Zwavel bloot op de aarde ; zulks 
men ze zoude konnen afkrabben en verzamelen. Nergens 
is een goede grond , noch wordt Gras gevonden , alwaar Zwa- 
vel onder den grond is, en nergens vindt menZwavel,dan waar 
men een' fterke hette inden grond befpeurt, die door de aar- 
de dringt: ook zyn doorgaans daar naby hete BronnemTer 
plaatfe het aardryk dus geftelt is , wordt de Zwavel zo wel in 
de Rotzen en Bergen als onder op het vlakke veld een 
taamlyk wytte van den voet van den Berg aangetroffen. 
Altoos ligt een' laag onvruchtbare aarde, of veellie ver gruis, 
leem en zand over de Zwavel. Die aarde heeft verfcheide 
kleuren, als wit, geel, groen, rood en blaauw. Als die 
aardlage of zode weggenomen word, ligt de zwavel 'er on- 
der, die men met Spadenen Schoffels uitgraaft. Men moet 
taamlyk diep graven, aleer men goede Zwavel bekomt j 
doch te diep gravende -wordt het te heet en temoeijelyk, 
en kan men zonder die moeite te doen voorraad genoeg 
bekomen. Op de Zwavelrykfte plaatfen kan men in een 
uur 80 paarden 'ef mede beladen, en ieder paard draagt 
meer dan 12 lysponden. De befte Zwavelmynen ontdek- 
ken zich daar men een kleinen rug of verhevenheid der aar- 
de vindt, die in het midden gebroken is, en een fterkeren 
heter damp als wel elders uitgeeft: zodanige plaatfen ver- 
kieft men het liefft, wanneer men Zwavel graven wil 3 ook 
wordt als dan eerft de aardlage afgegraven of weggefchraapt, 
waarna de befte Zwavel in den rug zelven gevonden wordt, 
die de Kandyfuyker in gedaante gelyk is. Verder van den 
rug af is de Zwavel in kleiner (lukken , als gruis; ligt los 
en wordt met de Schoffels opgenomen , in plaats dat zy op 
den rug enigzins hard is en aldaar meer moeite koft , om haar 
los te breken, aleer zy uitgegraven kan worden. Echter 
is de loflè Zwavel goet , offchoon minder dan de vatte. Dus- 
danig 



vanYSLAND. 



*9 



danig word de Zwavelmyo vervolgt, en wanneer de een» 
ophoud, wordt een' andere opgezogt, waar van op een' 
menigte plaatfen een goede voorraad is. De arbeiders kon- 
nen het by dag, wanneer de Zon fterk fchynt, niet uit- 
houden, maar moeten als dan des nachts werken, die ge- 
durende den Zomer licht genoeg is. Zy binden Wadmei 
zo zy het noemen, of diergelyk wollen goed, om hunne 
fchoenen , vermits dezen anderzins terftond zouden verbran- 
den. Wanneer de Zwavel eerft uitgegraven wordt, is zy 
zo heet, dat men ze naauwlyks in de hand houden kan: 
doch wordt allengs kouder. Ter plaatfe men het ene jaar 
Zwavel gegraven heeft, kan men het tweede of derde jaar 
? er na weder goede Zwavel vinden 5 want de mynen nooit 
te niet gaan. Dit dan is de wyze, op welke de Zwavel in 
Tsland gevonden en uitgegraven wordt, Van het jaar 1722 
tot 1728 wierd de Zwavel fterk getrokken, en ten nutte 
der mwoonders uit het land gevoert ;doch ten zei ven tyde 
wilde het ongeluk, dat een bchip by de haven ftrandde en 
de Zwavel m Zee geraakte, 't geen de VifTen verdreef, 
zulx men dezelve m een langen tyd niet konde vangen. 
Echter waren de inwoonders begeerig, geld met hunne 
Zwavel te winnen, 't geen bleek, vermits zy in het byeen 
zamelen van de Zwavel bleven volharden, en dezelve naar 
de Koopfteden bragten , tot ze eindelyk niet meer vertiert 
werdt, des drie belanghebbers, die Zwavel verzamelt 
hadden, meer dan honderd Schipponden terug moeften 
laten , zonder 'er enig geld voor te konnen bekomen , en 
derhalven moeiten en koften te vergeefs waren. Zodanig ging 
het dus ook met vele andere inwoonders en mitsdien die 
handel te niet. 

§. XVIII. Op vele plaatfen daar te lande aan de Zeekus-O fZo ^ 
ten heb ik gezien, dat wanneer de Zee by zware vloeden in ' c land 
hoog geftegen is, daarna aan de klippen korften goed Zout den™"' 
gevonden worden, na dat het water door de kracht van de worde 
Zonopgedroogt isjgelyk dan ook de inwoonders, op die 
plaatfen wonende^ daar op acht geven en dat Zout ten ge- 

c 2. bruike 








BESCHRYVING 

bruike hunner huishouding verzamelen ; weshalven men niet 
zeggen kan, dat het deninwoonderenaan Keukenzout ont- 
breekt. Voorts ziet men uit de oude (lichtingen en gift- 
brieven in de Roomfch Catholyke tyden, dar hier endaar, 
en wel byzonder in het noorderdeel deslands,aan zekere 
kerken en den geeftlyken, voor zielmifTen Zoutgroeven 
en het voorrecht om Zout te mogen zieden verleent is ; 
waar uit blykt, dat men ten dien tyde Zout in het land had, 
en het zeewater zeer zout moet zyn; want de Geefllyken 
zich denklyk met geen waan , maar iets wezentlyks, 
vergenoegt zullen hebben. 
Van §. XIX. Behalven verfcheide BofTchen,die men'm Tsland 
?° 3 " vindt, ontmoet men ook op onderfcheiden plaatfen niet 
Baraen\lleen klein Geboomte, onder welks fchaduw men zitten 
' kan , maar ook op veel meer oorden BofTchadiën , die 
allerlei bezien, als Kraak- bezien, Genever-beziën en dier- 
gelyken dragen, en van wier hout een' menigte kolen ge- 
brand worden, die de inwoonders in de Smiüen gebruiken. 
Op dit Eiland bevinden zich vefe duizenden Huisgezin, 
nen , waar van een ieder , by zo verre zy aan de Zeekus- 
ten wonen, vele boten naar zyn vermogen heeft, en in alle 
huizen, kiften en kaffen met deuren, floten en fleutelen 
hebben, en nadien men 'er hier en daar taamlyk wydvan 
een woont, zulks de een niet ligt iets by den ander kan la- 
ten maken, hebben ook zelfs de gering vermogende me- 
rendeels een SmifTe by hunne huizen, in welke een ie- 
der op zyne wyze meefter is, of ten minfïe zo goed hy 
kan arbeidt ; dus een ieder gezegt kan worden een Smit te 
zyn. In 't algemeen meent men, dat in oude tyden geen 
gebrek aan Hout en BofTchen in het land geweeft is; 
doch zulks is niet zeker : ten minfte is geen fpoor te vin- 
den, dat Pyn ofDenne-Bomen, ('t geen thans de foortvan 
Hout is, dat men het meeft in de noorderlykfte en veel 
kouder landen dan Tsland vindt) voort y ds op het Eiland 
geweeft zouden zyn , maar alleen Berken-bomen , die men 'er 
Boch aantreft In de aarde gravende vindt men hier en 

daar 







lÉJNfc 



vasYSLAND. ti 

daar overblyffels van oude Wortelen, die te kennen ge- 
ven, dat op verfcheide plaatfen Boflchen geftaan hebben, 
alwaar thans gene zyn. Nooit heb ik van vergaan Hout 
horen fpreken, 't geen zeer blaauw en hard is j doch dit zal 
denklyk de zeldzame foort van Hout zyn, die men aldaar 
in de aarde, vindt en de Zwarte Brand genaamt wordt. Dat 
Hout is zeer zwaar, hard en zwart, gelyk het Ebbenhout. 
Het werdt enigzins diep in de aarde in brede, dunne en 
taamlyk lange ftukken, ontrent als het blad van een tafel 
gevonden, ziet zeer gegolft uit, en ligt altoos tufTchen 
klippen en grote ftenen , weshalven boven en onder klip- 
pen zyn. Toen ik het eerft zag en noch meer toen ik 
enige (tukken 'er van uit de aarde haalde, twyrTelde ik, of 
het Hout was, en hieldt het voor iets verfteends ', doch 
vermits het zich glat maken en fchaven laat, fyne fpaan- 
deren van zich geeft, en doorgaans te bearbeiden is, be- 
hoef ik niet te twyffelen dat het Hout zoude zyn. On- 
dertuffchen is het zeer zeldzaam, en een naauwkeuriger 
onderzoek waardig, dan hier ten paffe zoude komen. 

§. XX. In het gantfche land vindt men doorgaans de Van de 
fchoonfte Weiden op het gebergte, werwaards het vee ge- in het 
dreven wordt en waarop het gedurende den gehelen zo-Und. 
mer graaft, tot dat in den herfft de koude begint. Op eni- 
ge plaatfen , voornaamlyk in Skaftefields-Syflel tufTchen de 
Jöekkn, gaan de fchapen het gantfche jaar door, ja zelfs 
het ene jaar na het andere, op het Veld, en werdt het 
vee 'er zo vet, als men wenfehen kan. Echter word het 
noorder gedeelte des lands wegens de Weiden het meeft ge- 
acht, vermits aldaar geen andere handel, dan met het 
vee en wat daar toe behoort gedreven wordt ; waartegen 
men zich in de andere deelen merendeels met de vifchvangft 
geneert, alhoewel 'er de Weiden hier en daar zo goed 
als in het noorder gedeelte zyn. Dat voorts het Gras in 
het noorder gedeelte veel fterker en fpoediger dan tegens 
het zuiden waft, is zeer natuurlyk, vermits het by wylen 
gebeurt 3 dat de Sneeuw op enige plaatfen niet YoorSt.Jan 

C 3 fmels 





Of ge 

zonde 

lmiden 

inYs. 

land 

iya. 



BESC HRYVING 
fmelt, als wanneer noch gene grasfcheuten gezien worden 
doch d .e tinnen ,4 ja zelfs ït dagen tot een elle hoÓTop'. 
fchieten, vermoedelyfc om dat de fteeds liggen blvvlnde 
Sneeuw het aardryk voor de vorft befchut hffft.en'hfc™ 
de Zon ..1 den vollen zomer den wasdom te fterker be* 

7chM?' ï gee V° *? ï n *>« zuiden des lan ds "ie ge 
fchiedt, alwaar het aardryk niet altoos met Sneeuw bedekt 
is, maar bloot ligt en mitsdien de vorft den grond meer 
mdeel toebrengt Tot het majen van het gras gebru?k e „ 
de inwoonders oenTen, gelyk by ons, offchoon zo lang en 
breed met als de onzen, waar mede zy niet wel te recht 

l tlS"™" geraken , f 1 r .P ,Mtfe een ftuk 6™* hoWig 
is, gelyk men voornaamlyk in het zuidelyk gedeelte vindt • 
doch met hunne Seinen kan één perfoon°des daags ,0 

r f ^, va i emen knds m het »«*»« tfmeieii. S 3 

"vnLn „ ? u d u kruiden > die i" r&mdva menigte ge- 

7nrh gorden behoort, beha] ven het Lepelblad e n % 

Z»rw£,de Angehca met vergeten te worden, welk iaatft- 

genoemd krmd gelyk bekent is, ongemeen' welig, groot 

2Z n mm!SV A UlS W 1' dït de donders zich^fyde 
plaatfen van die wortelen tot hun voedfel bedienen en 
'er zich zeer wel by bevinden. Het Lepelblad g Tb ra ken 

1 T" Wem A S °I by ?* met ' vermits ^ d0 °r denbankeen 
goede gezondhe.d gemeten en niet meer dan andere men fchln 
met ene by zondere ziekte bezogt zyn ; doch van de Zurk, be - 
dienen zy ■zich op een' zekere wyze, om hunnen d f nk 
naamlyk hui van geftremdemelk,'er mede te vermenen 
endien drank noemen zy Sure; gelyk ook de Zuring wel' 

daar Zy nf,f *?*"* S ebruiken ,> da " °™ """"en drank Sun 
daar mede te verlengen of te verdunnen. Het Fialla 
gras (dat ,s Rovn ff as t 1 is een' zeer gezonde f Pys e n heb 
SSSS2&* "' ""«""e^id, en fe^rt' om zy- 
nf/nl« f V khe,d en 1 nu J t g«g<*">- Het waft niet op wei- 
ng plaatfen.n het land, maar op velen en in grote me- 
n.gte weshalven de inwoonders, die op zodanige plaat- 
fin wonen, alwaar het gevonden wordt, het in grote me- 

nigte 



_ — 



van YSLAND, 



*3 



nïgte verzamelen, om het gedeeltelyk zei ven te gebrui- 
ken en gedeeltelyk aan anderente verkopen. Zy, die ver- 
der van de Rotfen wonen, alwaar dat kruid waft, zenden 
by wylen menfchen met enige paarden derwaards, om 
het in grote menigte voor hunne huishouding te verza- 
melen, Velen zyn 'er, die geen meel in hunne huishou- 
ding gebruiken, wanneer zy genoeg van dit kruit hebben, 
vermits het in alle dingen even zo goed en voedzaam is. Het 
is een foort van mos, en waft altoos op de Rotzen, waar 
uit, offchoon 'er niets anders waft, echter haar nut blykt, 
en zy derhalven niet onvruchtbaar genaamt korinen worden. 

§. XXII. In den jare 1749 toen ik in Yfla.nd kwam , Van. 
vond ik op de Koninglyke Hove Beffeftedm een wel toege- Aard» 
maakten moeftuin allerlei moeskruiden, als Peterfelie, Sel- vruch " 
lery, Tym, Majorin, Kool, Wortelen, Rapen en Suiker- ten ' 
erweten j kortom, alles wat men in de keukenen huishou- 
ding nodig heeft \ weshalven ik met waarheid zeggen kan , 
geen beter tuin met zodanige tuinvruchten gezien te heb- 
ben, vermits alles zeer wel groeide, en alle eigenfchappen 
van goede moeskruiden hadtj ook was de overvloed daar- 
aan zo groot, dat men voorts genoeg tot wintergebruik kon- 
de drogen 5 als by voorbeeld zuiker-er weten endiergelyken. 
Met eige handen heb ik een grote witte Raap gewogen , die ik 
twee en een halve deenfche ponden zwaar bevond ; en of- 
fchoon de andere doorgaans 20 groot niet zyn, waren zy 
nochtans zeer wel geflaagt. Aldaar hadt men ook Stekel. 
ofKruisbeziën,die rype vruchten droegen, weshalven ik 
geenzins twyffele, of allerhande Vruchtbomen zouden 'er 
voortkomen en vruchten konnen dragen , wanneer de zaak 
met een voorzichtig overleg nagedacht wierdt. De groot- 
fte zwarigheid zoude beftaan , om de Bomen onbefchadigt te 
konnen bekomen , vermits zy in ontyden vervoert worden, 
om dat de Schippers niet voor de maand MzyvmCoppenha- 
gen vertrekken, als wanneer de Bomen bereids uitlopen en 
enigen in vollen blóezem ftaanj echter zouden zy wei met 
de vereifchte omzichtigheid m zorgen naar Tslandgebra.gt 

koB» 






Van 
den 
Veld. 
bouw. 



i4 BESCHRYVING. 

konnen -worden, en zich aldaar herhalen en voortkomen. 
De KoniBglyke hoeve Bejjtfted is de enige plaats in het land 
niet, alwaar moestuinen gevonden worden; maar men ont- 
moet 'er ook by deBiffchops zetels, by de Laug-en Mei- 
mannen, enderhalven overal in het land inzonderheid m 
de noorderlyke diftriöen. By Skalbolt heeft men gelyk 
bekent is, zeer welgefloten koolgehadt; doch da :d« ^aard- 
vruchten niet alle tot een evengelyke volkomenheid ko- 
men, is aan het aardryk en de lucht niet toe te fchry- 
ven, maar aan die dezelve planten ; want als dezen de 
larde niet weten te bereiden, ten rechten tyde tezajen en 
de aardvruchten verder gade te flaan, is het niet te ver- 
wonderen, dat zy niet voortkomen. Dus heb ik twee moes- 
Tuinen op ene plaats gezien, die malkander t'enemaal on- 
aeWkXen, vermitf de eigenaars de moezery met even- 
Ie yk verftonden , en was dl een, die ^«™ s * e g en ^ 
Ion en den wind het beft gelegen lag , de : flegtfte Een 
aanmerkelyk voorbeeld ten bewyze Wat de tuinen on- 
aangezien Y den ftrengen Winter zeer wel bebouw. jonnen 
worden, heb ik gezien aan een K-oolftruik die zeer laat 
7n den'herfft van het jaar I? yo met rypzaad ,r de» tu n 
van den amtman ftondt, en die men verzuimt hadtm te» 
melen. Nochtans kwamen in de lente ^ tjmrjU 
een grote menigte Koolplanten voor den dag uit het zaad, t 
geen zich te dier plaatfe zelfs gezaait en alwaar dekool- 
flruik in den vorigen Herfft geflaan hadt, oflc hoon de 
Ydanders dien Winter voor redelyk ftreng h.elden en het 
zaad op de aarde byna bloot hadt gelegen in een zeei 
onvoordeeligen hoek van den tuin, alwaar geheel geen 
Zon in den Winter komen konde. 

§• XXIII. Alles wat in het vorig artikel ten aanzien van 
de gefteltheid van het aardryk en lucht in Tsland gezegt 
is, g behoort ook hier, en beftift wel haaft het gene waa 
over hier gehandelt word, namentlyk of het veld I be 
bouwt kan worden en granen uitleveren ; want het aardryk 
dat tot de moezery bekwaam is en vruchten S eeft >£° K ^ 



n* 



4£* 



vaw Y S L A N D, 



W$ 



kwaam geoordeelt moet worden, om Granen uit te leveren 
Behalven dat het zeker is , dat het land weleer be- 
bouwt wierdt en aldaar akkers geweeft zvn, waar van 
noch vele hoeven den naam van akker dragen, als Jkre- 
kct Akregierde, Akrtnes en anderen, is zulks uit de oude 
islandjcbe wetten bewysbaar, waar in verfcheide Kapittelen 
van Zaadlandenen Akkers voerkomen , en gefproken wordt 
hoede t witten, daar uit voortvloejende, te befliflen \ 
geen gewis in 's lands wetten onnodig was, wanneer men 
den akkerbouw aldaar niet oefTende. Doch hoe die nutte zaken 
verloren gegaan zyn , en alle de menfchen aldaar hetp'oe- 
gen en zajen vergeten hebben, is niet wel te bepalen, ten 
ware men zulks zoeken wilde in de verichriklyke zwarte 
dood, die in t einde van de 14 eeuw een' zo grote me- 
nigte menlchen wegfleepte , dat de overgeblevenen niet 
rneerinitaat waren het land te bebouwen, 't geen federt 
allengs verzuimt en vergeten is, gelyk men na dien tydoofc 
niets van den Akkerbouw in de Jaarboeken vindt. Échter 
kondedoor den Godlyken byftand die zo nuttezaken wellkt 
weder het hoofd opbeuren, vermits op bevel van den Ko- 
ning verfcheide Boeren uit Denmarken en Noorwegen overge- 
zonden zyn, om den Akkerbouw weder in 't land in te voe- 
ren. Uffchoon de Yshnders geen' Granen in hun land heb- 
ben, kan men nochtans daarom niet zeggen, dat de geme- 
ne en arme man van geen Brood weet, vermits jaarlyks een' 
grote menigte Meel en gebakken Brood naar TslanJ gezon- 
den wordt ; want men iedere haven in 't land met tuflchen 

1 Q J?a 6n t0 ? nQa ? eeI en d * arb °ven voorziet naar het 
getal der mwoonders , die tot iedere haven behoren , zulks 
vordert. Daarenboven wordt gemeenlyk een derde 'gedeelte 
van de proportie van het Meel een iederehaven Éóe&vöegt 
en kopen de mwoonders van die beide foorten een ieder 
naar zyn vermogen enigen voorraad tot hunne huishoudin er, 
weshalven het enigen van dezelve gedurende het gantfcSê 
jaar niet aan Brood mangelt, terwyl anderen het in het te- 
gendeel zeer weinig hebben, offchoon echter zo niet, dat 
*^ men 






m 





%6 



B E S C H R . Y V I N G 



men zeggen kan, datdegemenemanvan geen Brood weet- 
Behalven het Meel en Brood, t geen men Tüand toevoert, 
-watt aldaar op verfcheide plaatfen,inzonderheid 'mSkafftefields- 
Syffel een foort van wild Koorn , t geen tot Meel gemaakt en 
waar van Brood gebakken wordt. Dat meel is zo fchoon en 
goed, dat de inwoonders, alwaar het gevonden wordt, geen 
vat van het zelve voor een vat DeenJcbMeel zouden willen 
verruilen. Het gemelde wilde Graan of die foort van Koorn 
waft in bloot zand, zaait zich jaarlyksvan zei ven, en geeft 
fchoon ftroo, 't geen de daarom ftreeks wonende tot dek* 
king hunner huizen gebruiken : ook kan dit Graan ten be- 
wys dienen , dat aldaar te lande het Koorn zeer wel was- 
fen en ryp worden kan - y ten minften moeft dat Koorn , *t 
geen gewoon is aldaar te waffèn, door het land verplant 
en voor de inwoonders ingeoogft worden , wanneer men 
het met ernft behartigde. Vermoedelyk isheteenoverblyffei 
van het oude Zaad, 't geen weleer in 't land geweeft is^ 
en zoude in het toekomende welligt niet meer, uithoof- 
de van de Koninglyke fchikkingen ten beften van het 
land , voor wild Koorn aangezien , maar ten nutte der in- 
woonders voorgeteelt en algemeen gemaakt kunnen worden. 
Van de $• XXIV. Het Jlga Manna, of Zee-nettel, in 't ftW.' 
Meer- SU genaamt , wordt van het vee , inzonderheid de Schapen , 
en Zee- W anneer het ebt, alomme gretig gezocht, waarom het 
gewas- üiet zeiden gebeurt, dat de Schapen zich als dan te verre 
in Zee wagen, en niet weder aan land konnen komen, 
wanneer zy op een kleine hoogte geraken, die by den: 
opkomenden vloed terftond overftroomt wordt. Al het 
vee gedyt 'er zeer wel van, en bekomt geen onaangenamen- 
frnaak. 's Lands inwoonders zoeken dat Zeegewas zo be- 
geerig als het vee, niet om het te drogen en het vee by 
gebrek van hooi voor te werpen, maar het zelf te eten,. 
en het aan anderen, die niet aan de zeekuften wonen, te 
verkopen, door wien het half zo dier als gedroogde vifch 
betaalt wordt, waar uit blykt, dat het niet alleen in 
kommerlyke tyden een r goede fpyze voor de inwoonders 

is*. 



2T 



▼ am YSLAND. 



27 



is, maar ook ten allen tyden begeerig wordt gezoet en 
voor zeer gezond tot fpyze gehouden, weshalven ook hier- 
in de zee het land een zegen toebrengt. BehalvendatZee- 
gewas vindt men nog menigerlei Zeegras en andere Zee- 
kruiden die door het vee, (ook zelfs alwaar anderzins de 

nrZ^f^-ÏPl v 8 ?"* *&* worden > vermoedelyk 
vermus de zdtigheid dier kruiden hun aangenaam is. De 
namen van dezelve zyn by de inwoonders zo veelvuldig en 

nSÊn a% , di " "if* een ' b y 20nd «e wetenfchap zoude uit- 
maken, dezelve alle te noemen en te kennen. Ook vindt 
men by wylen Corakn; doch vermits niemand begeerigis, 

** tC Tl 6 "' bek0mt men ze zelden > ^ W bv 
toeval, naamlyk wanneer zy aan een vifchangel vaft ge- 

$. XXV De Beren worden 'er by wvlen gezien en kn ^c -,> 
men ^ he , Gnlnhnds d f ^ y ^™' en ,£g™e 

geen mlandfche maar vreemde dieren gehouden moeien^ 
worden enden inwoonders zo onaangenaam zyn, dat de- kndzyn - 
zen hun geen tyd gunnen zich uit te breiden; want zo dra 
een Beer voet aan land gezet heeft, en de Wrfnem 
zien, of zyn fpoor ontdekken, laten zy hem geen' ruft 
tot zy hem afgemaakt hebben; doch dit gefch?ed & r»et door 
f^ «?«nfch.p, maar meeft door een enkel mau 
ja wel zodamg dat wanneer het fpoor van een Beer naar 

a °a n n S t e a ftTn d dn r0 H f ftn > leidt ' Zyn Vervo, S er hem nakloutërt 
""/a? , en , dood t, 't geen gemeenlyk met een Snaphaan 
gefchied, hoewel men ook enigen vind, die alleen mefeen" 
Spiets den Beer te gemoet gaan en vellen, gefykTan een 
oud onlangs overleden man in het Noorden Noordè, -Ë - 
fel by Langmes [ alwaar de Beren merendeels in he land 
komen) ,0 zyn leven in de ao Beren omgebragt heeft 
waar toe hy, offchoon hy zeer wel met fchfetgeleer wil* 
om te gaan altoos maar een' Spiets gebruikte! waarmede 

"een n doo n d°d e e d,S ?v 3de Beren lo W" dezdve aftoos a U 
leen doodde. Wanneer onvoorziens een Beer in het land 
een Menfch ontmoet, die buiten ftaat of niet gewend is 

D 2 hem 









BESCHRYVING 

hem te wederftaan, weet de zodanige hem behendig te 
ontvluchten; want hy het dier iets voorwerpt, waar 
mede 'het zich bezig houdt, en meeden tyds een want of 
handfchoenj want wanneer de Beer denzelven voor zich 
heeft, gaat hy niet van de plaats, voor dat hy den hand- 
fchoen en alle de vingeren omgekeert heeft , waar mede 
hy een taamly.ken tyd verfpilt, vermits hy zulks niet zeer 
behendig te doen weet , terwyl de perfoon tyd wint , om 
een goed gedeelte wegs voort te geraken, doch echter is 
het wel eens gebeurt, dat een Menfch dooreen Beer in 
Noorder Syffel omgebragt wierd. Dat voorts de Yslandert 
zo naauw acht geven , op dat geen Beer by hen zoude 
blyven neftelen, gefchredt gedeeltelyk,om het nadeel afte 
wenden, 't geen hun vee door die dieren Iydt, en ook ge- 
deeltelyk,. vermits hy, die een Beer ombrengt, een' zekere, 
premie voor den huid bekomt, die men den Amtman in 
naam vanden Koning overleveren moet, vermits het als 
een regale word aangemerkt , nadien de huiden der Groen* 
landfckBcren veel fraijer dan anderen zyn, en men witte , 
graauwe, bruine en gevlekte vind. 
Tan de §> XXVL De meefte Voüen dezes lands zyn Morroth^ (ge- 
¥oflen, ]yk de Yslanders. die verwe noemen) gelyk ook een gedeelte 
hunner Schapen en onze Voilèn zyn. VVanneer men enige, 
zwarte vind, die echter zeer zeldzaam zyn, zyn het geen: 
inlandfche, maar die door het dryfys uit Groenland zyn o- 
vergekomen i ook vind men vele witten, maar zeer weinig 
blaauwen. De witte Vo(Ten zyn zo wel des zomers als Y 
winters wit, en veranderen hunnen verwen niet, gelyk ik zelfs 
meer dan eens gezien heb. Dus behouden ook de VolTen 
van andere verwen hunnen kleur, zo wel des winters als 
zomers, behalven ten tyde dat hunne hairen uitvallen, als 
wanneer, gelyk bekent is, alle dieren een ander aanzien heb- 
ben. Behalven andere middelen om de Vóflen te vangen, 
bedienen zich de Yslanders van een' lift , om vele VolTen te 
verdelgen, naamlyk, zy laten het ftinkend aas van een 
Paardeen verren weg rond flepen , en leggen het daarna 

op 






•2 



v a n Y S L A N D. 



29 



op een' plaats, alwaar de Schutter een klein huis in een' 
hinderlage opgeflagen heeft, als wanneer de Voffen, den reuk 
van verre volgende, zich voorts om dat aas verzamelen , en 
de Schutter 3 of 4, te gelyk treffen kan j zulks op enen 
nacnt een gantfche hoop verdelgt kan worden. Weleer 
hadden zy tot het vangen der Voffen een' vinding, niet 
ongelyk de zogenaamde PVolfshoven in Noorwegen-, doch die 
thans niet meer gebruikt worden Voskoeken ontbieden zy 
zelden, vermits die hun te veel koften , en zy ook geen ho- 
nig hebbende, dezelve ontbieden moeten. 

§. XXV1L Men kan zeegen, dat de Paarden in Ysland Van de- 
van den aart der Noorweegfche zyn, vermits hunne voor- Paarden, 
vaderen aldaar uit Noorwegen zyn gebragt, offchoon ook 
enigen uit Schotland overgebragt zouden konnen wezen 
waar op de Tslanders in oude tyden groten handel dreven * 
weshalven in de Engelfche taal vele Yslandfche woorden 
voorkomen. De Paarden zyn niet alle even klein; doch 
de grootfte zowel als de kleJnfte fterk en taamlyk leven- 
drg, maar niet boosaartig enbytachtig: in het tegendeel 
heb ik nergens onder de Paarden geduldiger en gedweër 
gezien, dan de Yslandfche, offchoon wel enige onder hen 
boosaartig en bytachtig gevonden zouden konnen worden , 
byzonder onder de hengften , die , gelyk by ons, moedï.' 
ger zyn. De Paarden, die alleen in den zomer tot den 
arbeid gebruikt worden, gaan het gantfche jaar door in het 
veld , zonder m Stallen te komen , en bevinden zich 
daaiby zeer wel. Zy konnen met dt poten door tamelyk 
fcard ys liaan, en zich daar door den weg tot hun voedfelen 
fpyze banen. De Rypaarden, waar van een ieder zo veel 
heeft als hem behaagt en zyn vermogen toelaat, ftaan ge- 
durende den gantfehen winter op de Stal, gelyk bv ons 
De Paarden, die de Tslanders te veel hebben, of niet ge- 
bruiken , worden, na alvorens getekend te zyn, naar het 
gebergte gedreven, alwaar zy enige jaren achtereen blwen v 
en wanneer zy dezelve weder begeren, word volk derwaards. 
gezonden, die hen byeen dryven en met ftrikken vangen ,, 

D- \ wjr~ 






3 o 



— 



BESCHRYVING 






vermits zy dan wezentlyk wild zynj ja verfcheiden van de- 
zelve konnen op het gebergte geboren wezen, die als dan 
door den eigenaar gelyk de anderen getekend worden. On- 
der die wilde Paarden vind men moedige en fraaije Heng- 
ften , die hun Serrail dapper verdeedigen, debereede man- 
fchap,die haar vangen wil, durven aantaften, en ook dik- 
wils de jonge Henglten uit loutere yverzucht doden. Wan- 
neer men die wilde Paarden in haar?, of 6. jaar opvangt en 
temt, worden zy gemeenlyk de fchoonfte Paarden, bly ven 
fteeds vet, en fchromen de koude des winters niet, vermits 
zy van den beginnen af als Veulen daar toe gewend zyn , 
gelyk dan ook de Paarden, tot het arbeiden gewend, en 
die gedurende den gantfchen winter in het veld gaan, zich 
des zomers zeer wel in 't vleefch en beter bevinden , dan 
men zoude konnen verwachten. Des winters zyn de Paar- 
den met lange en dikke hairen voorzien, die haar in de 
koude zeer nut zyn; doch in den zomer vallen die hai- 
ren uit, en worden die Paarden weder glad. 
Vande §• XXVIII. Offchoon op enige plaatfen des lands, naam- 
Schapen, lyk in Skaftefidds-Syflel) de Schapen jaar uit jaar in op het 
gebergte gaan , ('t geen eigentlyk maar alleen van de Ha- 
meien te verdaan is,) gefchied zulks niet overal, maar werd 
veel eer in de noordelyke en zuidelyke gedeeltens van het 
land, en met een woord alwaar de Veefokkery geoeffend 
wordt , al het vee , de Schapen zowel als de Often en 
Koejen, des nachts in den winter op de Stallen gebragt en 
vele dagen achtereen daarin gehouden, als het weer ruuw 
fchynt en zware Sneeuw te verwachten is; en mitsdien 
heeft een ieder in het gantfche land zyn Schaapftal, waar 
in te midden over lang een kribbe met hooiftaat, zulks 
de Schapen aan de beide zyden 'er uiteten konnen. Ik 
zelf heb 3,4, ja 5 van zodanige Schaapftallen by ene 
hoeve gezien , in welke de Schapen naar hunnen aart af- 
gezonden waren , invoegen de Lammeren, Hameien , Ram- 
men en Ooijen ieder alleen (tonden. In Guldbritige Syjfèl 
en op enige andere plaatfen, alwaar men zich weinig of 

zei- 



m 






" 



va n YSLANR 



Jï 



zelden op de Schapenfokkery toelegt , heeft men zelden 
Schaapsftallen, en moet ik ook zeggen, dat men dezelve 
zelden nodig heeft , want gedurende de beide winters 
die ik aldaar geweeft ben, gedoogde het weer zeer wel 
dat de Schapen den gantfchen winter in 't veld konden 
biyven, behalven alleen 3 of 4 weken, wanneer enigen, 
die met hunne Schapen beter dan anderen omgingen 
de Lammeren alleen in huis namen, en hun voeder ga- 
ven , vermits de Lammeren, die noch geen jaar oud zyn 
de koude zowel niet konnen uitftaan , als de oudere Scha- 
pen. Ook heb ik Schaapftallen door de natuur gemaakt 
gezien , die vele 100 Schapen konden omvatten en werwaards 
zy zich ook werkeiyk begaven , wanneer het zeer kwaad 
weer maakte. Die holen heb ik altoos ;op zodanige plaat- 
fen gevonden , alwaar weleer aardbranden geweeft zyn en 
mitsdien de aarde aldaar zeer uitgeholtis, en zyn derhalven: 
die holen den Schapen beide in den winter en zomer zeer 
nut, vermits zy zich des winters in kwaad weer daarin 
verfchuilen konnen, en des zomers overvloedig voedfel 
hebben , hoewel zy ook aldaar aan den anderen kant hun- 
ne ergfte vyanden ,de Vofien, vinden , welke 'er zich gaar- 
ne in onthouden, zowel wegens de vele gaten, die 'er in 
zyn, als den vetten buit, die zy 'er maken konnen, Nooit 
ziet men de Schapen de Paarden navolgen, om door het 
Sneeuw te geraken, want zy 20 wel als de Paarden een* 
opening tot op het Gras konnen maken. Doch wanneer 
de winter te ftreng is, komen zy, gelyk ik gezegt heb, 
mde Stallen ; ook eten de Schapen geen Mos, maar zoe- 
ken altoos het Gras 't geen ik nooit gehoort heb dat hun 
zo zeer ontbroken heeft, dat zy uit groten hongerde {taar- 
ten der Paarden zouden af eten. Offchoon de Tshnders 
Stallen voor hunne Schapen hebben, en dezelve daarin ge- 
durende den winter voederen , dry ven zy ze nochtans, wan- 
neer de Sneeuw niet hoog ligt, en het weer zich ten goe- 
den fchikt, naar het veld , zo ter ververfching^ als om >ër 
hua voedfel te zoeken en ondertufëhen het hooi te befps^ 






ieJ3i 




m^^^' 



32 



BESCHRYVING 



ren; want 'er veel toe zoude behoren, als een man 3 , 4, ja 
500 Schapen gedurende den winter van voeder zoude moe- 
ten verzorgen. Naar het Zuiden, en in zodanige plaat- 
fen van het land, alwaar de handel niet voornaamlyk met 
vee gefchiedt , is de hoede der Schapen flegterdan in het 
noorden, en wordt 'er het vee zelden op de Stallen gebragr, 
vermits 'er de Sneeuw op het vlakke veld niet boven 
een' hand breed hoog ligt; ook werden aldaar geen Schaap- 
herders gehouden, en de veehoedery is'er zeer gering; daar 
in het tegendeel in de noordelyke en ooftelyke diftriden 
en voorts overal, alwaar de veefokkery de voornaamfte be- 
zigheid is, de inwoonders ieder een harder by de Schapen 
houden , die 'er daaglyks by is en niets anders te doen 
heeft; hebbende die harder een of twee Paarden tot zyn 
dienft, en een paar afgerichte Honden, die hy gebruikt, 
om de Schapen byeen te dryven. Weinige Schapen in 
Tsland hebben 4 hoornen en by wylen noch een kleiner , 
die men voor het vyfde houden kan, en worden de raarfte 
onder dezelve uitgezocht en ter vereering naar Coppenhage 
en Gluckftad gezonden, weshalven men niet zeggen kan dat 
de Ysiandfche Schapen gemeenlyk meer dan 4 hoornen heb- 
ben; want men ondereen' gantfche kudde van 500 fluks 
naauwlyks 4 of 6 vindt, die 4 of ten hoogften 5 hoornen 
hebben; konnende noch min met waarheid gezegt wor- 
den, dat zy tot 8 hoornen en onder dezelve menigmaal 
een voor in den kop zouden hebben. Onder de vele duizen- 
den Schapen, die jaarlyks naar de handelplaatfen gebragt 
worden, zyn gewis velen zonder hoornen, en alleen weini- 
gen met meer dan 2 hoornen , welke laatftgenoemden 
wegens hunne zeldzaamheid meer dan andere gelden, waar 
uit ook blykt, dat het niet zeer gemeen is, dat de Scha- 
pen meer dan 2 hoornen hebben. Men vergift zich door 
vaft te ftellen, dat de OiTen en Koejen aldaar hoornen 
zoude ontbreken; want ik zelf in de zuidelyke diftriéten 
des lands, en waar ik ook elders geweeft ben, vele Koe- 
jen met hoornen gezien heb; behalven dat in het noorden 

de 



van YSLAND. 



Vi 



de gehoornde OlTen en Koejen meerder in getal zyn , dan 
die hoornen zouden ontbreken. 

§. XXIX. Op vericheide plaatfen worden Bokken en Vande 
Geiten in menigte gevonden, byzonder in Noorder- Syffel, Bokken 
alwaar, en zo ook 'm andere Diftrióïen, kleine Boflbhen , en Gei " , 
KreupelbofTchen en Struwellen zyn, en men een derde ge- ten ' 
deelte meer Geilen dan Schapen aantreft j daarenboven 
vindt men ook in het ooftelyk gedeelte des lands en voorts 
elders vele Geiten , die aldaar zo gemaklyk gehouden wor- 
den, dat zy zeer goede en overvloedige melk geven, gelyk 
ik zelf gezien heb. 

§. XXX. In Tsland heb ik zo goed Rundvee als in Den- y an ^ 
marken , en zo wel gevpeden Oflen en Koejen gezien , alsOflenen 
men zoude konnen wenfchen. De Koejen geven aldaar zo Koejen. 
veel melk, als zy van goeden aart zyn , want daarin is, 
gelyk ook elders, het onderfcheid zeer groot. Men vindt 
Koejen, die daaglyks zo pinten melk geven, doch die zyn 
ook van den beften aart, anderzins geven zy daaglyks 10 
of 12 pinten en de flegfte minder. In de zuidelykedeelendes 
Jands, alwaar de rechte V ifchplaatfen en die derhalven volk- 
ryker dan andere diftricten zyn, weshalven 'er ook meer 
Koejen yereifcht worden, doch minder Gras en Hooi is, 
Zyn de inwoonders gewoon, de Koejen het nat, waarin 
zy hun Vifch gekookt hebben , en ook de graten van den 
Vifch, na dat dezelve murw gekookt zyn, voor te zet- 
ten. Hier aan zyn de Koejen zo zeer gewend, dat zyhet 
gaarne eten, gelyk het haar ook zeer wel bekomt en als 
een verfriïïing voor haar is , waar van zy goede melk ge- 
ven. 

§. XXXI. De Melk wordt 't zyraauw, of gekookt, door Vande 
de Tslanders niet zo zeer tot artzeny als voedfel gebruikt; Melken 
ook zyn zy van gevoelen, dat de zieken geen' raauwe melkc5? nk 
moge gebruiken , maar men dezelve voor hun koken syrel ^ 
moet. De voornaamfte en gewone drank der inwoonders 
beftaat, gelyk den Heer Anderfin naar waarheid bericht, 
in hui of wei , die zy op de volgende wyze bereiden. Zy 

E ma- 




34 



BESCHRYVING 




maken Si htm boter van zoeten room of zaan , en doen 
vervolgens de overgebleve dunne of botermelk onder de 
andere melk , waar van de room afgenomen is. Vervol- 
gens word zy gewarmt, en laauw of half warm geworden 
zynde, 'er Leb of Kaaslub in gedaan, om haar te doen 
ftremmen. Voorts hangt men dezelve in een linnen doek 
op, om het dunne of de hui 'er te doen aflopen, waarna 
het dikke tot fpyze , en het dunne of de hui tot drank ge- 
bruikt wordt. Het eerfte noemen zy Skior en het laatfte 
Syte. Wanneer die drank oud wordt, wordt zy niet goor en 
drabbig, maar hoe ouder hoe klaarder, zulks men haar in 
plaats van goede wyneek gebruiken en 'er iets ter bewa- 
ring voor het verderf in leggen kan. Daarom is 't, dat 
de inwoonders haar, wanneer zy ondrinkbaar geworden 
is, met water vermengen, verdunnen en verlengen. 
VanBo- §, XXXIL Nadien in het land een grote voorraad van 
" ren melk is, wordt 'er dèrhalven ook veel Boter gemaakt, 
aas ' en zulks altoos van zoeten room, gelyk hier boven ge- 
zegt is j ook maakt men 'er Kaas, doch niet alomme, ver- 
mits aan den enen kant de inwoonders die konft niet ver- 
ftaan, en zy aan den anderen kant 'er gene lief hebbers 
van zyn, maar veelliever Skïór en Syre van de melk ma- 
ken. De Boter in Tsland wordt doorgaans niet gezouten , 
en die gewoonte heeft zo zeer de overhand genomen, 
dat men in gezouten Boter geen fmaak vindt. Ik fpreekhier 
van den gemenen man en het grootft gedeelte der inwoon- 
ders, vermits men velen vindt, die in Denmarken aan de 
gezouten Boter gewend zyn, en dezelve ook doen zouten. 
Doch nadien daar toe het Zout gekogt moet worden , en zulks 
den gemenen man tekoftbaar valt, is men tot de gewoonte 
gekomen, de Boter ongezouten te eten, welke hun ook 
veel beter dan de gezouten fmaak t : en wie doch kan van 
eens anders fmaak oordeelen , of dezelve berispen? 
Hoede J. XXXIII. Tot het (lachten van het Vee bedienen de 
Yslan. elanden zich van twee middelen, naamlyk het te kollen, 
of mét een dun Penmes in den nek te fteken, en het dus 



dera 
bun 



te 



vam Y, SLAND, 



3ï 



te doden, en wanneer het dier in ftukken gehouwen is,Vea 
gebruiken zy het vleefch merendeels verfch 5 doch het te- fla P™ 
gens den winter tot hunnen voorraad flachtende, hangt de^J^h 
gemene man het ,„ den rook, en bewaart het dus; ifvoe-Sh n. h 
gen zeer weinigen hun vleefch zouten, vermits, zy gelvkdelea. 
gezegt is, daarin weinig fmaak vinden, en noch veel min- 
der door het Zeewater halen. 

zvn S'iL^' , vo °»y«s Zwynen in Mand geweeft Van de 
J"lr l u 5? nd f r i leiduit de benaming, die verfcheideZwynen. 

jtdAo V f »?> ^«e-Sparde , Smm. Hage , Smn-Vóllum 

deren ÏÏ'^ de °T™ k > waarom d * inwoonden die 
dieren niet houden noch aankweken, is, dat de Zwvnen 

^ToftbaTrT'F" ff Gr J' SVeldeD verderven, en heK 
HnnH.n T^ va i le " > dez elve fterk te doen toeneemen. 
zdf^nZt a " e - ^ en ^ ri ^ers niet alleen, m ar 
zelfs in grote menigte, inzonderheid de eerftgenoemden 
welke gedeeltelyk door de Herders gebruikt lorde . om 
ton vee te bewaren; weshalven men^ie"hgt een Herdeï 
z-et, d,e geen Hond by zich heeft. Gedeehelyk gebruikt 
men ook de Honden te huis by de woningen , om het vee 
t geen rondom de woningen en huizen ligt , van de omtui'- 
n ngen af te houden. Voorts hebben zy zó ve"e Honden 
dat men naauwlykseen menfch ziet gaan of rvden dS 
een of meer van die dieren by zich heeft Katten hébben 
zy zo veel met: echter zyn hun dezelve van nu" om de 

velt P S figffifi Jtn" 2 ^ ^cUVÊ ^ 

fi. r in g Sigr n o igt d e l de oo f '^ SSSffifer 

worden die dieren door MSwS'uSjSSS? 
welke enige tonnen Gerft, Bonen en Wikkel Cl' 
dezelve daar mede te voederen, en gebruik van h'unTe 

E 2 Eye- 









Van 
Wild- 
gevo- 
geit, 




Van 
Roof 
vogels. 



Van 
Aren- 
den. 



BESCHRYVING 

Eyeren te konnen maken. Voorts vindt men 'er een' gro- 
te menigte wilde Enden, Berghoenen en dergelyken , 
zulks het den inwoonderen op zekere tyden des jaars aan 
gene Eyeren van wilde Vogelen ontbreekt, die zeer wel 
fmakende zyn, en zy in groter overvloed hebben, dan 
dat zy die alle verfch zouden konnen vermannen ; wes- 
halven het dwaas zoude wezen, tamme vogelen tot hun- 
ne merkelyke koften te houden, nadien zy zo veel wilden 
hebben, die hun niets koften. 

§ XXXVI. Onder het edel Landgevogelt kan men, bui- 
ten de grote Snippen en Berghoenen, ook alle foorten van 
Snippen , Berghoenen en andeFe Snepvogelen tellen , 
die op het Eiland in zo groot een' menigte zyn, als ik op an- 
dere plaatfen ooit gezien heb. De Manden ichietende Berg- 
hoenen in zo groot een' menigte, dat men altoos van de- 
zelve genoeg te koop bekomen kan. Zy vangen genen van 
dezelve, dan die de Valkeniers gebruiken , om daar mede de 
Valken te vangen, en dezelve zyn zeer moeilyk te verftnk- 
ken , vermits zy allerwegen hun voedfel vinden , en derhalven 
niet ligt in de gefpannen ftrikken gelokt konnen worden ; 
weshalven de Valkeniers doorgaans Duiven en Hoenderen 
houden , om tot het vangen der Valken te konnen gebrui- 
ken, wanneer hun de Berghoenen ontbreken, 't geen een bly k 
uitlevert, dat men dezelve niet ligt vangen kan. 

§ XXXVII. In het land vind men gene andere Roofvogels y 
dan Arenden, Valken en enige kleine Havikken en Rayens. 
Van de laatftgenoemde foort is aldaar een taamlyke menigte; 
doch van de andere veel minder; en ware het tewenfchen, 
dat men een' menigte Valken in Mand vond, die den in- 
woonderen zeer wel te ftade zouden komen. 

K XXXVIII. De inwoonders kennen maar eene ioort 
van Arenden, die ik zelf gezien heb en my redelyk groot 
voorkwamen. Men weet ook niet, dat zy het vee grote 
fchade zoude doen; want zulks aan de jonge Lammeren zoude 
moeten zyn : doch vermits de inwoonders , gelyk ik reeds ge- 

zegt 



■■ ■ 



2" 



van YSLAND. 



37 






zegt heb, hunne Schapen en Lammeren vlytig hoeden % 
blyft voor de Arenden zeer weinig ten beften. Ik heb de 
Arenden dikwerf op het ftrand by de Zeeboezems gezien, 
alwaar zy hunmeefte aas van een 5 zekere foort van VifTchen 
zoeken, die zich ophouden, alwaar grondig water is ; ook 
weten zy zich zeer wel te behelpen met den roof, die zy 
den Valken en Havikken ontjagen en van dezelve pionde- 
ren, vermits de Arenden zo behendig als zy niet zyn , om 
op een Berghoen of anderen wilden Vogel te vallen; doch 
dat zy Kinderen van vier of vyf jaren weg zouden liepen , 
daar van heeft men nooit in het land iets gehoort. 

§. XXXIX. Gelyk de inwoonders maar eene foort van Van Ha, 
Arenden kennen, zo ook kennen zy maar eene foort van vik kea. 
Hayikken , waarvan ik zelf enigen gezien heb. Dezelve zyn 
klein, gelyk onze Sperwers, en konnen niet onder de ontfag- 
lyke Roofvogels getelt worden,zo om dat dezelve in geen gro- 
te menigte zyn, als om dat zy maar alleen op kleine vo- 
gels, als onze Muflchen of een klein Kuiken , 't geen hun 
voorkomt, vallen. In Tsland worden geen' Havikken ge- 
vangen; maar op de Schepen een 'goed ftuk weegs van 
land, gebeurt het dikwils, dat het Scheepsvolk des nachts 
zulke kleine Havikken vangen, die zich om te ruften op 
het Schip nedergezet hebben. 

§. XL. '£r is maar eene foort van Valken ; doch de Va» 
mannetjes zyn een weinig kleiner, dan de wyfjes, waaruit Valken, 
de dwaling fpruit, dat onder hun verfcheide foorten zyn. 
Betreffende de kleuren , dezen zyn wit half wit en graauw, 
en kan het gebeuren, dat een neft jongen van eenerlei 
kleur gevonden wordt, 't geen by de inwoonders een' zeer 
bekende zaak is, vermits zy zulks te meermalen bevonden 
hebben. Ik kan verzekeren, dat byna alle de Valkennes- 
ten in het land bekent zyn; want een ieder Valkenvanger 
zich in zyn diftricl: zeer naauwkeurig toelegt, om dezelve 
te ontdekken , zyne vangft daarnaaar in te richten , en 
zyn netten niet verre van daar te fpannen. Behalven de 
Valken, die in het land neften maken > komen ook dikwils 

E 1 des 









BESCHRYVING 

des winters enigen uit Groenland over , die merendeels wit 
zyn, en door de Valken vangers vliegende Valken genaamt 
worden, vermits zy gene neften in het land hebben. Dat 
de Tslandfche Valken de beften onder allen zyn , is alomme 
bekent; want gelyk een noorweegfche of andere valk maar al- 
leen twee jaren tot de jagt dienen kan,kan zenTslandfche twaalf 
en meer jaren daar toe gebruikt worden, en is daarenbo- 
ven groter en van beter eigenfchap, dan de anderen. 

De reizende Valkenier komt jaarlyksmet een of twee be- 
dienden met een Schip van Holm naar Bejfefted, alwaar 
's Konings Valkenhuis ftaat; doch vangt geen' Valken in 
't land. In een ieder diftricl van Tsland zyn Valkenvangers, 
die daar toe brieven van den Amptman hebben, en mag 
niemand dan dezen, een ieder in zyn diftricl, dezelve van- 
gen. Zy alle zyn Tslanders, en winnen daar mede goed 
geld, wanneer het geluk hun gunftig is. Na dat de be- 
kwaamde uitgekozen en de onbekwame afgekeurt zyn , 
ontfangen de Valkenvangers op bewys van den reizenden 
Valkenier van 's Konings landvoogd i$ ryksdaalers voor 
een witten Valk, 10 ryksdaalers voor een half witten, en 
noch daarenboven een' gifte van 2, 3 ,of4 ryksdalers. Voor 
een graauwen Valk bekwamen zy weleer 5* ryksdalers ; 
doch federt enige Jaren heeft de Koning hun voor een ie- 
deren graauwen Valk 7 ryksdalers toegelegt. 

§. XLI. Uilen vind men in Tsland niet, wat benaming 
men dezelve ook zoude willen geven, en kan derhalven 
daar van alhier niets gezegt worden. 

§. XLII. De Ravens zyn aldaar, gelyk elders zwart, 
Ravens.en van een zelven aart als de anderen, naamlyk diefachtig, 
weshalven zy zich in menigte aan de woningen of hoeven 
onthouden. Buiten de Landvogelen , waar van de heer 
Ander/on gewagj maakt, vindt men in Tsland noch vier of 
zes foorten kleine Vogelen, die ik geloof dat in Denmar- 
ken niet gezien worden. De Tslanders hebben byzondere 
namen voor dezelve. Ene foort van dezen noemen zy 
Snee-Tnlingen^ vermits zy zich naby de huizen ophouden , 

wan • 



Van 

Uilen. 



Van 



van YSLAND. 



19 



wanneer het gefneeuwt heeft. Zy zyn gelyk onze Mus- 
fchen en fmaken zeer wel. -Alwaar MufTchenin de Heilige 
Schrift gemeld worden , ftaat in den Tslandfihe Bybel Tit- 
hng\ doch zyn die Vogelen niet gelyk in geftalte ofverwe. 
Voorts acht ik het de moeite niet waardig, die kleine Vo- 
gelen verder te befchryven, vermits 'er niets zeldzaam* 
aan is. 

§. XLIII. Offchoon waarlyk een' grote menigte Strand- Van 
vogelen m Tsïand zyn, kan ik echter gewis verzekeren , Str ™ d ' 
dat onder de inwoonders aan den Zeekant weinige zyn , die ter™ 
hen niet alle kennen of hunne namen weten. De weinige gds. 
klippen, die hier en daar onder het land liggen , en de 
kleine onvruchtbare Eilanden, die mede niet veel in getal 
zyn , werden van verfcheide foorten van Watervogelen 
bewoont, zo dat zy, gelyk de heer Ander jon zeer wel zegt 
tenemaal wit van vogeldrek fchynen; doch die Watervo- 
gelen zyn 'er echter niet in zo groot eene menigte, dat zy 
genoegzaam met vele zwarmen de zee tot op 12 of 1 8 my- 
hn van het Eiland zouden bedekken , maar wel digt by 
het land en ter plaatfè de Watervogelen in de hogeenfteile 
gebergtens ontelbare neften hebben ; doch zulks is niet 
algemeen en om het gantfche land, vermits in het tegen- 
deel het land op de meefte plaatfen aan den zeekant zeer 
vlak is, weshalven men 'er weinig Watervogelen vindt 
behalven wanneer een heir Haringen aankomt, die de vo- 
gelen volgen en op dezelve nedervallen, 't geen een blyde 
mare voor de VuTers is; want dan komt ook een' menigte 
Dorfch en andere ViiTchen, welke de Haringen van onde^ 
aantaiten, gelyk de Vogelen van boven. 

De Watervogels houden zich jaar uit jaar in by Tsïand 
op; weshalven het een' vergiffing van den heer Ander fan 
is, ie zeggen, dat het geringfte gedeelte dier vogelen op T s . 
land zoude overwinteren; want zulks alleen plaats heeft on- 
trent enige vogelen, als Snepvogelen , wilde Ganzen en 
anderen ; doch van de Watervogelen kan men het niet zeg- 
gen, die hunne woningen fteeds in de hoge en fteile oe- 
vers- 








40 



BESCHRYVING 



vers des lands hebben, gelyk ook op de Klippen m de Zee 
en op den Holm, die hier en daar te vinden zyn, alwaar 
zy hunne jonge uitbroeden. De ware oorzaak waarom 
zich zo vele Zeevogels rondom het land ophouden s de 
grote menigte van allerlei foorten van Viflchen waarme- 
de de grote God het land begenadigt heeft, gelyk de heer 
Ander fon zeer wel aanmerkt. . , 

Van de Zeevogelen noemt de gemelde heer inzonder- 
heid den Zee- meeuw, en zegt, dat dezelve een zekere we k 
fmakende Vifch, Runmagen genaamt en een Karper me 



ongelyk, uit de zee haalt en te lande brengt 



9 _\ 



ffidi. dellvTvan eet, en den overigen Vifch voorts 
lijmen laat. Die Vifch, hier Runmagen genaamt, heet 
iÉmagen, en is de Vifch, die wy een Steenbyter noe- 
men; en nadien zich de Viflchen zeer naby het land op- 
houden, daar het water op. zyn laagft is, verraffche de 
Zeevogels daar van een' menigte , en zo ook de Zee-meeu- 
wen, die 'er het ingewand van eten, doch de zogenaam- 
de Zwartvogel haal! meer of immers zoveel Viflchen uit 
de Zee als de Zee-meeuw, en die Vogel, maar met de 
Meeuw, eet maar alleen de lever. Voorts zyn de Kin- 
deren merendeels zelven goede Vmchers genoeg, om dien 
Vifch te vangen, want zy zeer ligt te water konnen gaan 
en dezelve uit de Stenen halen, als by de eb het water 
flests een hand breed hoog ftaat. • . 

TxLIV De Zwanen en wilde Enden verlaten het land 
eettoe des winters niet , weshalven ook niet gezegt kan wor 
Strand. den dat 2y in het voorjaar komen. Des Zomers houden 
zv zich in de zoete wateren binnen het land op, en des 
Winters, wanneer die wateren toegevrozen zyn, zoeken 
zy het ftrand en open water, als wanneer men zo ja zom- 
tyds enige honderden by een ziet, welke ****** 
Voorjaar weder naarde zoete wateren begeve ,, en aldaar 
hunne ioneen uitbroeden; zulks ik nooit meer L wanen 
en Ënffdan in YslaJ gezien heb. . De Zwanen , dan 
houden zich in grote menigte jaar uit jaar in in Tsland 



Van 



vogels. 







z- 



van YSLAND. 



4* 



op en liggen en broeden hunne Eyeren in de zoete wa- 
teren binnen 's Jands uit. De Eyeren zyn, gelyk be- 
kend is, groot, waar van de inwoonders een' taamlyke 
menigte verzamelen, vermits dezelve zeer goed tot fpy- 
ze zyn. Wanneer het tyd is, dat de Zwanen hunne Ve- 
deren laten vallen, en niet wel vliegen konnen, verzame- 
len zich enige inwoonderen, en trekken naar het geberg- 
te en de zoete wateren, alwaar zy dezelve vervolgen 
doodflaan en 'er zeer goede Spyze van bekomen j inzon- 
derheid fmaakt de borft van de jongen, behoorlyk toebe- 
reid zynde, zeer wel 5 doch het beft van de Zwanen zyn 
de Dons en Vederen, die men van haar bekomt, en 'er 
veel geld van maakt} ook fchiet men op andere tyden van 
het jaar de Zwanen, en gemeenlyk meer dan een teffens, 
vermits zy hoopswyze byeen gevonden worden. 

§. XLV. Wilde Ganzen zyn niet beftendig in het land, Van 
maar komen in het voorjaar, en vliegen in den herfftwiide 
weder weg. Men heeft den heer Ander fon alleen van Ganzen « 
twee foorten bericht gegeven, naamlyk van Margees en 



Hel[ingen\ die beide iets 



groter dan een grote End 



en de Heljingen weder een weinig groter dan de Mar- 
gees zyn , en witte vederen hebben. Behalven die 
beide heeft men nog drie andere foorten , die veel gro- 
ter zyn en graauwe Ganzen genaamt worden, offchoon 
de 2 standers weder een byzonderen naam tot een ieder 
van dezelve hebben. Het onderfcheid beftaat voornaam- 
Jyk inden Snavel en de Poten, vermits de ene foort ro- 
de, de andere geele, en de derde zwarte Snavels en Po- 
ten heeft. Voorts hebben zy donkergraauwe Vederen 
De graauwe Ganzen zowel als de Helfingen en Mareees 
zyn alle welfmakende. & 

Of alle, die in 't voorjaar in 't land komen , aldaar bly- 
ven en jongen uitbroeden, is onzeker, vermits men ge- 
zien heeft, dat van de noordelyke hoeken des lands een' 
grote menigte de reize naar het noorden voortzettede, 
zulks zy maar enigzins op het land uitruilen 3 doch on- 

F der- 




BESCHRYVING 

dertiuTchen en terwyl zy door het land trekken, moeten 
zy niet weinig tol betalen, vermits zy yverig met Snap- 
hanen belaagt worden, zonder welk geweer °men genen 
van hun bekomt j ja zelfs noch bezwaarlyk , dewyl zy 
zeer fchuuw zyn, en niet ligt iemand na by hun komen 
kten, maar, wanneer zy op het land uitruften , fchild- 
wachten uitzetten, die een alarm maken, zodra hun ie- 
mand nadert, alswanneer zy terftond de vlucht nemen. 
Zy, die binnen 's lands blyven, worden allengs tammer, 
zulks men by hun komen en hun fchieten kan, anderzins 
kanmen,gelykgezegtis, hun bezwaarlyk bekruipen. Wan- 
neer zy in het land komen , ziet men vele honderden in 
eene vlucht. 
Van §. XLVf. De Tshnders weten wel tienerlei foort van 
wilde en Enden , ieder met een byzonderen naam te noemen , van 
Enden, welke z ? zes r °orten tot hunne fpyze gebruiken, en die 
zeer wel fmaken. Van alle de foorten, die ik in Den- 
marken ken , heeft men 'er ook , en wel noch meer. De 
zulken, die het beft fmaken, zyn zeer klein, en byna 
niet groter dan een Duif, welke de Tslanders Oert-Enden 
noemen, vermits zy zich gaarne by de wateren ophou- 
den, alwaar de meelte Oerter, dat is kleine meeren zyn y 
doch van die foort vindt men zo groot een getal niet, als 
wel van de anderen. De meefte Enden zyn derhalven 
eetbaar en welfmakend, offchoon de heer Jnderfonfchryft y 
dat de meefte wegens hunnen traanachtigen fmaak zeer 
onaangenaam en walgelyk zyn. Die dus fmaken worden 
door de Tshnders zo min als door anderen gegeten ; en 
van alle de Zee- vogels, welke eigentlyk de zulken zyn, 
die een traanachtigen fmaak hebben, eten zy maar alleen 
drie foorten, naamlyk de Langvigen, Lunden en Alker, 
die niet zeer naar traan fmaken. Onder de Enden kan 
men ook den Eidervogel tellen, welke voor Tshnd van 
een groot gewigt is, wegens het groot nut en voordeel 't 
geen de inwoonders van zyne koftelyke Eyeren en Dons 
genieten. Het mannetje is ongevaar zo groot als een 

Gans 



^T 



van YSLAND. 



45 



Gans , en heeft voorts vele witte vederen ; daarentegen is 
het wyfje n'iet veel groter dan een End , met donkerbruine 
vederen, doch iets witter onder de borft. De grootfte 
menigte van dezen vindt men rondom het land , doch meert 
naar het weften , vermits zy aldaar de meefte Eilanden 
vinden, die de vogelen het lïefft, tot hun onderhoud zoe- 
ten. Naar het noorden vindt men ook een gedeelte ; 
waarom men bedacht ge weeft is, kleine Eilandtjes te ma- 
ken, alwaar te voren genen waren, om aldaar den Eider- 
vogel voor te planten, vermits de inwoonders het groot 
voordeel begrepen, 't geen hun dezelve verfchafte» Hy 
zoekt woefte en onbebouwde kleine Eilandjes, om daarop 
te wonen en zyn neft te bouwen ; maar wanneer hy wel 
bejegent word, woont hy ook gaarne by menfchen , ja 
zelfs naby hunne huizen 5 doch alsdan doen de inwoonders al 
hun vee en voornaamlyk de honden naar het vafteland voeren, 
wanneer zy op een Eiland wonen. Zeldzaam is het, doch 
ik heb het zelf gezien , dat de Eidervogel ook op het vafte 
land zyn neft bouwde $ doch dan hadden de menfchen 'er 
gelegenheid toe gegeven, vermits zy met denzelven wel 
omgingen en hem niet ftoorden , en op die wyze konneri 
de menfchen tufïchen die vogelen rond gaan, wanneer zy 
op de Eyeren zitten, ja zelf hun een of tweemaal de E ve- 
ren tot fpyze ontnemen, vermits de Vogel zitten blyft 
en zyn .neft ten derdemaal met Eyeren voorziet , en zyne 
jongen uitbroeidt, welke het volgende jaar op die plaats 
blyven, en zich fterk vermeerderen, wanneer men wel 
met hen omgaat. Het voordeel, dat zy van den Eider- 
vogel genieten, beftaat in zyne Eyeren en Dons. Wanneer 
die Vogel zyn neft bouwt, plukt hy het Dons uit zyn* 
borft, om de Eyeren te beter te verwarmen, en legt vier 
Eyeren ter grootte van onze Ganzen Eyeren van groene 
verwe. Zodra hy zyn neft gemaakt en heteerft zyne Eye- 
ren gelegt heeft, komen de menfchen , die de plaats toe- 
behoort, en nemen zowel de Eyeren als het Dons weg, en 
verftooren dus het neft, als wanneer de Vogel zich op 

F z nieuw 





4* 



BESCHRYVING 



nieuw plukt en "het neft weder van Eyeren voorziet, ia 
mening dezelve uit te broeden, doch 't geen hem mift; 
want zo dra men merkt, dat de tweede legging der Eye- 
ren gefchied is, werden weder het Dons en de Eyeren 
weggenomen. Hierna keert de Eyervogel ten derde ma- 
len geduldig te rug, bouwt weder zyn neft, en plukt 
zich ; doch nadien het wyfje haar tot de eerfte netten het 
meed geplukt heeft, komt thans het mannetje haar te 
hulp en plukt zich mede, weshalven het laatfte Dons het 
befte en witfte is, vermits de mannetjes wit onder deborft, 
maar de wyfjes in het tegendeel bruin zyn, en als dan 
legt zy ten derdemaal hare Eyeren; doch wanneer deze 
weder weggenomen worden, legt zy gene meer, noch 
bouwt aldaar nooit weder haar neft, maar zoekt in het 
volgend jaar daar toe een' andere plaats, weshalven goede 
huishouders zeer wel acht geven, dat zy na de derde leg- 
ging hare Eyeren behoudt en gelegenheid bekomt, om de- 
zelve uit te broeden ; want men alsdan zeker kan zyn , 
dat zy het volgende jaar met hare jongen weder komen 
en in plaats van één, twee of drie neften maken zal. Wan- 
neer nu de jongen metdeoude het neft verlaten hebben, word 
het Dons ten derdemalen uit dezelve verzamelt, en op die wy- 
ze bekomen de inwoonders tweemaal Eyeren en driemaal 
Dons van ieder neft. Hier uit blykt, wat nut en voordeel 
het den zulken aanbrengt, die het geluk hebben, dat ve- 
le duizenden neften by hen gebouwt worden, waar door 
zy een' menigte Eyeren en Dons verkrygen. De Eyeren 
der .Rider vogels zyn van een zeer goeden fmaak, en zo 
goed als onze Hoendereyeren. Het levendig Dons , dat 
de Eidervogel zich uitplukt, is, wel is waar, het befte, 
doch echter zyn het Dons en de Vederen, die men van 
den VogeT op een' andere wyze plukt, mede goed, doch 
de huishouder gedoogt niet, dat de Eidervogels gefchoten 
worden, of dat men een Snaphaan naby hun loft, inzon- 
derheid niet, wanneer zy hunne neften maken, op dat 
zy niet van die plaats zouden wyken. 

§. XLV1I. In 



— _ 



..' 



van YSLAND. 



4? 



§. XL VII. In Tsland kent men flegts eene foort van Duike- Van 
laars, die zeer wel fmaken en goed tot fpyze zyn; want de, Duike * 
Tsïanders niets eten dat fterk na traan fmaakt, vermits zy aars ' 
voorraad genoeg van welfmakende Vogelen hebben. 

§. XLV1IL De Lomen isgeenzinseen fchone Vogel , gelyk Van de 
men den Heer Ander fon bericht heeft, maar veeleer van een 5 Lomen. 
onbevallige geftalte en gedaante, en noch veel onaange- 
namer van geluid, van wien de inwoonders op generlei 
wyze enig nut trekken, vermits zy zyneEyerenofvleefch 
niet gebruiken, 't geen ook de oorzaak is, dat zy zich 
over het zoeken van zyn neft niet bekommeren, of 'er zich 
aan gelegen laten liggen. 

%. XLIX. Offchoon de Geyervogel zich merendeels op Vande 
de Klippen en Scheren, 3 of 4 mylen weftwaards vanGeyer- 
Reikenes gelegen, ophoudt, word dezelve echter ook op v0 S el * 
andere plaatfen binnen 's lands gevonden. De inwoonders 
in de nabuurfchap der VogeKcheren wonende, varen op 
een zeker jaargety derwaards, zoeken met een taamlyk ge- 
vaar de Eyeren van dien groten Vogel, en brengen een' 
grote lading met zich naar huis in een boot, die door 8 
mannen geroeit word. Het gevaar en de moeite beftaat 
daarin, hoe men na by de Scheren kan komen ; want na- 
dien die grote klippen ? , 4 ja meer mylen van het land 
liggen, is de ftroom aldaar zeer fterk, en kan de boot licht- 
lyk tegens de klippen ftoten en verbryzelen, wanneer ge- 
ne genoegzame behoedzaamheid en voorzichtigheid gebruikt 
wordt. Onaangezien 'er geen' zo grote menigte van Gey- 
er vogels is, als wel van andere Zee- vogels, zyn zy noch- 
tans zo zeldzaam niet noch komen zo fchaars voor, dat de 
inwoonders dezelve niet dikwils te zien zoude bekomen, 
ten minüen worden die Vogelen altoos van de zulken ge- 
zien, die hunne Eyeren gaan halen, welke byna zo groot 
als Struis eyeren zyn. 

§. L. Het is niet aanmerklyker in Tshnd^ dan in Noor- Vande 
wegen en elders, alwaar fteile Klippen aan den Zeekant petten 
zyn, dat de Zee-vogels 'er hunne Neften maken ; want al- s£, nd . 

F 3 waar vogels 












4 <S BESCHRYVING 

waar hoog en fteil land naar de Zee is, bouwen zy hunne 
neften in alle kloven en gaten van boven tot onder by dui- 
zenden ^ weshalven zulks niet als iets byzonders en merk- 
waardigs by Tsland aangemerkt kan worden. Ik kan zeer 
ligt befpeuren, dat de goede lieden, die dit gezien en den 
heer Ander fin bericht hebben, het te voren niet gezien 
hadden, en derhalven als iets zeldzaams aanmerkten. De 
voorzichtigheid, die deZee-vogels naar hun gevoelen , tot 
het verfteken hunner Eyeren gebruiken , belet niet , dat de 
inwoonders jaarlyks vele honderd duizend uit hunne Nes- 
ten halen , waar van zy een groot nut trekken. Hoe 
weinige kundigheid die berichters van de gefteltheid dier 
neften hebben, kan men daaruit befpeuren, dat zy voor- 
geven, dat men dezelve niet zonder de grootfte moeite en 
zorgen met lyf en levens gevaar kan beklouteren. Het 
is t'enemaal onmooglyk, dat een menfch de Neften der 
Zee- Vogels zoude konnen beklimmen, vermits zy in de 
fteilfte en over het water hangende bergen zyn ; doch niet- 
temin weten de inwoonders 'er by te komen , 't geen ik 
belyden moet met het grootfte gevaar te gefchieden. Zy 
fteken een balk boven de Zee uit, die zy met het ene ein- 
de beft mooglyk in de aarde vaft maken, en laten van 
het ander uitftekend einde hem, die de Eyeren verzamelen 
zal, met een' lyn van boven afzakken , en wanneer deze 
zich van zo veel Eyeren voorzien heeft , als hy bergen 
kan, tot ioo of 200 teffens, halen zy hem na een gege- 
ven teken weder op, en dit wordt zo menigmaal herhaalt 
als 'er noch Eyeren zyn, of zo lang hy het uithouden kan. 
De dus nedergelatene heeft een ftok by zich , met welken 
hy zich van de rotzen kan affloten , of wanneer het no- 
dig is, zich naar dezelve toetrekken; en wanneer hy dus 
de neften aandoet, vliegen vele duizenden vogelen uit de- 
zelve en beklagen zich Zo jammerlyk over het gevasr, 
waarin zy zich bevinden, dat men malkanders woorden 
niet horen kan. Op de plaatfen des lands, alwaar de in- 
woonders die gelegenheid hebben, welke geenzins alge- 
meen 






van YSLAND, 



47 



meen is, trekken zy een onuitfpreeklyk nut en voordeel 
van die vangit $ doch behalven de Eyeren vangen zy 
oponderfcheideplaatfen die Vogelen in een' grote menigte £ 
ook bekomen zy van dezelve en ook van anderen, die tot 
gene fpyze gebruikt konnen worden, een' menigte Vede- 
ren, van welke zy zich gedeeltelyk zei ven bedienen, en 
'er gedeeltelyk Koopmanichap in dryven. Ik heb zelf 
gezien, hoe de inwoonders zich in die vangft gedragen, 
en moet bekennen, dat het waarlyk'zeer gevaarlyke toch- 
ten zyn, welke zy ondernemen, om die Vogelen en hun- 
ne Eyeren magtig te worden. Nu en dan gebeurt het wel , 
dat iemand door onvoorzichtigheid daarby om 't leven komt, 
vermits of de lyn niet fterk genoeg, of de balk niet valt 
gehecht is; doch die ongelukken gebeuren zelden. 

§. LI. De Eyeren der Strand vogels in Tsland zyn me- Van de 
rendeels van een goeden fmaak, doch onder dezelve wor- ïyerea 
den die van een zekere kleinen Vogel, door de T stander s ^ 
Krye genaamt,en onze Kieviten niet ongelyk, Voor de aan- ^geil' 
genaamfte gehouden. 

§. LIL Gelyk de Heer Anderfon gelooft, zo ook ftelt Van de 
men in 't algemeen vaft, dat de onuitfpreeklyke menigte ë rot e 
Zee-vhTchen, waar mede Tsland van alle kanten omgeven ™ eni £ te 
is, verre uit het noorden komt, en zich gedeeltelyk weder fchenf" 
van Tsland naar het zuiden wendt. Ik zeg gedeeltelyk , 
want op vele plaatfen in 't land is het gantfche jaar door 
een gelukkige VhTery, voornaamlyk met kleine Dorfchen, 
die Tislingen genaamt worden , en vermoedelyk jongen 
van de grotere zyn, vermits zy op alle wyzen dezelve ge- 
lyken. De inwoonders vermeinen uit de ervarendheid te 
weten, dat de Dorfch rondom het gantfche land fwemt, 
en wel zodanig, dat hy befchutting tegen s den wind zoekt, 
en dat, wanneer de Tislingen dus driemaal rondom ge- 
zwommen hebben, zy grote Dorfchen worden. Aleer de 
rechte tocht van de grote Dorfchen in't voorjaar aankomt, 
zyn de als dan geviften geenzins zo vet, dan de nieuw 
aangekomenen , waarom men niet ten onrechten meent ^ 

dat 




BESCHRYVING 

dat de eerftgenoemden gedurende den Winter onder het 
land gelegen hebben. Men heeft byzondere aanmerkingen 
wegens den loop der Viüchen, naamlyk, dat zy allereerft 
by D de ooftlyke en daarna by de zuidlyke oevers van het 
land aankomen, en zich eindelyk vandaar in den groten 
Zeeboezem begeven, gelyk by voorbeeld tuilchen Reike- 
nez en de JVefter fóekel, welke boezem 10 of 12 mylen 
breed is, en 8 of 10 mylen diep in 't land gaat, alwaar de 
grootfte VhTery gefchied , van waar zuidwaards alleVirTchers- 
Haven , behalven alleen Grindewigs-Haven , voorzien wor- 
den, en werwaards men zich zelfs uit de noorder landen 
tegens den in Yrfand zogenaamden Wertyd ter Vifchvangft 
begeeft, en daarmede tot in den Zomer en HerfLt voort- 
vaart, waar van hier na breder gehandelt zal worden. 
De ver §. LIlLOffchoon niemand in de befchry ving van een land , 
fcheide'een' naauwkeurige befchry ving van deszelfs Vilfchen be- 



geert, zal ik echter, in navolging van] den heer Anderjon, 

van V is- n ' --7 ii_i i_ vt !/y*_i \~ „ /uu. *-'eT»T«»-i ^ s\**\-t 



foorten 



* anVis "de meeft in Tsland bekende VifTchen befchryven , doch 
" CÜeD * moet vooraf aanmerken, dat de heer Ander jon een en den- 
zelven Vifch onderfcheiden namen geeft, gelyk de Ka- 
beljauw, die naderhand Dorfch genaamt wordt, en noch- 
tans dezelfde Vifch is; want de Dorfch wordt in Tsland in 
drie foorten verdeelt. De eerfte is de rechte grote Dorfch , 
die ook in Tsland den. zelfden naam heeft, doch ook an- 
ders by uitzondering de Vifch heet, vermits hy onder allen 
de voornaamfte is. Dezen noemen de Hollanders, gelyk 
ook de Denen Kabeljauw. Na den groten Dorfch volgt 
de middel- Dorfch, welke door de Tslanders Stuttwgen ge- 
naamt wordt, en eindelyk de kleine Dorfch, dien deTsIan- 
ders Tislingen, doch wy Titling noemen. 
Van de |. yy. Wegens de Haringen moet ik, hoe ongaarne ook 
^ e a n in * zeggen, dat de Heer Ander/on zich grooflyk vergift, met 
te zeggen: wat Ysland betreft wete ik wel, dat alle deszejs 
Bayen zodanig met den beften en vet/ten Haring 'vervult zyn , 
dat , zo het gering getal en onvermogen der inwoonders het niet 
belette de, dezelve daarmede welhaaft enbequaam de voordel ig- 

Jte 



— 



-^ 



van YSLAND. 



49 



fle handel zoude komen dryven , want het zo zelden gefchïed, dat 
in die Bayen en Zeeboezems grote menigten Haringen 
komen, dat de Inwoonders veeleer de jaren tellen konnen, 
dat zulks gefchied is, vermits dikwils vele jaren verlopen 
dat geen de geringde Haring befpeurt wordt ; doch wan- 
neer zy nu of dan door de Walviflchen of andere hun- 
per vervolgers in den een of andere Boezem of Baay als 
in een Fuik worden gedreven, gebeurt het wei eens, dat 
zich van dezelve een' zo grote menigte opdoet, dat men 
*er naauwlyks met een Boot door roejen, en zo veel men 
begeert, van dezelve opfcheppen kan. Nadien zulks ech- 
ter zeer zelden gefchiedt, zyn de Tshnders zodanig een' 
VifTery niet gewoon , behalven dat hun daar toe het nodi- 
ge gereedfchap en de kennis der Haringvangft ontbreekt, 
weshalven zy, wanneer zulks gebeurt, 'er zich zo wel 
niet van bedienen , als zy anderzins zouden konnen 
doen; ook mangelt hun Zout, om dezelve in te zouten, 
vermits de Koopvaarders ten dien tyde noch niet aangeko- 
men zyn, weshalven zy van de Haringen ook niet meer 
vangen, dan zy verfch eten konnen. De heer Ander/on 
beklaagt zich, dat hy de onderfcheide foorten der Harin- 
gen , vermits niemand zich 'er op toelegt, onmooglyk 
vroed heeft konnen worden, en echter heeft men zich de 
moeite gegeven , hem van een' foort te berichten , die nooit 
by Tsland gezien is, en drie vierde delen van een' ell& 
lang , en de dikte van drie vingeren breed zoude wezen • 
doch hoe vele Boten vol door de Yslanders uit de 
Zeegefchept mogten wezen, is hun nooit een Haring van 
de gezegde grote te voren gekomen. Maar wanneer ik 
zeg, dat geen Haring naar Tsland komt, dan alleen by by- 
zondere toevallen -en zelden, zo verfta ik de Haringen, 
die de heer Anderfon meent, naamlyk onze gewone, goe- 
de en vette Haringen, die wy gezouten of gekookt eten; 
want anderzins komt een' menigte kleiner' Haringen, ver- 
moedelyk de zogenaamde Sardellen, met den Dorfch, die 
door dea laatstgenoemden Vifch als zyne aangenaamfte 
G voed- 





BESCHR 

voedfel vervolgt word, en waarop de Vogelen om de. 
zelve redenen van boven nedervallen ; doch waarop de 
Walvifch afkomt, en die kleine Haringen met hunne bei- 
derlei vervolgers inzwelgt,gelyk men dikwerf gezien heeft. 
't Is eens gebeurt , dat by eb een Walvifch in zodanig een' ver- 
volging en vraadachtigheid te naby het land gekomen zyn- 
de, 'er op vaft bleef, als wanneer de inwoondersop hem 
afkwamen, hem de reft gaven, en meer dan 600 Dor- 
fchen teffens in denzelven vonden, die noch vers en leven- 
dig waren ; ook vonden zy 'er een' menigte kleiner Harin- 
gen en eenige Vogelen in. Van die kleine Haringen zyn 
voornaamlyk twederlei foorten, ieder van welke by de in- 
woonders hunne byzondere namen hebben. De eene foort 
noemen zy Sandheringen , vermits zy op de Zandbanken in 
de Zee rondom het land merendeels het gantfche jaar door 
Uggen. Dezen worden het meeft in de magen der grootfte 
Viflchen gevonden. De andere foort noemen de inwoon- 
ders Laadden Sild , (ruwe of hairige Haring) vermits zy 
een' (treek gelyk hair langs de ruggen hebbenden wanneer 
deze gevangen of in de magen der gevangen VifTchen ge- 
vonden worden, houden zy zich verzeekert, datdeDorfch 
welhaaft volgen zal, vermits die foort van Haring zich an- 
derzins niet altoos daar omftreeks ophoud. Wanneer de 
heer Ander fon vervolgens in dit Artikel van den Walvifch 
fpreekt, den Noord Kaper genaamt, zet hy in zyne noten 
'er onder, dat de Tslanders denzelven voortyds Sildreke 
noemden, 't geen hy Haringmeefter vertaalt, doch de ei- 
gentlyke beduiding van dat woord niet is. Niet alleen 
noemden zy hem voortyds zodanig, maar noemen hem ook 
noch Sildreke , dat is Haringdry ver , vermits die Walvifch 
den Haring fterk vervolgt, welke uit vrees voor hem naar 
het land loopt. In de Tslandfche taal beduit het woord Re- 
he zo veel als dryven, weshalven men ook Dryfhout Re- 
herïd noemt, gelyk men ook in het dry ven van Schapen 
en Paarden dat woord Reke gebruikt. Zeker is 't en be- 
kent, gelyk de heer Jnder fon fchryü, dat de Haring, zelfs 
!° de 






^r 



vak YSL A N D. 



yt 



degrootfte, het befte aas is, om Dorfch te vangen; doch 
wordt daartoe door de Manden niet gebruikt , aangemerkt zy 
denjelven met : altoos bekomen konnen. Vermits de hee? 
A^fchryft, datdeGrcenlandsvaarders, wanneer zy 
onder Spitsbergen of daaromtrent een Dorfch vangen wil- 
len en geen verlenen of natuurlyken Haring by de hand 
hebben, een nagemaakten Haring van wit blik 'er toe ge- 
bruiken waar aan de Dorfch, als vare het een recht!n 
Haring byten zoude, deed ik in Mondde proeve nemen 
om met een van tin nagemaakten Haring Dorfch te van! 
gen ; doch m dat jaar was de Dorfchvangft zeer flest en 
wilde ook niet gelukken, maar de Tsknders in de zdfde 

5?&i* ft len ° f een ftuk raauw v te<to «» den an! 
gel hadden, bekwamen zo fpoedig Dorfchen, als z Y die 
met den gewaanden Haring vitten. Daarenboven is 'aan- 
merklyk, dat de Dorfchen en Haringen niet doorgaans bv- 
een volgen, want anders de Yshnders zelden Dorfchenzou- 
de bekomen vermits de Haring aldaar niet alle jaren ge- 
vonden wordt, maar de kleine foort van Haring, wf ar 
van gefproken ,s, volgt altoos met den Dorfch e n S i zZ 
gewone fpyzeidoch van die kleine foort van Haring worft 
niets gevangen, om dat de Tshkder, 'er geen netten toe 
hebben, en hun ook meer aan den Dorfch gelegen s Het 
2' ? dyk ,l k dik ^g?^en heb, wanleerdie któne 
^Z g ?A ,? Ulk - ene J meni § te aank °men, hoe de Zeevo- 
gelen a sdan by duizenden boven hen in dl lucht zweven 
engelyk Pylen in de Zee vallen, om dezelve te van^m als 
wanneer zy tot onder het water duikelen; en dus °vólgen 
zy de Haringen alomme, die dan in de kleine Zeeboezfm. 

zowelals een groot gedeelte van het ooftlyk deel, enk ver- 

G 2 fchei. 



5% 



B E S C H R Y V I N G 






vinden, en op dat zy zich daar van, als het bequaamfl mid- 
del , om hunne onverzadelyke vraatluft te voldoen , zouden 
konnen bedienen, zo wel dezen kleinen doch ongelootiyknuxten 
Vifch, gelyk hen zei ven, door alle zeen verdeelt, en aan alle 
kuilen leid. Want zodra de Haring van onder het ys, of uit 
de grondeloze diepten, op~de reeds gezegde wyze te voorfchyn 
koomt,zyn die grote, groter en grootfte vifchzoorten tot vul- 
ling van hunne hongerige magen 'er welhaafl ontrent, houden 
dezelve door hunne geftadige beangfting en vervolging van al- 
le kanten in hoge, brede en zeer dichte fcholen (t) byeen, jagen 
die ook van daar fleeds voor zich heen , en dry ven dezelve als 
een fchichtigen weerlozen vifch van de ene zee tot de andere 
(hoewel deze eigenilyk gene andere, maar alleen andere bena- 
mingen dragende delen van den groten Oceaan zyn) en van 
de ene kuft tot de andere , vermits hy , om zyne grote 
vervolgers te ontvluchten , zowel tot zyn eige zekerheid en 
een ruftplaats tot zetten, als voor zyn broed, zo lang het noch 
teder is.,, een ongefloprde. verblyfplaats. te vinden (u) in de 

zee- 



ef. all 'kinds feed npon Herring; dat is , waar maar Haringen zyn , volgen 
hun alle andere Vittellen , byzonder WalvilTchen en Zeehonden, Want de 
grootfte vifchzoorten leven alle van Haring* 

(f) Die eigenfehap en inwendige drift hebben alle kleiner vifchzoorten-, 
*t geen wel zeer natuurlyk, doch wegens het groot- nut niet onrangemerkc 
voorby te gaan Is 5. naroelyk, zy zyn ge\voon,uit vreze voor hunne ver- 
volgeren, en. om. zich te redden, zo dicht: als immer mogely.k is byeen te 
zwemmen en in fcholen ter hoogte van bergen zamen te dringen (die ook 
door de hun dikwerf ontmoetende Noormannen juxta Topograph, IVoriveg» 
citat, Fjskecergen of Vischbergen genaamt worden) 't geen teP* 
fens gelegenheid geeft, dat zy door de viiïchers te bequamer en in groter 
menigte gevangen worden. Iets diergelyks bemerken wy by het fleeswyk- 
fche eiland Hilgeland aan onze niet min vervolgde krabben , garnaten of 
garnelen {Squilla gibba ■Rondelet--') die vermits zy van onder en op zy- 
den door de fchelviflchen en anderen s . wiens voornaam ft e voedzel , en 
van boven door de meeuwen (welkers gemeenfte fpyze zy mede zyn) ge- 
jaagt en beangft worden, mede in grote klompen of dikke hopen byeen 
vluchten, en mitsdien in zo grote menigte de hilgelandfche Vilfchers ten 
deel worden. 
{u) Plin. Nat, Hifi, Lib> IX, St£i. $<;.Nam in ftagtia& amnestrameundi 

Ufo 



van Y S L A N D. 



Ï3 



zeeboezems of op de zandplaten , ja tot in de monden der vloe- 
den poogt te vluchten, zich genoegzaam voor de deuren der 
inwoonders begeeft, en beide ten fpyze en tot koophandel 
in onbegr.ypcJyke menigte aanbied ; waar door de hem na- 
zettende grote en kleiner jagers , zo verre de grote hunner 
hghamen, en de diepte van het water gehengen wil, dezel- 
ve inwoonders teffens aangeboden , en, als zy flegts toetas* 
ten willen , in de handen gele ver t worden. 

Echter is hier by aan te merken , dat zowel de kuiters , om 
hunne grote reize te volbrengen , zich , zodra zy gezet heb- 
ben, weder in zee begeven , als. het broed , zodra het eni- 
ge krachten bekomen heeft, insgelyks uit natuurlyke drift, 
en om zyn groot oogmerk te vervullen, naar de zee ylt (w). 

Doch om dit alles noch duidelyker en verftaanbaarder te ma- Van de 
ken , zal ik de. J- a a r l y k s c h e loof de r H a r in gen- J aarl yk- 
voor zo. verre men daar van zekere berichten heeft, van fche i 
plaats tot plaats aanwyzen , en teffens tonen , op wat tyd een zel'S 
ieder volk dien- zegen deelachtig word, en de wyze op welke 
het zich denzelven ten nette maakt. 

In het Noorden breekt de h-o opdzwarm reeds vroeg in Dè 
het voorjaar uit, waar van de ene Vleugel zich wefb- hoofd " 
waards wend, en met de maand maart wegens de vervolging zwerm 
der vele grote Viflchen van rondomme , en van de ftrandvo- enen . 
gels vanboven, zich. m. zo dikke en dichte fcholen naar het vleugel,, 
eiland Yiland begeeft, dat men niet alleen aan de zwartheid die zich 
en het. wemelen van het water , nadien zy door angft tot aan "Tften" 
het oppervlak van het zelve dringen, en dikwerf fchynen, 'ër wend.' 
uit te willen fprmgen, hunne. komil van verre befpeurt ; . maar 
ook, als men dezelve te gemoet vaart, en met een hoos 
waar mede de zeilen uit de zee begoten en nat gemaakt wor- 
den, of diergelyfc een holachtig werktuig 'er imTaat, onfeilbaar 
op eenmaal' ene tamelyke menigte van. dezelve, gefchept en 

G 3 op- 

fkrhque pucibm evident -ratie ëfi> 9 ut tutos foetus edant , quia. non fint ih\ 
qm devorent partus fiucfusque minus fceviant. " '/ 

(V) Conf* N&ukrantz de Haringo p. 1.7. 











BESCHRYVING 

ten zy nooit aan een hoek, 't zy met of zonder aas; doch 
wel, als zy tot ruft gekomen zyn, en op den bodem of 
zekere banken in de Zee ft il liggen, alwaar de inwoonders 
hen wel weten op te fpeuren. Wanneer de VifTchen in een' 
grote menigte aankomen , houden zy zich gaarne in de 
diepten op, daar zy ook ligtlyk aan het aas byten, ja ook 
wel aan den bloten hoek, indien dezelve blank of vertint 
is; welke manier op vele plaatfen gebruikt wordt ; doch 
dit gefchied niet, gelyk men den heer Ander fon bericht 
heeft, wanneer zy boven zwemmen, want zy alsdan lus- 
tig en fpeelziek zyn. 

De rechte Vifchtyd door de TsJanders Vertiden (de Ver- 
iyd) genaamt, begint by de Zuidelyke landftreken daags 
na Vrouwendag, zynde den 3. February,en duurt tot den 
12. May, in welken tyd een groot gedeelte der inwoonders 
van de noord-en obftzyde zich derwaards begeven, ver- 
mits by hen zelfs in dat jaargety niet gevift word. Velen 
van hun blyven ook wel den gantfchen Zomer over liggen 
om te vhTen, alvorens zy weder naar huis reizen. Aan den°an- 
deren kant van het Eiland worden de Vertyden anders ge- 
rekent, en begint de Vistyd noordwaards den 12. May, en 
duurt tot den Oogft ', vermits aldaar wegens het Groen- 
landfch Dryfys niet eerder gevift kan worden; weshalven 
de rechte Vistyd of Vertyd niet enerly over het gantfche 
land is. De reden, die men den heer Ander/on gaf, waar- 
om de Vistyd niet langer dan tot den eerften May duren 
konde , is zo ongerymt als het wezen kan , naamlyk , dat ver- 
mits de warmte de Vifch niet meer op den duur toebe- 
reid zoude konnen worden;* want na den 12 May, met 
welken zuidwaards in 't land de Vertyd eindigt, Werdt de 
meefte vifch gevangen en gedroogt, zo wel die aan de 
Kooplieden gelevert als ook in het land verk'ogt, en aldaar 
tot voorraad behouden wordt. Het gebeurt dikwils, dat 
de Tshnders tegens het einde van den Fertyd nog weinig 
Viflchen bekomen hebben; doch zy geeven daarom den 
moed niet op, maar verwachten een beteren zegen in hun- 
nen 










VAN 



YSLAND, 



ff 



nen vangft, die hun niet zoude konnen nut ten, zozyden 
Viich niet zodanig witten te bereiden, dat hy duren kon- 
de, maar zich altoos van de voorvallende gelegenheid be- 
dienen Dat het villen op de Zee of in liep! Bayen by 
dag gefchiedt, en in de ondiepten, die niet meer dan tien 
vademen water hebben, by nacht, is geen zekere regel- 
want tersknderr, wanneer het weer zulks gehengen wil 
en er Vifch is, by dag en nacht zowel in de volle Zee als 
op deondieptens vifien, aangezien de naarftigen zich al- 
toos van den tyd en de gelegenheid bedienen, londer dien 
regel op enige wyzen in acht te nemen. Van het midden 
van April is ook zo veel nacht niet, dat hun zulks belet- 

l e L Z n°v e ' T" ne ^ ' tWeêr hettoela *t te vi(ren,waarzy 
willen. Voor dien tyd zyn zy gewoon atteen by dag te viffen. 
Verslagers varen gemeenlyk enige ureffvoor der Zonneopl 
gang tervangftuit, enkeren tegens den ondergang der 
Zonne weder terug; doch wanneer zy alsdan geen' volle 
lading hebben, de Vifch beter begint te byten , en het weer te! 
gens den avond ten goede verandert, blyven zy geduren- 

Lofn^° P K Zee i' Waamit bl ^ kt ' ^tzyjuifl niet den 
dag of nacht gebruiken, om op zekere plaatfen te viiTen. 
tls wel waar, dat de befte en fmakelykfte Vifch in voile Zee 

,°J °£ 4 5 t0 u ?° fj . a wel meer als IO °) vademen gevangen 
wordt; doch daaruit volgt niet, dat de Vifch, onder het 

nl? 7 ni ndeV ^^ goed eneel 

ITtlTdlnlV - Wa , ntWa T er de Vifch eerdicht onder 
het land komt, is die, welke op den grond naby het land 
op 10 vademen en minder gevangen wordt, zogoed, als 
die men op dieper plaatfen vangt, vermits hy zyfe deugd 
20 fchielyk niet verliezen kan. Maar wanneer de Vifch 
reeds langen tyd aldaar gelegen heeft, is het zekerst het 
debefteis,dieopdere^ 

te S S eko k menï / lwaarh y ^klykflegtervoedfelheef^ 
VUtJi mbereid ^ Uk den Dorfch > die in d en rechten 
vin Z J geVa 5 gen ir 1 ?ï dt ' omz °tefpreken, maar eene foort 
van gedroogden Vifch, die Flakvifch heet, naar Coppenbl 

gen 










BESCHRYVING 

ten en Glukftad gevoerd wordt, en, gelyk een ieder weet, 
een zo wel (makende, goedeen fyne Vifch is, als men 
nergens elders vindt. Maar weftwaards in 't land wordt 
door enigen zulk een Vifch bereid, gelyk de heer Ander- 
Jon befchryft ; en dezen Hengevifch genaamt , ver- 
mits hy in daar toe opgerechte Schuren om te drogen op- 
gehangen wordt. Die Schuren noemt men in Tsland tlial- 
der, en beftaan uit latten, zo verre van malkander gefla- 
gen, dat 'er de wind en lucht door fpelen konnen, en 
met een dak tegens den regen gedekt. De gemelde Vifch 
wordt in den rug geflakt, dat is opgefneden, in plaats dat 
men den Flakvifch in den buik opfnydt, en vervolgens in 
den buik een gat maakt, door 't welk hy aaneenftok gere- 
gen, en om tedro^n inde Balde opgehangen wordt. Die 
Vifch is enigzins beter koop dan de andere \ doch wordt 
zo veelvuldig niet gemaakt, vermits de Flakvifch de ei- 
gentlyke Koopmansvifch is, en daar van ioo Schipponden 
tegens een van den Hengevifch toebereid wordt. Het be- 
handelen en drogen van den gevangen Vifch gefchiedt 
niet door de Vrouwen maar de Mannen. De voornaam* 
ften in den Boot verdeden deViflchen, zodra zy aan land 
gekomen zyn, en die mede in den Boot zyn ge weeft be- 
komen de een zo veel als de ander. Niemand verlaat ?yn 
Vifch eer en bevorens hy dezelven op de voorverhaalde 
wyze behandelt, heefr. Wanneer nu de Tslanders den Vifch 
dus geflakt, en 'er den ruggraad uitgenomen hebben, leg- 
gen zy denzelven zodanig geflakt enkel byeen; zulks de 
vleefchzyden tegens elkander gekeert zyn , ingeval het 
weer gehengt dat de Vifch den volgenden dag om te 
drogen uitgebreid kan worden , maar wanneer het weer 
zulks niet gedoogt, leggen zy den genakten Vifch opeen m 
kleine hopen, zodanig dat de huidzyde buiten waards gekeert 
ligt, en dat noemt men aldaar in /fo/èw liggen; weshalyen 
de Vifch, die dusdanig lange blyft liggen en mitsdien be- 
derft door de Kooplieden gekaasde Vifch genaamt wordt. 
Uit het hier boven gezegde ziet men, dat de Vrouwen , in 

het 



"" 



van Y S LA N D. -_ 

het bearbeiden en bereiden van den Vifch niets te doen 
m ' ■?' ï? Ware dat de een ' of andere Vrouw h^en *«- 
btStV W Sn W dat J w ^u en > inS de behulpzamen hand 
boodt. Wanneer nu de Vifch dusdanig behandelt en in ftaat 
is, om den volgenden dag tot het drogen uitgebreid te wor- 

denVfr^ na T riykenbillyk ' datde mSmè**% 

den gantfchen dag zwaar gearbeid hebben, zich naar huis 
begeven, enigzms uitruften, en enig voedfel eebruiken 

AM] h l zodanig ni " toe z™> Att 

ff» op de volgende wyze verhaalt: „ als de Vrouwen 
. zulks verricht hebben, liepen zy zowel de afgefneden 

" Hen PP H en ' ° m 't" fp J Ze te zoden en de afgekloven gra " 
„ den daarna tot brand te gebruiken, als byzonder de le- 
. ver, om tot het maken van traan aan een' zyde te lel 
» gen, op hunne ruggen naar huis; waar tegen de Man- 
. nen, mmiddels uitgeruft, en zich'naar mate van hun 
. vermogen met Brandewyn gelaaft hebbende enz Te 

~ S f e , edS ^ Zegt ' datde Wouwen ^arbeid met doen! 
maar wel de Mannen; weshalven dezen niet te huis kon- 

kwalen" F U,trUften ' t" Zkh met brandewyn ver- 
kwikken. En wanneer zy hunnen Vifch behandelt heb- 

te k'ol V , e n rgen9eSen K ZyZ J ich niet maar fl£ g ,s ' omde koppin 
te koken, maar bereiden een of meer góéde en eeheele 

^nnen'ten^nvr'HT *» h ° e S r °°^ id hunner lutge! 
zinnen ten fpyze : doch vermits zy gemeenlyk benevfns 
den Dorfch ook andere Viflchen vangen , gebruiken zv de! 
l e " l 'Z er «».%*. en anderzins den Dor " me/den 

graden, worden wel op enige plaatfen door de Se fc? 

aan deui f IXy en v ge ft brekaan brandhout heeft > byzonder 
aan de uiterfte Zeekuften, tot brand gebruikt j doch zulks 

H ge- 





BESCHRYVING 



gefchied niet algemeen: maar zy gebruiken de graden veel- 
liever, gelyk bevorens gezegt is, tot een aangenaam voe- 
der voor de Koejen, als die daaraan gewoon worden , wel- 
ke graden bevorens enigzins murw worden gekookt. De 
Lever van de Viffchen, flepen de Vrouwen zo min als de 
koppen naar huis, maar werpen dezelve in een vat byeen, 
en bekomen daar van vervolgens een goede menigte traan. 

De Brandewyn, waarmede men den heer Ander fon ver- 
haalt heeft, dat zich de Mannen verkwikken, wanneer zy 
uit Zee gekomen zyn, is alleen het begin tot een (toffe s 
die vervolgens fierlyker uitgebreid wordt, en het Brande- 
wynzuipen der Yslanders betreft. Ik kan verzekeren , dat 
5 er weinigen zyn, die enigen Brandewyn hebben, waar 
mede zy zich in den arbeidzamen Vifchtyd verkwikken 
konnen, zo om dat zy des Zomers geen zo groten voor- 
raad daar van konnen kopen, als om dat de Brandewyn , 
die zy te koop bekomen , na Paaffchen zelden meer drink- 
baar is; weshalven zy zich 'er ook weinig over bekreunen, 
Doch wanneer zy , volgens het gebruik der Viflers in an- 
dere landen, een goede teug Brandewyn namen, 't zy zy 
in Zee gaan of van daar terug komen, zoude hun zulks 
goed en dienftig wezen, vermits de zware arbeid geduren- 
de de Vifchvangft byna ongelooflyk is. By heldere nach- 
ten, ook wel anderzins tegens het krieken van den dag, een' 
paar uren voor zonnen opgang, gaan zy fomtyds 4 mylen 
diep in Zee, en keren tegens den ondergang der Zonne 
weder naar huis; ook blyven zy Wel eens gedurende den 
nacht op Zee, wanneer het goed weer is , enzy befpeuren 
dat de Vifch nadert en byt, om een Boot vol te bekomen.. 
In dien langen tyd liggen zy en trekken den Vifch met 
lange lynen op, zonder enige fpyzen te gebruiken, of an- 
dere verkwikking te nuttigen, dan alleen een dronk Syre, 
by hun gebruiklyk. Wanneer zy vervolgens weder naar 
Ihuis geroeit zyn , dikwerf met levensgevaar by opkom en- 
den ilorm of kwaad weer, moeten zy, aan land geko- 
men zynde 3 den gevangen Vifch bearbeiden en toeberei- 
den; 



2- 



van YSLAND. 



n 



den, tot hy op de te voren gemelde wyze bekwaam wordt, 
t geen mede geen geringen arbeid is, en daarenboven moe- 
ten enigen ook noch wel een goed ftuk wegs gaan. aleer 
zy te huis komen. Nu wilde ik wel eens vragen, of zy 
na zodanig een zuren arbeid geen' ruft en verkwikking no- 
dig hebben, en of zulke hongerige- magen zich met den 
kop van een Dorfch, en het afkluiven der graden zouden 
konnen laten vergenoegen , maar of zy niet veel eer een 
goed gedeelte van den Dorfch zelven , of een anderen 
Vifch nodig hebben? En zoude het hun dan ook ondien-- 
Itig wezen enigen Brandewyn te gebruiken, wanneer zy 
denzelven bekomen konnen? doch welk geluk naauwlyks 
een onder honderden wedervaart. De enige verkwikking, 
die zy buiten de Syre op Zee hebben, is en ige Tabak, wan- 
neer zy dezelve machtig zyn, die vele onder hun op drie 
verschillende wyzen, een ieder naar zyn fmaak gebrui- 

De manier der toebereiding van den Flackvifch zal ik 
befchryven zodanig ik zulks dikwils gezien heb. Wan- 
neer de Vifch geopent, de kop afgefneden, het inge- 
wand er uit genomen, de buik geheel geopent en de rug- 
graad er mtgehaalt is, leggen zy denzelven weder byeen, 
de Vleefchzyde tegens malkander gekeerd, 't geen by droog 
weer gefchiedt , en wanneer men den Vifch den volgen- 
den dag te drogen leggen kan, of in kleinehopen op mal- 
kander zulks de huidzyde naar boven gekeerd wordt, 
naamlyk als het vneft, of vochtig weer is, en de Vifc£ 
SrnJfJ ? r °# e r\ §eleg i kan WOrden ' Het weêr g^d zynde, 
T/t, d ? ^kk 16 dr ° g f, n gdegt ' en Wel op ftenen/doo? 
tJ a a lve „ hebl f n > welke 2 7 dan als een ftenen muur op 

ornnH f ^ Pden ' '- ^8 hoo S of ^ hoger boven den 
grqnd,. doch wanneer geen' ftenen by de hand zyn, wordt 

1,, ^ an K het ft ' and °P het zand uitgebreid, en wei 
daap nadat hy t z gekomen . | Q verr > hetwe 

zulks geheugen wil. Dus Haagt de Vifch het beft , offchooa 

het ook geen nadeel doet, wanneer hy 3 of 4 weken ia 

H * Ka- 







BESCHRYVING 

Kafen ligt, wanneer het weer niet te vochtig of de Vorft 
niet te fterk is. Als de Vifch te drogen is gelegt , word 
hy eens des daags door de Vrouwen omgekeert, terwyl de 
Mannen op Zee zyn, en word nu eens de Vleefchzyde, 
dan de Huidzyde by verwiifeling tegens de Zon en de 
Lucht gekeerd. Zo het weer goed en bekwaam om te dro* 
gen is, kan de Vifch binnen 14 dagen volkomen droog 
worden j doch doorgaans wordt daar toe meerder tyd ver- 
eifcht, vermits het ligtlyk vochtig weer ondertuflchen ma- 
ken kan, 't geen het fchielyk drogen belet. De Vifch droog 
genoeg zynde, wordt op hopen byeen gelegt op de ge- 
melde ftenen muren , de Huidzyde altoos naar boven ge- 
keerd, op dat 'er de regen geen nadeel aan zoude doen. 
De Tslanders bekomen 'er waarlyk geen huishoge hopen 
van, gelyk men den heer Ander/on bericht heeft, want 
een ieder de zyne byeen legt , die gene grote hopen kon* 
nen uitmaken, maar zy ftapelen den Vifch op ttene mu- 
ren niet hoger op een , dan een man gemaklyk bereiken 
kanj doch wanneer de Vifch door de inwoonders van ie- 
der diftriót. op de Handelplaatfen byeen gebracht wordt, 
maakt men 'er huishoge hopen van, gelyk by ons de hooi- 
roken. De inwoonders dekken den Vifch niet, wanneer 
hy gedroogt is, ten zy zy zo veel 'er van verkogt heb- 
ben als zy konnen, en nemen alsdan hunnen eigen Win- 
tervoorraad in huis ^ doch wanneer de Kooplieden de hun- 
nen op hopen gelegt hebben , en het regenachtig uitziet, 
wordt hy gedekt, dewyl hy kort daarop te fcheep ent'za- 
men gepakt moet worden, en derhalven de vochtigheid 
niet zo zeer verdragen kan , dan die der Tslanders , welke 
in kleine opene en on geperfte hopen ftaat, waar door de 
lucht te ligter kan doordringen , en de vochtigheid op- 
drogen , die dezelve door den regen ingezogen mogt heb- 
ben. Dusdanig gaat het met de toebereiding van den gedroog- 
den Flackvifch in Tsland. 

De Hengevifch , waar van de heer Jnderfon voorts 
fpreekt, wordt ook op dezelfde vvyze als de Flakvifch be- 
hang 



2 






u» YSLAND. 



6ï 



handelt en toebereid, met het onderfcheid alleen , dat hy 
in den rug opgefpouwen wordt, op dat hy te ligter zoude 
konnen drogen, en vervolgens word hem een gat in den 
buik gefneden, om dat hy aan een ftok geregen zoude kon- 
nen worden , waarna men hem op de hier boven befchre- 
ven wyze in de Hialden om te drogen ophangt. Het uit- 
geiten, waar van de heer Anderfon voorts fpreekt, heeft 
20 weinig plaats by den Hengvifch als by den Flackvifch; 
dat is, men weet daar van niets te zeggen; want hy daags 
na dat hy uit Zee gekomen is, opgehangen wordt. Die 
Hengvifch word niet alomme in 't land bereid, gelyk hier 
voren gezegt is, maar alleen in enige plaatfen tegens het 
weiten ; niettemin hebben de meefte inwoonders door het 
gantfche land Hialden of Schuren , om daarin hunnen Vifch 
op te hangen en te bewaren, dien zy van tyd tot tvd verfch 
eten, na dat hy in den wind gehangen heeft,' en, om 
niet te bederven, voor de Zon bewaard is 
j ^l ^ V l' De Len § e of * Lange is een' foort van Dorfch • Van de 
doch fmaller en langer dan de gemene grote Dorfch, waar Len S en » 
om die Vifch ook dien naam draagt. Uit dezen weten de 
Tslanders zo goeden Flackvifch en Klipvifch te bereiden 
als uit den Dorfch. Offchoon men den heer Anderfon be- 
richt heeft, dat hy niet zo goed zoude uitvallen, als die 
van den Kabeljauw zelven gemaakt word, en derhalven 
gemeenlyk maar alleen door de inwoonders tot hunnen 
mondkoft wordt gebruikt, moet ik daar tegen aanmerken 
dat men in de gedrukte Landtax gezegt vindt: datdeLen- 
ge dubbel zo veel als deDorfchzal gelden,'t geen meer dan be- 
wys genoeg is, dat zy goed moetzyn, en niet maar alleen 
door de inwoonders tot hunnen mondkoft gebruikt wordt. 
Doch van de Lengen wordt geen' grote menigte gevangen. 
JNadien de Tslanders ook Klipvifch van de Lengen berei- 
den vervalt teffens, 't geen de heer Anderfon zegt, dat 
net den Tslanderen niet gelukken wil, Klipvifch 'er van te 
maken , als die liegt uitvalt en ligt verderft , en derhalven 
niet uitgevoert wordt. Den naam Klipvifch hier van te 
H l willen 









• 



ir 

• ■ ; 




BESCHRYVING 




■willen afleiden , om dat hy op de K lippen of Banken van glad- 
de ftrandftenen gedroogt wordt, kan mede geen fteek hou- 
den, vermits de Flakvifch op de zelfde wyze wordt ge- 
droogt; en nadien nu dit de beide foorten gemeen is, moet 
de naam van Klipvifch een andere oorfprong hebben , ver- 
moedelyk van de Klippen of Stenen, die daaglyks op den- 
zelven gelegt worden, om hem zyn vereifch te geven; 
■want dit heeft de Klipvifch eigentlyk in de toebereiding 
vooruit voorden Flackvifch,en kan alzo met meer grond 
van daar zyn naam hebben. 
Van de §. LVII. Ik kan niet zeker zeggen, wat de heer Ander- 
Schel- fin eigentlyk vo^r een Vifch meent, dien hy Schelvifch 
vifch of n oemt; doch girTe, dat het de Vifch zal moeten zyn, die 
J? ux ff de Tshnders J/e noemen, vermits dezelve het naad over- 
fche eenkomt met de befchryving, die de gemelde heer daar 
van geeft, inzonderheid in zyne aanmerkingen, naamlyk, 
dat het een' foort van Dorfch zy , wiens Vleefch , gezoden 
zynde, meer dan anderen van zyn gedacht Schelft of Schil- 
fert, dat is, in dichte ronden Schelf bladen of Schilfers van 
een berd, en genoegzaam bladert, gelyk ook dat hy ken- 
bare Schubben heeft , waar mede hy zich van alle anderen van 
zyn gedacht onderfcheid; doch zo hier de I/e gemeent 
word, gelyk ik geloven moet , vermits ik geen anderen 
Vifch vinden kan, die beter naar die befchryving gelykt, 
en ook deze Vifch nergens anders door den heer Anderfin 
wordt aangehaalt, zo kan men hem gewis niet onder de ge- 
ringde Viffchen tellen, waar mede de grote God Tshndb& 
giftigt heeft. Ook kan men niet zeggen, dat hy zo wel 
niet fmaakt als de Kabeljauw , en daarenboven veel kleiner 
dan deze valt; want dezen Vifch vangen deTslanders 'meert 
grote menigte en op zekere tyden maar alleen. Wanneer 
daar en tegen zeer weinig Dorfch gevangen wordt en hy 
enigzins vet is , fmaakt hy zeer wel en even zo goed als de 
Dorfch: ja ik kenne onderfcheidenen by ons, die dezel ven veel 
liever dan den Dorfch eten, veelligt om dat hy hier zeld- 
zaam is. Van de J/e of Schelvifch wordt zeer goede Klip- 
vifch 



éK 



van YSLAND. 



<*3 



vifch toebereid, beide door de Deenfihe Kooplieden en de 
Tslanders^ en ik kan niet lochenen, dat wanneer de I/e dus 
toebereid is y hy my zo goed als de Dorfch fmaakt. De 
Kooplieden nemen dezen Vifch, 't zy gedroogd of op de 
wyze van Klipvifch toebereid, aan; doch zodanig dat 
zy, dezelve noch verfch z-ynde, 3 Ifen tegens 2 Dorfchen 
rekenen, 't geen ten blyk verftrekt, dat hy bekwaam is 
©rn tot Khpvjfch gemaakt te worden : ook is hy niet veel 
kleiner, maar zelfs doorgaans zo groot als de meefte Dor- 
fchen, offchoon men ook wel groter Dorfchen dan de 
Schelvifch vindt. In het volgende Artikel van de Wytïng 
zegt de heer Ander fon, dat hy niet goed om te drocrenis ' 
waar tegen ik verzekeren kan, dat de Tslanders dezelve in 
zo groot een menigte drogen als den Dorfch , en wanneer 
de Schepen van de Kompagnie uit het land vertrekken 
blyven gewis meer gedroogde Ifen dan Dorfchen binnen het 
land, vermits de laatftgenoemde Viffchen door de Koop- 
lieden veel meer dan de eerftgemelde aangenomen worden; 
De inwoonders keuren dezelven in de huishouding byna e- 
ven zo goed als den Dorfch, en verkopen hem vermengt met 
denzelven voor een gelyken prys; zulks die Vifch werk-lyJt 
m denzelfden graad met den Dorfch (taan kan, ten minfte 
'er onmiddel yk op volgt. Hy onderfcheïd zich zo wel van 
den Dorlch door zyne fyne Schobben, die merendeels af- 
gefchrapt worden, wanneer men hem tot Klipvifch be- 
reidt , als door 2 dikken graden boven by den kop, wan- 
neer men hem doorfnydt , die de Dorfch niet heeft- 
eindelyk is hy witter van buiten, maar niet kleiner danV 
de Dorfch. 

S j LVI i L f De , W y tin S> door teYskndersLife genaamt , valt Van dè; 
rondom Tsland veel groter en vetter dan elders, en heeft ge w y tin g 
l.yk bekend is ongemeen lekker Vleefch. Hy komt den .j*&L. 
Schelvifch veel nader dan den Kabeljauw, zynde witach-Sfel 
tig van verwe, van waar hy zyn naam heeft. Hy wordt 
in geen' grote menigte gevangen,, derhalven ook meren- 
deels verfch gegeten 3l en mitsdien niet veel om te drogen 










BESCHRYVÏNG 

gebruikt. Wanneer het maar alleen belettede , 't geen de 
heer Ander (on bericht, naamlyk, dat hy zo weinig als de 
Schelvis tot goede Flack- en Heng vifch dienen wil, zou- 
de hy^zeer nut te drogen zyn, gelyk van de Ifen of Schel- 
vifch vele honderden Schipponden gedroogt en in het 
land vertiert worden ; want even zo wel kan men aldaar de 
Wyting of Life drogen. En waarom doch zoude men de 
Wyting in Ysland niet konnen drogen , daar men weet, dat 
hy by Helfwgnor gedroogt kan worden? De zaak beftaat 
daarin, dat nadien die Vifch in geen grote menigte gevan- 
gen word, men hem zeer gaarne verfch tot fpyze gebruikt , 
en zeer welfmakend zynde, mitsdien ook met veel droogt^ 
daarenboven is hy , gelyk de Schelvifch , geen Koopmans 

Vanhet g °|.LIX. Op dat de Vifch, waar van hier gehandelt 
fooit wordt, niet naamloos blyven, maar zyn eigen en reenten 
? orf S h 'naam bekomen zoude, moet ik berichten, dat de blunders 
Sn hem T'islwg noemen, 't geen een' verkleining van Dorfch 
deisTis-i s . Door de Denen word hy Titthng genaamt, onder welke 
Hngge- benaming men hem in Coppenhage zeer wel kent en weet, 
naamt ' dat het de kleine Dorfch of Bergensvifch is. Hy is niet 
anders, dan het jonge broed van den volwafTen Dorfcn , 
gelyk ik reeds te voren aangetekent heb. De middelioort 
van Dorfch, tuflehen den groten Dorfch en Tittling, wordt 
bv de falanders Stutting en by ons Middel-Dorfch genaamt. 
Deze is, gelyk de heer Anderfon zegt, met de tederfte 
Schubben bekleed , die men met de hand, ja als hy ge- 
zoden is, zelfs tulTchen de tanden niet voelen kan; doch 
dit vindt men ook zo by de twee andere foorten van gro- 
tere Dorfchen, naamlyk Stutting en den groten Dorfch , 
zulks dezen alle in der daad llegts maar eene foort van 
Vifch zyn, en enig en alleen in den ouderdom en de gro- 
te verfchillen. Zyne verwe zegt de heer Anderen, is 
graauen enigzins goud ver wig, met vele bruine en zwarte 
vlekken en ft» epen verfiert, en een weinig verder, dat 
hy in den zomer helder van verwen, doch inden Win- 



d~m. 



van YSLAND. 



6s 



ter donkergraau is. £o als hy volgens die befchryving 
by Lubeck gevonden wordt, ziet hy ook by Tsland uit. De 
Tittlingen, die enigen tyd dicht onder het land in een' 
zekere foort van Zeegras gelegen hebben , gelyken onder 
den buik goudverwiger, dan de anderen. 

$. LX- De Vifch, waar van de heer Ander fon in dit Va öde 
Artikel fpreekt, noemthy Kool, en ditwelIigtkandeduit- KooU 
fche naam van denzelven zyn; doch in 't Tslandjcb wordt 
hy Tpfe genaamt, 't geen met den noorweegfchen naam 
Oefs, dien de gemelde heer aanhaalt, overeenkomt. Veel- 
Jigt heeft men hem dien duitfchen naam wegens zyne don- 
kere verwe gegeven. Dat hy een' foort van Kabeljauw 
zy, geloof ik mede, vermits hy denzelven gedeeltlyk ge- 
lyk en ook even zo groot is; doch dat hy zo mager en 
flegt van fmaak zoude wezen, dat de Tslanders hem niet 
gebruiken konnen, en hem ook nooit eten, dewyl het 
hun geenzins aan betere foorten ontbreekt, ftrydt tegens 
de bevinding. De Tslanders eten denzelven , gelyk ande- 
ren goeden Vifch , en hy ftnaakt zeer wel ; ook is het 
bekent, dat hy, gédroogt zynde, een goede Vifch is, 
offchoon niet zo goed als de Dorfch ; doch de gedroogde 
wordt niet veel in Tsland gevonden, vermits men hem 
in geen' grote menigte vangt. 

§. LXI. De Botten of Schollen zyn in zich zelven zeer v £ • 
goed en vet in Tsland. Dat men haar drogen en tot Botten 
Winter- voorraad bewaren kan, heb ik zelf bezogt ; enofSchof* 
dat zy ook uitgevoert konnen worden, daar van heb ik Ien '- 
mede een bewys gezien, vermits ik opgemerkt heb, dat 
een Schipper ? of 6 netten dicht om zyn Schip, in de 
haven liggende uitzettede, en een' aanzienlyke menigte 
vong, zoutede, droogde en met zich voerde; doch de in- 
woonders des lands maken zich dezelve alzo niet ten nut- 
te, maar eten ze verfch, vermits het kopen van Zout 
hun te koftbaar valt, en derhalven leggen zy zich niet fterk 
toe dezelve met netten te vangen; doch wanneer zy een 
hoek naar Dorfch uitwerpen, byt 'er fomwylen een' 

I Bot 




BESCHRYVING 

Bot of Schol aan, welke zy wel ophalen, maar niet wel 
'er mede te vreden zyn; en op die wyze worden zy ver- 
plicht, die weinige Botten of Schollente vangen, welke 
zy eten. Op enige plaatfen hebben de inwoonders de 
gewoonte , Botten of Schollen met netten te trekken, ge- 
lyk by ons, en bekomen dezelve alsdan in grote menigte, 
doch die zy meed verfch eten , vermits zy van geen 
Zout voorzien zyn, 't geen eigentlyk daar toe nodig is, 
wanneer zy gedroogt zoude worden. 

Van de §. LXII. Rondom Tsland wordt een' taamlyke menigte 
Heilbot. grote Heilbotten gevangen, maar of zy zo zwaar zyn, 
als de heer Ander fon fchryft, naamlyk 400 ponden, kan 
ik niet zeggen, vermits ik gene gelegenheid gehad heb, 
om dezelve te wegen. Dit weet ik, dat vele gevangen 
worden, die 3 ellen en daar boven lang, evenredig breed 
en zeer vet zyn. De Tslanders bereiden 'er onderwylen 
zeer goede Raf en Rekel van. De Tshndfche naam Ra- 
far beduidt den geheelen ruggraad van een Vifch; doch de 
Flosvinnen , die zy 'er van fnyden, worden Raf-Belte 
genaamt ; ook noemt men de Rekel in 't Tslands niet Ri- 
klinger, maar Riklingur, zynde lange ftriemen, die van 
<3en Vifeh in de lengte afgefn eden, voorts gedroogt en Re- 
kel of Ratling daar van toebereid wordt. 

Van de- g LXUl. Van Makreel weten deïslanders gantfch niet, 
noch kennen dien Vifch , 't zy onder dien of een anderen 
naam. Ik wil niet weêrfpreken, dat die Vifch onder de 
inwoonders van de Noordzee gevonden kan worden, en 
uit het noorden voorby Hitland, Schotland en Engeland 
door die Zee trekken kan; doch moet echter zeggen, dat 
hy niet voorby ïsland trekt noch van de Tslanders gevon- 
den wordt. 



fereel 



Van andere Strand- en Zee viffcben , die door den beer 
Ander fon niet genoemt worden. 

Offchoon die heer van den Makreel , die echter by Ts- 
ïand 



van Y S L A N D. 



^7 



topniet gevangen wordt, een byzonder Artikel gemaakt 
neeft, zozyn nochtans enige Viflchen overgeflagen , die 
den Tslanderenttn nut verftrekken, en waar van een'taam- 
lyke menigte gevangen wordt. Nadien het nu wezentlyk 
tot een' landbefchryving behoort, dat men toont, waarin 
deszelfs voortreflykheidbeftaat, en wat de neringen hand- 
teenng der inwoonders zy, zal ik kortlyk eni<?e Zee- 
viflchen noemen, welke by rdand gevangen worden, in 
plaats van den Makreel, die men 'er niet vindt. 

De Steenbyter wordt op enige plaatfen in grote menig- 
te gevangen, voornaamlyk aan.de Weftzydevan het land 
en ook gedeeltelyk zuidwaards.. Deze is de Vifch niet* 
die by ons Steenbidder (Steenbyter) genaamt wordt ■ maar 
byna zo groot als een Dorfch , is donker van verwe op 
den huid, heeft kleine fchubben, een korten kop, 2 een* 
grote kieuwen, maar vele fcherpe tanden, byna lel vk 
die der honden, en byt ook zeer fterk, weshalvén mea 
zich voor hem hoeden moet, op dat hy den zulken , die hem 
vangt, geen nadeel toebrengt. Hy wordt ongetwyffelt 
Lupus Marinus genaamt, en kan in 't duitfch Zeefnoek 
lieten, vermits hy eniger mate onze Verfch water* moeken 
nietongelyk is. Zyn Vleefch fmaakt zeer goed, en wordt 
zowel verfch als gedroogd door de Manden gegeten. On 
zekere tyden word die Vifch meer dan anderen gevangen • 
zulks hy dan den mwoonderen tot een groot nut vertrekt* 

Een anderen Vifch, den vorigen in geftalte taamlyk ee- 
lyk, doch die enigzinsgroter is , en door de Tslanders Hlir 
genaamt wordt, vangen zy ook hier en daar, offchoon 'm 
geen zo grote menigte dan de Steenbyter, en is zeer goed 
te eten. ? ö u - 

De Rodmaven ( Rothmagen ) heb ik bevorens befchre* 
ven by gelegenheid der Strand- of Zeemeeuwen 3 weshaiven 
m het zelve alhier met weder herhalen wil. Zy worden in 
grote menigte beide met den hoek en met netten gevan- 
gen en ook gelyk by ons de Aal geftoken. Het is een 
zeer lekkere fpyze op onderfcheide wyze toebereid, voor, 

ï 2 naam- 















68 



BESCHRYVING 



naamlyk als zy een weinig gezouten en winddroog gege- 
ten worden. 

Van gelyke geftalte met den Rothmagen wordt ook nu 
en dan een andere Vifch gevangen , die de Tslanders Gra- 
vemave (Graumagen) noemen , vermits deze graauw al- 
waar de andere rood is. Hy is groter dan de Rothmagen, 
en zeer goed tot fpyze. Deze twee worden vooreenefoort 
van Vifch en de Rothmagen voor het mannetje, de Grau- 
magen voor het wyfje gehouden, vermits indeeerftenooit 
anders dan kuit gevonden word, en in het tegendeel altoos 
hom in den anderen. En deze Vifch is het , myn's erachtens , 
dien men hier Steenbidder, dat isSteenbyter noemt; doch 
ik ben geen zo groot een kenner van Vifch , dat ik zulks vol- 
komen verzekeren kan. 

DeRockvifch, in 't rj/ai^/h&Skatagenaamt, valt aldaar 
in taamlyke menigte, en is een zeer fchone Vifch, voor- 
naamlyk wanneer hy als Klip vifch toebereid wordt, als wan- 
neer zy hem dan Kliprokken noemen. Dat dezelve zeer 
goed is en gretig gezogt wordt, betuigt de Landtax, waar- 
in gezegt wordt, dat hy twee VifTchen gelden zal, dat is, 
dubbel zo veel als een grote Dorfch. 

De Karve is een zeer welfmakende Vifch, die by tyden 
met den hoek gevangen wordt, doch in geen' grote menig- 
te. Deze dunkt my van fmaak en geftalte dezelfde tezyn, 
dien wy een Baars noemen. 

Deze zyn de voornaamfte en meeft gemene ZeevhTchen 
van de kleinere foort, waaruit de inwoonders goed nut en 
voordeel trekken. Nu zal ik my met den heer Ander fon 
naar de grootfte ZeevnTchen wenden. 
Van de §. LXIV. Rondom Tsland wordt een' grote menigte Wal- 
Walvis- viflchen van allerly foort gevonden , die ook aldaar een ie- 
fchen. ^ er hynne byzondere namen hebben, welke alle op te tel- 
len veel te wydlopig zoude zyn , en een byzonder werk verei- 
fchenj weshalven ik den heer Ander jon flegts volgen zal, 
en daar van zo verre fpreken, als zyn gefchriftmy daar toe 
aanleiding geeft, nadien myn oogmerk zich thans niet ver- 
der 







vanYSLAND. 



60 



der uitftrekt. De grote Groenlandfche Walvifch is den Yslande- 
ren te min onbekent, vermits zy hem zeer dikwerf zien j 
en nadien hy een gladde rug zonder Fiosvinnen heeft, 
noemen zy hem Stetbakur , dat is Gladrug. Doch de 
Sandhval is dezelve niet, gelyk men den heer Ander fon be- 
richt heeft, maar een gantfch andere Walvifch. Van die 
beide foorten andere grote WalvnTchen wordt rondom 
Is/and een' grote menigte gevonden, ja zelfs dikwerf in 
de bogten en grote bayen , als by voorbeeld Hafafoior, 
( t geen van de WalvnTchen den naam draagt.) Hafnefiord en 
andere meer weftwaards in het land. Dus heb ik zelf 10 
a 12 fluks tefféns in Hawlfior gezien, die de paflage zoda- 
nig beletteden, dat men zig daarover niet vertrouwen kon- 
de. ^ Gemeenlyk komen zy jaarlyks op een zekeren tyd 
als in de maand July of het begin van Auguftus. In de 
bayen weftwaards van het land komende WalvnTchen noch 
overvloediger en menigerwerf. De manier , welke de inwoon- 
ders op enige plaatfen des lands gebruiken, om dezelve te 
vangen , beftaat daarin , dat een Boot zo na by den 
Walvifch roeit, als immer mooglyk is, en dat vervol- 
gens een van het Volk, des afgericht, een groten yzeren 
Harpoen in den Walvifch werpt, die als dan terftond de 
vlucht neemt. Deze Harpoen is gemerkt met het teken 
van die hem geworpen heeft, en wanneer de Walvifch daar 
aan fterft, ingeval hy wel getroffen is, dry ft hy aan' een ze- 
kere plaats van het land, wanneer het geluk zulks wil of 
ook wel dikwerf van het land, na dat de Wind waeit 'Zo 
de Vifch aan land dryft, bekomt hy, dien de Harpoen toe- 
behoort, een zeker gedeelte van den Walvifch, volgens 
de Tslandfche wetten, en hy,op wiens grond hy komtlan- 
dryyen,dereft.Dit is de gantfche konft, die de Tsïanderste 
werk ftellen, om de WalvhTchen te vangen, en tot zo 
verre ftrekt zich hunne kundigheid daarin tot noch toe uit. 
Doch nadien zy onlangs behaïven iemand, die dat handwerk 
verltaat, ook degereedfchappen tot het Harpoeneeren beko- 
men hebben, vermoed ik, dat hun de WalviTchen voor- 

I 3 - taaa 









70 BESCHR YVING 

taan niet ligt ontwyken zullen. Datde Walvifchbaardenalle 
niet klein zyn, is daaruit te beiluiten, dat men rondom 
Ysland zo wel grote als kleine Waiviflchen vindt , weshal- 
ven de Baarden door de Deenfcbe Kooplieden zeer wel ge- 
zogt worden : ook mangelt het den inwoonderen aan geen' 
werktuigen, om de Baarden uit te fnyden, wanneer zy 
maar Waiviflchen genoeg bekomen konnen. Het Wal- 
vifchfpek koken de Yslanders terftond in een Ketel waarin 
bevorens enig water gegoten is; zulks de Traan altoos bo- 
ven dryft, die zy affchuimen, zo lange iets daar vanop 
het Water blyft. Het Vleefch, 't geen na het fmelten 
van het Spek overig blyft, heeft, zo zy zeggen, geen den 
minden Traan fmaak,en gebruiken het enigen, om in hun- 
nen Syre te leggen, die gelyk fterke Azyn is, waarna het 
zeer goed om te eten zoude zyn. £n op die wyze vindt 
men aldaar lieden , die zich dat Vleefch ten nutte weten 
te maken. Perfonen, welke het geproeft hebben, heb- 
ben my verzekert dat het niet walglyk te eten zy, maar 
zeer wel fmaakt; doch het verdient zyn aanmerking, dat 
het Vleefch van alle Waiviflchen niet eetbaar, maar het 
een algemene regel is, dat het Vleefch van de Waiviflchen , 
die tanden hebben, niet deugt , maar dat der anderen zich 
wel eten laat. 

Zeevar? ' § ' LXV ' Het fch y nt dat beheer Jnderfon het Zeevar- 
ken. ken, 't geen door de Yslanders Ni/e genaamt wordt, in dit 
Artikel met den Springbval t'enemaal vermengt. De laatfte 
is gantfch onderfcheide van het eerfte, beide in opzicht 
van de grote , vermits de Springbval dikwerf 9 ellen 
lang; doch het Zeevarken veel kleiner en maar flegts 
5 tot 8 voeten lang is, en ook in opzicht van hetfpringen 
't geen het Zeevarken toegefchreven wordt ; want het 
Zeevarken fpringt byna niet, maar wentelt zich rondom, 
en kan niet fpoedig voortkomen; daar in het tegendeel de 
Springbval, waar van men twee foorten in Ysland heeft, 
zowel gezwind zwemt, als hoog uit het Water fpringt. 
Wyders vermengt men deze beiden, wanneer men zegt* 

dat 







LA> 



van YSLAND. 



7i 



dat het Zeevarken in de maand Juny blind wordt, waar 
van niets bekent is, maar wel in het tegendeel dat de oog- 
leden van den Springhval, wanneer hy een Boot poogt te 
befchadigen , en uit de Zee opfpringende op de Boten 
jtort, over de ogen nedervallen, 20 dra hy uit het Water 
komt, weshalven hy niet zien kan, en de Boten enigerma- 
ten van hem terug wyken konnen ; ook zoekt het Zeevar- 
ken de Boten nimmer, maar is zulks des Springhvals groot - 
lte vermaak, invoegen hy lange blyft aanhouden, om de- 
zelve te vervolgen en te befpringen , gelyk hier voren ge- 
zegt is. Het Vleefch der Zeevarkens is alzins eetbaar. De 
Tslanders laten zich niet affchrikken dezelve met Harpoe- 
nen te jagen, op welke wyze zy vele vangen; ondertus- 
ichen jagen zy ook enigen op 't land, vermits zy vreesach- 
tig en wel te jagen zyn, en brengen dezelve om 't leven 
zowel in Juny als andere maanden, nadien niemand weet 
of gelooft, dat zy den enen tyd van het jaar blinder zou- 
den zyn dan den anderen; maar het Zeevarken kan niet 
fpc-edig voortgeraken , waarom de r.r/tór.r hemgemaklyk 
volgen konnen , en het is zeer gemeen , dat twee menfchen 
in een kiemen Boot de Zeevarkens aandoen en zich ten buit 
maken, zowel voor als na de maand juny .vermits zy (teeds 
even blind zyn. 

§. LX VI De heer Ander fon noemt dezen Vifch Hay vifch, Van b* 
Zeehond, Haanfch en Haukal , zonder dat ik wille, wat Zeekak 
naam de rechte was, maar nu weetik, dat Zeelanders hem 
Haakal noemen, 't geen Haakal uitgefproken word enZee- 
fcalf beduit ; weshalven ik hem ook dien naam geef. Van 
dezen Vifch vangen de Tslanders enetaamlyke menigte 
met een daartoe gefchikt werktuig, 't geen zy in Zeedoeti 
nederzinken, en waar aan boven een Dobber is. De Vifch- 
ynen zyn boven den hoek met een' yzere keten, twee el- 
len lang^, voorzien, op dat de Vifch dezelve niet zorde jifl 
5?r e ^ Ü geen g efehiede zoude, wanneer het flegts een 
Vifchfnoer was. Als de Tslanders o? Zee naar hunnen vangft 
xocjen, om te zien 3 of zy jets opgedaan hebben,' gebeurt 

het: 




j 




BESCHRYVING 

het niet zelden, dat zy met dat werktuig 12 tot 1 6 fluks 
Viflchen aan den hoek valt vinden, die zy alsdan een ieder 
voor zich met een fnoer binnen den Boot valtbinden, zo- 
danig met zich aan land liepen, en dus een gelukkige en 
nutte vanglt doen. Het Vleefch van dien Vifch fmaakt 
zeer wel; doch men heeft bevonden, dat wanneer men hem 
te veel ofte dikwils eet, daaruit geméenlyk zware krank- 
heden ontltaan en eenhaaftige dood teweeg gebragt wordt , 
-weshalven hy zelden gegeten word, dan na dat hy een 
langen tyd , ja wel een gantfch jaar , gehangen heeft , als wan- 
neer het vet 'er uitgedropen is, en hy als goede gedroogde 
Zalm fmaakt. De Tslanders bekomen van dien Vifch geen 
Traan. DeLever is, gelyk de heer An de rfon zeer wel fchry ft,zo 
ongemeen groot, dat men met een' van dezelve een Quarteel, 
dat is een vat van 69 Hamburgfche Stopen , vullen kan , en 
uytdie Lever bekomen zy het allerfchoonfte Traan. In deal- 
lergrootfte Zeekalven heeft men Levers gevonden, die 
9 ellen lang en zo groot waren, dat men 'er 2 tonnen mede 
konde vullen. 
Van de §> LX VIL De Zwaardvifch wordt zowel rondom Tsland 
Zwaait gezien, als de andere foorten vangrotere VifTchen. Dat de 
Zwaardvifch de Zeehonden vervolgt, en dezen dikwils op het 
land naar de menfchen fpringen , om hem te ontgaan, 
deswegens heb ik wel onderzoek gedaan, maar niemand 
weet, dat zulks ooit op tsland gefchied is. 

§. LXVIII. Men heeft; den heer Anderfon een aartige 
Zeebul doc h te ff ens zeer bekende Fabel vanZeebullen en Zeekoe- 
ZeeSe. jen verhaalt, die hy zich de moeite gegeven heeft in dit 
jen. Artikel aan te halen, naamlyk dat dezelve met den kop een 
Os, doch met het Ivf en de poten een Rob of Zeehond 
gelyk zyn , en dikwils met hun bulken te weeg bren- 
gen, dat de Landkoejen tochtig en als dol dat geluid 
volgen. Offchoon die heer fchryft, dat hy die hilton int 
den mond van 2 perfonen gehoort heeft ^ voegt hy 'er 
echter by, dat zy geen oog- maar oorgetuigen daar van ge- 
weeft 



vifch. 



Van 







vam YSLANB. 



7! 



weeft zyn. Dus gaat het ook in ffiland^znt niemand heeft 
Het aldaar ooit gezien, maar velen hebben het gehoort 
iteeds de een van den anderen, gelyk het doorgaans met de' 
öpinrokpraatjes gaat, waar van ik velen gehoort heb, die 
even zo ongerymt aJs deze waren, en derhalven ook even 
zo weinig geloof verdienden 5 want wanneer al eens ooit 
die vermande dieren gezien waren, moeft men immers de 
uitwerking van hun gebrul vernomen hebben, naamlyk 
dat de Landkoejen als dol daar naar toeliepen; doch daar 
van weet niemand iets , weshalven het vyligft is op die 
label geen acht teflaan. ö F 

§. LXIX. De Zeehonden zyn ontrent Ysïand in een' zo Vandé 
grote menigte, dat in plaats dat andere Landen en Steden ? ee ' 
Scnepen naar de Straat Davis moeten zenden, om dezelve hoDden? 
te vangen , de Tsïanders hen , om zo te fpreken , buiten voor 
hunne deur hebben. De inwoonders verdeden die dieren 

OiZ ^ en i 5T lyI 5 ' mLand - SeU (Land-Zeehonden,) 
Oe^eJe (Eiland-Zeehonden) en Gtoenhmd-Sek (Groenland 
f ene Zeehonden); De eerftgenoemde foort is de kleinfte 
aoch anderzins de gemeende, Zy worden Land-Zeehon- 
den genaamt, vermits zy zich merendeels by het land op. 
houden en geftadig daar omtrent te vinden zyn. Zy gaan 
ook in de Bayen en kleine armen der Zee en jagen aldaar 
grote en k eine Zalm Forellen en diergelyke lekkere Vis- 
lenen Eiland-Zeehonden zyn de grootfte foort, en wor- 
den dus genaamt om dat zy zich op de Eilanden óphou- 

lieffr nïf Jï Cr T dw i° ndo ? het land '«^n, doch aller» 
hef ft op de onbewoonden, alwaar zy enigerrnaten in ruft 
konnen zyn De Groenlandfche Zeehonden zyn ookerVo > 
gelyk de Eiland-Zeehonden, doch worden voor cetf 11 
dere foort gehouden. Dezen komen jaarlyks aan in 
S^fV ? h0uden 2 ^ inzonderheid aan de 

~^"fv' 5? ^W a j daai '. t0t ^ dS maand Maart 'i ^ 

wanneer zy, die de ZïiW*rj niet ten deel worden, weder 



voort reizen 



De laatftgenoemde Zeehonden, die een der 
& voor- 



J: ' 







BESCHRYVING 

voornaamfte voortreflykheden van. het Land genaamt kon- 
nen worden, worden, nadien zy in een' grote menigte komen 
in Noorder Syjfel met netten gevangen, waar van men 20 
of 30, ieder omtrent 20 vademen lang, in de Bajen , waarin 
de Zeehonden lopen 3 zodanig zet , dat zy genoegzaam 
een Doolhof maken, als wanneer het gebeurt, dat de ene 
Zeehond, die niet in 't ene netgeraakt, gemaklyk in 't an- 
der komt, en dneft voortgaat, zodat ook de eigenaars dier 
.Netten, wanneer zy dezelve optrekken, in iederen trek na 
verloop van een of twee dagen 60 tot 200 Zeehonden 
bekomen konnen, en achten de inwoonders iederen Zee- 
hond zo goed als 2 Ryksdalers, vermits zy een' menigte 
koftbaar Traan en het fchone vel 'er van bekomen In 
OeFiordsSyjfel gebruiken zy zelden Netten, maar hebben 
de gewoonte, de Zeehonden te harpoeneeren, waarme- 
de zy ook meefterlyk weten om te gaan, en op die wy- 
ze een goede vangft van dezelve bekomen. Zy konnen 
pet hunne Harpoenen, waaraan een lang Touw gehecht 
is, op 10 tot 20 vademen zeer gewis treffen. DezeGroen- 
Jandfche Zeehonden zyn van 2 tot 5 ellen lang. Ik weet 
niet, dat die foort op een' andere plaats in 't land zou- 
de konnen komen, ten ware in de weftlyke Bajen 3 doch 
't geen, waar van ik hier naricht geef, is zeker. Ei- 
land-Zeehonden worden onderwylen ook in grote menig- 
te gevangen , byzonder op de onbewoonde Eilanden • 
want vermits zy zich aldaar zeker achten, koomt een 
gantfche hoop menfchen byeen en loert 'er op wan- 
neer zy te land gekomen zyn en zich in de Zon 'baden 
als wanneer dat Volk haaftig toefchiet en de Honden met 
grote Knotfen doodflaat; zulks het niet zelden gebeurt dat 
zy dus 100 fluks op eenmaal ter neder vellen. Op de 
voorbefchrevene wyze worden ook de Land Zeehonden 
gevangen , die in menigte niet met de Groenlandfche te ver- 
gelyken zyn; doch daarentegen rondom het gantfche land 
gevonden worden, en den inwoonder veel voordeel aan- 
brengen. Van dezen wordt ook zuidwaards in 't land geen» 

grote 









~r 



van YSLAND. 



ft 



grote menigte gevangen j en heeft men aldaar het gebruik 
dezelve merendeels met fnaphanen te fchieten, die taam? 
lyk verre reiken. Nadien de Zeehonden en hunne vaneft 
een zo groot voordeeJ aan Tsland toebrengen, is het zeker 
dat men van dezelve niet behoort te zwygen, wanneer men 
enigermaten genoegzame berichten van het land geven 

§. LXX. Behalven Zalmen, die op verfcbeide plaatfen Van de 
in menigte , doch ook elders] min overvloede ge- Zoetwa = 
vangen worden, vind men. op enige plaatfen in verfche S^ 
Meren een' grote menigte Forellen oï Sehmger , gelyk 
zy door de Tslanders genaamt worden, welke algemene 
naam 3 foorten van Vifch in zich bevat, waar valiS 
weder een byzonderen naam heeft, doch doorgaans de Vis! 
fchen zyn, by ons Oerter en Forellen genaamt. Van de. 
zen ongemeen lekkeren Vifch is onder anderen, byzonder 
m My vatne m Noor der- Sy fel, zulk ene grote menigte, dat 
zy gelyk Uackvifch gedroogt worden en op die wyze zeer 
wel fmaken. Op vele plaatfen hebben de Wonders zoda- 
nig een overvloed van Oerter en Forellen, dat dezelve op 
verfcheide wyzen toebereid hun het gantfche jaar tot on- 
derhoud dienen. Op enige plaatfen in 't land vindt men 
ongemeen goede Alen, waarvan ik dikwils gegeten heb- 
maar nadien de Tslanders 'er een byzonderen afkeer van 
hebben zoeken zy dezelve niet; weshalven men niet wel 
ervaren kan, hoe groot de menigte dier Alen moet zyn. 
ik denk met, dat meer foorten van Rivierviflchen dan de 
reeds genoemden in 't land zyn. 

§. LXXI. Slangen worden in Tsland niet gevonden ge- ir 

lltv^tt tG T^ 2Ggt ' hoewefdiehfer zfchSla^, 
noch ans vergift ontrent de daartoe bygebragte redenen 
naamlyk de heerfchende ongemene koude, vlrmitsdezel' 

den e n£'a *"*£*& heb > ten minften '™ ^t «* 
rtfc. T ï en P r u - dan by ons is ' weshalven de Slangen 
aldaai zowel als hier zouden konnen leven; doch nadien 
dat dier op het Eiland noch niet gekomen is, zal het 'er 
K 2 ook 



_ 




7 6 



BESCHRYVING 



ook denklyk in het toekomende niet gebragt worden, noch 
voortteelen. 

Van §• LXXrL Geen land op de Wereld is mooglyk minder 
ïnfeflenvan Jnfeften en allerlei foorten van Ongediert geplaagt, 
|edie?t" ™*p lmd -> hoewel ik de oorzaak niet kan toeftemmen, 
die de heer Ander fon 'er van geeft, naamlvk de hevige en 
Ja gdunge koude, benefTens het gebrek aan Bomen enBos- 
ichen. Te voren heb ik die (lukken zodanig opgeheldert, 
dat het niet nodig zal wezen, daar van hier een woord 
verder te reppen; want offchoon in het land weinige gro- 
te Wouden zyn, zyn nochtans op vele plaat fen kleine 
Bellenen. Het enigft Ongediert, waar van men overlaft 
lydt, zynnp enige plaatfen de Vliegen, die taamlvk groot 
zyn, en 'er in menigte gevonden worden, voornaamlyk 
in Noor der -Syjjel, het koudfte in 't land, en wel byzonder 
rondom het meer, 't geen Myvatne genaamt word en van 
de Vliegen zyn naam draagr. Aldaar worden zowel 
de menfchen als het vee door hen geplaagt; weshalven 
de reizenden een floers voor het aangezicht binden , 
om zich tegens die vyanden te befchutten , vermits 
zy zeer hevig fteken; en is zulks een duidelyk bewys, dat 
die Infecten, onaangezien de ftrenge koude, zeerwei in het 
land leven konnen ; en wel byzonder, om dat in Noorder- 
Syffel het meefte geboomte is, zyn aldaar ook de meefte 
Vliegen. Die dieren houden zich doorgaans by de verfche 
meeren op, en wel byzonder daar Boflchen omtrent zyn; 
weshalve ik zeer vele Vliegen by Th'wgmlle -Water be- 
fpeurt heb, die zeer laftig waren; doch van andere foor- 
ten van Infeclen weet men in Tsland niet. Wanneer het 
een langen tyd droog weer geweeft is, en daarna begint 
te regenen, gaat het aldaar, gelyk in andere landen, naam- 
lyk dat de Dauwwormen in grote menigte uit den grond 
kruipen; doch deswegens wanen de inwoonders niet dat 
dezelve geregent zyn; daarentegen worden by zwaren re- 
gen nu en dan een foort Wormen gevonden, waar van de 
inwoonders die gedachten hebben. Deze groen en van 



van Y-S L A N D. 



77 






geftalte en grote als de half volwaflène Zywormen zyn- 
de, verderven en verteeren het Grasgeweldig, daar zy val- 
len; doch dit is niet algemeen, en wanneer zy komen 
nemen zy gemeenlyk flegts een' kleinen (treeks gronds in. 

$. LXXIII. De Tsknders worden taamlyk door Muizen Van 
geplaagt, zonder dat men ooit befpeurt heeft, dat dezen Muizen 
door de koude gebrek of mangel aan voedfel lyden. In 
het tegendeel vermeerderen zy te veel, en geven den Katten 
werk genoeg; ook bederven zy een groot gedeelte Vifch 
en andere waren der inwoonders. De zeldzame eigenfchap 
van het Kerkhof van het oude Kloofter Widoe, door den 
heer Ander fon dus befchreven , dat als men Muizen op het 
zelve nederzet, dezelve terftond dood bly ven, ftrydt te- 
gens de waarheid, zowel als de voorgewende oorzaak dier 
eigenfchap; want ik zelf op die plaats geweeft, 'erdeproef 
van genomen en die gewaande oorzaak onderzogt, maar 
het een zowel als 't ander onwaar bevonden heb. 

§. LXXIV. Aan de noordzyde van het Eiland (zegt de A f j 
heer Ander [on) kan men van half Juny tot den laatftenzonin 
JuJy het lighaam der Zon niet alleen boven den Horizont Ysiand 
maar oogfchynlyk haar onderrand meer dan een mans^ ds 
hoogte boven het oppervlak der Zee verheven zien. Het £ of 
is meer dan te wei, ook zelfs den ongeftudeerden en on- onacht-' 
geletterden heden, bekent, dat de. Zon op een gelyken baaris * " 
afftand van tyd voor of na den Zonftand enedei hoogte 
hebben moet. Even zo bekent is het ook , dat de Zomer- 
Zonltand demi. juny voorvalt; weshalven van half Juny tot 
den 2 1 . derzelve maand ten hoogften zes dagen zy n, doch daar 
tegen van dien Zonftand tot denlaatftenjuly 41 dagen; zulks 

n u fr f bekende waarheden niet begrypen kan . hoe de Zon 
van half juny tot den laatften July boven denHorizont gezien / 
kan worden; dies noodwendig een' vergiffing in die rekening 
plaatsheeft.Ook kan ik niet zeggen,dat deZon aan de Noord! y- 
kezyde van het Eiland boven denHorizont gezien kan wor- 
den; want daaronder zyn de Syjjhh Hunnevata, Skagefiorden 
üejiord begrepen, alwaar de Zon nooit geftadig boven den 

K l Ho 










73 



BESCHRYVING 



Horizont te zien is, maar aan den nóordlykften hoek van 
het land gefchiedt het dus, by voorbeeld mbyCabo de Nord 
m ótrande Syjffel en by Langenes in Noor der -Sy (Tel , alwaar 
men de Zon enigen tyd voor en na den Zomer Zonftand boven 
den Horizont ontrent een mans hoogte zien kan. Hoe 
onrecht de rekening by den Zomer Zonftand ook is, is zy 
noch onrechter by den Winter Zonftand, wanneer de 
heer Anderfo n zzgt: „ In December en January is het iig- 
» haam der Zon t'enemaal onzichtbaar, behalven dat men 
„ boven aan de tegenoverftaande hoge bergen een klein 
„ ichynfel ontwaar wordt, en heeft men als dan, ongetwyf- 
„ feit door de ombuiging, een' Schemering of dag van an- 
„ derhalf uur of zeven quartier ? Om niet te zego- en , dat 
hier ten opzicht van den Zonftand, die gemeenlyk den 21. 
December voorvalt, een' evengelyke onrechte rekening 
gemaakt wordt, dewyl men ftelt, dat de Zon enige dagert 
langer na, dan voor dien Zonftand onder den Horizont 
blyft, daar echter die dagen in getal noodwendig even veel 
moeten zyn; ook komt 'er noch een' andere vero-iffing by 
hierin beftaande, dat de Zon nooit des Winters of by den 
Winter Zonftand zo vele dagen onder den Horizont zyn 
kan, als zy by den Zomer Zonftand 'er boven is, nadien 
de ombuiging der Lichtftralen te weeg brengt, dat de Zon 
des Zomers meerder' dagen en ook langer boven den Hori- 
zont fchynt te ftaan , dan zy wezentlyk is , en in het 
tegendeel des Winters minder dagen onder den Horizont 
fchynt te wezen , dan zy wezentlyk zoude zyn. Des 
niettemin maakt de heer Anderfon den tyd, dat d*e Zon 
des Winters geheel onder den Horizont is, een' halve maand 
langer dan den tyd gedurende welken de Zon des Zomers 
fteeds boven den Horizont is, 't geen t'enemaal met de 
natuur der zake ftrydt; want 'er kan een' plaats zyn, alwaar 
de Zon by den Zomer Zonftand acht dagen boven den Ho- 
rizont is . en echter geen enkelen dag onzichtbaar bv den 
Winter Zonftand 3 welk een en ander door de ombuiging der 
Lichtftralen 3 die men weet dat by den Horizont zeer fterk 

is* 



? 



van YSLAND. 



19 



is, veroorzaakt wordt. Zuidwaards in 't land kan men re- 
kenen, dat de onderrand der Zon in den Winter Zonftand 
twee graden boven den Horizont zy, de ombuiging 'er 
onder begrepen. Wanneer men nu het land befchouwt 
volgens het denkbeeld,'t geen men den heer Ander Jon heeft 
willen geven, naamlyk dat het gelyk een' enige Klip zy, 
zoude hierin geen groot verfchil tuüchenhet zuider en 
noorder einde des lands wezen, en nochtans is zulks taam- 
lyk groot. Ik zelf ben aan den noorderhoek van het land 
nietgeweeft, maar geletterde lieden , die vele jaren aldaar 
gewoont hebben, hebben my gezegt, dat zy op den kort* 
ften dag des Winters de Zon een uur lang boven den Hori- 
zont zagen , en den lichten dag buiten de fchemering vier 
uren lang rekenen konden. Dus is het ook gelegen op de 
noorderlyke maar niet op de allernoorderlykfte hoeken des 
lands, wanneer by voorbeeld hoog in Noor der- Strande- en 
Ifefiords SyJJel^ alwaar de dagen wel iets korter doch niet zo 
kort zyn , dat men door de ombuiging der Lichtftralen maar 
alleen een' fchemering van anderhalf uur of zeven quartiers 
hebben zoude, en dat wel NB. gedurende twee volle maan- 
den \ want zulk een' plaats in Tsland niet is. Zuidwaards 
in 't land heb ik de Zon in den Winter Zonftand drie uren 
lang boven den Horizont gezien, en altoos volkomen dag, 
dat men gemaklyk konde lezen en fchryven, en 6* uren 
rekenen konde ; want de ochtent-en avond- fchemering, of 
't geen men 't morgen- en avondlicht noemt, is in Tsland 
veel langer dan in Denmarken, vermits de Zon aldaar een 
langen tyd voor haren opgang en na haren ondergang dicht 
onder of Jangs den Horizont loopt, dat is met den Horizont - 
een fchuinfer hoek maakt, dan in Denmarken of verder te- 
gens het zuiden, alwaar zy meer rechtftandig op- of on- 
dergaat tot onder de Evennachtlyn of de eigentlyke linie, 
alwaar zy t'enemaal rechtftandig op en onder gaat, en 
derhalven geen' lange fchemering maakt, maar haaftig den 
Horizont nadert en van dezelve afwykt, welk alles aan een 
ieder 3 die maar een Globe gewent is te zien 5 meer dan 

be« 




io 



BESCHRYVINC 






bekent is. En dit is de oorzaak, waarom de dag of des- 
zelfs licht in Tsland naar mate van het verblyf der Zon 
boven den Horizont veel langer gemaakt wordt, dan in de 
zuidlyker.' landen, 't geen my wel bekent was, doch ik my 
naauwlyks konde verbeelden, dat van een' zo grote wer- 
king konde zyn , als ik ondervond , toen ik tot myne ver- 
wondering in den Winter Zonftand in Tsland byna zo lan- 
ge dagen tot myn gebruik en nut had , als in Coppenhage , 
offchoon de Zon zo lang niet boven den Horizont geweeft 
was. Van daar is 't dat de dagen in Tsland zo veel fnel- 
ler toenemen, dan by ons, voornaamlyk ontrent den tyd der 
Nachteveningen, waarna men van 't begin van de maand 
May geen nacht meer heeft, maar zeer wel zien kan te 
reizen en iets te verrichten 3 en van 't midden van de 
maand May den gantfchen nacht in een boek te lezen, en 
dit noch wel zuidwaards in 't land 5 want noordwaards is 
het fterker en eerder licht. 
Van het §• LXXV. Volgens het bericht, 'tgeen den heer Ander- 
Noor- fon van het Noorderlicht in Tsland gegeven is, zoude men 
derhcht. moeten befl uiten , dat het zelve aldaar zo zeker ging als dag of 
nacht : doch dit is alzo niet ; want 'er des Winters vele nachten 
zyn dat men niets van 't Noorderlicht befpeurt, en zulks niet 
doorde betrokke lucht (want men ook dan het Noorder- 
licht bemerken kan } maar zelfs wanneer de Hemel helder 
was. Dus ook zyn vele zomerfche nachten , als de dagen 
lang worden, dat men het Noorderlicht kan zien, offchoon 
zeer zwak, wegens het licht van de Zon, die niet lang on- 
der den Horizont geweeft is. Het Noorderlicht is aldaar 
in alle zyne eigenfchappen zodanig als by ons in Denmar- 
ken, behalven dat het mooglyk meermalen voorvalt dan by 
ons: echter is het 'er zo regulier niet, als de heev Ander/on 
zegt, in zyne verwirTeling by toe en afnemende dagen. Het 
volgt ook zo (chielyk niet op den ondergang der Zon; want 
ik dikwils gezien heb, dat het eerft ten 8,9 of 10 uren 's avonds 
opkwam, en maar een uur of ook fömtyds langer duurde : 
ja het is ook wel gebeurt, dat het zich af en aan een gantfchen 

nacht 



'S* 



va 3* Y S L A N D. 8l 

nacht vertoonde, doch zulks is niet algemeen. Hier uit 
is op te maken, in hoeverre waar zy, 'tgeen men den heer 
Ander [on ^ bericht heeft, dat zodra de lucht van fneeuw of 
regen zuiver, onbeneveld en niet onftuimig, of met een 
woord, als den Hemel zeer helder is, men na Zonnen on- 
dergang en Schemeravond terltond dat licht gewaar wordt, 
*t geen byna den gantfchen nacht en wel zo helder flik- 
kert en fchiet, dat het dg volle Maan in haar befte fchyn- 
fel niet alleen evennaart , maar haar menigwerf overtreft. 
Een' zo grote helde» heid heeft het Noorderlicht aldaar 
met, maar is zo helder als bv ons; zulks de reizigers 'er 
groten dienft van hebben : doch het is niet bekwaam of fterk 
genoeg, om 'er enigen arbeid by te konnen verrichten. 
Voorts wordt van dat Noorderlicht verhaalt, dat het al- 
toos in het Noorden of Noordweften ontftaat , naar het 
Zuiden overflaat, en niet zelden degantfche lucht vervult. 
Doch dit gaat niet vaftj want ik het zowel uit het Zuiden als 
het Noorden heb zien opkomen. Dikwils begint het als 
een klare brede Boog van het Ooften naar het Weften 
en ftaat dus lang ft il ; vervolgens fpeelt het over de gant- 
fche lucht, en fchiet zyne ftralen naar het Zenith; doch 
zelden zet het heldere en onderfcheide Bogen in het Zui- 
den of Noorden, gelyk het gemeenlyk in Denmarken doet. 
-Niemand maakt in Tsland daarop enige rekening , wat 
weer het na het Noorderlicht worden zal, maar alleen 
wanneer het fchiet en gecouleurt is, beduit men, dat 'er 
wind op zoude konnen volgen; doch wanneer het in het te- 
gendeel ftil ftaat en helder is, vermoed men goed weer. 
Staat de Boog enen avond geftadig in 't Zuiden, houden zy 
.Noordwaards in 't land het daar voor, dat- een Zuidenwind 
volgen zal; doch alle die regelen miiïen, zulks 'er geen 
itaat op te maken is. Ik kan niet zeggen , dat de Tslanders 
van gevoelen zyn, dat het Noorderlicht ?ich by hen nu 
meermalen doet zien, dan wel te voren, offchoon men in 
ons land die gedachten voedt. Over de oorzaak van het 
-Noorderlicht, door den heer Anderfon gegeven , zal ik geen 

L oor- 




82 



BESCHRYVING 









oordeel vellen, vermits een ieder deswegens zyn byzon* 
dere gevoelens hebben kan, alleen kan ik niet nalaten aan 
te merken, dat de geleerde Mayran gantfch andere rede- 
nen van het Noorderlicht in zyne Natuurkundige verhande- 
ling geeft, en de oorzaak van dat Licht niet in de inge- 
wanden der aarde zoekt, maar veel hoger afleidt. 
Vanden § LXXVI. Ik kan verzekeren, dat het in Tsland zeer 
ponder ze lden dondert, en wanneer zull^s in 't Noorden gefchied, 
Dwaal. J 1 ^ merendeels in den Zomer is, op andere plaatfen meelt 
lichten, in den Herfft, doch zeer zelden des Winters. Gedurende 
den tyd, dat ik my in Tsland ophieldt, hoorde ik het niet 
meer dan eens donderen of zeer kleine flagen in het 
Zuiden, en zulks was midden in de maand Juny, offchoon 
ik wel belyden wil, dat het op andere plaatfen op het Ei- 
land in dat zelfde jaar gedondert kan hebben; want het zo 
groot is, dat men den Donder niet overal horen kan. Dus 
is het zeker, dat het in Tsland niet veel dondert, en wan- 
neer zulks gebeurt, het zowel des Zomers als 's Winters 
gefchied, offchoon niet veelmaal of hevig ; want lieden, 
die het dikwils in Tsland en Coppenhage hebben horen don- 
deren, verzekerden my, dat het hier heviger dondert dan 
daar, 't geen ik ook by het eens horen donderen op dat 
Eiland befpeurt heb. Zeer zelden worden Ignesjatui, Lam- 
hentes , Sterfchietingen of diergelyken in Tsland gezien ; 
want de kcht is aldaar doorgaans helder en klaar. Dikwerf 
en jiaarftig heb ik 'er na gezien, en enige kleine Ster- 
ichietingen opgemerkt; doch zo menigvuldig niet, als by 
ons: in het tegendeel heb ik nooit Dwaallichten of andere 
diergelyken Verfchynfelen te zien konnen bekomen; dus 
zeldzaam zyn dezelve aldaar. Nooit heb ik ook gehoort, 
dat de Tslanders bang voor Dwaallichten of diergelyke ver- 
fchynfelen zyn , vermits zy zeer wel weten , dat dezelve 
niets te beduiden hebben, en wanneer zy daar voor al 
eens mogten vrezen, zoude men daaruit moeten befluiten , 
dat hunne vreze uit de zelden voorkomende verfchynfe- 
len 



van YSLAND. 



8* 



Jen van dien aart fproot; want over 't geen gewoonlyk ge- 
fchiet, verbaaft de gemene man zo ligt niet. 

§. LXXVII. Offchoon de heer Ander/on zegt , dat zich K . Van 
in Fsland dikwih Ringen en Byzonnen in 't laatft van denenBy? 
Zomer aan den Hemel laten zien, heb ik zulke verfchyn- Zonnen, 
zelen niet meer dan tweemalen befpeurt, en wel beide in A- 
pril , waarop goed weer volgde. De eerftemaal gefchiedde 
het in April 1750. dat 2 gecouleurde Zonnen gezien wier- 
den, de ene voor en de andere achter de ware Zon, waar- 
opeen ftille dooi na een' matige vorft van 14 dagen volgde. 
De tweedemaal werd ik in April 1751 Byzonnen gewaar, 
alswanneer die 2 Zonnen helder waren, Des voormiddags 
ging een' voor de Zon in den ring, die des namiddags ver- 
dween , als wanneer zich een' andere achter de Zon ver- 
toonde, waar op goed, zacht en ftil weer volgde, gelyk 
het enigen tyd te voren geweeft was» Buiten die 2 reizen 
heb ik geen Byzonnen in Tsland gezien, en anderen hebben 
my ook gezegt, dat zy zeer zelden te zien waren; zulks 
geenzins gezegt kan worden, dat men haar dikwils ziet. 
En wanneer zy nu of dan verfchynen , gefchiedt het 
veeleer in het voorjaar dan inden Herfft. Voorts gelooft 
men in Tsland dat doorgaans onweer op die Byzonnen volgt, 
gelyk men zulks ook by ons meent j doch het feilt niet 
zelden, zowel daar als hier. 

§. LXXVIII. De Tslanders rekenen het begin vanden Van de 
Zomer van Donderdag, die tuflehen den 18. en 24. April J aar s e " 
komt, en ook alzo het begin van den Winter van VrydagVd-^H* 
die tutJchen den 18. en 24. Oftober invalt, waar uit men 
befloten heeft, dat de Tslanders maar alleen twee Jaarge- 
tyden hebben; doch offchoon de inwoonders de gemelde 
tydrekenmg gebruiken, verandert zich de natuur echter 
zodanig met, dat hette en koude aldaar eensklaps met mal- 
kander verwiflèlen en men 'er geen Lente of Herfft hebben 
zoude: m het tegendeel hebben de Tslanders in hunne 
tydrekenmg ook Lente en Herfft, en (tellen dezelve in den 
tyd der Nachteveningen. Alhoewel de inwoonders op 

L 2 de 



% 






HRYVIN 

de gezegde wyze hunnen Winter en Zomer berekenen , 
waar door dezelve op enen nacht na beide even lang wor- 
den, kan men echter niet lochenen, dat by hen meer 
Winter dan Zomer is. Dus is het by ons , en derhalven 
noch veel meer aldaar. Dat het 'er in den Zomer by wy- 
len fneeuwt en hagelt , gebeurt ook wel in Noorwegen 
ja zelfs by ons in Denmarken, 't Is zeker, dat het des Zo- 
mers in Tsland zeer warm is 5 doch ik kan niet zeggen, het 
'er ooit zo heet gevonden te hebben , dat men genootzaakt 
"was , alle klederen af te leggen, veelmin dat, gelyk 
de heer Ander Jon verhaalt heeft, op zo hete dagen's nachts 
een' zo ftrenge en doordringende*koudegevolgt is, dat men 
zich niet genoeg dekken konde , en ontwakende , alles 
rondom zich met Sneeuw bedekt zag. Men kan zich niet 
verbeelden , dat een zo fchielyke verwifTeling van hette en 
koude plaats zoude konnen hebben, en op een zoonmati- 
ge hette des daags, gelyk voorgewend word, zich Sneeuw 
in de lucht zoude formeeren , en des nachts nedervallen. 
3 t Is een ieder bekent, dat het water inde lucht niet haa- 
ftig tot Sneeuw kan ftremmen, byzonder daar de Zon on- 
trent ten 10 of 11 uren onder, en ten een of 2 uren we- 
der opgaat, 't Kan wel gebeuren, dat des Zomers eens 
Sneeuw of Hagel valt ; doch de lucht kondigt zulks ge- 
wis door hare koude enige dagen te voren aan, 't geen ook 
2owel in Noorwegen als by ons in Denmarken gefchiedt; 
doch dat men des daags door de hette naakt lopen, zich 
des nachts tegens de koude met alle klederen, die men be- 
komen kan, bedekken moet, en des morgens het Aardryk 
met Sneeuw bedekt vindt in een tyd dat de Zon flegts drie 
uren beneden den Horizont is, is zo onnatuurlyk en on- 
mooglyk , dat het niemand geloven kan. 

Men heeft voorts den heer Ander fin verhaalt, dat in den 
Winter veel Sneeuw valt, en het met eenOoftlyken Wind 
zo fterk fneeuwt , dat het land en de huizen met elkander 
gelyk gemaakt worden. Dit kan men niet doorgaans zeg- 
gen 5 want in het ene jaar valt veel Sneeuw > en daartegen 

in 



' 



van YSLAND. 



8? 



t au ï n A er ,ï einis of Diet: ook fneeuwt h et "iet in ', 
land het fterkft met een en denzelfden Wind, maar op 
enige plaatfen met byzondere Winden. De twee Win 

denijs 6 "- 6 , WdkeD - ik » aa ~'™». =n voornaamlyk 
den laatften, viel zeer weinig Sneeuw Zuidwaarts in 't land 

hl v VÊ - . n ,' et 3lS S e , m eenlyk in Coppenhagen: ook fneeuwt' 
het er niet langer, dan twee dagen achter een, en wan- 

hon^ft y J ykn e ?' ge da , gen achter den anderen of ten 
hoogften 14 dagen of 3 weken gevrozen heeft, wordt het 
daarna weder zacht weer, en de weinig gevallen Sneeuw 
dooit weg, weshalven het Vee den gantfchen w" n fer zvn 
voedfel op het land vindt. Ondertuflchen gefchiedt h« 
wel noordwaarts m het land, alwaar doorgaans meer Sneeuw 
dan zuidwaarts valt, dat de Sneeuw zeer diep H® Ook 
kan op zekere plaatfen, inzonderheid by de Kapen en al 
waar de ligging der Rotzen daartoe iets bybrengt , de 
f.T" a° u' Sp V8llen en 20 fterk b yï™ dry ven, da het 
iïi™ a- hü A- Sn me£ ,™ lkander gelyk gemaakt' worden 
doch nadien dit maar alleen op zekere plaatfen en bvwyi 

he D t «ntnfS a T daarUit gee " a, g em enen regel voor 
Sf .^ maken; want zuidwaards en op andere 

s™ S t hKd ru^ u £t iig " yk - Wanneer dus veel 
Sneeuw valt gefchiedt het met een Noorden Wind en 

ITrT/.l ? G , roenlands ^yfys aangekomen is, 't geen al- 
daar veel koude verwekt , wordt die koude ook dik- 
wils zuidwaards in 't land vernomen. Gelyk he' nu in het 
noorden het fterkft met een Noorden Wind fneeurn zo 
fneeuwt het ook m andere oorden des lands het fterkft 'met 
andere byzondere Winden, naamlyk die uit Zee w|„ 
weshalven men voor het gantfche land geen' ateéS 
Wwden kan ftellen, die een zeker weer meLzoudel bre„. 
gen, vermits een ieder gedeelte van dat grote land zvne 
byzondere gefteltenis heeft; om welke reden niet ligt een' 
fZT^t e " Wïre h B f c nryving van het ïanc itXta. 
b, ten ware men zich alvorens in 't zelve lang opgehou- 
den en een' vlytige nafporing gedaan hadt S PS 

L 3 , S-LXXIX. 













BESCHRYVING 

Van het §. LXXIX. Vele dagen ja gantfche weken gaan in 27- 
Weer. l an d voorby , dat men geen den minften Wind gewaar 
wordt, en het dikwils gantfch ftil is. Het waait aldaar, 
gelyk in andere landen, veranderlyk, dat is, geen één 
Wind beftendig maar allerhande Winden. By wylen waait 
het maar alleen een weinig, nu en dan fterker, en ook 
wel eens een ftorm ; daarentegen is het ook dikwils zeer 
ftil, zulks men niet zeggen kan, dat op het Eiland altoos 
veel Winden befpeurt worden. Echter houde ik het daar 
i voor, dat het aldaar windriger dan by ons in Denmarken 
is, 't geen van de ligging der Rotzen voorkomt; zulks dat 
terwyl het op het een oort zeer ftil is, twee mylen 'er van 
daan de hevigfte rukwinden van de Rotzen nedervallen. 
By wylen ontftaat een Storm; doch is echter niet algemeen. 
Ten tyde ik op het Eiland was, heb ik maar tweemaal 
fterke Stormen vernomen, diergelyken ook in andere lan- 
den geweeft hadden , alwaar in die jaren de Winden meer 
dan in Tsland hadden gewoed. Wanneer het des Zomers 
goed weer is, heeft men gemeenlyk des nachts een land- 
wind door het gantfche land; doch tuffchen 9 en 11 uren 
des voormiddags komt een kleine Zeewind, die tot 'snamid- 
dags ten 5 uren blyft aanhouden, en ook wel iets langer 
en tot tegens den avond. Die Land- en Zeewinden zyn 
echter niet fterk, en geven ook geen regen of ander 
kwaad weer. Met de Noordweften Winden hebben 
zy, zegt de heer Ander fon (ten mmfte aan de Zuidkuft) 
fchoon, daar tegen met de Zuidweften liegt weer, en 
met de Zuidzuidooften den meeften Storm. Met alle 
Landwinden heeft men gemeenlyk goed weer , en met 
de Zeewinden Sneeuw of Regen, na dat het jaargety is. 
Dus brengen Zuidelyke , Zuidooftelyke en Zuidweftlyke 
Winden doorgaans Sneeuw en Regen te weeg; doch de 
Noorde Winden helder en goed weer Zuidwaards in het 
land. Noordwaards gefchied het tegendeel, want de Noor- 
denwind brengt Sneeuw , Regen en Vorft mede, maar de 
Zuidenwind goed weer. Dat uit het Zuidzuidooften de 

mees- 



van YSLAND, 



87 



fneefte Storm komt , is geen regel; want het bomt gelyk 
gezegt is, op de ligging van ieder oort ten opzicht van de 
Rotzen aan. 

§. LXXX. Eb en VJoed heeft men in Tsland, gelyk in Vaa 
anderelanden, alwaar zulks plaats heeft, tweemaal in 24 Eb en 
uren; zulks men ieder zesde uur volgens gewoonte een' vloed * 
verandering heeft na het warTen en afnemen van de Maan. 
By de nieuwe en volle Maan is de Eb en Vloed altoos het 
fterkft, en onder anderen zyn dezelve het flerkft wanneer de 
ZonindeEvenachtlynis.Die tyden worden Springtyden ge- 
naamt, vermits het water als dan allerhoogft op het land 
fpringt;en Eb en Vloed noemen dzYslanders Flod og Fiore. 
Het is in Tsland genoegzaam een vafte regel , dat de wind, 
regen en fneeuw, een ieder op zynen tyd met den aanko- 
menden Vloed vermeerderen, zodanig dat wanneer het by 
Ebeen weinig waait, de* Wind by het aanwaüen van het 
Water feller opfteekt, en offchoonde Wind met het vallen 
van het water fchynt te verminderen , neemt dezelve met 
het aanwaïïen van het Watergemeenlyk fterker toe. Doch als 
in het tegendeel de Wind met den Vloed gaat liggen, blyft 
de ftilte doorgaans duren. Ik heb opgemerkt, dat de hoog- 
fte Springvloed ongevaar 16 voeten ftygen kan, en de ge- 
mene Vloed gemeenlyk 12 voeten is. 

§. LXXXI. Ik ben met den heer Ander fon van gevoelen, Van de 
dat het Zeewater rondom fuftoró, ten minften op verfchei- g 5 ftelte - 
de plaatfen, zouter is dan in 't gemeen, waar toe ik ge-hetZe^ 
noegzamen grond heb, nadien ik zelf heb gezien, dat het water. ' 
Water in den Zomer hier en daar aan de Klippen by de 
Zee Zout aanzet, naamlyk alwaar het water met den Vloed 
opgezwollen is, als wanneer men daarna enig Zout affchrap- 
pen kan ter plaatfe een weing Zeewater in de kleine fleu- 
ven op de Klippen blyven ftaan en uitgewaafTemt was, Dit 
befluit ik ook uit de oude brieven in de Roomfch-Catholy- 
ke tyden, en uit de voorrechten der Geeftlyken, waaruit 
bjykt, dat op vele plaatfen Zoutwerken geweeft zyn , 
die aan de Geeftlyken gefchonken werden. Gewis zyn' om 

dia 




BESCHRYVING 



die redenen de hoeken des lands,in de Zee uitftekende,als 
Langenes en anderen aan het Bisdom in Noorwegen gefchon- 
ken, waar toe zy nu noch behoren. Dit zowel, als dat 
men in TsJand ten proeve met groter voordeel dan by ons 
Zouf gerafineert heeft , toont, dat het Zeewater aldaar 
meer Zout in ich hebben moet, dan gemeenlyk. Doch 
het heeft geen grond ter wereld, dat de oorzaak daar van, 
gelyk de heer zinder jon wil, te zoeken zoude zyn in de 
ürenge Vorft , waar door een groot gedeelte van het on- 
zouie water zich in wyde Ysvelden verzamelt en bevrieft , 
en voorts in de hevige Winden, die het Ys verftuiven en 
verwaijen ; want om niet te zeggen dat het water niet merk- 
]yk zouter zoude worden , offchoon een groot gedeelte 
tot Ys bevroos en door den wind verfloven wierdt , 70 is 
het een' ontwyrTelbare waarheid, dat het rondom Tsland zo 
fel niet vrieft, dat zich een' menigte Ys aldaar valt zetten 
kan; want de Zee fpoelt meeft allerwegen vlak tegens het 
land aan, en de Eb en Vloed is aldaar zeer fterk, die het 
Water geen' ruft laten, zich tot Ys te zetten, offchoon de 
Vorft zelfs zo ftreng was, als voorgegeven wordt. Doch 
daar kleine Vige en Tiorne zyn, gelyk de Tslanders dezel- 
ve noemen, dat is, zulke armen der Zee, die van alle 
kanten land om zich en flegts een kleine opening hebben, 
waar door het Zeewater in loopt, aldaar kan het dik Ys 
zetten, vermits zodanige armen der Zee doorgaans niet 
groot zyn , en daarenboven voor den (lag van 't Zeewa- 
ter in zekerheid liggen ; maar zulks gefchied rondom het 
land in de open Zee niet. Mitsdien vrieft het meer en 
geeft dikker Ys by de zuidlyke delen des lands en op an- 
dere plaat fen , alwaar diergelyke armen zyn , dan by de noord- 
lyke landen, die voor de hoge golven der Zee zekerer lig- 
gen; en by menfehen geheugen is het niet gebeurt, dat 
de Zee zodanig met Ys bedekt was, dat men om te viiTchen 
niet uit konde lopen, behalven, gelyk gezegt is, in de 
fmalle Vigen en Tiornen. Maar het Ys, 't geen den noor- 
der landen zeer moeilyk is, en de inwoonders belet in Zee 

te 



? 



vav YSL A N D. 



*5 



h^Lfn t' G i oe !? lands ?&»> '' geen zich vele mylen 

7 b n Ut l? 00r K 1 "* 2e > aIs was h « een ander land, bv- 
zonder vermits dat Dryfys zeer oneffen en gelyk bergen 
en dalen is, en levendige dieren, als Beren, Vollen en Val- 
ve^l tt 076 ^ 06 ^ Cnd f, t Dry P S Y eroorz "kt noordwaards 

dee W.*ï ne ^' J W ? Ik eeri ! e Zich ook aan he t **H*i 
deel des lands mededeelt, weshalven men zeer wel giffen 

Gm' P n, 7 n" e f '? ? ef zmden een koud «""lm is, het 
Oroenlands Dryfys in het noorden ligt. ' 

't Lïïïï'ni, l s > ek f ' • d ï- r/ ¥'f een s e20nd Iand a( V ' D de 

kan !-„ ;,• eige b evnding bekrachtigen kan; ooSl-ucht- 

kan een vreemdeling, op het Eiland komende . aldair be flreek!n 
ter aarden m opzicht van de lucht en JS"*^ 
£fa*4r, wanneer hy in i)«ri« komt; want de hetteS,- 
des Zomers valt hier een tsknckr gemeenly'k een gzlns il hS» 
télèn Q f 7 °° n de ? el ! e , ni ej veel flerler dan in K/wï waa - *»*« 
tegen de Zomer m nknd een vreemdeling zeer aanö-énsTw ?' sder 

SbTz^lvT JT? a „ dMr g f °' ^Sï? 
n;»f n ^ vk valt a,s hler te lande. De Winter is 'er 

onderlcheid tuflchen »W en Ammrfe» zonde voorko- 
men, is, dat het aldaar meerder waait, 't eeen «mm \* n A 

lewn fa? g ' men er te ge2onder en bekwam» 
ewnetJ^T Van gMd \ *«****« zyu , ft a ik Zeer 

SStStBf- a i verraits men door s aans ™ 

totzynev^kitl^Srkar^' "" fT* 

uerie, vreemde Speceryen toegemaakt zyn, en derhalven 

^* on- 



Hl 
il 




1 



$0 



BESCHRYVING 



onze lekkere tongen niet wel fmaken "zouden , volgt daar- 
uit echter niet, dat die Spyzen op zich zei ven liegt zyn. 
Maar dat de Tslanders van hunne flegte fpyzennoch daaren- 
boven zeer weinig zouden bekomen , ftrydt tegens het 
gene de heer Ander/on hun elders te laft legt, alwaar zy 
tot vraten gemaakt worden. Wat der Tshnderen hardheid 
betreft, zo komt hun die eigenfchap op een' zekere wyze 
toe; doch niet in hunne Kindsheid, gelyk men hier zeg- 
gen wil, want men hen aldaar zo teder als by ons opbrengt 
en gade flaat , weshalven de Kinderen niet van de geboorte 
af tot harden ja zuren arbeid verplicht worden. Wanneer de 
Jongelingen zo verre in krachten toegenomen zyn , dat zy 
ter Vifchvangft in Zee konnen gaan, moet men belyden, 
dat hunne levenswyze zuur en arbeidzaam is, zo lang de 
Vifchtyd duurt; doch tot dien ouderdom worden de Kinde- 
ren zowel als de Vrouwlieden t'huis gehouden ; zulks zy niets 
het geringfte van koude of andere ongelegenheden uititaan; 
waarom men zich ook te meer verwonderen moet, dat de 
Mannen daarna zo harden en zwaren arbeid konnen weêr- 
ftaan, waar aan zy van hunne geboorte niet gewend zyn. 
Wanneer jk zeg, dat de Tslanders goede levenskrachten 
hebben, is zulks van den ouderdom tuflchen de 20 en 50 
jaren te verdaan; zynde het niet zeldzaam dat zy daarna in 
levenskrachten beginnen af te nemen en in de een' of an- 
dere ziekte vervallen, die van hun leven een einde maakt, 
mamlyk Waterzucht, Borft- en andere uitteerende kwalen, 
die inzonderheid den zwaren arbeid toe te fchry ven zyn , 
welken zy uitftaan, als zy zich op Zee bevinden en de Vis- 
fery verrichten , en ook wel hunne zorgloosheid ; want zy 
gene koude ontzien, fpringende veeltyds, wanneer zy met 
den Boot aan land komen , in Zee , om den Boot af te houden 
en te verhoeden dat dezelve door te hart tegens het land te 
floten befchadigt wordt, als wanneer hunne Benen geheel 
nat worden, en zy dus noch lange, offchoon in de Vorft, 
hunnen arbeid verrichten, zonder van klederen te verwis- 
felen. En hieruit blykt> met hoe weinig grond men zeg- 
gen 



? 



van YSLAND. 



9% 



gen kan, dat zy met alleen ftokoud worden, zulks mente 
een 100 jaren bere.kt, en noch daarenboven een friflchea 
werkzamen ouderdom geniet,, maar ook weinig of niets 
van de zwak en knnkheden weet, die de gryze iaren 
van andere Menfchen gemeenlyk aankleven. Zeer zel- 
den vindt men voorbeelden, dat enige 100 jaren bereiken 
ja net is zeer zeldzaam dit zy 80 jaren oud worden. Het 
kan wel zyn, dat de een of ander by zo hoge jaren een» 
goede gezondheid geniet; doch de meeften worftelen met 
een zieklyken ouderdom, zo dat zy boven de 50 jaren oud 
zynde, zich over hunne gezondheid niet beroemen kon- 
nen maar gemeenlyk, gelyk gezegt is met Borft en an- 
dere uitteerende z.ektens bezocht worden; weshalven men 
aldaar weinige dikke of gezette menfchen vindt. De drie 
oorzaken, waarom naar het gevoelen van den heer An- 
der jon de Tslanders niet ftokoud zouden worden, vinden 
derhalven geen' plaats, naamlyk, vermits zy hun leven in 
eeneenvouw lg e onbezorgdheid by enerly flegte fpyzen en ge- 
itadige fterke hghaams oeffening doorbrengen Men moet 
zich niet verbeelden, dat de Tslanders zo beeftachtig zyn, 
dat zy geen gevoel van zorgen zouden hebben, of zo ge- 
lukkig, dat zy gene zorgen voor het onderhoud van hun 
leven zouden behoeven te dragen: geenzins, want nadien 
de meeften arm zyn en fterk arbeiden moeten , niet voor 
zich zelven maar voor anderen, die daar door ryk wor- 
den, koft het hun zorgen genoeg, hunne Vrouwen en 
dikwils vele Kinderen te voeden, tot zy den levenstyd 
volbragt hebben dien hun God gegeven heeft; waarom 
men niet zeggen kan, dat zy hun leven in een onbezorgde 
eenvouw,gheid doorbrengen. De andere reden tot hunnen 
hogen en gezonden ouderdom zoude daarin befWdatzy 
hun leven by enerlei flegte fpyzen doorbrengen. Zo zeker 
het is dat zware en lekkere fpyzen en veel eten en drinken 
het lighaam verzwakken, de menfchen voor den tyd oud 
maken en het leven verteeren, zo weinig konnen flegte enwei- 
*»ge fpyzen de menfchen oud en fterk maken; maar worden 

M z hun- 

- . # 



II 
r 













pz 



BESCHRYVING 



hunne krachten daar door veeleer verzwakt. Eenvou- 
dige en vafte fpyzen, matig gebruikt, geven in het tegen- 
deel een gezond lighaam en een lang leven. Betreffende 
hunne geftadige fterke lighaams-oeffening , zo hebben zy 
op zekere tyden een te fterken en op andere tyden byna 
gantfch genen arbeid, vermits de Mannen enige maanden 
in den Winter niets te doen hebben, en mitsdien hunne lig- 
haamsoerTening niet {leeds durend, maar by wylen tefterk 
is, 't geen hun leven veeleer verkort dan' verlengt. Ten 
minften kan die oorzaak ten aanzien van de Vrouwen geen* 
plaats vinden , nadien zy zodanige lighaamsoeffening 
niet hebben 5 want wanneer men haren arbeid in den 
hooityd uitzondert, hebben zy voorts maar alleen zit- 
tenden arbeid te verrichten, naamiyk hare Volle te rei- 
nigen en te bewerken, te fpinnen, Kouflèn en Hand- 
schoenen te breijen of Wadmei te weven, Klederen en 
Schoenen te najen en dergelyken, waar toe geen' fterke 
beweeging vereifcht wordt» De Tslanders zyn doorgaans 
welgemaakt en hebben fchone , witte en gezonde Tan- 
den, zegt de heer Anderfon te recht, doch waar over men 
zich in hunnen luchtrtreek en by de flegte fpvzen, die zy 
genieten, zo zeer niet te verwonderen heeft; maar veeleer 
zouden de verftandigen daaruit moeten befluiten , dat ver- 
mits hunne lishaamsgefteltenis en de luchtftreek zo ge- 
zond en goed is, zulks van de zuivere lucht, waarin zy 
leven, voortkomt Voorts is het by alle Volkeren alge- 
meen, dat de gemene man en het grove volk, als Boeren 
en diergelyke, de fchoonfte Tanden hebben, vermits zy 
niet, gelyk voornaameen vermogende lieden , hunne ge- 
zondheid en Tanden met menigerlei wonderlyke fpyzen be- 
derven. Het gemene volk vergenoegt zich m.:t roggen- 
brood, waar door de Tanden altoos wit en zuiver blyven, 
zonder dat zy Tandenborltels of poeder daar toe gebrui- 
ken, en die uitwerking fchryf ik by de Tslanders toe aan 
den gedroogden en gebeukten Stokvifch, die hunne daag- 
lykfche fpyze is, Dat de Vrouwen in hardheid en fterkte 



voer 



.' 



van YSLAND. 



93 



voor de Mannen niet zwichten, kan ik niet zeggen; 
want de Mannen tonen hunne hardheid by den zwaren ar- 
beid en de koude, die zy op de Zee en by hunne Visvangft 
uitftaan; daarentegen zyn de Vrouwen zeer gevoelig van 
de koude en doen geen arbeid die kracht vereifcht, dan al- 
leen in den hooityd, veelmin zyn zy met zodanig een' 
hardheid en fterkte begaaft, als men den heer Anderfon be- 
richt heeft, naamlyk dat zy ligt baren, zich bad nzo 
dra zy gebaard hebben en terftond weder heen lopen Zulk 
ene paardenlterkte hebben de Vrouwen in Tslaxd niet. In 
vele toevallen hebben zy Artzen en verltandige Vroed- 
vrouwen nodig, want zy van zodanig een' ligte baring niets 
weten; want velen van dezelve veeleer in of na de baring 
by gebrek van hulp en nodigen bvttand fterven. N oit heeft 
men in Tsland gehoor t, dat een' iv raam vrouw zich baadt, 
zo dra zy gebaard heeft, en veel min zyn zy zo gelukkig, 
om terftond weder heen te lopen 't Is onder haar een al- 
gemene regel , dat zv zich fteeds in 't bedde houden en 'er niet 
uitkomen voor dat de eerfte acht dagen verftreken zyn ; 
en velen moeten noch veel langer her bedde houden en 
een' zeer fmertelyke kraam uitftaan , vermits hare Vroed- 
vrouwen haar niet wel weten te helpen ; weshalven het 
niet zeldzaam is, dat zy hare gezondheid gedurende haar 
gantfche leven 'er by infchieten; zulks hef zeer verre van 
daar is , dat zy zo ligt uit het Kraambed komen , als 
voorgegeven wordt. 

§. LXXXIII. Uit het te voren gezegde blykt, dat de Van de 
Mannen boven de 50 jaren oud, niet zelden door een Zie ! lten ? 
Borft- of andere kwynende ziekte aangetaft worden, gelykJ^J; 
ook dat de Vrouwen zware Kramen hebben, en daar doorders. " 
allerlei toevallen bekomen; zulks de Yshnders zowel als 
andere menfchen verfcheide foorten van Krankheden on- 
derhevig zyn. De meeden derzelven benoemen zy met 
een algemenen naam van Landfarfock, gelyk ais elders by 
den gemenen man alles koorts heet, en in der daad is 't 
geen men in Tsland Landfarfock noemt, niet veel van de 

M 3 ■ Koorts 




94> 



BESCHRYVING 



Koorts onderfcheiden. Een' andere ziekte geven zy den 
naam van Aujfatzes^ waar mede velen bezocht zyn, en 
die wel erflyk doch niet doorgaans aanltekende is. Dezelve 
is niet gelyk het by ons zogenaamd uitflag, maar fchynt 
veel eer een' foort van Scor.but te zyn. Verfcheiden wor- 
den van die ziekte genezen volgens een Recept, 't geen 
een geftudeerde Tslander uitgevonden heeft. Van het Co- 
liek, de Waterzucht, Zwartgallige Ziektens en meer an- 
deren worden zy mede geplaagt, waarom ik vertrouw, 
dat den Tslander en enige Doctoren zeer wel ten paffe zou- 
den komen, en aldaar genoeg te doen vinden, wanneer de 
ingezetenen vermogend genoeg waren, om zodanige bekwa- 
men mannen by zich te houden. Derhalven heeft men den 
heer Ander fon kwaly k bericht , dat men van Koortzen en dier- 
gelyke Ziektens in ÏTj/tf «^niet veel hoort, en 'er ook van Ge- 
neesmeefteren niets weet Offchoon reeds gezegt is, dat 
de Tslanders met verfcheide Ziektens bezocht zyn , wordt 
daar door echter het te voren gezegde niet gelochent, dat 
zy goede en gezonde Lighamen hebben , doch die door 
den zwaren arbeid vroeg verzwakt worden j dus zy in de 
een of andere ziekte vervallen. Wanneer de Tslander s 
ziek worden, laten zy God en de natuur werken, vermits 
'er zeer weinigen zyn , die enige huismiddelen uit Den- 
marken hebben , of dezelve te gebruiken weten , maar 
geenzins gebruiken zy zodanig een cure, gelyk men den 
heer Ander Jon dus verhaalt heeft: „ Wanneer iemand 
„ ziek wordt, is zyn' gantfche laafnis goede Melk, zo als 
„ dezelve van de Koe komt, en alledeArtzenyen,diemen 
„ hem geeft, een weinig Tabak, die men hem te kaauwen 
„ geeft, en een rykelyke flok Brandewyn, om de maag 
^ te herftellen." De verkwikking van raauweMelk,zo als 
dezelve van de Koe komt, gebruiken de Zieken niet ; maar 
veeleer kookt men dezelve, gelyk ik te voren zeide wanneer 
de Melk by zodanige omftandigheden gebruikt word: ja men 
bedient zich doorgaans niet veel van Melk in de ziektens, 
maar gebruikt alleen de Hui, die ook wel het gezondft is. 
T^ooit hoorde men, dat een Tslander in een ziekte Tabak 

kaauwt , 



van YSLAND. 



9$ 



kaauwt,maar zy gebruiken dezelve onderfcheidentlyk wan- 
neer zy op Zee zyn, om te viflèn ; ook voegt een ryke- 
lyke flok Brandewyn niet tot de zieke magen der Tslanders \ 
weshalven zy dien drank geenzins in hunne ziekte gebrui- 
ken, ten zy alleen de zulken, die aan dien drank verflaaft 
zyn en gezond of ziek denzelven niet ontbeeren konnen. 
Datzy gene Chirurgyns in het land hebben, fpruit uit de 
zelfde reden, die van de Do&oren aangehaalt is, maar 
niet om dat zy dezelve alleen nu en dan zouden behoeven ; 
want wanneer iemand door een' Beenbreuk of ander on- 
gemak bezogt word , lydt hy deerlyk , vermits hem niemand 
helpen kan, en daarom is 't dat zy of geheel niet of zeer 
kommerlyk en na lange uitgeftane pynen weder herftellen. 

§. LXXXI\T. Den Kinderen wordt niet langer dan acht , Hoede 
of ten hoogften, wanneer zy enigzins zwak zyn, veertien ^.Yslan- 
gen de Moeders Borft gegeven. Dit zyn de woorden van den^nne 
heer Ander/on-, doch zulks is alzo met die zaak niet ge-Kiode- 
legen j want de Moeders, die hunne Kinderen de Borft ren op- 
geven, laten dezelve 'er zo lange by als by ons: andere voedenï 
Kinderen en wel de meefte zuigen de Moeders Borft geheel 
nietj doch men handelt met de Kinderen geenzins op de 
wyze als de heer Ander/on verhaalt. Men legt het Kind, 
zegt die heer, op de aarde , en zet 'ér een fchoteltje met laau- 
we Hui o f Melk hy , waarin een met garen omwonden hol typ je 
of dikke vederjchaft geftoken , en een weinig brood, als men hef 
heeft, tot verft erhng van het Kind gelegt word. Als nu het 
Kind ontwaakt , of een teken van honger geeft, keert men het 
naar den Schotel, en geeft het het pypje in den mond, opdat 
het daaruit naar zyn nooddruft zuige. De Tslanders hande- 
len waarlyk met hunne Kinderen dus niet, maar flaan 'er 
veeleer met zo groot ene voorzichtigheid acht op, dat ik 
diergelyke elders nooit gezien of gehoon heb. Zy heb- 
ben bekwame Wiegen voor hunne Kinderen, en gebruiken 
van dezelve twee foorten, naamlyk Wiegen met onderde- 
legde voeten, enHandwiegen ; weshalven het een onwaarheid 
as, dat zy hunne Kinderen op de aarde zouden leggen. 

IS ooit 



:■<; 



V I N 

Nooit geven zy den Kinderen Hui te drinken; maar voeden 
dezelve met goede Koemelk, waaronder noch enige Room 
gemengt is, opdat dezelve, naar hunne mening, des te 
vetter en beter zouden zyn. Zy gebruiken Melktuiten , 
om , gelyk by ons, de Kinderen daar aan te doen zuigen , 
en weten niets van 't geen de heer Anderfon op de volgende 
wyze verhaalt: Wanneer zy een Kind ten doop of ander zins 
over land hier of daar brengen , geven zy het een lapje, met Hui 
doortrokken, in den mond , op dat het zyn voedfel verkryge. 
Gelyk ik reeds te voren gezegt heb, dat zy hunne kleine 
Kinderen geen Hui geven, zo is het ook onmoogelyk,dat 
een Kind aan een lapje met Hui doortrokken zyn voedfel 
zoude konnen verkrygen. Wanneer het Kind naar de Kerk 
gebragt wordt, 't geen wel eens een taamlyk langen weg 
kan zyn, voorzien zy zich van een Melktuit, en zo veel 
Melk als nodig is. Dus voeden zy hunne Kinderen altoos 
langer dan een jaar met Melk , ten ware in den uiterften 
nood , en dat geen Melk te bekomen was , 't geen den ar- 
me lieden in zekere jaargetyden zeer ligt gebeuren kan. 
Des heeft men den heer Anderfon tegens de waarheid be- 
richt 3 dat na verloop van drie vierde deel jaars het Kind 
de fpyzen, die de Ouders genieten, mede eten moet. 
Gelyk ik te voren zeide, dat de Tslandfche Vrouwen voor 
hunne Kinderen Wiegen gebruiken, zo heb ik ook gezien, 
dat zy hunne Kinderen, zo als by ons gefchied, in luy- 
ren leggen, echter heeft men den heer Anderfon bericht, 
dat men van Bakeren , Wiegen en OppafTen geheel niets 
weet; dat men het Kind met de 14 dagen reeds in de klederen 
fteekt, op den grond laat liggen, en zich wentelen en ke- 
ren, tot het zich zelven oprecht en begint te gaan. In 
Tsland fteekt men de Kinderen zelden in de klederen, voor 
dat zy 9 of 10 weken oud zyn; doch laat hun alsdan e- 
ven zo weinig ais te voren op de aarde liggen en krui- 
pen; maar draagt hen voorzichtig en zelfs al teveel op 
den arm. Nfettemin, zegt de heer Anderjon, ziet men ón- 
der de Tshnders doorgaans rechte lyven en onver wrongen 

lede- 



' 



van YSLAN D. 



97 



ledematen; weshalven het zeer zeldzaam is, een gebrek- 
lyk menfch onder hen te vinden. Dit is immers een dui- 
delyk bewys, dat" de Ouders hunne Kinderen niet zorge- 
loos opvoeden, maar, gelyk ikgezegt heb, zeer voorzich- 
tig met dezelve omgaan, op dat hun geen leet wederva- 
re; want nooit heb ik een gebugchelden, manken of an- 
deren gebrekiyken menfch in Tshnd gezien, welk geluk 
men geenzins aam de natuur toefchryven kan; want de na- 
tuur in Tsland niet anders dan hier is; zulks wanneer een 
Kind valt of ontheupt, het mank, en in de Boift bezeert 
gerakende, gebugchelt word, enz. 

§ LXXXV. De Tslanden koken hun Vifch veel langer Van de 
dan wy. Dat zy den Zeevifch in Zeewater koken is zeer t0 ?J!f. 
natuurlyk, en zo veel ik befpeurt heb, fmaakt dezelve hu '" 



reiding 



nner 



dan allerbeft. 't Is zeker, dat zy hunne fpyzen zonder Spyzen, 
Zout eten en dit doen zy naar hunnen fmaak; zulks dat 
vermogende lieden zelfs geen Zout gebruiken , maar wel 
veel Boter by hun Vifch. Gelyk deTsIanders hun Vifch te lang 
koken, zo ook doen zy hun OfFen- en Schapen vleefch, 
dat zy meer in hunne huishoudingen gebruiken, dan de 
Boeren in Denmarken en elders; en alwaar geen vee genoeg 
in 't land is, ruilen zy het tegen Vifch. Het is wel niet 
te lochenen, dat vele arme lieden onder hen zyn, gelyk 
in andere landen, die geen vermogen hebben, om zo veel 
voorraad in te kopen als zy wel wenfchten;doch demeefte 
gemene Boeren Aagten echter 10 tot 20, ja niet zelden 
noch meer Schapen tot hunne Winterteering, behalven 
het grote Vee. De meefte Vifch en het Vleefch, 't geen 
de inwoonders in Tsland gebruiken, wordt verfch gegeten, 
uitgezonden alleen 't geen zy tot hunnen Wintervoorraad 
drogen; en te vorenis reeds befchreven, hoe zy daar mede 
handelen 

Gelyk ook elders gezegt is, hebben zy aan vele plaat- 
zen in 't land zeer goeden Turf, op andere plaatfen een' 
menigte Dryfhout; en op onderfcheide oorden kleine Bos- 
fchen , 't geen alles den inwoonderen goeden brand ver- 

N fchaftj- 











'Gebrek 

aan 

Brood, 



3* 



BESCHRYVINC 



fchaft; weshalven'er weinig plaatfên zyn, dan alleen de 
in Zee uitftekende hoeken des lands en de uiterfte oorden 
aan de Zee, alwaar brand ontbreekt, 't geen hun te be- 
zwaarlyk en koftbaar valt, om denzel ven dieper uit het land 
te halen ; zulks zich de behoeftigen op de beft mooglykfte 
wyzen behelpen, en alles, wat voorkomen kan, branden, als 
Zeegras, waar van zy grote hopen om te branden verza- 
melen en drogen. Ook kan wel wezen, -hoewel zeer zel- 
den, dat iemand aldaar Vifchgraten brandt 5 doch dit is 
geenzins door 't gantfche land gemeen, en hadt men der- 
halven zulks niet behoeven te melden, om alle de Spyzen 
der Tslanders , die men daarenboven zeer liegt befchryft , noch 
affchuwlyker te maken. Hun lekker/te gerecht, zegt de 
heer Ander Jon, is een Schaap skop , waar van zy alleen de 
Wol afgezengt en denzelven dus onder de affche van hun heslyk 
vuur te braden geftoken hebben , die zy dan , gaar zynde , met 
huiden al wat 'er aan is, tot op de beenderen afkluiven. Doch 
wanneer dit het lekkerfte gerecht der Yslanders ware , 
zoude men moeten bekennen , dat zy een wonderlyken 
fmaak hebben, en hunne verdere gerechten niet veel by- 
zonders moeten zyn; maar nadien dat gerecht nooit van 
enigen Tslander gebruikt wordt, ben ik verzekert, dat zy 
het zelve zonder de geringde wangunft den goeden lie- 
den wel zullen willen overlaten, die dat lekker gerecht uit- 
gevonden hebben. De Yslanders zyn , zo men den heer An- 
der fin bericht heeft^ in y t gemeen grote liefhebbers van Boter 
en Vet ; doch men is ook te verre in hun fmaak gegaan , 
als men verhaalt heeft, dat zy het traanachtig Hayfpek, ja 
de Lever- en Walvifchtraan zelfs eten; 't geen de Yslanders 
echter nooit tot hunne fpyzen gebruiken : niettemin gaat 
hun fmaak in vette dingen zo verre, dat enige gemene en 
arme lieden talk of gefmolten vet van OfTen en Schapen 
eten. 

§. LXXXVI. Vermits tot noch toe geen Akkerbouw in 
Tsland geweeft is, kan een ieder ligtlyk beüuiten, dat het 
Brood aldaar geen' zo algemene fpyze voor den geinenen 

man 



? 



van YSLAND, 99 

man is, als by. ons. OndertufTchen is het echter 20 zeld- 
zaam niet, dat zy alle Haar van niets zouden konnen beko- 
men, de een min, de ander meer, naar een ieders vermo- 
gen toereikt; zo dat ten onrechte verhaalt wordt, dat 
de meeften onder hen, door onvermogen, het Meel niet 
kopen konnen, 't geen door de Demfche Kooplieden aange- 
voert wordt, en mitsdien geen Brood hebben. Na een* 
iedere haven wonen 400 tot 1000 tonnen Meel en eender- 
de zo veel gebakken Brood gebragt, 't geen wel niet toe- 
reiken kan, dat zy alle daaglyks Brood zouden konnen eten \ 
doch daarom zyn zy niet geheel zonder Brood , 't o-een zy 
gemeenlyk op plechtige dagen, bruiloften en dieTgelyke 
byeenkomflen eten, en ook wel by andere gelegenheden* 
en vele hebben het gantfehe Jaar door Brood, vermits zy 
in Coppenhagen daar aan gewend zyn, en het daarna niet ont- 
beren konnen Het is den Tslanders geen voordeel, dat 
zy geen Brood genoeg hebben ; want hunne huishouding 
iiun daarom te koftbarer valt; en de manier, om hun volk 
te fpyzen, is zo duur, dat men in Denmarken daarby zyne 
rekening niet zoude vinden. Een ieder Dienftknecht be- 
komt een zeker gewicht aan gedroogden Vifch , en Boter 
tot zyn onderhoud, namentlyk 10 pondenVifch wekelyks en 
een derde zo veel Boter, 't geen jaarlyks naar het Deenfib ge- 
wichtjz^ Lys-ponden gedroogden Vifch en volkomen 
drie vierdedeel tonnen Boter uitmaakt, en by ons duur te 
ftaan zoude komen; doch den Dienftboden worden maar 
alleen de Spyzen toegewogen, wanneer zy voor hunne Mee- 
iters zuid- of weftwaards ter Visvangft reizen; daar zy 
anderzmst'huiszynde, daaglyks een' zekere portie Vifch 
en Boter, ook 's morgens en 'avonds Melkfpyzen , Grutten 
verfchen Vifch, zomwylen Vleefch, ja ook wel Soupe, 
Jirweten en diergelyken bekomen. Nadien de Tslanders 
geen Brood genoeg tot hunne huishouding hebben, zo is 

ir vu' dat - Zy ' ge,yk S^S 1 is > des te meer gedroogden 
Vikh gebruiken- doch niet in plaats van Brood tot andere 
ïpyzen , maar op zich zelven, ongekookt, wel gebeukt 
en met een' goede portie Boter 'er by. Doorgaans eten zy 

N z den 



f UK. 







De 

Drank 
«der Ys- 
landers. 



100 



BESCHRYVING 



den gedroogden Vifch niet zonder Boter, maar nooit met 

Spek, Traan of diergelyken, gelyk ik te voren gezegt heb. 

Die gedroogde Stokvifch, wel gebeukt en met goede Boter 

befmeert, fmaakt zeer wel, voornaamlyk die van Selun- 

gen en Forellen toebereid is, aan welke de Deenfcbe Amts- 

lieden dikwils zo goeden fmaak vonden, dat zy zich zowel 

op hunne reizen , als ook tot lekkerny 'er van bedienden. 

't Wilde Koorn, 't geen op enige plaatfen in 't land wad, 

voornaamlyk in Skaftefields SyJ/eL, hoewel in geen' grote 

menigte, is zo fchoon tot Meel, Brood en Voed fel , dat een 

Tshnder een ton van het zelve tegens een ton Deenfcb 

-JVleel niet zoude willen ruilen; waarom den heer Anderfort 

weder onrecht is bericht geworden, dat de een of ander 

van wild Koorn, tunchen het Gras zelve wafTende, een 

ilegt Brood maakt, 't geen voor de vreemdelingen niet te 

eten is. Dit Koorn waft niet tunchen het Gras, maar in 

zuivere, vafle en diepe plaatfen, alwaar geen Gras wafTen 

kan, en ftaat op enige plaatfen zeer dun, doch op andere 

weder taamlyk dik. De Halmen van 't zelve ftygen tot vyf 

vierdedeel elle in de hoogte, en de Airen zyn lang, zulks 

het de Tarwe by ons zeer gelyk is. Vermits de Tslanders 

geen' goede Handmolens hebben, om hun Koorn te malen, 

drogen zy het te veel by het vuur, waar door het enigzins 

verzengt, en derhal ven het Brood enigermate zwarter wordt, 

dan ons Roggenbrood ; doch daarentegen kan een ton van 

't zelve des te meer nut doen. 

§. LXXXVII. De Tslanders drinken zeer gaarne rein Wa- 
ter ; doch het Water is op alle plaatfen niet goed of alles Myn- 
ftoffig , gelyk de heer Ander fon elders gezegt heeft ; maar aller- 
minft deugt het Water te drinken , dat door de kracht der 
Zonne van de Ys-en Sneeuwbergen fmelt enafvüet. Dit 
Water, 't geen van de J'óekden nedervalt, wordt nooit 
van iemand gedronken; ook is het niet drinkbaar, vermits 
bet gemeenlyk ftinkt en dik en zwartbruin is. Offchoon 
de Tslanders gaarne Water drinken, is echter hunne mee- 
ite en gewone drank de te voren befchreven Syre, die de 

hecir 



? 



van YSLAND. ror 

heer Anderfon Hui of Melk noemt, enookbyna't zelve is 
]t geen by ons dus genaamt wordt. Hiervan verzamelende 
inwoonders gedurende den Zomer vele tonnen vol die 
zy het gantfche jaar in hunne huishouding gebruiken, en ook 
wel aan anderen verkopen , die zo veleKoejen, niet hebben 
dat zy van dezelve genoeg Syre kunnen bekomen. EHe 
byre gebruiken zy in het eerft zuiver en onvermengd ' 
doch wanneer zy enigzins oud word, word zy te zuur' 
om onvermengt te drinken ; weshalren zy dezelve met 
rein Water vermengen en 'er zich zeer wel by bevinden. 
Vermits geen' Gerft in Mand gezaait word, volgt nood- 
wendig , dat het Bier 'er niet algemeen is $ doch is echter zo 
zeldzaam met in het land, dat de gemene man 't zelve niet 
te proeven zoude konnen bekomen 5 want de meeften be- 
komen Bier in de handelplaatfen, en kopen daar van een 
kiemen voorraad, om zich daar mede goed te doen. Vele 
vermogenden kopen zelfs enige tonnen Bier in de handel- 
plaatfen, die zy fpaarzaam het gantfche Jaar door gebrui- 
ken. Verfcheiden, welke in Coppenhage fmaak in Bier 
krygen en het niet wel ontberen konnen , beltellen Mout 
en Hop by de Kooplieden , en brouwen zelven Bier het gant- 
fche Jaar door, waar uit blykt, hoe ongegrond het bericht 
is, dat ook de meed bemiddelden, by gebrek van Kelders, 
riet Bier niet lange konnen bewaren. Ik kan by bevinding 
zeggen* dat zich het Bier het gantfche jaar door zeer goed 
hieldt, dat om ae derde of vierde week gebrouwen wierd: 
en offchoon aldaar geen Kelder was, bevroos nochtans 
het Bier niet meer, dan in Coppenhagen , alwaar goede Kel- 
ders zyn. Doch in de ftrengfte vorft konde het wel zoda- 
nig bevriezen, dat men, willende tappen, enige gloeijende 
kolen onder den tap moed houden /en ook onder tulïc hen 
een weinig vuur m een pan in de kamer zetten, waar in 
het Bier lag; want zy bewaarden het zelfs in de ftrengfte 
vorft in geen warme Kamer, waaruit blykt, dat de koude 
er zo (ti eng niet is, als men dezelve den heer Anderfon 
Deicnreven heeft. J 

N 3 Ver. 










I.02 



BESCHRYVING 



Verfcheide gegoede lieden hebben het gantfche jaar door 
roden en wittenWyn, inzonderheid de Predikanten,die dezel- 
ve tot het Nachtmaal nodig hebben -, doch dit konde menden 
heerBurgermeefter Ander fan niet zonder een' onware by voe- 
ging verhalen.Men zegt dan : enige gegoede lieden handelen van de 
Deenfche KoopUeden--voor hun mond bywylen een weinig Franfchen 
Wyn; doch ftorten denzelvenin onrein, ja dikwerf zodanig vaatwerk, 
waar in zy Hui en zelfs Traan gehad \ en' ï zelve te voren niet gerei- 
mgt hebben ; weshalve n die Wyn zich welhaast omwerp , en trow- 
hel diken ftinkend word. Hoe! zouden ook zelfs gegoede lieden 
dus met hunnen Wyn handelen? wan neer ik aü eens toe- 
ftaan konde, dat de ü'slanders zo onrein waren, 't °-een Z Y 
nochtans waarlyk niet zyn, zoude het te dom' en eenvou- 
dig wezen, den Wyn, die by hen zo zeldzaam is, in zoda- 
nig een vat te ftorten, waarin hy konde bederven. Des Bou- 
de ik my verzekert, dat niemand zulks geloven zal ; maar deze 
en andere vertellingen meer aan het liegt gemoed en de kwa- 
lyk gezintheid toefchryven van de zulken , die den Tslanders 
dus by den heer Ander jon zwartgemaakt hebben. Eenfoort- 
gelyk verhaal volgt welhaaft, als men zegt: doorgaans is 
hun lief ft e drank Brandewyn, waarin zich jongen oud, Mannen 
en Vrouwen, zeer fchandelyk misgaan. Ik twyfTel te recht, 
dat ergens een land is, alwaar het volk doorgaans, om zo 
te fpreken , nuchterer leeft. Ik ken vele, zelfs gemene lieden , 
die niet ligtelyk Brandewyn proeven zullen, en noch meerder ' 
diedenzejven tot nooddruft en matigdrinken. Echter kon- 
nen wel mïsland , gelyk in andere landen, enigen zyn 
die gaarne Brandewyn drinken, en 'er veel werk van ma- 
ken ; maar moet men daarom zo imaadelyk en in zo alge- 
mene uitdrukkingen van een gantfeh land fpreken, als zo- 
pen zy zonder onderfcheid jong en oud, Man en Wyf? 
Het kan wel zyn, dat een Koopman, die de zaak weinig 
nagedacht en zich in het oordeelen overylt heeft, de Ts- 
landers dronkaarts heeft willen noemen, gelyk ik, toen ik 
allereerft te land trad, dezelve ook byna daar voor gehou- 
den zoude hebben ; m aar wanneer men overweegt , hoe wei- 



ni;r 






van YSLAND. 



103 



mg Brandewyn naar het getal der inwoonden, die od 
tachtig duizend Menfchen belopen , in 't land &bm 
wordt; wanneer men niet terftond den zulken als Dronf- 
aars veroordeelt die, als zy i„ de handelpkatfen komen 

Kw' VSn de 1 K °° P ? an een ' of 00k W S meer gI.wS 
Brandewyn verzoeken, of van denzelven een paar ,of? 

kannen kopen en met hunne maats drinken, en wanneer 
men ook emdelyk bedenkt, dat zulks alleen de enilfte Z 
van het jaar is, waann zy die verkwikking genieten konnen 
die hun even zo welkom en koftbaar »,&« SS 
gaarfchenof Kaapwyn den Koopman 'wezen kin, zo zal 
men waarlykniet vele Dronkaarts in het land vinden. Dro„ 
kaarts zyn e.gentlyk de zulken, die het gamfche jaar 
door b y alle gelegenheden trachten den Bmndewyn ?e 
bekomen, en van dezelve zo veel drinken als zjhdet 
den TJ, ?'" f Z - Ulk£n m ° eten a,zo "»"« genaamt wor- 
neêr' rfi kI f ^ ,T b 7 20ndere gelegenheid, wan- 
neer de Kooplieden aldaar liggen, genegen zyn zich te 

«voffi Z'JTt K S enkt en,'t' glen nun voTgens hun 
gevoelen goed doet, en zy federt niet weder proeven 
wezen" **? *"■ ? *£"? , wed erkomen. Het ffwe 
z7n h; p hL5 '"f!! hand e>P^ats twintig of meer of min 
«™r J ten drank beminnen, en den Koopman daaglyks 

driS^T P, L ge " 5 f 8 ? , nadien dat g eta! onderzoVeef 
duizenden, die aldaar handelen, zeer gering is moet 

vTh^Vtf dr ° nkenf ? ha P ^et tof ee/eig^nfXp 
van het gantfche land maken , en zeggen, dat iona en 

7^r en ?7/°™ en > zich TOl ^Pen. Dt mr S 
eigentlyk van de Mannen gezegt, maar hoe velen zoude 
men doch we denken onder de Vrouwen en Kinderen te 
vinden, die zich in den Brandewyn misgaan? Ik ïeloof 
ze e n r heb nig o e f n ° feen ï™ S T l ' WaM ik de «lve noft ge- 
volk ™ 'a?1 T h0 , tea fpreken - Wan °eer het Vrouw- 
I£n h P h de k °°PP laats komt, zyn 'er velen, die ikzelfgs- 
zien heb, welke geen Brandewyn proeven, offchoon de 
Koopman haar dezelve aanbiedt, maar d».artèegenM?swyn 



TUI» 




io4 



BESCHRYVING 









verzoeken (dus noemen zydenfranfchen Wyn) En wanneer 
een Man zyn Kind, 't geen met hem naar de handelplaats 
komt, een weinig Brandewyn geeft, dat in het kleine glas 
overblyft , doet hy het, op dat zyn Kind ook iets goeds in 
de waereld geproè ft mogt hebben -, want dit, na den Wyn, de 
koftbaarfte 'drank is, waarvan zy weten te fpreken; doch 
daarom kan men met geen billykheid zeggen, dat de Va- 
der of het Kind aan den drank verflaaft is. Buiten dit 
geval, wanneer de Kinderen onderwylen met hunne Ouders 
in de handelplaatfen komen , proeven zy zeer zelden Bran- 
dewyn, veel min dat zy zich daarin zouden misgaan. 
Van §. L'XXXVUl. De' idanders kleden zich in zodanig een' 
hunne ftoffë , die zy zelven bearbeiden konnen , en zyn meren- 
Kledin S- deels daar mede vergenoegt, 't geen verltandig is; en het 
ware te wenfchen, dat andere natiën hen daarin navolgden. 
Beiden, de Mannen en Vrouwen, gebruiken Wadmei tot 
hunne bu'tenfte Klederen, en der meefte Vrouwen Rok- 
ken en Schorten zyn van gecoleurd laken , waarvan vele 
duizende ellen in het land verkogt worden ; doch is niet 
van het fynfte zoort; echter hebben zy grover en fyner la- 
kenen, die alle in Denmarken worden gemaakt. Vermo- 
gende Mannen en Vrouwen hebben ook Rokken van la- 
ken, zonder te fpreken van de Laug- en Syflelmannenen 
diergelyken, die zich even zowel met zyde ondervoedering 
onder hunne klederen kleden, als andere wakkere lieden by 
ons, en in alle andere dingen zo net zyn als wy. ^ De ge- 
mene man kleedt zich in de dragt van het Scheeps- 
volk, naamlyk in Kamefolen en Broeken, offchoon zy 
ook wel een Rok hebben, die naar de Deenfche mode 
gemaakt is. Een ieder Man heeft daar en boven een 
Rok, die als een Overrok by ons gemaakt is, en by hun 
Hempe genaamt word, welke zy gebruiken, wanneer zy 
verre van huis reizen, of des Winters naar de Kerk gaan. 
DeVrouwsperfonen gebruiken Rokken,Rorftrokken enSchor- 
ten beide van Laken en W a dmel, en over dezelve een wy- 
den Rok, de Predikants-rokken by ons niet ongelyk, met 

en- 



van Y S L A N D. 



XO| 



enge Mouwen , tot op de handen ; doch welke R okken 20 lans 
niet zyn, als de Onderrokken, op dat men deze een 
handbreet onder den wyden Rok zoude konnen zien, die 
zy, gelyk die derMansperfonen, Hempe noemen, en altoos 
zwart, fomtyds onder met een zwarten fluwelen rand om- 
boort, of met enig ander fïeraad, door haar zelve ver- 
vaardigt, verfiert is, gelykende naar point de la Reine en 
zeer netgenaait; welke kleding hun ongemeen wel ftaat. 
Ve bemiddelden hebben daarenboven voor aan de Hempe 
tot naar beneden vele paren fraai bewerkte zilvere floten 
meeftendeel verguit, die zy echter niet zamenfluiten, maar 

ie u° e " t0t ftatie g ebruiken - D e Rokken zowel 
als Schorten, die altoos gecoleurt zyn, zyn naar onder 
met een rykgecoleurden fluwelen of zyden band of ook wel 
met een breden zyden fnoer bezet. * Boven aan de Schort 
zyn drie grote zilvere Knopen , veeltyds verguit ( by de 
armen zyn zy van metaal , ) Aan dezen hechten zy de Schort 
valt, doormiddel vaneen Gordel, die met bewerkte zil- 
vere of metale platen bezet is, nadat een ieders vermo- 
gen toereikt, en wordt die Gordel voor met een flot van 
net zelfde werk zamen gehecht. De Borftrokken, die altoos 
zwart en net zyn, en om het lyf fluiten, met enge armen 
tot op de handen, zyn insgelyks met gecoleurde zyde of 
iluwele banden op alle naden , en van vorken met enige bre- 
dere en betere zyden ftoffen bezet. Aan iederen arm voor 
aan de hand zyn 4 of 6 Knopen van het zelfde werk, ge- 
iyk het ander zilver of metaal. By den hals is een klei- 
ne uitftekende ftyve Kraag , waaronder de buitenfte 
Kok lJuit. Die Kragen zyn altoos met fraaje zydeftofFenof 
zwart Fiuweel bekleet, en met een gouden ofzil veren Snoer 
bezet. Om het hoofd winden zy een groten witten Neus- 
doek van grof Lywaat en over denzelven een fyner, die 
gelyk een' hairbos in de hoogte ftaat, doch geen i£ elle 
hoog is, gelyk men den heer Anderfon bericht heeft, na- 
dien de helft van die maat genoeg is. Om deze winden 
zy een fraajen zyden Neusdoek tot daaglyks gebruik een' 

O hand 



J 









II 







BESCHRYVING 

hand breed onder by het aangezicht. Dit dragen zowel 
getrouwde als ongetrouwde Vrouwsperfonen. Om den hals 
hebben zy ook een doek van Zyde of Catoen , die zy voor 
aan den Borftrok vafthechten.Kortom de kleding derVrouws- 
perfonen is de zodanige t'enemaal gelyk, die men in oude 
Schilderyen en Graffteden in de Kerken by ons vindt, be- 
halven alleen het hoofd fieraad , 't geen ik elders nooit zo 
gezien heb. I e Dochters in Tsland dragen in hunne jonge 
jaren even zodanige Kappen, als in de oude Schilderyen 
gevonden worden, die zy, ouder wordende, tegens de 
voorfchreve Hairbos of Hulfel verwhTelen. Buiten die al- 
gemene kleding verfiert het Vrouwvolk, 't geen 'er vermo- 
gen toe heeft, zich noch met vele andere dingen van 
bearbeid Zilver en verguit, als by voorbeeld Knopen 
met gecoleurde ftenen, en zetten van dezelve drie on- 
der malkander voor aan het Hoofdbindfel. Wanneer zy 
als Bruiden gekleed worden, dragen zy een' Kroon van 
verguld Zilver , die tot onder den witten band over 
het hoofd en byna over het aangezicht gaat, in plaats 
van den zyden Neusdoek. Voorts twee vergulde zil- 
vere Ketenen , Feftons wyze > de ene van vooren en 
wyders naar achteren tot over den rug; en de andere we- 
der van achter naar voren tot over de Borft en den 
Borftrok ; want zy dan gene Hempe aanhebben. Een* 
andere Keten hangt hun om den hals, waaraan voor op 
de borft een fraai bearbeid Balfemdoosje hangt, waarin 
verfcheide foorten van Reukwerken befloten zyn. 't Zel- 
ve kan men op de beide zyden openen , en is gemeen- 
lyk als een hert of kruis gemaakt. Zodanig een Doosje 
heb ik ook wel van Goud gezien , en kan verzekeren , dat 
liet Zilverwerk van een Vrouwsperfbon, wanneer zy op- 
getooitis, gelyk ik haar gezien heb, meer dan $ a 400 
Ryksdalcrs beloopt, en een byzo>>der bevallige dracht is. 
Der Mannen zowel als Vrouwen Schoenen , die alle 
door de Vrouwsperfonen genaait worden, zyn gemeenlyk 
gemaakt van Oflenhuiden 3 of by gebrek van dezelve van 

Schaars- 



va n Y S L A N D. 



Ï07 



Schaapsvellen , die zy zelven bereiden , door 'er flegts de 
wol of het hair van af te fchrapen, vervolgens die Hui- 
den of Vellen te drogen, en de zulken, die zy tot Schoe- 
nen zullen gebruiken, weder eerft in 't. water te weken. 
De Schoenen zyn zodanig gemaakt, dat zv net om deifc 
voet fluiten, zonder hielen. Uit de Schaapsvellen worden? 
zeer dunne riemen gefneden, waarvan twee van de hiel- 
nukken van den Schoen komende voor over de vreeg toe* 
gebonden worden; doch twee anderen van ieder zyden 
alwaar onze Gespen zyn, worden boven op den voet vafl> 
gebonden. Zodanig een Huid of Vel wordt nooit met 
Traan befmeert , en noch veel minder Schaapsdarmen ge- 
bruikt, om de Schoenen daar mede toe te binden ge- 
lyk men den heer Ander/on bericht heeft. Dus is' het 
gelegen met de kleding der Wanden, die ik te omftaav 
diger heb willen befchry ven, vermits men den gemeldeii 
heer deswegenzeeriverkeerde denkbeelden gegeven heeft. 

§• LXXXIX. De middelmatige Boerenhuizen der Ts^ Vm 
landen zyn dus geftelt. Allereerft vindt men een langen huna <= 
fmallen gang, een vadem breed, die zyne dwarsbalken en Wonin ' 
dak boven zich heeft, in welk dak liier en daar zo vele 860 * 
openingen zyn, dat zy genoegzaam licht in den gang ge- 
ven konnen. In die openingen of gaten ftaan glasruiten, 
of ook wel kleine hoepels , waar over dunne zogenaamde 
ttinne ■ vanOfièn of Koe jen gefpannen zyn , die mede een 
goed licht geven. Voor die openingen hebben zy houte 
blinden, die, wanneer het fneeuwt of ander fle<n weer 
is, 'er voorgezet konnen worden. Aan het einde van dien 
langen gang is de eigentlyke ingang van het huis, en voor 
het binnenite einde van den gang ftaat in het dwars een 
huis of vertrek 12 tot 14 ellen lang en 6 tot 8 ellen 
breed, die de Wanden Badftube noemen, en hunne gewone 
werkplaats is, waarin de Vrouwspersonen haar huiswerk 
doen, de wolle bearbeiden, klederen najen en wat dies 
meer is. Aan het einde van dat vertrek is gemeen! yk een' 
ilaapkamer voorden Man en zyne Vrouw, enbehalven de* 

O z zelve 







H R Y V I N G 



zelve liggen merendeels de Kinderen en Dienftmaagden 
aldaar op den grond. Gelyk dit zogenaamd Badflubenhaus 
dwars voor den gang van het huis aan het einde van den- 
zelven gebouwtis, zo zyn gemeenlyk ook noch vier an- 
dere huizen of vertrekken twee aan iedere zyde van den 
gang, naar welke mede de ingang in den langen gang is. 
Een dier vertrekken gebruiken zy doorgaans tot een Keu- 
ken, een ander tot een' Spyskamer, het derde tot een' 
Melkkamer, en het vierde of achterfte aan den ingang van 
den langen gang word tot een' Slaapkamer voor de Dienft- 
boden gebruikt, alwaar ook vreemdelingen en reizigers van 
diergelyke loort hurme flaapplaats vinden : en dat huis 
of kamer heten zv de Skaule Dit gantfche gebouw, 't 
geen dus uit zes huizen betbat, iseen aaneengevoegde wo- 
ning en gelyk zes kamers of afdeelingen aan te marken, 
tot welke alle (legts een enige ingang van buiten is, naam- 
lyk aan het ene einde van den langen ^ang, en wanneer 
deflèlfs deur gefloten is , zyn alle de kamers voor de 
vreemdelingen, of die 'er zich buiten bevinden, verfpert. 
Gelyk ik de kleine dakgaten in den langen gang befchreven 
heb, die aldaar hun licht geven, zo ook zvn in de andere 
huizen enige openingen in het dak met glasruiten of dunne 
Hinne voorzien , behalven de hadftube of werkplaats, waar 
in velen twee kleine venlters hebben, om te meer licht te 
ontfangen tot den arbeid, dien zy verrichten. Behalven dit 
aaneengevoegd gebouw nebben de meeften noch een huis 
op de zyde van dé Skaule, 't geen het laatfte dwarsgebouw 
aan den langen gang is, om den vreemdelingen daarin te 
herbergen, en 't geen men hunneGaftkamer noemen kan, 
in welke een Bed is, en deze is hunne voornaamfte Ka- 
mer, of zo ik het dus noemen mag hunne Zaal In die 
kamer is een' byzondere deur van buiten, door welke zy 
die Vreemdelingen inleiden ; ook is 'er noch een' andere 
deur in aan dtn kant van de Skaule y door welke zy zelven 
uit hunne andere Kamers 'er binnen konnen komen, zon- 
der buiten het huis te gaan. Voorts yindt men noch een 

of 



- 



la? 



van YSLAND. 



109 



of 2 huizen, die dwars over of aan de zyde van het bo- 
vengenoemd Gebouw ftaan, welke Huizen' zy Skiemmer 
noemen en in dezelve hun gedroogden Vifch en allerlei 
winter voorraad, gelyk ook Paardentuig, Huisgereedfchap- 
pen en andere dingen bewaren. Behalven dezen hebben 
zy doorgaans noch een ander Huis, door hun de Smedery 
genaamt, waarin zy alle hunne gereedfc happen van Yzer 
en Hout maken. Noch hebben zy een weinig van de bo- 
ven befchreven gebouwen afgelegen naby de plaats , daar 
hun Hooi ligt, Veeftallen, die vele zyn, na dat een ieder 
meer of minder Vee heeft. Altoos hebben zy ten minften 
een Koeftal, een Paarden (tal en een, 2, 3, of 4 Schaap- 
ftallen, in welke de Lammeren byzonder ftaan. Hun Hooi 
bewaren zy niet in Huizen, maar hebben daartoe een' 
plaats met greppen omgxaven, alwaar het in zo vele lange 
hopen, een goeden vadem breed en hoog, ftaat, naar dat 
zy veel Hooi hebben, waar tuflchen fmalle gangen zyn, 
en worden die Hooihopen met graszoden dicht en fpits ge- 
dekt, op dat de regen 'er niet op zoude konnen vallen. 
De Bad/tube, Slaapkamer en Gaftkamer zyn van binnen 
doorgaans met planken bevloert en meteen voetbank voor- 
zien, op welken zy hunne Kiften, Klederen en diergely- 
ken bewaren Zo ook hebben zy in die Huizen 
kleine glasvenfters van 2 tot 5- glazen hoog; doch in de 
andere Kamers is geen vloer, en hebben die Kamers ook 
gene venfters, maar alleen zulke dakgaten, als ik tevoren 
gezegt heb, 't zy met ene glasruit of merendeels met een 
hoepel, waar over zy dunne Minne , die om de magen der 
OlTen of Koejen liggen , fpannen , terwyl dezelve noch warm 
zyn, welke gedroogt en fterk getrokken een goed licht 
geven. 

Hunne Meubilen zyn van gene grote waarde; doch zy 
hebben Bedden , en liggen niet naakt op het enkele Hooi, 
Hunne Wadmei gebruiken zytot Dekens en vullende Bed- 
den met vederen van de -grote menigte Vogelen, die zy 
vangen; doch de gemene Dienftboden,die in de Skauïe fla- 

O 3 pen 3 



BESCHRYVING 

pen, konuen gedeeltlyk wel naakt liggen, gelyk het arme 
en geringe volk by ons. Tafels, Stoelen, Banken en Kis- 
ten hebben zy ook tot hun huisgebruik; maar hiermede 
wil ik de voorname en vermogende lieden niet verftaan 
hebben, die hunne Kamers met Spiegels en andere Huis- 
fieraden zeer proper meubileeren. Wat de manier van 
Bouwenen het uitwendig aanzien der Huizen betreft, is 
ligtelyk te begrypen, dat vermits zy geen Timmerhout in 
het land hebben , maar alles van de Kompagnie kopen 
moeten, 't geen hun derhalven zeer koftbaar vallen moet, 
zy zo zuinig boawen als immer mooglyk is. Offchoon alle 
Boerenhoeven niet even groot zyn , of zo vele gebouwen 
hebben, als ik gezegt heb, zo zyn ook daarentegen an- 
deren veel groter en beter gebouwt -, doch alzo en gelyk 
ik gemeld heb, is gemeenlyk een goed Boerenhuis ingericht 
en geftelt, en daarnaar moet men het model nemen, wan- 
neer men ene befchryving van hunne woningen maken wil. 
Een arm Huisman , die maar ene Koe en gene Paarden of 
Schapen heeft, heeft zo vele vertrekken niet van noden, 
en de allerbehoeftigfte heeft echter een beter Huis, dan 
men den heer Anderfon bericht heeft ; want hy voor het 
weinige Vee, 't geen hem toebehoort, echter altoos een 
byzonder Huis, door hen Fios genaam t , en het niet by zich 
in zyneeige woning heeft.Derhalven zodanig eenelendigHuis 
ten monfter te nemen , zo ongerymt zoude zyn , als of ik 
de voornaamite en befte Hoeve in het land tot model ne- 
men, en dezelve voor het gantfche land algemeen maken 
wilde; want offchoon vele Hoeven flegterzyn, dan die ik 
befchreven heb, zo zyn ook in het tegendeel een* menigte 
veel beter en groter, als naamlyk des Koningshoeve Bes* 
jejted^de woningen vanden Bi(Tchop,deLaugmannen,ver- 
fcheide SyrTelmannen en Priefters, als ook van vele ver- 
mogende inwoonders, onder welken enigen van muurltenen 
en hout, gelyk by ons, gebouwt zyn. By voorbeeld de 
Biiïchops zetel in Holum beftaat uit 50 Huizen en 12 Vee- 
huizen, 't geen echter geen regel voor andere Huizen en 

Hoe- 



van YSLAND. 



iï 



Hoeven zyn kan. Ik heb op vele andere Hoeven geweeft 
die zich gelyk een klein dorp vertoonden, gedeeltelyk 
door de vele Huizen, die tot de Hoeve behoorden, enge- 
deeltelyk ook door de woningen der Huislieden , die by enige 
Hoeven lagen en een taamlyke menigte uitmaakten. 

§.XC Deheer^^r/^beiluituitdedoorhembyêebras- v™ s* 
te redenen dat by de Tslanders gene kloekmoedigheid plaats gemoed* 
hebben kan, en zy van nature blohartig zyn en tot geen' S eftelte ~ 
Soldaten deugen; doch de bevinding heeft getoont, datzy v, der 
pok tot den Krygsdienft bekw aam zyn, waarin zich enigen Iet " 
n Denmarken zowel gekweten hebben, dat zy tot de bediening 
van Kapitein by de Fortificatien bevordert wierden 5 maar 
nadien het land weinigen zyner inwoonderen ontberen kan 
en ook weinigen buiten 's lands reizen, 't geen tot hun ge- 
luk te verre afligt, dan dat een werver ene zo verre en moe- 
jelyke reize zoude doen, om recruten te bekomen, waar 
toe velen in het land bekwaam genoeg zyn , bevinden zich ook 
zeer weinigen van hun in het militair, doch zyn echter e- 
mgen weleer 'er m geweeft , die men nietmet het affcheid ,dat 
zy nergens toe bekwaam waren, weder naar huis gejaagt heeft. 
Hunne jaarboeken tonen ook, dat de Yslanders in vorige 
tyden zeer ftrydbaar en geen blohartig en vreesachtigvolk 
waren; want zy m hunne binnenlandfche Oorlogen hard- 
nekkige en bloedige ftryden elkander leverden Men 
geeft ook voor dat zy tot den Zeedienft zo onbekwaam 
als tot den Landdienft zouden zyn, offc hoon bekent is , dat 
verfcheide2?/W*r/ voorde Hollanders en andere NatienSche- 
pen naar hun Vaderland gebragt hebben ; en wie doch kan an- 
ders denken van een' Natie, die genoegzaam op de Zee opge- 
voed is? Dat zy zo vreesachtig zouden wezen, dat men hen 
niet bewegen kan een geladen geweer af te fchieten,is,gelyk ik 
reeds te voren genoeg bewezen heb, onwaar; want hun h 
het gebruik van het fchiet geweer eige, wanneer zy flegts 
de m.dde en hebben, om het zelvemagtigte worden; en Ter 
zyn waarlyk met zeer weinigen in het land die het nietdiiur 
&open, en daar mede zeer wel Voffen, Zeehonden i allerlei 

V6* 






liz BESCHRYVING 

Vogelen en diergel yken weten te vellen. En geen een , die 
te voren nooit een geweer afgefchoten heeft, is fchichtig 
zulks te doen, wanneer het hem aangeboden wordt, gelyk 
ik zelf dik wils gezien heb. 

De vele zeer wel geftudeerde en geleerde Tshnders , die 
door de gantfche waereld bekent geworden zyn , leveren 
ook een by zonder en fterkbewys, dat hunne landslieden geen* 
lage en flaaffche gemoederen hebben, en nadien jaarlyks 
enige Tshnders naar de Univerfiteit in Coppenbagen ge- 
zonden worden, om aldaar te ftudeeren, zo heeft men 
daarby ook gelegenheid, hunne gemoedsgefteltenis te door- 
gronden, die men geenzins laag en neerflagtig vindt, maar 
die veeleer toont,dat zy een foort van moed bezitten; zulks het 
zeer zeldzaam is , een onnozelen menfch onder de Tshndjcbe 
Studenten aan te treffen. Dit kan ik ook van den gemenen 
man in het land zeggen , want men onder denzelven doorgaans 
vele fchrandere bollen vindt; weshalven men kwalykdoet, 
over hunne gemoeds gefteltenis te klagen , en noch meer als 
men hen zo flegt affchildert , als of gene verbetering te ver- 
wachten 'was, 't geen te veel gezegt is. Zy zyn zowel 
als andere Natiën door een' zucht tot hun eige Vaderland 
behebt, zulks zy naar hun Vaderland verlangen, of fchoon 
men menen zonde, dat zy het elders aangenamer , bekwa- 
mer en beter hadden; doch daarover heeft men zich niet 
te verwonderen, vermits zulks by een ieder, en zo ik ge- 
loof ook by de noordfche Natiën algemeen is; weshalven 
dit geenzins een bewys uitlevert van hen gering en Jaag 
gemoed, en dat gene verbetering by hun te verwachten is, 
gelyk de heer Ander fon meent. Echter zyn vele Tshnders 'm 
Coppenbagen en andere plaatfen woonachtig, alwaar zy zekere 
beroepen en handteeringen oeffenen. Dus heeft men te 
meermalen uit Tsland Profefforen, Rectoren, Zeelieden, 
Goudfmeden en verfcheide Meefters in andere Handwerken 
by ons gehad, en het is een' algemene klachte onder de 
Tshnders zelven, dat wanneer hunne landslieden in Coppen- 
hagen of elders iets goeds of enig nut beroep geleei t heb- 
ben 3 









m 



van YSLAND. 



iij 



ben, zy met gaarne weder naar hun Vaderland keren 
om hunne landsgenoten daar mede te dienen , offchoonnu 
ot dan wel een van de zulken weder terug komt Dus is 
op den Biflchops- Zetel in Holum een 'islmder- die het 
Boekdrukken verftaat, en niet alleen in Coffenba/en ge weeft 
en geleert, maar ook elders buitens lands naar enitre plaat- 
tol gereift beeft, tot zy hem eindelyk van Z)j»to/naar 
hms ontboden nebben. 6 

v^ 1S i ee ?'u° 0rZaak , "J' de zucht der ^émdtrj naar hun 
Vaderland brengt de heer Anderfon by, de onhedwmene 
vrybe.d, mar over by klaagt dat dezelve 'm dat land, S 
h e voren verbaalt zegt te hebben, al te verre gaande is. 
Ik kan met begrypen waarin die onbedwongene vryheid 
beftaan zoude en noch veel minder, waarin zy te ver e 
gaande .s; ook vmde ik by den heer Anderfon A^v van 
te voren geen woord gerept , waarom ik hier op ook 
t " nf w T n , antwoo . rde . n kan, gelyk ik wel wenfch- 
!;»„. n u -7 leven , n - let ,n den ftaat der nature, maar 
II? S Verhe ' d e " ]u ?' t,e in ' l land 20 als by °ns. ' Men 

£.r Ta °^yyms ftrafloos doen; des ik niet zienk.n, 
waann doch die onbedwongene vryheid beftaat: ook be- 
gryP j o n ; et ' J dat . 2ulks de oorzaak zoude wezen, waar- 
om de Islanders uit den aart lui en eigenzinnig zyn. Wan- 

TL^^A- .'"f Zake ^ p . h0ud te z yn, «houdt ook 
de zaak op, die 'er de uitwerking van is. De oorzaak e- 

ner onbedwongene onordentelyke vryheid is 'er niet, en 
derhalven hebben de luiheid en eigenzinnigheid, als der- 
ze ver uitwerkingen , ook geen' plaats. Hunne luiheid 
arbeiden f ^ da f Z y "^ dan uit noodzaaklykheid 
hï ïhlh. ' r haal k3n W i eni S en fch yn van waar- 
SrW ' y Z °, Verre het vaneen Schipper of 
Onderkoopman voortkomt (van welke lieden de heer 
Anderfon zyne benchten heeft) als die van de omstan- 
digheden der mwoonders- niets anders weten, dan 't geen 
zy m den korten tyd, dat zy daar te lande gevveeft fyn, 

" on- 




ii 4 



BESCHRYVING 



ondervonden hebben, in welken tyd de inwoonders byna 
niet ter VilTery gaan, zo orn het jaargety, 't geen niet 
gedoogt den Vifch tot hun eigen nut te drogen, als om 
dat de Schepen zich alsdan aldaar bevinden, en zy den 
Koophandel moeten waarnemen; en ook eïndelyk, ver- 
mits die tyd de enige in het gantfche jaar is, dat zy 
van hunnen zwaren arbeid uitruften en zich verluftigen. 
Maar die anderzins kennis van de bezigheden der inwoon- 
ders heeft, moet toeftaan, dat zy niet lui zyn, of niet 
anders dan uit noodzaaklykheid arbeiden ; want ik weet 
door de bevinding, dat het wel gebeurt is, dat zy zeftio-- 
maal in Zee gingen zonder meer dan ió of 20 Viiïchen 
voor alle hunne moeite te bekomen, en men derhalven 
niet zeggen kan, dat zy den arbeid uit luiheid fpaarden. 
De eigenzinnigheid der Tslanders zoude daarin beftaan, 
dat zy met hunne landswyze zo ingenomen zyn , dat 
"Wanneer men hun ook betere foorten, kortere handgre- 
pen, en bekwamere werktuigen tot den arbeid aanbiedt, 
zy dezelve verwerpen, en halfterrig by de oude verbly- 
yen. Het is een' algemene feil van den gemenen man 
in een ieder land, dat hy niet gaarne iets in zvne hand- 
tering verandert, ten zy'hy 'er een merklvk voordeel uit 
kan trekken, en dus gaat het ook den Tslanderen; doch 
verdient zo zeer den titel niet van eigenzinnigheid, dan wel 
van voorzichtigheid, als zy hunne oude manier niet willen 
verwerpen, ten zy zy alvorens weten waarom: anderzins 
zyn de Tslanders doorgaans zeer begerig, iets vreemds en 
beters te zien, als wanneer zy ook welhaaft gereed zyn 
zulks na te maken, en zich van het nieuwe met vrucht 
te bedienen , behalven dat zy daarenboven zeer behendig 
zyn, om allerhande dingen te maken. 
Of de § XCI De heer Ander [on zegt voorts, dat zy ook geen 
Yslan den minften yver tot Konften en Wetenfchappen doen 

he r 4en ftbIyken ' Dit heett de g emelde neer dusdanig naar de woor- 
om iets'den van zyn berichter ter neder gefteltj doch nadien hem 
te leren, meer dan te wel bekent was, dat men vele voorname ge- 
leerde 









•V, 



van YS LA ND. 



115 



l ^ d °™ l >f er *Sehadh fe f c , voegt hy a , s een verftandi 
man by dat onwaarachtig bericht: nochtans moet men „kt 
ff™, dat zy van nature dom en onbekwaam zyn. Veeleer is 
tekent, dat enigen uit hun geleerde Mannen zyn geworden, en 
anderen, die buitenslands geweeft zyn, geleert hebben, vaardig 
te fchryven en te rekenen, in Goud te arbeiden, Tabaksdozen 
%uT Zï T' H M ,s . een g el «k, dat een Thormodus Thor- 
J ZU f ^««sMagnaus en meer andere zulke lieden ge- 
VntX^ e rt n J h ri mch onder ^ Studenten by de 
«n* .n£. Tsk " d f ch Studenten gevonden worden /die 
Fnrl.n ^ en ' maar dezelve doorgaans, om zo te 

Sof iïiïf™' "f 6 " ^n onder hen zeer weinig 
wafr dl 1 h"^ v ; nd H maar ^ de fchranderfte zyn; 
kan worXn ?' Ven - het Caraaer van de "«ie verdedig 
Ier" houden ' feff ""-^ d ° m en Woeft zcude «* 
Is ËLr^ ; h6t 1S , met S enoe S' d " men de ™f«- 
kan ' m « "? 'f*'?*'*? komen, tot alle dingen gebruiken 
ften'hnnn ' >! 1 rZe J ker ' dat ook demeeften onderden groot- 
om a^",' knd Z6lfs Zeer S^chikten fchrander zyn, 
h ven L\ Ieren > waa «°e men hen gebruiken wil; £«£ 

worden n ma ^ alle - e " ' er °P aankomt > dat z y aange voert 
Tvr 2 SZ y nh « ni «alleen enigedie buiten'slands|eweeft 
Zilver Knn Vaard,g Rek6nen ^ Schryven leren, of om in 
fe der ;nwo P onr Z V^ ar r eiden ' maar het S rootfte S edee l- 

jisrasstBLTia gas» t s 

SShTSSS f D e vinden > *-K5 ft SS 

meen ni<^ ïc rfJ ^ ' clc . em Jere n- Offchoon het 20 ee- 

«Is dë zu Ln' de SÖK te V! " den ' die we ' Reken «. 
uiKen, die welichryven, worden nochtans velen 



P 2 



ge- 




BESCHRYVING 



I 4< 



gevonden, die redelyk wel Rekenen, zonder buiten 's lands 
geweeft te zyn ; invoegen de Tslanders doorgaans fraai 
Schryven en wel Rekenen. De 7 'stander s , die zich op 
enig beroep of kunft by ons in Denmarken toeleggen , wor- 
den daarin gemeenlyk goede Meefters, waar van ten ge- 
noegzamen bewyze ftrekt, dat hier in Coppenhagen ver- 
fcheiden van de zodanigen gevonden worden. Ja onder velen 
van dezelve, die aldaar te lande blyven, vindt men vele 
goede Werklieden, welke enkel uit luft, en zonder enig on- 
derwys genoten te hebben, zich op verfcheide beroepen 
hebben toegelegt. De meeften van die foort arbeiden in 
Zilver en Metaal, tot het maken van lieraden, die het 
Vrouwvolk op de Gordels gebruiken , gelyk ook Knopen 
en Gespen. Anderen hebben het zeer verre inhetSchryn- 
werken en Smeden gebragt, om niet te zeggen, dat zich 
een ieder in alle handwerken oefTent; want 'er zyn weini- 
gen, die niet te gelyk Timmerlieden, Schrynwerkers, 
Scheepmakers en Smits zyn; doch enigen leggen zich maar 
alleen op ene zaak, en worden daarin, 't geen natuurlyk 
is, des te beter. Dus blykt duidelyk, dat de Tslanders 
niet onvernuftig en ongefchikt zyn, om alles te leren, en 
dat men onbillyk van hun fpreekt , wanneer men zegt , 
dat het hun aan den luft en wil ontbreekt. De heer 
Ander [on zegt te recht \ het fpruit ook, myns erachtens , uit 
enige bekwaamheid, als men uit [legt e ftofftn en met onbekwa- 
me werktuigen alles, wat men nodig heep, naar bshoe[ ver- 
waardigen kan. Maar nadien zy gaarne naar nieuwe en be- 
kwame werktuigen omzien, zo vervaardigen zy ook vele 
dingen van tyd tot tyd beter dan te voren, 't geen een 
teken van hunnen luft en wil is; en men ten onrechte van 
hun zegt : zy willen lieeds verblyven by V geen zy hunne 
Ouderen en Voorouderen hebben zien maken, en waar toe hun 
de uit erft e nood dwingt. 

Ik verfta niet , wat men met de volgende woorden 
zeegen wil : van tyd o[ uur rekening weten zy niets, maar 
richten zich naar de Eb en Vloed , o[ naar de Zon, wanneer 

zy 






w 



van YSLAND. 



117 



zy dezelve hnnen zien. Jk meen tiat r»**» a* ♦ j 
tydrekeningen overal „aar de Ion Sh "Ztr de 
Manden dus doen, weet ik niet, wat men in hl .» k - 
pen heeft, Zy rekenen den tyd na" denzon ^ 

keurig aan de Eb'en Vloed, Ü d g | JfT De" 
r,W,rx rekenende uren niet, gelyk wy doe! a ' 1 2 

en nu zal men hier in dit Artikel bericht wnh ,! ft r0kM ' *"• 
hunner Boten bekomen VI j ■_ ," het b °u w eö 
Hunne n/ZlïtZ%\ aa 0£ffi*5 &$ ^ = 

S^-fïs^siwSil 

^erfc l^r^^^efr^ben Tifr 
iands gebruiken Zy JU** R& S^^ S 



. 



BESCHRY VING 

20 Mannen geroeit worden; weshalven zeer weinig kleine 
Boten in vergelyking van de vele grotere zyn ; ja de kleine 
vindt men byna maar alleen in Guldbringe-Syffèl en ontrent 
Hvalfiord; _ zulks het niet wel uitkomt , 't' geen in het 
flot van dit Artikel 'er bygevoegt word : op enige wei- 
nige plaat Jen hebben zy enigzins fteviger en groter Vaartuigen , 
gelyk fc< hilgelandfche VÏjJchersfchiiiten zyn; want 'er zyn 
maar enige zeer weinige plaatfen, alwaar zy kleine Boten 
hebben, en op die plaatfen zowel als alomme elders hebben 
zy grote Boten. De meefte Boten in 't iand zyn doorgaans 
van ó* tot 8 riemen. Alomme in het land is het zodanig 
niet gelyk de heer Ander [on bericht, dat zy de Boten zo 
hoog op het fit and moeten [iepen , dat de naar gelegenheid van 
den Wind te verwachten Vloed dezelve niet bereiken kan , en zy 
door het gemeld der Golven niet ge/loopt of wegge/poeh voorden 
'vermits zy Ankers noch Dreggen hebben, om die Boten vaft te 
leggen : maar het is flegts alleen in Rangervalk en S kaf re- 
fields-Syjfelen, dat zy de Boten taamlyk verre van de Zee 
naar boven moeten flepen, vermits aldaar een lang en vlak 
ftrand by de Zee is, voor welke die Syjfelen open liggen; 
doch offchoon zy die Boten taamlyk verre flepen moeten ,' 
hebben zy echter aldaar de groottfe Boten. Op de meefle 
andere plaatfen rondom het land behoeven zyde Boten niet 
verre op het firand te trekken, op dat dezelve zeker zou- 
den liggen, nadien het land niet overal zo vlak aan de 
Zee ïs, als in de voornoemde Syffelen. De Tslanders gebrui- 
ken de zelfde foort van Ankers, als ik by onze Viifers o-e- 
zien heb, naamlyk twee houte (tokken kruiswyze dooreen 
zwaren (teen, welke Ankers zeer vaft in den grond hou- 
den, en hebben de Tslanders niette vrezen, dat, wanneer 
zy ondertuflchen door een ftorm op Zee overvallen wor- 
den, die Ankers niet zouden houden, wanneer flegts hun- 
ne kleine Ankertouwen niet breken. Voorts is het°natuur- 
iyk, dat zy huune Boten veel liever met goeden veri'chcn 
Dorfch beladen, dan zware Ankers mede te voeren, die 
hun beletten zouden, een' goede lading Vifchin te nemen. 

Wan- 






van YSLAND. 



119 



Wanneer zy een kleine rente met hunne Boten doen, en 
hunne kd.Bg mhebben, hggen zy enige dagen voor' die 
Ankers, wanneer zy tegenwind bekomen, in flepen in 
^v^m g^h""" 6 Boten niet op het land. P 
§• X CIII. Van de Veehoedery en Veehandel is zowel als \ 
van de Viflèry te voren gefproken, doch 't geen daar WV« 
in d.t Artikel bygebragt word is t'enemaal onwTar win ho ^^ 
neer gezegt word: De Veehoedery verwekt bun, om zo t'e 
/preken gene grote bekommering. Die op Weftman-oe Jel 

yes, op dat zy dezelve, als zy villen, zonder moeite weder zou- 
den konnen opvangen. De Weftmans Kilanden, die Teen V ee 
genoeg voor hunne eige inwoonders hebben , zouden dan 
ten voorbeeld vertrekken, hoe men met het Vee ïnlland 
handelt en vermus de eerftgenoemden daar mede niet vTef 
moeite hebben, zoude moeten volgen, dat het dus ook 
mirtand toegaat; doch hn : fchikt zich geenzins de Wet 
mans£,landen alhier metftW te vergelyken. Het sroot 
fte gedeelte van Yrtand trekt zyn voordeel van het^ee 
inzonderheid de noorderlyke en oofterlvke delen des lands 

TeCd S lf' ^ V^i' R ^valle:ArnesXf,Bo7- 
gefioid Myreen Dale. Op die plaatfen bezitten velen wel 

R°^, y °f Uks bcha P en > die op zekere tyden naar de 
Rotzen gedreven en op andere tyden naar Huis genomen 
worden. Op zekere tyden houden zy Ojen naby de Hoe- 
ven, en zonderen dezelve van de andere Schapen af; doch 
twee of drie maal 's jaars dryven zy alle Hameien , Scha- 
pen en Lammeren byeen in hunne Soyde-Gerichten , naam- 
yk wanneer dezelve naarde handelplaatfen gezonden zul- 
len worden 5 dus het onmooglyk kan zyn , dat zy 
figgen aan Veehoeder y weini g ^uden laten gelegen 
S. XCIV. De Leêrbereidery is in Tsland in eeen be- v,„ a 

and ! J k H n **t T"ï- ftand ^ r ™ * -woondeln , un en l££ 
andere daar toe benodigde dingen ontbreken, waarom zy 1 ** 1 * 
zich daarin beft mooglyk behelpen. De hairen of het wol de? 

Hui- 







IZO 



BESCHRYVING 



Huiden of Vellen fchrapen zy met een fcherp mes over 
hunne knien afj doch niet, gelyk men den heer Ander/on 
bericht heeft, over hunne naakte knien. Dit doen zy ge- 
zwinder en behendiger, dan iemand geloven zoude, en 
fpannen de vellen vervolgens uit om te drogen , en in zo 
verre heeft de heer Anderfon waarachtige berichten beko- 
men. Doch dat het Vel dus tot allerlei gebruik zeer bekwaam 
en goed zoude zyn, is niet naar waarheid bericht 5 want 
daarna hebben de Tslanders de grootfte moeite en arbeid 
met de Vellen, om dezelve gemoedig te maken, vermits 
zy dezelve met de voeten 'm Hui of Zoutwater een gerui- 
men tyd moeten treden. In het tegendeel heeft men den 
heer Anderfon bericht, dat zy al V geen zy van Leder of 
Felteryen aan het ly f dragen , om de vier of vyf dagen met zeer 
traanachtige Vifchlever be fineren , waar door bet wel taamlykgemoe- 
dig, doch t effens in zodanig een* krachtige uit damf ing gehouden 
word, dat geen Deenfch Koopman^ voornaamlyk als hy de eer- 
jiemaal hy hen komt , hem wegens de traanftank en verdere vuilig- 
heid nahy zich dulden kan. Nooit dragen de Tslanders op het 
land Leder, behalven alleen aan de Schoenen, en dezen 
befmeren zy nooit met Vifchlever of Traan, en derhalven 
ftinken zy ook niet heslyk; maar hunne Zeeklederen be- 
fmeren zy met Vifchlever of Traan, om dezelve gemoe- 
dig te houden, in welken ftaat zy gewis naar Traan en der- 
halven niet aangenaam moeten rieken ; doch fpreken zel- 
den met den Koopman of iemand anders, dan na alvorens 
die klederen afgelegt te hebben. De Oflenhuiden, die zy 
tot Zadels en Paardentuig gebruiken, weten zy taamlyk 
zwart te maken, en offchoon zy zulks zonder konrt, maar 
met groten arbeid doen, heeft echter de bevinding geleert, 
dat zulk Paarden tuig langer dan het Deenfche duurt , om welke 
reden men niet nalaten kan hunne vlyt en verftand te roe- 
men, dat zy met weinig gereedfchap het zo verre bren- 
gen konnen. Hunne Zadels en Paardentuigen, die zy 
zei ven najen, zyn geenzins zo gemoedig als de onzen, 

of- 



i*' 



van YSLAND. 



121 



offchoon zy dezelve met Traan bcfmcren 't geen niet aan 
genaam is en de klederen verderft. 

uJa ??/" Wan fl eer z y nie ts anders te doen hebben ar- 

Weven u„„„„„„, * apinnen, Winden, Bryen of dere n 
ftaan réchmn in g f "."T ** B ' naar ' s lands manier flegu arbeid - 

dentvd^n^nlL V n gen » weshalv en dat beroep door 

£t nutSLl V 0t f 6 Vereifchte bekwaamheid in 
toe g „ h e "Z Js± a k T en - •. N / dien ^ t0t n0ch 
nietten Hal h»f h P "! olens gehad hebben, kan het 
%ewZ'enLfJw J eel , arbeid koft en moet,' de me- 
■rofke vtS e ffiS ^ in het k , nd tot Hembd - 

*! word/": ififc 1 d * ^ ,dffl A die gev ° !t 

over malkanderen e g n vol n dezelve meM ^ t6g T 
Ton. Wanneer het klZio „ elve met de voeten in de 

ve ook wel on een ÏÏS / ^ Zy "> V ° llen 2 ? deze '- 

bewerkbgLeaanmet Je f g6nS - de b ° rft; doch d ' e be '' d <? 

^w geen 











BESCHR 

geen meer moeite dan het roejen koft. Ter plaatfe alwaar 
warme baden naby zyn, vollen zy dezelve in warm water, 
als wanneer het Wollegoed beide gezwinder gevolt en 
weker wordt 3 ook gaan zy nu en dan op de KoufTen en 
Handfchoenen zitten, en vollen dezelve , doorzien heen en 
weer of ook op zyde te bewegen, welke gewoonte teweeg 
brengt, datzy, zittende, veeltyds het lighaam heen en 
weer bewegen, offchoon zy niets om te vollen onder zich 
hebben; doch die flegte gewoonte om te vollen, zal nu 
ook welhaaft verbetert worden , vermits een Volmolen naar 
Tsland gezonden is. Dat men door de pis koperrood uit 
een koperen ketel trekken kan, is een' zo bekende zaak, 
dat de Tslanders zelven zulks weten, waarom het , myns 
bedunkens, niet waardig was, dit hier by te brengen. Zy 
verwen daar mede onderfcheide dingen, die zy vervolgens 
tot weven gebruiken ; want zy weven zeer aartig geftreept 
Wollengoed van verfcheide Coleuren, waar mede vele ken- 
nhTe hebben de Wol te verwen 
Van §• XCVI. De goede Onderkoopman, die den heer Ander- 
hunnen Jon berichten van Tsland gegeven heeft, moet op eenTslan- 
Koop- g €r we ^ ens zvne Koopmanfchap verftoort geworden zyn, 
an e ' en heeft het derhalven de gantfche natie moeten misgelden, 
wanneer hy verhaalt: Wie zoude denken, dat die menfehen zo 
lifligen bedrieglyk konden zyn, dat men zich in den Koof handel 
moor hun hoeden moet. Dit zoude men voor een genoegdoenend 
bewys tegens de eilanders aan te nemen hebben, vermits 
het een Koopman is, die van den Koopmanfchap fpreekt, 
zo men niet op verfcheide plaatfen een' zo grote partyfehap 
befpeurde, dat men 'er billyk aan te twyffelen heeft Hy 
beroept zich daarop, dat het de bevinding leert; doch nie- 
mand, die weet, hoe het met de Koopmanfchap in rsland 
toegaat, kan zich verbeelden, hoe de Tslanders in ftaat 
konnen zyn, den Koopman te bedriegen; want de Tslan- 
ders brengen alles, wat zy te verhandelen hebben, naar de 
handelplaatfen, doch 't geen de Koopman niet ter goe- 
der trouwe aanneemt j maar ieder ftuk gaat door zyn' ogen 

en 






ah YSLAND. 



ui 



en handen, en hy neemt niets anders aan , dan 't geen hv 
voor goed houd , maar het overige fchiet hy uit. Gebeurt 
het dan gelyk het onder zo veel goed mooglyk is, dat 
'er. ets flegts onderloopt, kan men daarom ulLéggen, 
dat de Vlonder den Koopman iiftig bedrogen heeft ver- 
mits het de eige fchuld van dezen is. Om een volkom be- 
grip van hunnen koopbande ■ te geven, zegt de Schryver, moet 
f *«»> dutbet gantfcbeEtlandveerUen zogenaamde >if c L 

mZZ ***»**" W>' &»< hgen in bet noorder 
en oojter en dezen in bet zuider- en wefterdeel van het zelve 
Uoch uit de nieuw gemaakte Kaart van Ysland blykt het 
tegendeel, en wel dat de Vifchhavens in de zuider e" 
wefterdelen van het Eiland, en de Vleefchhavens in h£ 
poorder- en oofterdeel van het zelve liggen Ook worden 
m enige havens, als Oerehack en StiekesMm, büde Vleckh 
en Vifch geleyert. Het kan den Schryver wel tot geen' 
Z ^l^^ent. worden wanneer hy zegt, dat deHaZ 
aan de Koopheden » Coppenbagen verpacht zyn, zodantz dat 

teirZ? Ma ™i keft > ° 0hU ff enS «* ^efciïhaven "n^albt 
**"„!?'■ wanth « te vermoeden is, dat de Schryver 
zyn Boek ,n dien tyd gefchreven heeft, dat het zodanig 

ranifch^l a n7n n H het ] ™ ' 7ii ^ dIe h ™° S *»" "et 
gantlche land ondereen en te zamen aan eene geoaroiieer- 

de Kompagnie m Coppenhage verpacht geweeft, welke hare 
Schepen en Opper en Onderkooplieden naar' alle havens 
des lands zendt; doch zodanig, dat een Schip onderwylen 
thans twee havens beze.lt, wanneer het de^ Kompagrie 
nodig acht Niettemin zyn echter Kooplieden in Tede e 
haven, die met het zelve overgaan, en wegens de Kompa! 
gnie met s lands inwoonders dus handel, dat zy Zn 
ne handelbare Waren aannemen, en dezelve 't zy met an- 
dere Waren of ln baren gelde betalen, alles volgens een' 
geapprobeerde landtax, waarnaar zich de beldf partyS 

ge chtT'was P hef° dan , ig r e ; e V™ ^™^™^ 
jngeucnt is, was het reeds federt het aar 1722 en W r 

nw de Schryver lange daarna, naamlyfc in '!E Jgt- 
Q. * flor- 













124 



BESCHRYVING 



ftorven is, en men ook vindt, dat hy in 't jaar 1738 aan 
zyn Boek gearbeid heeft, hadt zeer wel aangemerkt kon- 
nen wolden, dat de handeling nu niet meer afgefcheiden, 
maar Tsland met het Weftman-eiland te famen en ondereen 
aan een' gehele Kompagnie verpacht is. Wat haven het 
geweeft zoude zyn , die volgens des Schryvers bericht niet 
verpacht was, kan niemand zeggen, nademaal ten tyde 
dat de handel noch was afgefcheiden , alle havens zowel als 
nu ten tyde verpacht waren. De Kooplieden in iedere 
vleefchhaven beftemmen altoos zelven den dag, op weiken 
de Schapen van ieder disftriclgelevert moeten worden, waar- 
by het gemeenlyk dus toegaat, dat de Schepen zodra moog- 
lyk afgevaardigt worden en van daar zeilen konnen 3 waar- 
om ook het Vee door den Koopman in het laatft van Augu- 
ftus of het begin van September aangenomen wordt, maar 
geenzins om redenen, die men den Schryver gegeven heeft, 
naamlyk vermits als dan het gras door de naderende koude 
geel en krachtloos begint te worden, en het Vee mitsdien af- 
neemt; want de Tslanders il achten voor zich zelven niet voor 
het midden van Üclober, wanneer het Vee op zyn beft is, 
en merklyk meerder fmeer heeft, als 't geen in her laatft 
van Auguftus gedacht wordt. De Tslanders flachten al het 
Vee voor de Kooplieden, en genieten den kop en het inge- 
wand daar voor ten loon. Het Vleefch wordt door de 
bedienden van de Kompagnie ingezouten, en even als 
by ons in (tukken gehakt. Hoeveel het Vee koft, kan 
uit de landtax gezien worden en behoeft hier ter plaatfe 
niet gemeld. De Vellen van de grote menigte Schapen, 
die in de Vleefchhaven gedacht worden, beftrojen de Ts- 
landers met Zout aandeVleefchzyde en leggen dezelve met 
de Vleefchzyde tegens een, rollen dezelve t& famen , en binden 
ze dus toe, op welke wyze zytaamlyk wel bewaart worden. 
Zodanige twee Vellen noemen zy een Bundt. Het Smeer fmelt 
en bewaart men inTonnen en halven Tonnen , en zendt het dus 
met de Schepen weg. De Kooplieden in de Vifchhavens ne- 
men al den goed gedioogden Vifch, die van groten, klei- 
nen 



r~ 









— 



van Y S L A N D. 



12? 



nen en middelbaren Dorfch en van Lengen toebereid i< 
volgens de taxe aan, gelyk ik te voren gezegt heb; doch 
wanneer van de laaftgenoemde foort niet veel gevangen 
wordt, wordt dezelve ook niet veel geveilt. In de Vifch- 
havens zowel als elders nemen zy ook een gedeelte Traan 
aan. De : Wolle Waren vallen allermeeft in de Vleefchha- 
vens, offchoon ook een gedeelte van dezelve in andere ha- 
vens gelevert wordt. 

& XGOT In Wa^isgeen ander geld gangbaar dan Specie- Van <fc 
en Deen/de Kronen. Alle rekeningen gefchieden volgens een Rek"* 
zeker getal Viffchen, en dus ook de betaling : naamlykeen nin ,P« ' 
recht goede \ ifch,op twee ponden gerekend koft 2 Specie- ZÏZ 
Schellingen en dus maken 48 Viflchen een Specie- RyksUngé!" 
tfj; b e r n Den ï ch ° Kroon geld volgensde landta* 30, en Ln'**& 
halve Kroon 15 Vifichen ; een halve Specie- Ryksdaler 24 , 
en een vierde d.te .12 yillchen; en dit is het geriagfte klein- 
ge d m Mand Op die wyze worden alle rekeningen naar 
het getal der Viflchen gericht, waar van 48 een Ryksdaler 
maken, byna gelyk by ons de Marken en Schellingen 
tot een Ryksdaler berekent worden, 't Geen in 't land ee- 
nnger dan met iz Vi(Ten te betalen is, kan niet met 
Geld worden betsalt ; maar gebruikt men als dan 't zv 
Vjffqherww natura, of Tabak, waar van een El een Vifch 
ge dt , en dus kan men Vifch en Tabak voor het klein 
geld in 't land rekenen. Nooit word in ïrtand naar. Lys* 
ponden gerekent, maar hun hoogfte gewicht noemen 

hllven hl" 6 ' make / d r £ 4 ° ™W*f & ponden en de" 
halven by ons vyf Lysponden. Het naaftvol ? ende se- 
wicht noemen zy een Fökrung, 't geen vyf V flchen of 

Lamsvleefch, enig OffmenvWfrh rLZ t geZOUleJ ? gaande 
Smeer, Wolle wlren Tb^ê^\n ^J S™"' veel Waren. 
Arn« ïj q 11C Vdren > oeitaande in Wad mei, grove en 
fyne Hembdrokken, KouiTen en Handfchoenen, ruwe 

0-3 Wol., 







ESC HRY VING 

Wol, Schaaps- en Lams vellen, Eyderdunen en Vederen. 
Weleer werd ook Zwavel uit Tsland gevoert, doch thans 
neemt men het niet meer aan. Dezen zyn de voornaam- 
fte Waren, die in het land vallen. 
Vande §• XCIX. De Waren, die de Tslanders nodig hebben 
Inko- en in 't land gevoert worden, zyn niet waardig dat men 
^? nde dezelve alhier opnoemt, vermits zy in de gedrukte land- 
rea ' tax te vinden zyn; doch hoewel de heer Anderfon noch- 
tans de voornaamlte wil optellen, vergeet hy echter het 
Timmerhout, de Vifchlynen, de Tabak, het Brood en 
de Hoefyzers. Vermits de handel aan eene Kompagnie ver- 
pacht is, volgt van zelve, dat die Waren maar alleen dooi- 
de Denen met uitfluiting van alle Vreemdelingen ingebragt 
worden, 't Geen de Tslanders ontfangen, betalen zy, zo 
veel zy konnen , met hunne Waren , en het overige met 
de te vorengenoemde muntfoorten tot Vifch gerekent. 
Van §. C. Het Gewicht in Tsland komt geheel met de Deen- 
Gewich y^ pondswyze overeen; doch wordt niet naar Ponden, 
!^ n at e ^ Lyspondenen Schipponden gelyk by ons, zo als te voren 
gezegt is, maar naar Ponden, Fóringen en Vetten 
berekent , zulks 10 ponden een Fóring , en 8 Fó- 
ringen een' Vette, die 5 Lysponden by ons zyn, uitma- 
ken. In het tegendeel is de maat der Elle iets korter, dan 
in Denmarken gebruikt wordt, en komt met de Hamburgfche 
Elle t'enemaal overeen. En in zo verre ftaat men toe, 
't geen men den Schryver bericht heeft: dat alhier door- 
gaans alle Gewichten en Maten op den Hamburgfchen voet in- 
gericht zyn. Nadien nu het Tsland f che Gewicht en de Maten 
met de Hamburgfche niet overeenftemt, behalven alleen in 
de maat der Elle, zo volgt ook niet, dat de Hamburgers 
den handel aldaar eerft recht geveftigt hebben ; doch dat 
zy een tydlang op Tsland hebben gehandelt, is meer dan 
wel bekent, waarom zy dan ook de Broederfchap der 
Tslandsvaarders in Hamburg oprechteden. Insgelyks is het 
zeker, dat zy weleer onder den naam en titel van Lorren- 
drayers, die de Schryver den Hollanders geeft, aldaar 

handel 










van Y S L A N D. 



127 



handel dreven. Doch dat thans de Kompagnie alle vreem 
de Natiën zo weinig als de Hamburgen Aldaar vergunt Te 
handelen, „ billyk; want vermits de Kompagnie faartyks 
een zekere fomme voor den handel derwaards betaalt 
dien zy dan ook volgens 's Konings Odrooi hebben Z o„l 
de, kan zy met gedogen, dat anderen haar zouden ont- 
nemen 't geen haar toebehoort. Sedert de Hollanders voor 
emge Jaren twee Schepen in 't noorderdeel dTs lands °n 
Skagefiords Sytfel verloren, die geconfisqueert wierden ver 
mits zy contrabande Waren inhadden l en ook te voren ? ' 

iagen gebragt en voor goeden prys verklaart waren .hebben 
zoveel bekent is gene vreemdelingen op WW behandelt' 
Doch wanneer zu ks ook alzo ware fbeuaat huuh.nde.wen 
zins inden beminden Brandewyn, gelyk voorgegeven word?" 
dT «7 B T dev, y» ' die de HMa'JerLn boofd hebben va 't 
•den Tslanderente duur, en die 'er de grootfte liefhebbers 
van zyn hebben gemeenlyk het minne vermógen 1 om 
dezelve te betalen; maar dat bericht moeft noodwendS 
er overlopen om daar mede het vorige te beveftfgen 
dat jong en oud, Man en Vrouw zich het gantfche (aar 
doorm den Brandewyn misgaan; 't geen reeds " voren 
beantwoord ,s. De oorzaak, die men onzen Schryve, ot >. 
gegeven heeft waarom den Hollanders niet belet kan wo?- 
den op pianJ te handelen is : dat die loze S 

l^TLtl An T a !z gene 8 ewa P ende S hepen bv der 
hand heeft, en der Kooplieden Schepen geenïyd hebben 
opdezelvetepaflen, s lIenaar hun wil wetendoor te 5 
Een ieder kan zeer we begrvnen dat nff^ n l j T 
man een bewarend Vaartuig haT deknftendi d ; A "?- U 
volkomen 300 mylen in'lnom'krl g't't e " "d ar'tn* 
de zodanig met bewaart zouden konnen worden' datZn 

men m terwvi e d P 3 e t n v ° *• ene Zyde aan iand TonTeffi 
men terwyl dat Vaartuig aan de andere zyde des lands 
was; te meer daar zy daarenboven gedurende den iant 
fchen Zomer flegts 4 of «j mvlên va g n het ,* ^ *»£ 

te 









■ 



te vifichen. Maar wanneer de Koopvaardyfchepenkommitfie 
daartoe hadden, konden zy 'er wel oppaiTchen, vermits zy 
rondom het gantfche land varen, anderzins is het de poft 
der Syüelmannen daarop acht te geven. 
Vanden §• Cl. Gelyk de Schryver zegt, wordt in Tsland enig 
Gods- en alleen de oeffening van de Euangelifchen Lutherfchen 
dienft. Godsdienil gedoogt , en gene van een' andere belydenis 
aldaar gedult ; doch ik verfta niet wat men met dit verde- 
re zeggen wil: bebalven dat enige weinigen , die uit Catholy- 
ke voorouders afftammen , de eer? en andere bygelovige gebrui- 
ken behouden, welke zy in het geheim oeffenen. Moet ik dan 
niet geloven, dat alle de inwoonders zowel in Tsland als 
in Denmarken van Katholyke voorouders afftammen? Ook 
is meer dan wel bekent, dat de uitrojing van den Katho- 
lyken Godsdienft en het werk der Hervorming niet zon- 
der bloedftorting volbragt is, vermits het een voornamen 
en halfterrigen Biflchop en zyn groten aanhang den kop 
koftede. Hieruit zoude men byna moeten belluiten, dat 
de inwoonders voor de Hervorming niet alle Katholyk , 
maar de meeften Heidenen geweeft zyn , nadien flegts 
weinigen van Katholyke voorouders afftammen. Echter 
is het genoeg bekent, dat Tsland zo yvrig Katholyk was, 
als enig land wezen kan- want aldaar bevonden zich Bis- 
fchoppen, Prelaten en acht Monnikenkloofters , die de 
voortplanting van het geloof naauw genoeg in acht na- 
men. Dat dan enigen heimlyk enige bygelovigheden als 
overblyffels van de Katholyke religie zouden oefTenen, 
daar van weet men niets, vermits thans op den Euange- 
lifch Lutherfchen , gelyk te voren op den Katholyken 
Godsdienft naauwe acht geflagen wordt. Onder den ge- 
menen man in Tsland gaat zowel als in andere landen enig 
bygeloof in zwang ; doch zulks ontftaat niet uit de reli- 
gie, en wanneer het daaruit fproot, moeft het denzelfden 
grond by allen hebben. 
Vanden § # qi # Tsland wordt in twee. Bisdommen verdeelt, zo- 
lyken danig , dat drie vierdedelen des-lands, naamlyk de oofter- 
itaat. zui- 







van Y S L A N D, 



I20 



|uider-en weder vierde deelen onder den Bifichopsftoel van 
tkeholts en het noorder vierde deel alleen onder Hmlum % 
niet Halar, gelyk de heer Ander/on fchryft, gelegen zvn 
By een ieder dier Biflchopszetels is een Latynfche Schoof 
met een Reclor en Preceptor voorzien, welke Scholen 
jaarlyks jongelingen uitleveren, die by vervolg, wanneer 
zy zich verder op de ftudien toegelegt en blyken 'er van 
gegeven hebben, Predikanten in het land worden, zon- 
der dat zy alvorens naar de üniverfiteit te Coppenhaie be- 
hoeven te reizen Nochtans reizen jaarlyks enige Tslanders 
derwaards, worden Studentenbyde Üniverfiteit, en legzen 
zich op de Theologifche en Kegtsgeleerde ftudien, waar- 
om zy ook voor de anderen, die niet gereid hebben, 
den voorrang genieten, nadien zy de befte beroepen in 't 
land bekomen, of ook tot Syflèl- en Laugmannen bevor- 
dert worden Men heeft den Schryver bericht, dat bv 
lederen Biflchops- Zetel een' Boekdrukkery is, in 'welke nu 
en dan een geeftelykBoek in de landstale gedrukt wordt : doch 
nooit is meer dan ene Boekdrukkery in het land geweeft , zyn- 
de een legaat van een voornamen Biflbhop in Hoo- 
hm en weleer naar Skelbolt gebragt; doch is thans we- 
der in tioolum ra een zeer goeden ftaat. Aldaar worden 
n!fL n R C l dan ' T 11 " ^ eftadi ^ geeftlyke en ook andere 
fnA f°f QI \ Z ° W f l ? ls alle de ^oninglyke ordonnantien 
in de landstale gedrukt. De inkomften der Biflchoppen 
fleeft men den Schryver naauwkeuriger en beftipter weten 
te berichten, dan de Biflchoppen zelven weten, en zvn 
dezelve Jaarlyks tot 1200 Ryksdalers voor iederen bepaalt, 
f en tyde der Hervorming in het land werdt een groot 
gedeelte der Katholyke goederen aan de Biflbhopsftoelen 
gehegt, en de overige gefecularifeerden behoren noch aan 
den Koning. De Biflchoppen adminiftreeren alle de goe- 
deren, die aan hunnen Bifichopsftoel gehegt zvn, en on- 
trent 2000 Ryksdalers jaarlykfe inkomften bedragen kon- 
nen; doch waaruit de BifTchop den Rector, den Con- 
rector en den Predikant van de Domkerk, die des Biflchops 

R Vica- 







BESCHRYVING 



Vicaris in het prediken is , betaalt. Voorts geniet een ze- 
ker getal Scholieren vanden Biflchop de Roft, Kamer en 
ook iets tot Klederen , en moet die Prelaat ook de Kerk 
en de gezamentlyke Gebouwen op 's Biflbhopshof on- 
derhouden ' y en wanneer dit alles betaalt is , is het overige 
liet loon van den Biflchop, 't geen hy niet zeer naauw- 
keurig uitrekenen kan, vermits het ene Jaar het andere 
niet leert j doch echter kan hy zeker weten, geen 1200 
Ryksdalers inkomften te hebben, maar moet zich met 
veel minder vergenoegen. Dus blykt, waarin de inkom- 
ften van den Biflchop beftaan , en dat hy dezelve niet uit den 
Biflchopsltoel ontfangt, waar aan een ieder Boer jaarlyks 
10 Viflchen levert. Èen ieder man geeft den Koning een' 
jaarlykfche fchatting, G 'ie/t old genaamt, en die gemeenlvk 
voor ieder op 10 Viflbhen beloopt, en van dezelve heeft 
de Koning een gedeelte aan denBhTchopsftoel gefchonken; 
Doch dit is geen Biflchopstol , en de Biflchop heeft den- 
delven ook niet van enig Boer in 't land; want op vele 
plaatfen is die tol geheel aan den Koning, en op andere 
plaatfen wordt dezelve door de Syflelmannen in plaats van 
door den Koning genoten, volgens een' zekere verpach- 
ting. 

Even zo weinig kan men op de inkomften der Predikan- 
ten een' vafte rekening maken, vermits dezelve niet in 
baren gelde beftaan , maar in landgoederen, die onder ieder 
Kerfpel gelegen zyn ; in een' zekere recognitie van iedere 
Hoeve, en de beloningen, die zy van de gemeente voor 
zekere dienden bekomen. Enige Kerfpels zyn zeer goed, 
enige middelmatig en weder enige zeer flegt of gering. Om 
de laatftgenoemden enigermaten te verbeteren, heeft de 
Koning een gedeelte zyner landgoederen aan de armfle 
Kerfpels in het ftift Skalholt gefchonken , en doet onder die 
in Norderftift jaarlyks 100 Ryksdalers uitdeden; weshal- 
ven het onwaar is 't geen men den Schryver verhaalt 
heeft: dat andere Predikanten ten hoogjten maar 100 Dalers 
fakomen; ja dat enigen onder dezelve lyn^ die flegt s 4 Dalers 

ter 




van YSLAND. 



151 



ter lezolding genieten, want 'er zyn onderfcheide Predikan- 
ten, die meer dan 100 zelfs wel tot 200 Ryksdalers in- 
komften hebben, en de armften genieten ten minden 4 
Ryksdalers alleen van 't geen de Koning daar by gefchon- 
ken heeft. Van Viiïchen of enige andere tienden wordt 
aan de Predikanten niets gegeven, maar daarentegen ge- 
nieten zy enige weinige onderftanden van een' iedere Hoe- 
ve, die 't zy in natura gelevert, of met geld betaalt wor- 
den. Op het Weftman- eiland alleen is in gebruik, dat de 
Leeraar een' foort van tiende van iederen Boot bekomt, 
die op de Vifchvangft geweeft is , en gelyk de onderrich- 
ter van den Schryver vele andere dingen over het gantfche 
land algemeen gemaakt heeft, die op het VVeftman- eiland 
gefchieden, zo is ook alhier insgelyks gefchied,als hy be- 
richtte : dat de geeftlyken ook een aandeel aan de Vi f cht lenden 
hebben, hoewel veehins onder fcheiden , en dat zy op enige plaat- 
fen\ hekomen , op andere in iederen Boot, die om te- Vijfeben 
uitloopt, twee loten-, dat is zo veel als anderzins twee Vifièrs 
tot hun aandeel van de vangft ontfangen. Nadien vele 
arme Kerfpels op het land zyn, alwaar de Predikanten zo 
weinige inkomften hebben, dat zy daar mede niet rond 
konnen fchieten, gebeurt het wel, dat een gedeelte van 
zodanige Predikanten mede de handen uitfteken, om Brood 
voor Vrouw en Kinderen te verdienen , en derhalven op 
de Vifchvangft uitgaan; doch vermits zy maar zeer kleine 
gemeentens hebben, zo verzuimen zy niets daar mede, 
volgen daarin het voorbeeld van Paulus, die een veel gro- 
ter gemeente en algemener beroep hadt, en echter, onaan- 
gezien hy met zyner handen arbeid zyn Brood verdiende, 
een groot en fhchtlyk Prediker was. Zulke arme Predi- 
kanten , die gedwongen zyn met hunnen handen arbeid 
hun Brood te verdienen, en ook rekenfehap als Herders 
voor hunne gemeente geven zullen, wil ik zo onbarmhar- 
tig niet behandelen, met te zeggen: dat hun daarin te minder 
barthetd wedervaart, vermits zy zich doch in andere dingen het 
üoerenvolk gelyk [tellen > nadien zulks volgens het voorheen 

R z ge . 










ni 



BESCHRYVING 



land 



gezegde zoveel beduiden wil, als datzy zich gelyk de an- 
dere Boeren in den Brandewyn bezoedelen en misgaan t 
zo als men welhaaft hierna horen zal. Doch het is onbil- 
jyk, den zulken, die men niet kent, dus te veroordee- 
len: veel liever geloof ik, dat zy zo weinig als debefchaaf- 
de Boeren iets doen dat aanftootlyk is, en wil hun een' be- 
tere omftandigheid wenfchen, om hun amt alleen te be- 
kleden, dan iets onchriitlyks van hun denken. 
Vnde §• C111 ' Offchoon men de inwoonders doorgaans geen' 
Kerken ryke of gegoede lieden noemen kan, waar van 'er echter 
in het enigen zyn, gaat men nochtans te verre, met te zeggen, 
dat de toeft and der ïnwoonders kenbaar armoedig is. ik weet 
niet, noch kan het uit het boek van den heer Burgermee- 
ft'er Ander fon zien, waarom zy zo kenbaar armoedig zyn? 
want offchoon zy geen' prachtige Meubilen hebben, zich 
niet koftbaar kleden, noch lekker eten, volgt daaruit niet, 
dat zy zo armoedig zouden wezen; want men veeleer zou- 
de moeten denken, dat zy liggende gelden hebben, nadien 
zy niets onnuts verfpillen, en echter veeltyds geld van de 
Kooplieden voor hunne Waren bekomen, 't geen zy niet 
verteeren: en ik houde het gewislyk daarvoor, dat niet 
zo veel noodlydende onder hen als onder ons zyn, ver- 
mits zy zeer weinig nodig hebben; behalven dat men de 
vermogenden aldaar zeer bereidwillig vindt, om de armen 
bv te ftaan en te onderhouden, zulks dezen zelden nood 
lydem Oethalven moet men den middelweg gaan, en of- 
fchoon zy alle geen Kapitaliften zyn, zyn zy ook alle tot 
geen bedelaars te maken, gelyk des Schryvers benchters 
gedaan hebben. Wanneer hun toeftand al eens zo ken- 
baar armoedig was, kan men echter daaruit geen befluit 
opmaken, dat hunne Kerkgebouwen niet koftbaar konnen 
zyn; want de meefte Kerken hebben merendeels aanzien- 
lyke landgoederen en inkomften, die haar in vroege en 
latere tyden toegelegt zyn, waar uit zy in een goeden 
ftand gehouden konnen worden , weshalven zy niet als 
Zwynsftallen uitzien , waarnaar zy zouden moeten gelyken, 



vasYSLAN 

wonnf Zy , ni£tS & u d f r i Waren ' dsn de Hu!z ^n der ,,-, ■ 
woonders te voren befchreven zyn : Want hier wordt ge- 
zegt: de Kerken zyn op geen" andere wyien , dan de j-emene 
Hmzen der Boeren gebouw • naamlyk gedeeltelyk in de aarde 
gezonken, van opeen geftapelde rotsbrokken, met aarde en kalk 
verbonden en met graszoden bedekt. Die Kerken zvn 
zowel als hunne Huizen niet beneden in de aarde gebouwt 
maar gelyk met of .ets boven de aarde ; de wanden zyn 
van fteen, aarde en graszoden opgetrokken , gelyk te vo- 
ren van de Hmzen gezegt is. DeWxn zyn van binnen 
met planken op de fparren en van buiten met graszoden 
bekleed. Voorts zyn de Kerken van binnen rond en be- 
w~ "ó™ T gZlns b , reder en S roter > dan hunnege- 

k n 7eZl n > ZUlb menha / r l m dezelve onderkennen 
1?; W y " f gme /> dM de Z' mme Bezoekkamen Ë 
enz elanden en zo laag, dat een man, overeind [taande , byna 
met zyn vingers aan bet dak reden kan, zegt de Schryvêr en 
waarlyk kan dit van de meefte Kerken in Yslanl gezeg? 
worden; want het is natuurlyk en billyk, dat de KeFk 
naarde grote der gemeente is; zynde het bekent, dat de 
Hoeven op de mAfte piaatfen taamlyk verre van een lkr- 
gen ; weshalven veeltyds niet meer dan 7 of 8 tot zo Hoe- 
ven tot ene Kerk behoren. En nadien alle de lieden hun- 
ne Huizen niet op eenmaal verlaten konnen , volgt daaruit 
dat de gemeente tot iedere Kerk doorgaans nie? groot en 
derhalven ook geen' grote Kerken nodig zyn. De oor- 
zaak, waarom de inwoonders hunne Kerken zowel als Hui- 
zen met zeer hoog bouwen, is niet de vete en hevige over 
het Eiland fnorrende winden; maar het gebrek aan Tim- 
merhout, Muurftenen en Kalk; want oflhoon tot de bei- 
de laatftgenoemde foorten ftoffen genoeg in 't land zyn, 
ontbreekt echter Brandhout, zonder't welk men Steen bik- 
ken noch Ka k branden kan. Offchoon, gelyk gezegt is 
de Stormwinden geenzins de oorzaak 2 y n ; dat de KeVken 
en Huizen niet hoger gebouwt worden , hebben nochtans 
de onderrichters van den hettAnderfon dat bericht meteen 

**• 3 voor- 








voorbeeld pogen te beveiligen , zeggende : de Denen hebben 
het eens beproeft , en een hoog gebouw boven de aarde , op een? 
effe vlakte , naar de Deenfche wyze , van metselwerk opgetrok- 
ken ; doch den volgenden Winter is het door de Stormwinden 
weder neder ge velt , en men genootzaakt geworden , naar lands 
gebruik op nieuw een* Kerk ^ gedeeltelijk inde aarde gezonken en zeer 
laag) te bouwen. Wie doch zoude na een zo ftout verhaal 
anders konnen geloven , dan dat het zich dus toegedragen 
hadt, daar men zelfs daarvan hier een voorbeeld bybrengt? 
maar in der daad is zodanig een voorbeeld nooit voor 
handen geweeft, en in Tsland wordt meer dan één gebouw 
gevonden, 't geen vele jaren gedaan heeft, en dus het te- 
gendeel van het aangehaalt verhaal bewyft. Derhalven 
zal ik enige gebouwen bybrengen , die ik zelf gezien of 
van dezelve een' volkome en naauwkeurige befchryving 
bekomen heb, en van welke een ieder, die naar Tsland 
reift, onfeilbaar iets weten moet. 

De Domkerk by den BilTchopsftoel te Hoolum is van muur- 
flenen en hout, 49 ellen lang, 15 ellen breed en 18 of 20 
ellen hoog; ftaat geenzins beneden in de aarde, maar iets 
boven den grond, op een' kleine hoogfe, en heeft een 
kleinen houten Toren. Rondom het Choor ftaat noch een 
Grondmuur van koftbare gehouwen ftenen opgetrokken, 
die voor 400 en meer Jaren door een BitTchop gebouwt is , 
welke gezint was de gantfche Domkerk van muurftenen 
te doen opbouwen , doch gedurende dien arbeid overleed ; 
en die grondmuur ftaat thans noch alzins ftevig en vaft. 
Het voornaamfte Huis van den BifTchop in Hoolum is van 
eikenhout en muurwerk met een houten dak, zonder eni- 
ge bekleding van aarde aan de zyden of aan het dak. 
Dat Huis is in Coppenhage getimmert, en federt in Tsland 
op de plaats nedergezet door de Biflchop Gudbrander in den 
]are 1576, welk Jaartal men noch in het houtwerk uitge- 
houwen ziet, en heeft dus byna 200 jaren onwrikbaar ge- 
daan, hoewel het thans nieuwe grondflagen nodig heeft. 
De Domkerk by Skalhoet 3 die ik zelf gezien heb, is van 

ge- 






v a n Y S L A N D. , 5f 

gelyken aart als te Hoolum >behi\ven den grondmuur rond- 
om het Choor, en dat zy iets kleiner is; doch is echter 
zeer hoog, heeft een kleinen houten Toren met een klok en 
dus boven menfchen geheugen geftaan. Toen ik deze'lve 
zag, vertoonde zy zich van verre als onze grote Kerken 
vermits zy op een groot plyn ftaat. De Kerk by de Konings! 
hoeve Bejfefied, die ik langer dan twee jaren bezocht heb 
is mede van lteen en hout, enzyn dezyden en het dak met 
planken bekleed, 12 ellen lang en taamlyk hoog, zulks de 
Amtman een gefloten geftoelte boven de andere Stoelen 
recht over den Predikftoel heeft. De Huizen, tot Befft- 
Jted behorende, zyn mede van fteen en hout, en taamlyk 
hoog, nadien de Kamers van binnen de hoogte van 4A 
JWIe bereiken. Van buiten zyn zy merendeels met planken 
bek eet , om te dichter en warmer te zyn ; doch enise 
vakken zyn dusdanig niet bekleet: ook zag ik aan den 
muur, die noch daarenboven tegens het zuidweften ftaat 
van waar de meefte regen komt, dat de voegen tuflchen 
de (tenen zeer weinig uitgekalkt waren , offchoon dezelve 
m langen tyd niet toegeftreken zyn. Daarenboven ftaat 
aldaar noch een oud Huis, twee verdiepingen hoog, waar- 
m weleer den Amtman woonde, die nu noch zyn Komp- 
toir op de bovenfte verdieping houd , welk Huis gedeelte- 
lyk op de noordfche manier met balken op balken en ge- 
deeltelyk van fteen en hout is, en een redelyk langen tyd 
ten minfte in het Jaar 1606 meer dan 80 jaren geftaan 
had , maar nu zeer vervallen is en hoognodig afgebroken 
behoort te worden. Vele andere Kerken in 't land zyn 
taamlyk hoog, en verfcheiden fchone Huizen van fteen en 
hout met planken van buiten en binnen bekleed, en heb- 
ben zich in vele jaren zeer wel gehouden ; voornaamlyk 
is zodanig een fraai gebouw op de Deenfche wyze in Tbin- 
gore Kloofter in Hunnevatns SyJJel opgerecht, waar in een 
voornaam en wakker Syfielman woond. En dus geloof ik, 
dat uit het bygebragte een ieder genoegzaam overtuigt zal 
konnen worden, dat de Stormwinden niet beletten, zogoe- 
de 



S C H 






de Huizen te bouwen als men begeert, 't zy van (leen of 
hout j en dat derhalven de berichters van den heer Ander- 
fon onrecht gehad hebben, Tsland als een zo elendig land te 
omfchryven, waarin zich de inwoonders niet anders behel- 
pen konnen, dan zowel hunne Kerken ais Huizen in de 
aarde te begraven. 

Gelyk men zich ten aanzien van de uitwendige geftalte 
en het aanzien der Kerken vergift heeft , is het ook niet 
beter met het inwendige van dezelve gegaan. Men ver- 
haalt: bet binnenfte komt met het luiten ft e volkomen overeen , 
en toont weinig of niet , '/ geen naar een" Kerk gelykt , waarover 
het beft geoordeelt zal worden, als ik berichte, hoe de Ker- 
ken van binnen uitzien. Meeft overal worden in de Ker- 
ken Autaren gevonden, waar van enige zeer fraai zyn; 
en voorname of vermogende inwoonders, welke die Ker- 
ken toebehoren, doen noch fraayer van Coppenhagen komen. 
Het' Autaar ftaat , gelyk by ons , tegens het ooften in de Kerk , 
en onder het zelve is' niet zelden een kift gemaakt 3 waarin 
de Kerkfieradien en Ornamenten bewaart liggen, wanneer 
geen Godsdienft verricht word. De Doopplaats is ook zeer 
kenlyk in alle Kerken te zien, en dikwils met een traly- 
werk omgeven. Het Choor is door een hek van de Kerk 
afgefcheiden , en heeft altoos eenbefloten geftoelte, dat tot 
een Biegtftoel gebruikt wordt, en waarin de Predikant 
zit, tot hy naar den Predikftoel gaat. De Predikftoel is in 
alle Kerken kenbaar en duidelyk te zien , en van aanzien 
als in onze Dorpskerken ; zynde op verfcheideplaatfen fraai 
befchildert en gebeeldhouwt. Ook worden meeft overal 
Kerkenftoelen gevonden , ten minfte aan de zyde daar de 
Vrouwsperfonen zitten , en mede gelyk in onze Dorpsker- 
ken. Alle zyn zy meeft van binnen befchoten. Niet 
zelden ziet men aan de zoldering een kleine metale Kerk- 
kroon hangen of enig ander fieraad , als een Schip of iets 
diergelyks. Dus zyn alle Kerken van binnen gefteltj 
weshalven ik niet weet, wat iemand bewogen kan heb- 
ben , te zeggen : dat weinig of niet in dezehen zy , dat naar 

eeiï* 



■ 










1 



^ a & YSLAND. 



*37 



fieSffi^ 6 ^^ 6 "^™*»» dezelve 2 ya Z o 
fche.de plaatfen heeft men twee van de/e ve L^eVe/a 

kerken w n;k'n-?r Ven , de ^«^ken. Van de Dom- 
tiekedin^nL fpreken ' die ^rfcheide fchone en an- 

Waarover men zich het meeft geërèért heeft en m!tc 
dien van begrip eeweeft i» iL f V?T ,V, en mits * 
ken niets hadden, 'S L Len i£a ^ P*?8* Ker- 
meen, hierin:^ t hfdlebeTmStM^ befta ">*°ik 
emg epucbt over dat ÖS ïrlttT' "W* 
zyn Kiften en Kramenen ZZT'T P* n V»"™"*'», 
gedureide de GodSftde^aJlZeZf^^T' *7* 

«en waar M?^^^^ 

S hou- 




BESCHRYVING 



houden moet. Wanneer dan nu zodanig een of een an- 
der, die by de Kerk woont, enige zvner Kiften 'er in 
zet, alwaar geen' Stoelen ftaan, of aan de andere zyde 
van de Kerk, op dat de Mansperfonen 'er op zitten kon- 
nen, 't geen echter niet op alle plaatfen gefch'ied ; of wan- 
neer hy zelfs drogen en reine Waren ter bewaring op den 
grond in de Kerk legt, 't geen op enige plaatfen gebeurt, 
kan ik niet zien, dat zulks iets is, waar door de Kerk zo- 
danig onteert zoude worden, dat zy daarom naar geen' 
Kerk geleek; want andere Krameryen als reine Kilten, 
vindt men nergens in enige Kerk. Maar wanneer ook de 
Kerken 'm Tsland zo üegt varen , en naar andere gewone Ker- 
ken niet geleken, gelvk voorgegeven wordt, hebben noch- 
thans de goede lieden, die den Schryver dit berichte- 
den, zo verftandig en cbriftelyk willen wezen, dat zy be- 
lyden: dat dit ligt genoeg konde zyn , wanneer men , gelyk van 
de eenvouw ige /legt e gejieltbeid der e erft e Cbr i/tenen, bier ook 
zeggen konde-, Houte Keuken, Goude Predikers! en bet 
hoofdoogmerk der Kerkenbuhen s naamlyk bet onderwys en de 
wasdom in bet geloof en een Godzaligen wandel , daarin geoef- 
fent en geleert wierd. Men ziet hier , dat de berichters van 
den Schryver zich de Kerken der Tslanders zo flegt niet 
zouden laten gevallen, wanneer zy maar recht gebruikt 
"wierden; doch dat zulks naar hun gevoelen niet gefchied, 
geven zy te kennen, wanneer zy den heer Burgermeefter 
Anderfon zodanig een denkbeeld 'er van gegeven hebben, 
dat deze fchryft : doch bet is te beklagen, dat bet hier met 
geen dingen flegt er y dan met bet Cbriftendom geftelt is. k\n 
waarin zulks beftaat zal men in het volgende Artikel ho- 



ren. 






Van de $• CIV - Het moeten zeer wel geftudeerde Schippers of 
gcftelte- Onderkooplieden geweeft zyn, die den Schryver deze na- 
nis der r i c hten gegeven hebben, vermits zy van de bekwaamheid 
b/nrtn der Predikanten oordeelen konnen,en berichten: dat de 
Geeftlykbeid, in 't a 'gemeen ge [poken , niets deugt \ dat de mee - 
Jten niets geleert hebben, zeiden verder dan de BiJJcboplyke 

Scfro- 



kamen. 







? 



a h Y S L A N D. 



iidf 



&*efca few», *« «Maro/jrfo het Latyn leun konnen. Hier 
heeft men een voorfmaak van 't geen volgen zal. Hier 
ziet men, dat met van dezen of genen Predikant in 't 
byzonder, "jaar van de Geeftlykheid in 't algemeen g e - 
fproken wordt Offchoon het wel eens kan gebeuren dat 
een (legt Prediker 'er onder is, 20 wil ik zo onrechtn 'M 
jegens de Bfchoppen met zyn, dit te denken, veelmin? 
der de gantfche Geeftlykheid zodanig en hierna noch véél 
erger te befchuldigen. Offchoon uit° de Scholen in Thnd 
velen naar Copfeubapn reizen, die zich opentlvk en meeft 
doorgaans met den grootften lofin de Godgeleertheid doen 
exammeeren wil ik nochtans daaruit niet beweren, dat 
yele zeer bekwame en welgeftudeerde Predikanten in 't 
land zyn i maar my alleen bepalen tot de zulken , die nie 

Rm?honfJ and « u 7 ? geW f eft ' en °P S een ' ^dere dan de 
Biflchoplyke Scholen geleert hebben, gelyk zy door de 

benchters vanden Schryver worden 'ge noemt l offchoon 
het wezentlykKoninglyke Scholen zynfdie by dé B°ffchops- 
hoeven gehouden worden. Onder dezen heb ik vele zeer 
wel geftudeerde en wakkere Predikers gevonden! die b" 
halven wat tot de Theologie behoorde,' in de latvnfche 
Dichters en Schryvers ervaren waren, waarover ik my ten 
hoogften verwonderen moeft, en kan ik hier onder anderen 
zelfs den Biflchop vznSkalMt aanhalen, dien de KomW 
waardig vondteen zo hoogwichtig amt te bekleden, zó n ? 
tl& ün, I, erfitelt te (ftt'nhagen geftudeert te hebben • 
doch dat zy alle even geleert zouden zyn , is niet te ver- 
moeden; want men weet het oude fpreekwoord ExZ 
Uet h g no nou fit Menurius, dat alle Hout gein Timm^hout 
is: en dus gaat het zo wel bv ons als el,W iu.o, j 
gaans verftaan deWM* PredTkantnfe Ti^j * n fc 
ne Theologie zeer wel. Dus heb ik openbare Dispuïen 
en noch wel van Kofters gehoort, die zy Jaarlyk ?„ de 

de g n BiÖ he ,' d , Va " d6n Pf00ften ^«Vredikuten of 
mn , 5 ?P ' V $ n ' wannee '- hy zo naby is, houden 
moeten, die zeer fraai waren, enVaarin zy in het Laty„ 

* z een 








* 



BESCHRYVING 

een Theologifche Thefis verhandelden, die hun opgegeven 
was. Zyn de Kofters dus bekwaam , wat moet men dan 
van de bekwaamheid van de Predikanten oordeelen , en 
zich teffens overtuigen, dat de Tslanders zoflegt niet uit de 
Scholen komen. 

Tot fchande der Tslandfcbe Predikers konde het reeds 
bygebragte genoeg wezen , naamlyk dat zy grote weetnie- 
ten en botmuilen zyn; doch daar by bly ft het niet, maar 
word ook verhaalt: dat zy daarenboven ten hoogjien onge- 
tonden , en aan den Brandewyn fchaamteioos en zonder mate 
ver/laaft zyn. Dit bericht is fchaamteioos en zonder mate^ 
nadien daar door de fchandelykfte vlak, die immer gevon- 
den kan worden, onfchuldig en onverdient den gantfchen 
geeftlyken ftand aangewreven word ; en is dit den Predikan- 
ten niet alleen veel te na gefproken , maar ook den zulken , 
die het opzicht over hun hebben moeten , dewyl men moet 
vaftftellen, dat zy zodanig een misdryf by de Predikan- 
ten dulden, en derhalven niet beter zyn, of geenzins zo 
fcherpziende als een Schipper of Onderkoopman , die flegts 
een paar maanden in 't land is, en nochtans gewaar wor- 
den kan, 't geen de Biüchoppen het gantfche Jaar door 
niet zien konnen. Niets is zekerer, dan dat in Tsland ene 
zo naauwkeurige oplettenheid byzonder over de Predikan- 
ten en voorts over alle de Kxrklyke zaken is, dat geen de 
geringde feil ongeftraft begaan kan worden. Wanneer een 
Predikant flegts een' kleine reize op een Zon- of Feeftdag 
doet, hoort men welhaaft, dat een Prooft gericht over hem 
verordent is. Ik haal alleen een' zo geringe zaak aan, 
op dat men daaruit van de grotere en gewichtigere zou'ie 
konnen oordeelen. Groter of ergerlyker misdryf kan 
dan door een Predikant niet begaan worden , zonder fufpen- 
fie van zyn' bediening; en niet flegts een , maar meer 
worden nu en dan over geringe dingen ter verantwoor- 
ding geftelt, zo dat het gewislyk niet wezen kan, dateni- 
ge Predikanten over Dronkenfchap in den Brandewyn on- 
geftraft zouden bly ven, 't geen enigen ondervonden heb- 
ben , 






n 



van YSLAND. 



141 



ben, en om die redenen hunne bediening moeften verla- 
ten; weshalven onmooglyk waar kan zyn, 't geen ver- 
der gezegt wordt: niet zelden komt de Predikant zo he. 
Je bonken op den Predikftoel , dat hy ter Rond Vr weder af- 
klimt, en de Kofter uit een Poft il de Gemeente iets voorlezen 
moet. Menigmaal geraken de Leeraar en Toehoorders 'want 
zodanige voorbeelden met dan alzuike gevolgen hebhen konnen) 
voor de Predikatie met elkander in zulk een toe/tand, dat men 
denGodsdienJt veor die reize moet uitftellen. Deze verdichte 
Uittori valt te meer als onwaarachtig in het oog, ver- 
mits het bericht word, dat diergelyke fchandalen by den 
Godsdienft met zelden, maar menigmaal gefchieden. Wan- 
neer iemand waagde, zulks eens te doen, fla ik borge, 

tl ?J !? 20d ï ni ? Gen ftand S eftelt zoude worde "> om he 
ten twedemaal niet weder te doem Na dusdanig' ene be- 
fchryving van de Predikanten in Tsland heeft men zich 
n et meer te verwonderen, dat in het vorig Artikel gezegt 
word: dat het her met geen dingen {legt er dan met het Chris- 
tendom gefteltis; want men moeft immers verzekert zyn, 
dat wanneer het dus met de Predikanten gefchapen ftondt, 

17? 1 ?! 61 beter en het derhalven in Tsland waarlyk 
zeer flegt geftelt zoude wezen. y 

2' mhe?ul eUgd " \ Qgt de Schryver yoorts, wordt wel De op . 
mg, en flegt s vooreen korten tyd ter Schole gezonden, veeleer voeding 
doorgaans door de Ouderen, zodra dezelve flegt s een weZ j e ^ 
handen roeren kan hy zich behouden, en tot allerley Hut ?>*■•■ 
anderen arbeid gebruikt. Weinige pla'atfen zyn in LtLd 
alwaar gelegenheid IS , dat zich een arm man kan neder' 
zetten, om de Kinderen in het lezen en het Chriftendorn te 
onderwyzen; weshalven gene ordentlyke Scholen zyn of 

vore "aïïïïft T ^ i H ? 6Ven Hggen ' &* reed " « 
voren gezegt is, gemeenlyk zo verre van een dat hrt- 

onmooglyk zy, de Kinderen in een'SchooIte Tarnen tedoe" 

de 0,^rf re ? t6gen , ' S ee " ieder Huis een Sch0 °'> nadfen 
de Ouders, of een hunner Dienftboden, de Jeugd in het 
lezen en het Chnftendom onderwyzen.' DePrfdik an tcn 

S 3 be- 




bezoeken dezelve nu of dan, en zien hoeverre zy ge- 
vordert zyn; doen de Kinderen ook by zich komen , voor- 
naamlyk wanneer zy beginnen op te waden , en de tyd na- 
dert, om het Vormfel te ontfangen. Om die redenen wor- 
den de Kinderen fteeds t'huis gehouden, en, 't geen prys- 
lyk is, tot allerlei deugden gewent, byzonder wanneer 
de Ouderen zelven deugdzaam en vroom zyn. Doch ver- 
mits de Kinderen dus by hunne Ouderen t'huis gehouden 
worden, komende berichters van den heer Ander/on met 
een' klachte voor den dag: dat door der Ouderen woefi 
en heilloos voorbeeld de Kinderen tot een* godloze navolging 
verlokt en in den grond verdorven 'worden. Ik kan niet be- 
grypen, hoe men den Tslanderen het Caracïer van woefte 
menfchen toefchryven kan? want zy zyn waarlyk niet min- 
der dan de zodanigen , maar veeleer niet zo luftig, als zy 
zouden konnen wezen. Men ziet daar van daaglyks voor- 
beelden aan de Tslanders , die naar Coppenhagen komen. 
Derhalven leren de Kinderen geen wild- of woeftheid 
van hunne Ouders, en worden gevolglyk ook niet in den 
grond bedorven. Het heilloos voorbeeld , waar door de Kin- 
deren tot een* godloze navolging verlokt worden , zoude mogelyk 
de dronkenfchap zyn, gelyk men uit het voorgaande en 
volgende Artikel zien kan; doch nadien zulks bereids te 
voren wederlegtis, zal ik het zelve alhier niet herhalen; 
maar kan gewis verzekeren, dat de Kinderen deswegens 
geen nood hebben. Hoe liegt een onderwys nu die Kin- 
deren ook bekomen , verhaalt men noch voorts het vol- 
gende : wel is waar , dat zy wegens de vele gevaarlykheden , 
die zy fteeds op de Zee onderworpen zyn , reeds in het acht ft e 
of negende jaar ten Avondmaal gaan ; doch met wat onderwys 
en voorbereiding is ligt te giften. De zelfde verordening, die 
in Denmarkem uitgegeven is, betreffende het onderwys der 
Kinderen in het Chriftendom en den weg ter Zaligheid , 
gelyk ook het Vormfel, wordt in Tsland mede beftipt in 
acht genomen ; weshalven de bekende Catechismus van 
den heer Biffchop Fontoppidans in de Tslandfche tale overge- 
zet 







van YSLAND. 



143 



zet is, en zowel by de Catechifatien in de Kerken als ook 
wanneer anderzins de Predikanten de Jeugd onderwvzen 
en verhoren, gebruikt wordt ; des ook niemand tot het 
Sacrament des Heiligen Avondmaals toegelaten wordt ten 
zy hy alvorens wel onderwezen is. Waaruit dan voW 
dat niemand in zyn achtfte of negende Jaar toegelaten wordt* 
vermits men m zodanig een ouderdom in Tsland niet meer 
dan in andere landen een volkomen nagedachten en kennis 
van God yke zaken vermoeden kan. De voorgewende 
noodwendigheid, waarom de Kinderen dus vroeg tot het 
Sacrament toegelaten zouden worden, naamlyk^ de vele 
gevaarlvkheden die zy fteeds op de Zee onderworpen 
zyn, heeft geen' plaats, vermits immers de Kinderen in 
die jonge Jaren geenzins den zwaren arbeid wederftaan kon- 
nen, om op Zee te roejen en te villen , waar by zy niets 
konnen uitrichten, alvorens zy enigermaten tot Jaren en 
krachten zyn gekomen, en men behoeft niet te denken, 
dat de Tslanders zu\ke Reuzen zyn, dat hunne Kinderen 
reeds m hun acht fte of negende jaar den arbeid zouden 
konnen weerftaan, die den Ouderen en fterkeren genoeg te 
doen geeft. Velen worden gevonden, bereids in enige Ja- 
ren krachten genoeg hadden, om mede op Zee te roeien 
en te vnTen,en nochtans by gebrek van behoorlyk onder wys 
niet tot het Heilig Avondmaal toegelaten wierden, waaruit 
op te maken is, dat zy zo jong niet waren als voorgegeven 
wordt, noch ook zonder noodwendige en genoegzaam on- 
derwyzing aangenomen zyn. 

§. C VI. Van de deugden der Tshnders en wat men iets Van de 
goeds aan hun zoude konne vinden, heeft men den heerF ebr f' 
Buraemeefter Anderfin geen woord weten te berichten joude" 
maar van hunne ondeugden ftoffen tot een geheel Artikel 
konnen o pfchoffelen, 't geen dus begint: Degantfche hoop 
weet dus weinig mn God en zyn gebod. De mee ft en zyn bygi 
lovig, en zweren zo ligt, dat menig een geen zwarigheid maakt 
voor een paar mark Jegens zyn naaften bloedverwant een valfchen 
üedtedocn. Zyn kyfachtig en boosachtig, wraakgierig, door/le- 
pe® 




S C H R Y V I N 

ten loos, onmatig, geil en ontuchtig, ledrieglyk en diefachtig. 
Wat doch kan fchandelyker van een' Natie op den gant- 
fchen aardbodem gezegt worden ? Want men zegt niet, 
dat de een' of de anderen met die ondeugden en boosheden 
behebtzyn, maar het is de gantfche hoop. Gewis, wanneer 
de Tslanders in hunne Religie en Chiiftendom zo zeer 
vervallen waren, gelyk te voren van hun gezegt is, 
hadt men niet veel deugden van hun te vermoeden; 
doch nadien ik bewezen heb, dat het met het Chriftendom 
infsland zodanig niet toegaat, is het ook onmooglyk dat 
het Caraóler van de Natie zo godloos en laakbaar zoude 
konnen zyn. Ik geloof nooit, dat een' heiden fche Natie 
In de Waereld doorgaans en algemeen zo affchuwlyk en 
boosaardig befchreven is; weshalven ik hope , dat niemand 
van de Tslanders, als Chriftenen, die nieteerft gifteren van 
het Heidendom bekeert zyn geworden, dus oordeelen zal. 
De vele TsJandfche Studenten en andere van die Natie, wel- 
ke Jaarlyks naar Denmarken reizen, om het een of ander 
nut beroep te leren, konnen ook ten levendigen bewyzen 
tegens dit zo fchandelyk bericht van die Natie dienen ; 
want zy doorgaans van alle de genen, die hun eerft le- 
ren kennen, een zo goed getuigenis hebben, dat zy hen 
ongaarne weder uit hunnen dienft ontdaan. Als een' oor- 
zaak, waarom de Tslanders zo ondeugdzaam en laakbaar 
zyn, wordt het volgende bygebragt : wat ondeugden kan 
men niet vermoeden van lieden , die toomloos , zonder uitwendige 
opzicht in de grootfle ongebondenheid, in het wild en op de Zee 
onder geftadige gelegenheden , om ongemerkt en mitsdien ftraffeloos 
lunne begeerten te voldoen, leven, en daarenboven aan de vrugt- 
laar ft e Moeder van alle gelreken, de Dronken fchap , zo fier k 
geftadig en doorgaans ver (laaft zyn? Zo weinig als de te vo- 
ren opgerekende grote ondeugden den Tslanders door- 
gaans toegefchreven konnen worden, zo weinig vinden 
ook deze oorzaken plaats; hoewel ik niet lochen, dat al- 
daar, gelyk in andere landen, enige zodanige menfchen 
gevonden worden. De Tslanders hebben zo wel een ge- 

wjftê 



"* ■■ rt 



van YSLANa 



HS 



ivlite als andere Menfchen, en zyn in den Chriftelyken 
Godsdienft opgevoed , weshalven zy niet toomloos zyn : 
ook ontbreekt hun de uiterlyke opzicht niet, nadien een' 
Overheid en Rechtsdwang in het land is; zulks zy, hoe 
overmatig boos, hunne begeerte niet ongemerkt en ftraf- 
loos vervullen konnen. Zo lange zy op Zee liggen vis T 
fen , kan niets kwaads onder hen bedreven worden , ver- 
mits zy 'er geen' aanleiding toe vinden j want zy hebben 
nooit Brandewyn by zich op Zee, maar alleen hunne Syre , ge- 
lyk ik te voren zeide, en een weinig Tabak, die de mee- 
fien gebruiken. Wanneer zy weder aan land komen, 't 
geen hier de Wufte genaamt word, zyn zy moede en uitge- 
hongert; zulks zy niets meer verlangen, dan enige fpyzen 
te konnen bekomen. £n wanneer ik ook volgens het 
denkbeeld redeneer, 't geen men den Schryver van het 
land gemaakt heeft, naamlyk dat aldaar een Amtman, 
3 Laugmannen en 24 Syffelmannen zyn, die ieder een 
Dorp of klein gebied onder zich heeft, kan ik niet zeggen , 
dat de Tsfanders in 't wild leven, of dat zy geen uiterlyke 
opzicht hebbenden ware men de Overheid evenzo deugd- 
zame lieden maken wilde, als men de inwoonders afge^ 
fchildert heeft. Dat de inwoonders aan de dronkenfchap 
niet verflaaft zyn, heb ik op zyn' plaats gezegt, toen ik 
beantwoordde,'tgeen hun te voren onrechtmatig te laft ge- 
legt was, naamlyk dat Mannen en Vrouwen, jong en oud 
zich in den Brandewyn misgaan, en hun hier weder vin- 
niger dan naar waarheid nagegeven wordt. Wanneer dan 
de vermeende oorzaken tot de grootfté feilen en ondeug- 
den, die de TsJanders onderhevig zouden zyn, geen grond 
hebben , moet men des te gewiiTer verzekert wezen, dat de 
zaak zelve ook zodanig niet is. 

Het overige van dit Artikel zal ik flegts alleen by bren- 
gen, zonder 'er over te redeneeren, vermits de Yslanders 
daarin niet voornaamlyk aangetaft worden. Die woorden 
luiden dus: ik zwyge wat bywylen, om jiaatkundige redenen { 
door de vingeren gezien of alhier gedoogt moet worden*, r t geen 

* mj 



n 



V I N 

my "iet betaamt te beoordeelen. Ik zal maar alleen ene gebeur- 
tenis by brengen : voor weinig jaren , als bet Eiland door een be- 
fmettelyke ziekte, of aanftekende dodelyke builen, byna uitge- 
ftorvenwas, gebeurde het, dat men, tot te fpoediger weder 'be- 
volking van bet zelve , vermits weinige uit andere landen des 
Konings een begeerte betuigden, derwaar ds over te gaan, de jonge 
dochters vergunde, haar vaderland met zes onechte kinderen, 
onbenadeelt hare Maagdelykeere ,te vermeerderen Doch nadien 
die goedwiUige fchepfelen zich te gerieflyk en te ongebonden be- 
toonden, zag de Over hei d zich welhaaji verplicht, hare fchande- 
lyken yver te beteugelen, en daar toe, zo ik het mag geloven , 
eenftraf, de misdaat gelykformig , doch die ik niet noemen durf , 
te gebruiken. Gelyk de Schryver over die byzonderheid 
niet heeft willen uitweiden, laat ik ook aan anderen over , 
het aangehaalde tecritifeeren, vermits mynecritique moog- 
]yk te fcherp zoude zyn, nadien ik chriftelyke redenen 
van Staat met een zo heidenfche handelwyze niet overeen 
brengen kan. Dit zal ik maar alleen zeggen, dat dit voor- 
val gebeurt zoude moeten zyn, toen de zogenaamde kle- 
vende doodlyke Pokjens in den Jare 1707 in het land 
graïïèerden; maar vele 1000 Menfchen, die ten dien tyde 
leefden, weten niet, dat zodanig een' zaak gefchied is, 
als hier aangehaalt wordt, welke eindelyk gene verzeke- 
ring behoeft \ want ik niet hope, dat iemand zo onchrift- 
lyk zal denken, dat het gefchied zoude konnen zyn. 
Van §• CVII. Dit Artikel luidt dus: hunne Huwely ken volt rek- 
fcunne ken zy , volgens hunne gemoedsneigingen en toe/tand, met weinig 
Huwe- plechtigheden. Het gebeurt niet zelden, dat zowel, gelyk 
elders, gedwongen Huwelyken gefchieden, en niet altoos 
volgens hunne neigingen , maar naar belang. Ook gefchied t 
het niet zelden , dat een Vader of naafte bloedverwant, 
om zekere redenen , tot het een of ander Huwelyk zyne 
toertemming weigert te geven ; welke bewilliging in 1'sland 
zo wel plechtig als elders vereifcbt wordt. Het is doorgaans 
het gebruik, dat de Predikant de Bruid van haren Vader > 
Moeder of dien, onderwelke zy ftaat^ verzoekt j doch de 

Huwlyks 



lyks 

plech 

tighe- 

«ten. 



L 











v a n Y S L A N D. 147 

Huwlyks plechtigheden zyn niet zeer groot, en noch min- 
der het getal der Bruiloftsgaften , vermits de Huizen door- 
gaans klein zyn. 't Geen derhalven den Schryver desaan- 
gaande bericht is , is in zo verre niet bezydende waarheid, 
naamlyk : dat de Bruiden Bruidegom door de beiderzyds naat- 
Jte Prtenden mar de Kerk gebragt, en aldaar door den Prie- 
jter getrouwt voorden, maar het daarop volgende is des te 
onwaarachtiger en fchandelyker bericht, wanneer gezegt 
word: ■vervolgens treden deze drie mar het boven einde £r 
Kerk, en zetten zich tegen den Wand, langs welken de Trien- 

tr l, n h f %,dett MUn - De Brui * lMt »* "* Be- 
kermet Brandewyn geven (want gene byeenkomften , veel min- 

tl F pIe f' Se ,> d °° r ien > *■*■!*» boven alles gefcbat 
^verheugend vocht gehouden wordenUn brengt denzehen hare 

T/ZIT' '' */* '&-> door «* *&% hpn van 
Z, ft' 77 *"B**M ™MJ irft. De Bruidegom 

rL ah Sgelyh , """, %yM Zyde > en dus S^t de Beker z. ÏZ 
rond als men denzehen w de hand, en zich zelven op de 
lenen houden kan. Dus worden de onWe beried vaader 
ïïW^^dronkenfchap in den Brandewyn, 'die z v b va lle 
gelegenheden en ook zelfs in de Kerk oeffenen zonden ge- 
ftad,g aangehaalt; doch men heeft voorzichtig gedaan ' S de 
Tslanders tegens den Wand in de Kerk te p?aafffn, op'dat 
zy door hunne dronkenfcbap zich niet zonden bezeeren 
Het fraaifte ,n deze Hiftori is, dat zy zeer luchtig ter ne" 
der ,s geftelt, waar toe de berichters van den Schryver" 

»:« j-a,** assüS 

tiouwt, na dat de Godsdienft vo eens e-e woon te h PO nnn a 

S 1 7 Ieer d f , Pred , ikant °p den pSSSSÖRïï 

mede de gantfche plechtigheid in de Kerk volbragt 'en gil 









BE'SCHRY'VING 

ne gelegenheid tot Brandewyn drinken is. Na het eindi- 
gen van den Godsdienft begeeft zich het jonge paar bene- 
vens de gaften naar het huis van de Bruiloft, alwaar zy 
naar hun vermogen en ftand eten, drinken en met geoor- 
lofde vrolykheden zich vermaken, als wanneer wel eens 
een teug Brandewyn genomen wordt, gelyk by ons, als- 
gemene lieden Bruiloft houden. Muziek en dans is- by hen 
in geen gebruik ; maareen ieder gaat naar Huis, wanneer 
hunne matige maaltyd een einde genomen heeft. 
Of de $• CVlffc Dat de Tshnders liefhebbers van enige foorten. 
Yslan- G van Spelen zyn, kan met waarheid niet gezegt worden,, 
ders lief f fc hoon enigen van hun Schaken , en anderen met de Kaart 
hebbers fpelen, by voorbeeld het by ons gebruiklyk Styrnfold en 
Schaaf Lanter. 't Geen men bericht heeft : dq£ zy zich inzonder- 
l^i^hid op het Schaak [pel leggen, waarin zy, gelyk hunne deswe- 
gens beroemde voorvaderen, grote me e ft er s zyn, kan in zoverre 
met waarheid gezegt worden r vermits onder hen het 
Schaakfpel meerder, dan by ons,, in gebruik is, en _ men 
nu en dan onder den geinenen man enigen vindt, die re- 
delyk wel Schaken ; doch dat zy thans daarin grote mees- 
ters zouden zyn , of 'er veel werk van maken , kan ik 
niet zeggen: maar het is te geloven en de Tslanders zyn 
zelven van gevoelen, dat hunne voorvaders dat Spel beter 
gefpeelt hebben. De voornaamfte oorzaak ,. waarom men 
hun die gave toegeichreven heeft, is gewis, op dat men 
teffens gelegenheid zoude konnen hebben, om enigen 
der voorgaande lafterlngen tegens hen te herhalen. Dus 
heeft men de oorzaak, waarom zy zo grote roeetters in 
't Schaakfpel zyn, met deze woorden te kennen gegeven: 
nadien zy , als de Vifchtyd voorby is, menige ledige uren en 
vele lange nachten hebben, doch niet gaarne meer, dan onver- 
mydelyk vereifckt word, arbeiden. De ledige uren, die de 
glunders ondertuflchen hebben, zyn in den Vifchtyd zel- 
ven y als wanneer vele menfchen uit het noorden en oo- 
flen op de vifchrykfte plaat fen byeen komen; en_ wan- 
weer enige dagen invallen, dat zy wegens Storm niet ter 



van YSLAND. 



H9 



Vifchvatigft konnen gaan , moeten zy enig tydverdryf 
hebben, vermits zy dan niets konnen verrichten. En dus 
kan het wel gebeuren, dat enigen met het Schaakfpel te 
dier gelegenheid dtn tyd verdryven. De lange nachten 
geven nun zo veel aanleiding niet , om op het Spel of an-' 
dere verlultigingen te denken; want wauneer zy niet fla- 
pen, werdt hun altoos de een of andere arbeid aangewe- 
zen nadien het tot des huiswaards voordeel niet zoude 
ftrekken wanneer zy ledig zaten. Dat zy niet gaarne- 
meer arbetden, dan onvermydelyk vereifeht word, is reeds op. 
zyn' plaats beantwoord en het tegendeel bewezen 

f CIX. Men heeft den Schryver (toffe gegeven , zyn Van 
boek met een Artikel van het danflèn der Tslanders tè ver hunne 
meerderen, waarontrent ik geen woord anders weet te zee nianier 
gen dan dat zy geheel niet danflèn. Ondertuflchen heeft Xfen 
het desSchryvers benchters behaagt, hem te vertellen : dat 
Mn danffen, waar van zy grote liefhebbers zyn, op een ouwer- 
wetfche eenvoudige manier gefchiedt. dat Mannen en Vrouwen 
tegens malkander en < ft aan huppelen en vallen, zonder van plaats 
U veranderen by verwiffelwg van het ene been op het ander enz. 
Het gefehied wel dat de Kooplieden, om zich zelven en 
de minders, die by hen m de handelplaatfen arbeiden, te 
verlufligen dezelve eens byeen roepen, en voor hun op 
de Viool doen fpelen, of hun iets te drinken geven da 
wanneer zy zo goed zy konnen omfpringenimaar anders 
danflèn zy niet, en hebben ook gene byzondere danflèn, 
Hun enigft vergenoegen, wanneer zy by de een-of andere 
gelegenheid onthaalt worden, beftaat daarin-, dat zy hun- 
ne ouae Tshndfche heldenliederen met luide kelen zmzen 
waar toe zy een' gantfche menigte en een' eige melodie 
heoben, die zeer plomp is, vermits zy niets van de muziek 
of enige inftrumenten weten, behalven dat deeenofander 3 
die een Viool by de Denen gezien heeft, iets dat na dezel *' 
ve gel y kt, hebben kan ; doch niet te gebruiken we^t 

% CX. Ten aanzien van. de Burgerlyke reeferine noemt Vande 
de Schryver een Amtman, die zyne Komnglyke Mafeftehvan^^"' 

T J Den !yke . m * 

3£ ^« -geering: 



1 






IfO 



BESCHRYVING 






Denmxrken in Island beeft $ doch gaat den voornaamften 
O verheids perfoon, dien de Koning over het land geftelt heeft , 
geheel voorby^ naamlyk den Stifts-Amtman, die dikwils 
een hoog en aanzienlyk heer van (tand en geboorte was, als een 
Guldensl'ówe , Guldensrone , en de tegenwoordige Kamerheer 
Graaf Rantzouw. De Stifts-Hoofdman plag altoos in Cop- 
penbagen te refideeren , maar de Amtman op 's Ko- 
ningshoeve Bejfefted De aantekening van den Schry- 
ver wegens den Amtman behelft : dat hy geen Edel- 
man is, maar jlegts een Secretaris of ander verdienftig of 
gelieft bediende van een groot Minifter van het Hof ' , wel- 
ke dat aanzienlyk Amt uit gunfte , of ter beloning van zyne 
getrouwe dien/ten verzogt beeft. Die aantekening, zeg ik, 
is zonder grond , eerftelyk, om dat zy, die Amtmannen 
aldaar waren, zulke lieden niet geweeft zyn, als zy hier 
befchreven worden, en ook om dat het den Koning zowel 
behagen kan , een Edelman als een anderen daar toe te beroe- 
pen , die zulks alles als een' gunft moeten aanmerken. Voorts 
fremt het zeer weinig overeen met de narichten, die de 
Schryver van Tsland bekomen heeft, dat iemand als een' 
gunft zoude verzoeken , naar zodanig een Klip gezonden te 
worden, die zo hoog in de Noordzee ligt en alwaar woefte,boos- 
aartige , fchelmfche en diefagtige menfchen , aangemerkt de 
onmatige ftrenge koude, half in de aarde gegraven, gelyk als in 
Zwyns Stallen wonen \ doch dewyl het een' dadelyke gunft 
is, tot Amtman aldaar benoemt te worden, kan men ook 
daaruit voor zeker befluiten, dat het land zo flegt niet ge- 
ftelt moet zyn, als men het den heer Burgermeefter Andef- 
fon ten onrechte afgefchildert heeft. De Kooplieden en 
Schippers zyn jegens den Amtman zo goed geweeft, dat 
zy zyn loon tot 400 Ryksdalers bepaalt hebben, offchoon 
zulks maar alleen Kronen zyn; ook hebben zy hem noch 
daarenboven aanzienlyker profyten toegelegt, dan een 
eerlyk man 'er maken kan, naamlyk meer dan eens zoveel 
wegensonzekere inkomften. Buiten den Amtman houdt 
de Koning een Landvoogd over Tsland, die alle de Koning- 

lyke 



^r 



▼ *n YSLAND. 



iji 



K^ nai t R k< T ftende , sli "? ds heft ' en van dezelve aan de 
KonmglykeRentkamerrekemngdoet. Deze heeft tot nu toe 
ter 2 e ver plaatfe gewoont, alwaar de Amtman woont 
naamlyk op's Konings Hoeve Befefled, niet Befuftet, gelyk* 
men den bchryver gezegt heeft; doch heeft thans verlof 
verworven, om op W,doe Kloofter te wonen. De mi da- 
digheid, die men den Amtman in zyn loon en profy ten 

rA m °, et . de landv ,°° êt betale "/dien men £&$% 
Ryksdalers tot loon toelegt, daar de Koning hem tot hier 
toe zo goet als 350 Ryksdalers in Kronen gegeven heeft, die 
noch onlangs met 100 Ryksdalers vermeerdert zyn' 
• § CXI. In dit Artikel vindt men zowel de Koninglvke Vande 
inkomften van het land , als ook hoe vele bedienden builen^ 
den Amtman en Landvoogd in 't land zyn. BeIangendeV ien - 
de eerftgenoemden, dezelve zyn niet altoos even groot de? Ko 
envoomoWkt^Vr "fe? f kers gezegt kan worden \ Ü5g.üT 
a P ^Z h Li ' d !' d | zu ] ken ' e r geen recht befcheid van tland - 
geweten hebben d,e den Schryver berichteden • dat de Ko. 
mng van emge hndflreken ook h van de ingevoerde Vifcbtiendel 
hekomt Tevoren is reeds gezegt, dat geen' Vifcht enden 
m het land geheven worden; doch' de ffhattingen en S 

fe in v4\ KOn K ng , bek ° mt ' Worden vo 'gens 's lands wy- 
ze in Viifchen berekent. Alle de Koninglyke revenuen 
van dien aart, zowel als andere inkomften, heffen de Svs- 
felmannen, een ieder m zynen Syflèl, volgens een' zekere 

verpachtingnaareen,aarlykfebelafting,diedeLandvoogdia 
• Ko n ing naam heft, en welke belading zo gemïtigt 
is, dat de Syflelmannen daarby teffens hun loon voorhun 
ne d.enften hebben konnen ; doch nadien de Landvoogd 
altoos Syflè man m Guldbringe-Syffel is, alwaar hy woont fn 
2 yn loon als Landvoogd heeft, doet hy zyne Syflèlreke- 
nmgen wegens de fchattingen en andere belaftingen aan 
de Koninglyke Rentkatner. De overige Koninglyke in- 
komften beftaan in de Pacht-fomme , die van de Kloo- 
fters en andere zyne Majefteit toebehoorende landeryen 
aan den Landvoogd aldaar te l*nde betaalt wordt. Het 

be- 




152 



BESCHRYVING 



f 



beloop van de inkomften des Konings is gantfch anders, 
dan men den Schryver bericht heeft; doch 't geen tot de 
befchryving van het land niet eigentlyk behoort. 

Men heeft bericht: dat aldaar drie Lorvmen, Landrichters 
of Schouten zyn { Lan ds domme r by den Denen) waar van ieder 
zyn landftreek of amt heeft ; maar nooit zyn wezentlyk meer 
dan twee Laugmannen geweeft , van welke de een de zui- 
der en oofter-vierdedeelen en de andere de noorder enwes- 
ter vierde deelen van het land heeft, waarin zy, gelyk de 
Lands-dommer by ons, Opperrichters zyn; maar nadien 
'er dikwils een of meer Vice-Laugmannen zyn, kan zulks 
de berichters van den Schryver aanleiding gegeven heb- 
ben, in plaats van twee , drie Laugmannen te noemen en 
z : ch dus te vergiffen. En noch zyn hier 24 Sy 'slome n , zegt de 
Schryver, waar van ieder een Dorp of klein gebied onder zich 
heeft, dergelyken by de Denen Herreds Dommere genaamt 
worden. In Tsland zyn 18 Syffelen, onder welke Male- en 
Skaftefields SyiTelen , ooftwaards in het land, ieder twee Sys- 
felmannen hebben, vermits zy groot en wyd uitgeftrekt 
zyn. Dus zyn 20 Syffelmannen in Tsland, en daarenboven 
.noch een op het Weftman Eiland; waarom men de reke- 
ning niet hoger dan tot 21 Syffelmannen voor gantfch 
Tiland brengen kan. De ene Sylfelman in Male Syffel , die 
het zuider of middelde gedeelte van de Sy (fel heeft, heeft 
15" Dingplaatfen, welken, wanneer hy dezelve op denvaft- 
geftelden tyd bezoekt, 't geen in de lente gefchiedt ,een' 
reize van volkomen 5"o mylen vorderen. Hier uit blykt , 
•wat een aanzienlyk Dorp of klein Gebied een Syffdmznheeft. 
Van de Dorpen zal ik niet fpreken, waar over een Syffel* 
man in Tsland geftelt zoude zyn, vermits ik te voren ont- 
vouwt heb, dat in dat Eiland gene Dorpen gevonden wor- 
den. De verrichting en het Amt van een Sy (fel man is het 
zelve als de Herreds-Schouten by ons, naamlyk zy zyn 
Onderrechters een ieder in zyn SyiTel, en teffenseen' foort van 
Schouten, vermits zy de Koninglyke Schattingen van den 
gemenen man volgens hunne verpachting heffen , waarvan 

te 



«• 




va« Y S L A N D. 



ïjj 



te voren gefproken is. Nadien zy gemeenlyk genoegzame 
de lieden" D ' Zyn z ? ook aanz 'enlyke «n verregen- 

- S. CXII. Hier worden drie Wetten aangehaalt a/r te V ao 
R'fMr waarnaar :n Ysland jiwbAA W. Het eerfte ishunnê 
het oude Tshndfcbe Lowboek, door den Koning Mamts La- Wetaa - 
gebetfer uitgegeven, naar 't welk men zich, zo veel de 
iwfvolgingen , liggende Gronden en Stamgoederen betreft, 
richt. Wat de Erfdeelingen en Proceflèn over Eigendom' 
men en in t algemeen het myn en dyn betreft, wordt vol- 
gens de gemelde oude Tslandfibe Wetten beoordeelt, doch 

t geen de Schryyer 'er by voegt, en waarin, gelyk hv 
zegt .inzonderheid naardie Wetten geoordeelt wórdt, naam- 

ilri^ g Tu ren -' daa , r van weet men üBWUrt het 
geringde. Aldaar is wel een' foort van Adels-ret, 't geen 
de bchryver mooglyk voor Stamgoederen genomen beeft" 
maar m de Proceflèn neemt men tot de Noorweeg fièTZl 
tr£ U K ht ; V f rvol #? ns ™°rdt het Ctrifiim-Reïten by*e- 
bragt als het andere Richtfnoer, waarnaar in Geeftlyklza- 
ken geoordeelt wordt; doch 't geen alzo niet is,nadien het 
g^VenT/h* ,,af p fch » ft . en daaropgeen acht Jneer word 
|„ agen ' , behal ven ten aanzien van de Tienden, hoeveel en 
waar van dezelve gegeven moet worden. Voor 't overige 
wordt m alle geeftlyke zaken naar het tweede Boek der 
Noorweegfiie Wetten en verfcheide Koninglyke Oeftrtoen 
geoordeelt. Het derde Richtfnoer , waarnaar geóoXeU 
word, noemt de Schryver :< S>, ra Dommer of Richterboek 
' geen door Frednk II. beveiligt is, naar 't welke zowel 
als naar het Louwboek van CbriftiaanV. in de Sffi 

Zl aden f e " Ch£ 20ude Worden - D °<* den naam iw 
t\Zl^? a \ n °M m ï fcS^er die Ordonnantie een 
Kichterboek, ten blyke, dat hy 't zelve voor een Lom- 
S£ de ° hee ft» ,°ffchoon het niet anders dan een- 
Ordonnantie op twee bladen Papier in quarto is, die in den 

door & d ? r t e ^%m^m f augmannen en 24 
door hen daartoe benoemde Mannen is gemaakt en flegtt 

v al- 










SCHRYVING 



alleen de Bezwangenngs-zaken en derzelverftrafFen betreft. 
D.e Ordonnantie werdt in het volgende Jaar door den 
Koning Frednk II. onder dato Lun«f,j. April Ij6f . be- 
«riS,' e ft n ra n ^ rdl . e0rd0 »^ntie worden ook noch de Bezwan- 
genngs ftraffèn ingericht. Dus is het gelegen met het 
Storadommen, door den Schryver Richterboek gena^mt In 
formahtetten en misdaden wordtnaar het eerfte en zesde boek 
devNoorweeg/cbe Wetten van den Koning Cbriftiaan V Be- 
oordeelt. Daarenboven hebben de Tskmders veifcheidè bv- 
zondere Refcnpten en Ordonnantien , die met de hier voor 
genoemde te ge yk het Richtfnoer zyn, volgens welke in 
t land geoordeelt wordt. Voorts is'het naa°r waarheid, 't 
geen de Schryver verder zegt: dat de Koning FredriklV 
zekere ervaren Perfonen afgedragen beeft een nieuw Wetboek 
■voor Ysland te ontwerpen, welk Wetboek ook reeds voor 
en 'S e Jaren naar Denmarken is gezonden. 

Men heeft den Schryver doen zeggen : dat naar alle 
vermoeden her te lande onder de inge^tenen weinig gel. 

deretuffden de Btffcboppen en Konings-Bailluwen gebak, die 
by hoger beroep onmtddelbaar aan den Koning gïbragt zyn. 
wen^I Tl' Waal \ mede de BifTchoppen en landbailln- 
It \v H £ i ryVe , rS be . T ' cht l Is . «rtoom konnen hebben, 
dat zy dezelve als twiftzuchtiger dan anderen in 't land 
aanmerkten. OndertmTchen is het zeker, dat meer dan 
genoeg proceffen ontflaan,voornaamlyk van zodanig een aart. 
ah m Noorwegen Odelszaken genaamt worden. De Ckatien 
zyn by den gemenen man zo gemeen als op enige andere 
plaatfen, ja noch veel meer. Ik zoude niemand raden eens 
anders land te na te komen, of een Veeftal of iets dierge- 
I \°E den ,f ond te z «ten, die zich een ander toeeigent; 
want hy welhaaft een Citatie te verwachten zoude hebben 
Offchoon twee naburen Velden hebben, die zich enige 
mylen wegs uitftrekken, geven zy nochtans naauwkeurig 
acht dat geen' van hun dezelve zonder bewilliging en 
voordeel van den andere zich ten nutte zoude maken. Som- 

tyds 




ii_:v 



1 



? 



▼*»YSLAND. 



'*f 



van d it Artikel byna SèÜZ&?£ *ïfcf RB 

tf y de byuelmannen van een eder Svffel «rirW ƒ i 
ter eerfter inftantie voor de vSJ?«VT Zaak 

fej= ssS ££?£ **& 

halven den Amptman a!° t£fö? f/ ''"f™"™' , - dat be - 

onderrichter wegens weker ir icr ™ l J u g . dat een 

richt in rf4« geappelfeerf inn^l^j h<K ? fte S e " 

* geen^it dJn ft^^USïSSrf'» 
van wordt aan het Confiftoriaa! geS^eapptt^ 

z geen 









'5* 



BESCHRYVING 






| 



geen voor het Stift van Skalholts mede by Oeperaar op de- 
zelfde tyden als de andere gerichten gehouden wordt , 
waarin de Amtman in den> naam van den -Stifts Amt- 
man prefideert, en de Biflchop met de Prooften en Pre- 
dikanten Afleüoren zyn. Dit Gericht wordt by Hoolum- 
Stïft 'm den Herfft op een' Hoeve Flugemyre genaamt, $ 
mylen wegs van Hoolum gehouden ,werwaards de Amtman ie- 
mand zendt, om in zynen naam te verfchynen. Van het 
Confiftoriaal Gericht wordt ook lynrecht aan het hoogfte 
Gericht in Coppenhage geappelleert. In die Geeft! yke Vergade- 
ringen word ook teftens van a^ het gene gehandelt , wat tot het 
Geeftelyke behoort, en de Penfioenen aan oude uitgediende 
Predikanten en de Predikants Weduwen uitgedeelt. Gene 
Advocaten zyn in 't land bedelt ; maar moeten in iedere 
Vande zaa k ^ oor den Amtman op nieuw geconüitueert worden. 
Dood. § CXIÏI. Men heeft den Schryver bericht: dat de ene- 
ftraffcn cutien beide in Hahftraffelyke en Burgerlyke zaken , door de 
Rechts- onderrichters zelven verricht worden. Dus maakt men de 
SyfTelmannen tot Scherprichters, welk beroep, offchoon 
het eerlyk is , aidaar te lande nooit door een SyfTelman 
verricht wordt. Men oefTent geen' andere doodftraf, dan 
met den Byl het Hoofd af te flaan , te Hangen, en d^ 
Vrouwen te Zakken, of in een Zakte verdrinken. 

§. CXIV. Ten befluite wordt een Hiftori van een Tslatt- 
der van 14 of 15 Jaren aangehaalt, dien een Koopman 
van daar mede gebragt hadt , en van welken een' party 
kromme fprongen vertelt worden , die hy gemaakt zoude 
hebben, toen hy naar Hamburg kwam, en de grote Hui- 
zen en andere dingen zag, dien hy te voren nooit gezien 
hadt, en ook dat men hem in een* Opera gebragt hadt , 
waarin onder anderen een grote Draak vertoont wierdt , 
uit wiens open kaken enige vermomde Duivels hervoort- 
fprongen enz. , welke Hiftorie maar alleen verhaalt wordt 
om te tonen, hoe die Menfchen zich gedragen, wanneer 
zy in een ander gewed: en genoegzaam in een' nieuwe 
Waereld komen. Wanneer men niet reeds gewoon was , 
alles ten kwaadden te duiden, wat de Ydanders betreft, 

zou- 



plegin- 
gen. 



Befluit. 



■ p 



wat hem anders brieam V^wÜ de Huizen en 

zulks beduiden wi de zZtïj u^Y^' vroe S> wat 
onsbadt, nadien hy^eeTrn1„"L r d k at te hy 7 het Vader 
merkt hy nooit als maar afleen in £ K t y "V ? ange " 
gewelf gezien hadt nrlh„ j d Kerk z °danig een 
danig efn Jongeling bdïcben, t £e ; V °- UWi p heid van 20 " 
niet|eloven, da " JLi 3? ^ ard, § ,s > *™ ik echter 
JutfcL Natie voor Z o tz e oS Sn ""T de ,g an «^ 
het ook de ?W/ f fe Natie tot °ën^' f . derhalven ka " 

V 5 ftorie 







BESCHRYVING van YSLAND. 

ftorie bericht heeft, welbaaft kundiger geworden was, waaraan 
ook niet te twyffelen is. 't Geen verder van hem gezegt 
wordt , dat hy niet te bewegen was , in Denmarken te bly- 
ven, is alzo niet. Wel is waar, dat hy weder naar Ysland 
vertrok, na enige Jaren in Coppenbagen gedient te hebben, 
en gevolmagtigde wierdt by den Landvoogt; doch hy kwam 
federt weder naar Coppenbagen en werdt bediende der Raad- 
kamer, in welk amt hy voor enige Jaren wel bemiddelt 
overleden is. Dit is een' zo bekende zaak, dat men zelf 
zyn naam weet , die Iver Gislefen was. En dit , zegt de 
Schryver, is alles, wat ik van Ysland heb konnen zamenbren- 
gen, waar voor het publiek wylen den heer Burgermeefter 
Ander fon veei dank fchuldig is, want het dien heer niet ten 
kwaden geduid kan worden, dat de berichten, welke hy 
bekomen heeft, zo onwaar en ongegrond geweeft zyn, 
hoewel hy daarmede aanleiding gegeven heeft tot het geen 
hy wenfchte en nu gefchiedt, naamlyk dat een ander, die 
meer kundigheid, gelegenheid en ledigen tydhadt, zich de 
moeite gaf, het te vermeerderen en te verbeteren; want 
vermits ik my langer dan twee Jaren in Ysland opgehouden 
heb, hebben myne andere verrichtingen my tyd en gele- 
genheid overig gelaten, om 't geen den Schryver bericht 
en hem onwaar opgegeven was, na te zien, en derhalven 
het door hem uitgegevene te vermeerderen en te verbeteren. 
Gelyk de heer Schryver wenfchte, zo hoop ik ook, dat dit 
den groten Schepper ter ere gedyen moge , vermits deszelfs 
weldaden jegens Ysland, die in het Boek van den heer An> 
der/on vermindert waren, in klarerdachligtgeftelt worden , 
en dat den opmerkende myn arbeid tot onderrichten verge- 
noeging ftrekke, nadien hy door dit gefchrift een recht 
begrip van Ysland verkrygen kan. 



EINDE. 



. 







>**■"*" =»■* 



— - 




I 







' 



' J > I ^ » 









I 






MMBMMMPn 



'Jt 






'. 



i